BESLUIT.
I.
Degene, die van het aardse magnetisme niets anders kent dan de
gemagnetiseerde eendjes,die men in een kom met water heen en weer laat bewegen;
kan moeilijk begrijpen dat dit speelgoed, het geheim bevat van de inrichting
van het heelal en van de beweging van de hemellichamen. Hetzelfde is het geval
met degene, die van het spiritisme niets anders kent dan het bewegen van
tafels; hij ziet er alleen een uitspanning, een tijdverdrijf in voor een
gezelschap, en begrijpt niet dat dit eenvoudig en zo alledaagse verschijnsel,
dat in de vroegste oudheid en zelfs bij half wilde volken bekend was, in
verband kan staan met de meest ernstige vraagstukken van de maatschappelijke
orde. En inderdaad, welk verband kan er volgens de zienswijze van een oppervlakkig
waarnemer bestaan, tussen een ronddraaiende tafel en de zedelijkheid en
toekomst van het mensdom? Maar hij die nadenkt, herinnert zich dat uit de
eenvoudige ketel, waarin water kookt en waarvan het deksel opgelicht wordt, een
ketel, die eveneens van de vroegste oudheid af, gekookt heeft, de machtige
beweegkracht voortgekomen is waardoor de mens de ruimte doorklieft en de
afstanden teniet gedaan heeft. Welnu! gij, die aan niets buiten de stoffelijke
wereld gelooft, weet dan, dat uit die draaiende tafels, die uwe verachtende
glimlach opwekken, een gehele wetenschap, en de oplossing van vraagstukken
voortgekomen is, die nog geen een' wijsgeer heeft kunnen oplossen. Ik doe een
beroep op alle tegenstanders, die te goeder trouw zijn, en ik bezweer hen te
zeggen, of zij zich de moeite gegeven hebben, datgene te onderzoeken wat zij
afkeurend beoordelen, want in goede logica heeft een beoordeling geen waarde,
dan voor zooverre degene die beoordeelt, datgene kent, waarover hij spreekt.
Met iets te spotten dat men niet kent, dat men niet met het ontleedmes van een
nauwgezet onderzoeker gepeild heeft, is niet oordelen, maar een bewijs van
lichtzinnigheid, en geeft een armzalig denkbeeld omtrent eigen oordeel. Indien
wij deze wijsbegeerte als het werk van mensenhersenen voorgesteld hadden, zoude
zij zeker met minder minachting begroet zijn geworden, en zou zij de eer van
een onderzoek door hen, die vermenen de leiders van de opinie te zijn,
verworven hebben maar zij komt van de Geesten; welk een ongerijmdheid! het is ternauwernood
dat zij hunnen blik waardig is; men beoordeelt haar naar de titel, zoals de aap
uit de fabel, de noot naar het uiterlijke van de bast beoordeelde. Neemt zo gij
wilt, de oorsprong niet in aanmerking, veronderstel dat dit boek het werk van
een mens is, en zeg ons dan op uwe ziel en geweten af, of gij er na het met
ernst gelezen te hebben nog stof tot spotternij in vindt.
II.
Het spiritisme is de geduchtste bestrijder van het materialisme;
het behoeft dus geen verwondering te baren dat het de materialisten onder zijne
tegenstanders telt; maar daar het materialisme een leer is, die men
ternauwernood durft bekennen, (een bewijs dat zij, die het belijden, zich niet
zeer sterk voelen en door hun geweten bedwongen worden) verschuilen zij zich
achter de mantel van de rede en de wetenschap, en vreemd genoeg, spreken zelfs
de ongelovigste, in naam van de godsdienst, die zij niet beter kennen noch
begrijpen dan het spiritisme. Hun mikpunt is vooral het wonderbaarlijke en het
bovennatuurlijke, dat niet door hen erkend wordt; en volgens hen kan het
spiritisme, gegrond zijnde op het wonderbaarlijke, niets anders dan een
bespottelijke verdichting zijn. Zij bedenken niet, dat als zij zonder
uitzondering, het wonderbaarlijke veroordelen, zij dan de godsdienst veroordelen;
want de godsdienst is op openbaring en wonderen gegrond; en wat is openbaring
anders dan bovenmenselijke mededelingen? Al de gewijde schrijvers vanaf Mozes,
maken van die soort van mededelingen gewag. Wat zijn wonderen anders dan in de
hoogste graad wonderbaarlijke en bovennatuurlijke feiten, daar het volgens de
kerk afwijkingen zijn van de natuurwetten; als zij dus het wonderbaarlijke en
bovennatuurlijke verwerpen, zo verwerpen zij de grondslagen van de godsdienst
zelf. Maar het is niet uit dat oogpunt, dat wij de zaak moeten beschouwen. Het
is de taak van het spiritisme niet te onderzoeken of er al of niet wonderen
bestaan, dat wil zeggen te onderzoeken of God in sommige gevallen, van de
eeuwige wetten, die het Heelal beheersen, heeft kunnen afwijken, omtrent dit
punt, laat het ieders geloof geheel vrij; het zegt en bewijst, dat de
verschijnselen waarop het gegrond is, van het bovennatuurlijke niets dan de
schijn hebben; die verschijnselen zijn dit alleen in het oog van enigen, omdat
zij ongewoon zijn en van de bekende feiten afwijken; maar zij zijn niet meer
bovennatuurlijk dan ieder ander verschijnsel, dat vroeger eveneens
wonderbaarlijk toescheen, doch waarvan thans de verklaring door de wetenschap
gegeven wordt. Alle spiritische verschijnselen zijn, zonder uitzondering, het
gevolg van algemene wetten; zij doen ons een van de machten van de natuur
kennen, een tot nog toe onbekende of liever onbegrepen macht, maar die door de
waarneming bewezen wordt tot de orde der dingen te behoren. Het spiritisme is
dus, zelfs minder dan de godsdienst, op het wonderbaarlijke en bovennatuurlijke
gegrond; zij, die het om die reden bestrijden, bewijzen dat zij het niet
kennen, en al waren zij de geleerdste mensen van de wereld, zouden wij hen
zeggen: Indien uwe wetenschap, die u zoovele dingen geleerd heeft, u niet
geleerd heeft dat het gebied van de natuur oneindig is, dan zijt gij slechts
halfgeleerden.
Gij wilt, zegt gij, uwe eeuw van een waanzin genezen, die de
gehele wereld dreigt te zullen overweldigen, zoudt gij liever zien dat de
wereld door het ongeloof, dat gij tracht te verspreiden, overweldigd werd? Is
het niet aan het gemis van alle geloof dat men de verzwakking van de banden van
het huisgezin en de meeste woelingen, die de maatschappij ondermijnen, moet
toeschrijven? Door het bestaan van de ziel en hare onsterfelijkheid aan te
tonen, wekt het spiritisme het geloof aan de toekomst weder op, boezemt het de
ternedergeslagenen weer moed in; doet het de wederwaardigheden van het leven
met onderwerping dragen; zoudt ge dit een kwaad durven noemen? Twee
leerstelsels staan tegen elkaar over; de ene loochent de toekomst, de andere
verkondigt en bewijst die; de ene bewijst niets, de andere bewijst alles en
spreekt daardoor tot het verstand; de ene huldigt de baatzucht, de andere
strekt tot grondslag van rechtvaardigheid, weldadigheid en liefde tot zijne
natuurgenoten; de eerste wijst ons slechts op het tegenwoordige, en ontneemt
alle hoop, de tweede troost ons en wijst ons naar het ruime veld van de toekomst;
welke van deze twee is nu de gevaarlijkste?
Sommige mensen, en onder hen de meest ongelovigen, treden op als
verdedigers van broederliefde en vooruitgang; maar broederliefde veronderstelt
belangeloosheid, zelfverloochening; met ware broederliefde is hoogmoed
onverenigbaar. Met welk recht zult gij dan een opoffering aan iemand opleggen
aan wie gij zegt, dat als hij dood is, alles voor hem gedaan is; dat hij morgen
wellicht niets meer zal zijn dan een oud versleten werktuig, dat men in een
hoek zal werpen? Welke redenen kunnen er voor hem bestaan om zichzelf een
enkele opoffering, welke dan ook te getroosten? Is het niet veel natuurlijker,
dat hij gedurende de korte tijd, die gij hem gunt, zo goed mogelijk tracht te
leven? Vandaar die zucht om veel te bezitten, om meer te kunnen genieten; uit
die zucht ontstaat naijver jegens hen, die meer hebben dan hij, en tussen dien
naijver en de begeerte om anderen wat zij hebben, af te nemen,ligt maar één
schrede rede. Wat zoude hem hiervan terug houden? De wet? Maar de wet
achterhaalt niet elk geval? Zult gij zeggen dat het 't geweten, het gevoel van
plicht zal zijn? Maar waarop grondt gij het besef van plicht? Heelt dit gevoel
een reden van bestaan bij het geloof dat alles met het leven een einde neemt?
Met dat geloof is slechts een grondregel rationeel en die is: ieder voor
zichzelf; de denkbeelden van broederliefde, geweten, plicht, humaniteit, ja
zelfs van vooruitgang zijn slechts ijdele klanken. 0! gij, die zodanige
grondstellingen verkondigt, gij kent niet al het kwaad dat gij aan de
maatschappij doet, en weet niet van hoeveel misdaden gij de
verantwoordelijkheid op u laadt! Maar wat spreek ik van verantwoordelijkheid?
Voor de ongelovige bestaat er geen verantwoordelijkheid; hij vereert alleen de
stof.
IV.
De vooruitgang van de mensheid vindt zijn eerste oorzaak in de
toepassing van de wet van de rechtvaardigheid, liefde en weldadigheid; deze
wet is gegrond op de zekerheid van een toekomst; neem deze zekerheid weg,
en gij ontneemt haar hare grondslag. Uit deze wet vloeien alle anderen voort,
want zij bevat alle voorwaarden voor 's mensen geluk, zij alleen kan alle
wonden van de Maatschappij helen, en de mens kan dan door vergelijking van
tijden en volken beoordelen hoeveel zijn toestand verbetert, naar gelang die
wet beter begrepen en toegepast wordt. Indien een gedeeltelijke en onvolmaakte
toepassing een wezenlijk goed voortbrengt, wat zal het dan niet zijn als hij
er de grondslag van alle zijne maatschappelijke instellingen van gemaakt zal
hebben! Is dit mogelijk? Ja; want daar hij tien stappen gemaakt heeft, kan
hij er twintig, en zo vervolgens afleggen: Men kan dus door het verleden een
oordeel over de toekomst vellen. Reeds zien wij langzamerhand de natuurlijke
afkeer die ertussen volken onderling bestaat afnemen; de slagbomen die hen
van elkaar scheiden, worden door de beschaving opgeheven; van het ene eind
van de wereld tot het andere reikt men elkaar de hand; een grotere rechtvaardigheid
beheerst de internationale wetgeving; de oorlogen worden hoe langer hoe zeldzamer,
en sluiten geen gevoel van menselijkheid uit; eenvormigheid heerst in de wederzijdse
verplichtingen, het verschil tussen rassen en kasten wordt uitgewist, en de
mensen van verschillend geloof, leggen het stilzwijgen aan sektevooroordelen
op, om zich met elkaar te verenigen in de aanbidding van eenzelfde God. Wij
spreken van de volken, die aan de spits van de beschaving staan. (zie 789
- 793) Met dit alles, is men nog ver van de volmaaktheid verwijderd,
en er zullen nog vele oude bouwvallen neergehaald moeten worden, voor dat
de laatste sporen van de barbaarsheid verdwenen zullen zijn, maar zullen die
bouwvallen zich tegen de onweerstaanbare macht van de vooruitgang, tegen die
levende kracht, die zelve een wet van de natuur is, kunnen staande houden?
Indien het tegenwoordige geslacht meer gevorderd is dan het vorige, waarom
zou dan het aankomende niet meer gevorderd zijn dan het onze? Het zal door
de kracht der dingen zo zijn; ten eerste, omdat met de geslachten, ook elke
dag enige kampioenen voor oude misbruiken verdwijnen, en dat op die wijze
de maatschappij allengs uit nieuwe elementen, die de oude vooroordelen afgelegd
hebben, zal bestaan; ten tweede, omdat de mens vooruitgang wil, en om die
te bevorderen de hinderpalen opspoort, en zich tot taak stelt die uit de weg
te ruimen. Daar dus de vooruitstrevende beweging niet te ontkennen is zo kan
de vooruitgang in de toekomst niet meer twijfelachtig zijn. De mens wil gelukkig
zijn, dit ligt in zijne natuur, en hij zoekt alleen vooruitgang om de som
van zijn geluk te vergroten, zonder dat, zou de vooruitgang voor hem zonder
doel zijn; waarin zou voor hem de vooruitgang bestaan, als deze geen verbetering
in zijnen toestand teweeg bracht? Maar wanneer hij de som van de genietingen,
die de intelligente vooruitgang hem schenken kan, verkregen zal hebben, zal
hij ontwaren dat zijn geluk nog niet volmaakt is, hij zal inzien dat zonder
zekerheid in de maatschappelijke betrekkingen dat geluk onmogelijk is, en
die zekerheid kan hij alleen in zedelijke vooruitgang vinden, zo zal hij door
de kracht der dingen, zelf tot vooruitgang op die weg aanzetten, en zal het
spiritisme hem de krachtigste hefboom om dat doel te bereiken in handen geven.
V.
Degenen, die zeggen dat het spiritische geloof dreigt de wereld
te zullen overweldigen, verkondigen daardoor zijne macht, want een denkbeeld
van alle grond of logica ontbloot kan niet algemeen ingang vinden; indien het
spiritisme dus overal wortel schiet, indien het zijne volgers voornamelijk
onder de verlichte standen vindt zoals ieder erkent, dan komt dit doordien het
gegrond is op waarheid. Tegen deze richting zullen alle pogingen van zijne
lasteraars schipbreuk lijden, en dit wordt bewezen door de bespotting waarmede
men het tracht te overladen, doch welverre dat door die bespotting zijne vlucht
belemmerd wordt, schijnt het, dat het daardoor een leven verkregen heeft. Deze
uitkomst rechtvaardigt geheel, datgene, wat de Geesten ons zo dikwerf gezegd
hebben: "Hebt geen zorg over die tegenstand; al wat men tegen u zal doen,
zal blijken te uwe voordeel te zijn, en uwe grootste tegenstanders, zullen
zonder het te willen, uwe zaak bevorderen. Tegen Gods wil, vermag de kwade wil
van de mensen niets."
Het mensdom moet door het spiritisme in een nieuwe toestand
gebracht worden, in de toestand van zedelijke vooruitgang, die er het
onvermijdelijke gevolg van is. Verwonder u dus niet langer over de snelheid
waarmede de spiritische denkbeelden zich verspreiden; de oorzaak hiervan is de
voldoening die zij verschaffen aan allen, die ze doorgronden en er iets anders
inzien dan een beuzelachtig tijdverdrijf; en aangezien men voor alles gelukkig
wil zijn, behoeft men zich niet te verwonderen dat men aan een denkbeeld hecht
dat ons gelukkig maakt.
De ontwikkeling van die denkbeelden heeft drie verschillende tijdperken
opgeleverd: het eerste, dat van de nieuwsgierigheid, hetwelk zijn ontstaan
aan het vreemde van de verschijnselen die voortgebracht werden te danken had;
het tweede is dat van de redenering en van de wijsbegeerte; het derde dat
van de toepassing en gevolgen. Het tijdperk van de nieuwsgierigheid is voorbij;
nieuwsgierigheid duurt slechts enige tijd en eens bevredigt, laat zij er het
voorwerp van rusten om tot een ander over te gaan; anders is het gesteld met
zaken die ernstige gedachten en overdenking opwekken. Het tweede tijdperk
is begonnen, het derde zal onvermijdelijk volgen. Het spiritisme heeft vooral
vorderingen gemaakt sedert men er het wezen beter van begrepen heeft en men
er de strekking van inziet, omdat het de meest gevoelige snaar bij de mens
doet trillen: die van zijn geluk, en reeds op deze wereld; dat is de reden
van zijne verspreiding, het geheim van de kracht, waardoor het zegepraalt.
In afwachting dat zijn invloed zich over de massa's zal uitstrekken, maakt
het degenen die het begrijpen, gelukkig. Zelfs hij die niet een stoffelijk
verschijnsel bij ene manifestatie heeft bijgewoond, zegt tot zichzelf: buiten
de verschijnselen blijft er nog de wijsbegeerte over, en deze verklaart mij
wat nog GEEN ANDERE mij heeft kunnen verklaren; alleen door redenering vindt
ik een rationele verklaring van vraagstukken, die in de hoogste mate mijne
toekomst betreffen; zij boezemt mij kalmte, zekerheid, vertrouwen in; zij
verlost mij van de kwelling van de onzekerheid en bij dit alles, wordt het
vraagstuk van de stoffelijke feiten slechts van ondergeschikt belang. Gij
allen, die haar aanvalt, wilt gij een middel om haar met vrucht te bestrijden?
Hier is het. Geef er iets beters voor in de plaats; vindt een meerwijsgerige
oplossing op alle vraagpunten die zij verklaart: geeft aan de mens een ANDERE
ZEKERHEID, die hem gelukkiger maakt, en begrijpt goed de bedoeling van het
woord zekerheid, want de mens neemt alleen datgene, wat hem logisch voorkomt,
als zeker aan; bepaalt u niet; met te zeggen: dat is zo niet, want dat is
al te gemakkelijk; bewijst, niet door ontkenning, maar door feiten, dat het
zo niet is, nooit geweest is en zo niet wezen KAN; indien het niet zo is,
zegt ons dan vooral wat er in de plaats zou wezen; bewijst eindelijk dat het
gevolg van het spiritisme niet is, de mensen beter en gevolglijk gelukkiger
te maken door de toepassing van de zuiverste evangelische zedenleer, zedenleer,
die men veel prijst, maar die men zo weinig opvolgt. Wanneer gij dat gedaan
zult hebben, zult gij het recht hebben haar aan te vallen. Het spiritisme
is sterk omdat het op de grondbeginsels van de godsdienst zelf: God, de ziel,
de toekomstige straffen en beloningen, steunt, vooral ook omdat het die straffen
en beloningen als natuurlijke gevolg van het aardse leven leert kennen, en
niets van het tafereel, dat zij van de toekomst geeft, door de meest eisende
rede kan verworpen worden. Gij, wiens gehele leer bestaat in het ontkennen
van de toekomst, wat biedt gij aan tot vergoeding voor het lijden hier op
aarde? Gij steunt op het ongeloof, het spiritisme steunt op het vertrouwen
op God; terwijl het de mens tot geluk, hoop, en waarachtige broederliefde
uitnodigt, biedt gij hem HET NIET tot vooruitzicht, en het EGOÏSME tot troost
aan; het spiritisme verklaart alles; gij niets, het spiritisme bewijst door
feiten, en gij bewijst niets; hoe wilt gij dan nog dat men zal aarzelen tussen
deze twee leerstellingen, een keuze te doen?
VI.
Men zoude zich een zeer verkeerd denkbeeld van het spiritisme
vormen, als men dacht dat het zijne kracht uit de stoffelijke manifestaties
put, en dat men dus, door deze manifestaties te beletten, het in zijne
grondslagen zoude kunnen aantasten. Zijne kracht is gelegen in zijne
wijsbegeerte, in het beroep, dat het op de rede, op het gezond verstand doet.
In oude tijden was het het onderwerp van geheimzinnige studie, die men
zorgvuldig voor het gemeen verborgen hield, tegenwoordig heeft het voor niemand
geheimen, het spreekt in een duidelijke taal en zonder dubbelzinnigheid; bij het
spiritisme is niets mystieks, zijn er geen allegorieën die verkeerd uitgelegd
kunnen worden; het wil door iedereen begrepen worden, omdat de tijd gekomen is
om aan de mens de waarheid te doen kennen; wel verre van de verspreiding van
verlichting vijandig te zijn, wil het dat voor allen; het eist geen blind
geloven; het wil dat men weet wat men gelooft; door op de rede te steunen zal
het altijd sterker zijn, dan zij die op het Niet steunen. Zouden de
hinderpalen, waarmede men zou willen trachten de manifestaties te belemmeren,
in staat zijn die te beletten? nee, want zij zouden het gevolg hebben van alle
vervolgingen; zij zouden de nieuwsgierigheid en het verlangen om datgene wat
verboden is, te kennen, opwekken. Men zoude er daarentegen ongetwijfeld een einde
aan kunnen maken, indien die manifestaties het voorrecht van een enkel mens
ware, door ze bij die mens te beletten, maar ongelukkig voor de tegenstanders,
staan zij iedereen ten dienst, en men maakt er dan ook bij de kleinste tot de
grootste, van het paleis tot in de hut gebruik van. Men kan er de beoefening
van in het publiek van verbieden; maar men weet dat het juist niet in het
publiek is dat zij het beste plaats vinden, maar wel in de huiselijke kring; en
daar iedereen medium kan zijn, hoe zou men dan een familie in de huiselijke
kring, iemand in de afzondering van de binnenkamer, de gevangene achter de
traliën kunnen beletten, buiten kennis van de gerechtsdienaren, ja zelfs in
hunne tegenwoordigheid, gemeenschap met de geesten te hebben. Indien men die in
één land verbiedt zal men het dan in een nabijgelegen of in de gehele wereld
kunnen beletten, want er is geen land in de twee halfronden waar geen medium
is? Om alle de mediums gevangen te kunnen zetten, zou men het de helft van het
mensdom moeten doen, en ging men er toe over om alle boeken over het spiritisme
te verbranden, hetgeen niet gemakkelijker dan het andere zoude zijn, dan zouden
er de volgenden dag weder nieuwe zijn, omdat de bron ervan onaantastbaar is, en
men de Geesten, die er de wezenlijke schrijvers van zijn, noch gevangen zetten
noch verbranden kan.
Het spiritisme is niet het werk van een mens; niemand kan er
zich de schepper van noemen, want het is zo oud als de schepping; het is
overal, in alle godsdiensten, en in de Katholieke godsdienst nog meer en met
meer gezag dan in de anderen, want men vindt bij deze het beginsel terug van
alles: Geesten op elke trap staande, hunne geheimzinnige en duidelijke omgang
met de mens, de beschermengelen, de reïncarnatie, de emancipatie van de ziel gedurende
het leven, het tweede gezicht, de visioenen, de verschijningen van allerlei
aard, ja zelfs tastbare verschijningen. Wat de duivelen betreft, dit zijn niet
anders dan de kwade Geesten, en met uitzondering van het geloof, dat de eersten
voor eeuwig tot kwaad gedoemd zijn, terwijl de weg ter verbetering aan de
anderen niet ontzegd is, bestaat het verschil tussen die twee alleen in de
naam.
Wat doet de hedendaagse spiritische wetenschap? Zij verenigt
alles wat overal verspreid lag tot een geheel, verklaart in duidelijke en
verstaanbare bewoordingen wat slechts door beeldspraak bekend was; zij ontdoet
het van datgene, wat bijgeloof en onwetendheid er bijgevoegd hadden, om alleen
de werkelijkheid en het stellige te behouden; dat is hare rol, en niet die van
stichtster; zij wijst aan wat is; zij rangschikt maar schept niet, want hare
grondslagen behoren tot alle tijden en tot alle plaatsen; wie zal zich dan
sterk genoeg wanen om haar door honende spotternij en zelfs door vervolging te
smoren? Indien men haar aan de ene kant vervolgt, zal zij aan de andere en op
dezelfde plaats, van welke men haar verbannen heeft, weder te voorschijn komen,
omdat zij in de natuur is, en omdat het de mens niet gegeven is een van de
machten der natuur te vernietigen, noch aan Gods besluiten zijn veto opleggen.
Welk belang zoude men er trouwens bij hebben om de verspreiding
van de denkbeelden van het spiritisme hinderpalen in de weg te leggen? Het is
waar dat die denkbeelden de misbruiken, die in hoogmoed en in egoïsme hun oorsprong
vinden, aantasten; maar die misbruiken, die voor enigen voordelig zijn, zijn
nadelig voor het algemeen, het spiritisme zal dus de grote hoop voor zich
winnen, en zal alleen hen, die er belang bij hebben, misbruiken te bestendigen,
als ernstige bestrijders overhouden. Deze denkbeelden maken daarentegen door
hunnen invloed de mensen welwillender jegens elkaar, minder begerig naar
stoffelijke voordelen en meer onderworpen aan de besluiten van de
Voorzienigheid, en zijn daardoor een waarborg voor het behoud van orde en rust.
VII.
Het spiritisme doet zich uit drie verschillende gezichtspunten
voor: die van de feitelijke manifestaties, de wijsgerige en zedelijke
beginselen, die eruit voortvloeien, en de toepassing van die beginselen;
vandaar drie soorten of liever drie graden van ingewijden: 1. degenen, die aan
de manifestaties geloven en zich er bij bepalen die te constateren; voor dezen
is het een wetenschap van ervaring; 2. zij, die er de zedelijke gevolgen van
begrijpen; 3. zij, die deze zedenkunde in praktijk brengen of trachten te
brengen. Welke nu ook het gezichtspunt, uit welke men die verschijnselen
beschouwt, zijn moge, hetzij wetenschappelijk of zedelijk, zal iedereen toch
begrijpen dat er een geheel nieuwe gedachteloop door ontstaat, die niets anders
dan een grondige wijziging in de toestand van het mensdom ten gevolge kan
hebben, en iedereen zal inzien dat deze wijziging niet anders dan ten goede
zijn kan.
De tegenstanders van het spiritisme kan men eveneens in drie
categorieën verdelen:
1.Zij, die uit stelselzucht, alles wat nieuw is, of wat niet van
hun afkomstig is, ontkennen, en daarover zonder kennis van zaken spreken. Tot
deze klasse behoren allen, die niets aannemen dat buiten de getuigenis van de
zintuigen ligt; zij hebben niets gezien, willen niets zien, en nog minder iets
doorgronden; het zou hen zelfs onaangenaam zijn als zij te duidelijk zagen, uit
vrees te moeten bekennen dat zij geen gelijk hebben; voor dezen is het
spiritisme een hersenschim, een dwaasheid, een utopie; het bestaat niet,
daarmede is men er het spoedigste van af; het zijn ongelovigen, die niet willen
geloven. Naast dezen kunnen wij hen plaatsen, die om hun geweten te bevredigen
er een blik in geslagen hebben, om te kunnen zeggen: Ik heb willen zien, maar
ik heb niets gezien; zij begrijpen niet dat er meer dan een half uur toe nodig
is om zich van ene gehele wetenschap rekenschap te kunnen geven.
2.Zij, die alhoewel zij zeer goed weten, waaraan zij zich ten
opzichte van de werkelijkheid van de feiten te houden hebben, nochtans die
feiten uit eigenbelang bestrijden. Voor hen bestaat het spiritisme, maar zij
vreezen de gevolgen; zij vallen het aan, alsof het een vijand ware.
3. Zij, die in de zedenkunde van het spiritisme een te strenge
afkeuring van hunne daden of neigingen vinden. Het ernstig opgevatte spiritisme
zou hen hinderlijk zijn, zij nemen het niet aan, noch verwerpen het: zij
sluiten liever hunne ogen. De eersten worden gedreven door hoogmoed; de tweeden
door eerzucht; de derden door baatzucht. Men zal inzien dat aangezien deze
oorzaken van oppositie niets degelijke inhebben, zij mettertijd verdwijnen
moeten, want wij zoeken tevergeefs naar een vierde soort van tegenstanders, die
zich op duidelijke tegenbewijzen, die van een nauwgezette en ijverige studie
van het vraagstuk getuigt, zouden kunnen beroepen; allen stellen er niets
tegenover dan ontkenningen; niet één komt met ernstige en niet te weerspreken
wederlegging tevoorschijn.
Men zoude een te grote verwachting van de menselijk natuur
koesteren, als men dacht dat zij opééns door de spiritische denkbeelden zou
kunnen hervormd worden. Hunne uitwerking is bij allen, die ze omhelzen, zeer
zeker niet dezelfde, noch even sterk; maar welke het gevolg ook zijn moge, is
het altijd, hoe zwak ook, een uitwerking ten goede, ware het alleen door het
bewijs te leveren van een onlichamelijke wereld, waarin de ontkenning van de
materialistische leerstellingen opgesloten ligt. Dat is het gevolg van de
waarneming van de feiten zelf, maar bij hen, die het wijsgerige spiritisme begrijpen,
en er iets anders inzien dan meer of minder merkwaardige verschijnselen, doet
het andere uitwerkselen ontstaan; de eerste en meest algemene, is, dat het het
godsdienstig gevoel ontwikkelt, zelfs bij degene, die zonder materialist te
zijn, niet anders dan onverschilligheid voor de dingen van de geest over heeft.
Het doet bij hem verachting van de dood ontstaan, wij zeggen niet, het
verlangen naar de dood, want wel verre van dat, zal de spiritist zijn leven
even goed verdedigen als ieder ander, maar hij verkrijgt een zekere
onverschilligheid, die hem zonder morren en zonder leed, een niet te vermijden
dood, doet tegemoet gaan, als iets dat door de zekerheid van de staat, die er
opvolgt, meer een geluk dan te duchten is. Het tweede uitwerksel, bijna even algemeen
als het vorige, is gelatenheid bij de wederwaardigheden van het leven. Het
spiritisme doet de dingen uit zulk een verheven standpunt beschouwen, dat het
leven op aarde het drie vierde van zijne belangrijkheid verliest; men wordt
niet meer zo aangedaan door de wederwaardigheden, die aan dat leven eigen zijn:
vandaar, meer moed bij verdriet, meer gematigdheid in zijne wensen; daardoor
ook het verdrijven van de gedachte om zijn leven te verkorten, want het
spiritisme leert, dat men door zelfmoord al datgene verliest wat men er door
dacht te winnen. De zekerheid van een toekomst, die het van ons zelve afhangt
gelukkig te maken, de mogelijkheid om met wezens, die ons dierbaar zijn, in
gemeenschap te kunnen zijn, bieden aan de spiritist een verhevene troost aan;
zijn gezichteinder breidt zich tot in het oneindige uit door de onafgebroken
blik, die hij in het leven aan gene zijde van het graf slaat en waarvan hij de
geheimzinnige diepte kan peilen. Het derde uitwerksel is tot toegevendheid voor
de gebreken van anderen te stemmen; maar het mag niet verzwegen worden, dat het
beginsel van egoïsme en al wat daaruit voortvloeit datgene is, wat bij de mens
het meest vasthoudend en daarom het moeilijkste uit te roeien is; men offert
gaarne iets op, mits het niets koste, en vooral als men zich daarvoor niets
behoeft te ontzeggen; het geld heeft nog voor de grote hoop zo iets
onweerstaanbaar aantrekkelijke, en slechts zeer weinigen begrijpen als het hen
betreft, het woord, overtollig: daarom is ook de zelfverloochening het bewijs
van de verhevenste vooruitgang.
VIII.
Sommige mensen doen de vraag, leren de Geesten ons een nieuwe
zedenleer; iets verhevener dan hetgeen Christus gezegd heeft? Indien de
zedenleer niet anders is dan die van het Evangelie, waartoe dient dan het
spiritisme? Deze redenering lijkt veel op die van de kalief Omar, toen hij over
de bibliotheek van Alexandria sprak: "Indien zij niets anders bevat dan
hetgeen in de Koran staat, dan is zij zonder nut en men moet haar verbranden;
indien zij iets anders behelst, dan is zij slecht, en moet men haar
verbranden."
Nee het spiritisme behelst geen andere zedenleer dan die van
Jezus; maar nu doen wij op onze beurt de vraag, of de mensen voor de komst van
Christus niet de wet hadden, die door God aan Mozes gegeven was? Vindt men
Zijne leer niet in de tien Geboden terug? Zal men daarom zeggen dat de
zedenleer van Jezus zonder nut was? Wij vragen verder aan hen, die het nut van
de spiritische zedenleer ontkennen waarom die van de Christus zo weinig
opgevolgd wordt, en waarom juist zij, die er met recht het verhevene van
verkondigen, de eerste zijn om Zijne eerste wet: De liefde voor allen, te
schenden. De Geesten komen niet alleen die wet bevestigen, maar zij wijzen er
ons het praktische nut van aan, zij maken waarheden, die slechts onder een
allegorische vorm onderwezen waren, verstaanbaar en duidelijk, en bij die
zedenleer, komen zij de meest diepzinnige psychologische vraagstukken oplossen.
Jezus is het mensdom de weg van het ware goede komen aanwijzen;
waarom zoude God, die hem gezonden heeft om zijn miskende wet in herinnering te
brengen, niet heden ten dage Geesten tot hen zenden om er opnieuw en met meer
klem aan te herinneren, als zij die vergeten om alles aan hebzucht en hoogmoed
opofferen. Wie zou aan Gods almacht grenzen durven stellen, en Hem de te volgen
weg durven afbakenen? Wie weet, of, zoals de Geesten dit verzekeren, de
voorspelde tijden niet gekomen zijn, en of wij die tijden niet nabij zijn, in
welke slecht begrepen of verkeerd uitgelegde waarheden op een duidelijke wijs
aan het mensdom moeten geopenbaard worden om zijn vooruitgang te bespoedigen?
Is er niet iets voorzorgends in die openbaringen, die terzelfder tijd op alle
punten van de aarde gedaan worden? Het is niet een enkel mens, een enkele
profeet, die ons komt waarschuwen, het licht breekt aan alle kanten door; het
is een gehele nieuwe wereld, die zich aan onze ogen vertoont. Zoals de
uitvinding van de microscoop ons de wereld van de oneindig klein, die wij niet
vermoedden, heeft doen kennen; zoals de telescoop ons de duizenden werelden,
die wij evenmin vermoeden, heeft doen ontdekken, hebben de spiritische
mededelingen ons de onzichtbare wereld geopenbaard, die wereld, die ons
omringt, waarmede wij onophoudelijk in aanraking zijn en die buiten ons weten
deel neemt aan alles, wat wij doen. Nog weinig tijd, en het bestaan van die
wereld, zal evenzo onbetwistbaar zijn als die van de microscopische wereld en
van de hemel bollen, die zich in de ruimte verliezen. Is het dan niets, ons een
gehele wereld te hebben leren kennen; ons in de geheimen van het leven aan de
overzijde van het graf te hebben, ingewijd? Het is waar dat die ontdekkingen,
als men er die naam aan geven kan, enige aangenomen denkbeelden in de weg staan
maar hebben niet alle grote wetenschappelijke ontdekkingen eveneens de meest
gevestigde denkbeelden gewijzigd, het onderste boven gekeerd? En heeft onze
eigenliefde niet aan de evidentie moeten toegeven? Zo zal het ook met het
spiritisme gaan, en eerlang zal het het burgerrecht onder de menselijke
wetenschappen verkrijgen.
De gemeenschap met de wezens aan gene zijde van het graf heeft
ten gevolge gehad, beter het toekomstige leven te doen begrijpen, ons dat leven
te doen aanschouwen, ons in te wijden in de straffen en genietingen, die wij
naar gelang van onze verdiensten te verwachten hebben, en juist daarvan hen tot
het spiritualisme terug te voeren, die in ons niets anders dan stof, niets
anders dan een van organen voorzien werktuig zagen; daarom hadden wij ook
gelijk toen wij zeiden dat het spiritisme het materialisme door feiten gedood
heeft. Al had het spiritisme geen andere uitwerking gehad, dan zou de
maatschappij het toch dank verschuldigd zijn; maar het spiritisme doet meer:
het toont ons de onvermijdelijke gevolgen van het kwaad aan, dientengevolge de
noodzakelijkheid van het goede. Het aantal van hen, die het tot betere
gedachten teruggebracht heeft, bij wie het de slechte neigingen uitgeroeid en
wie het van het kwaad afgehouden heeft, is veel groter dan men denkt, en neemt
dagelijks toe; dit komt omdat voor hen de toekomst niet meer onzeker is; het is
niet meer alleen een hoop, het is een waarheid, die men begrijpt, die men
verklaart als men degenen, die ons verlaten hebben, zichzelf ziet en hoort
beklagen of gelukwensen over hetgeen zij op aarde gedaan hebben. Zij, die
daarbij tegenwoordig zijn, beginnen na te denken en voelen de behoefte om
zichzelf te leren kennen, zichzelf te beoordelen en beter te worden.
De tegenstanders van het spiritisme hebben niet nagelaten zich
een wapen te smeden uit enig verschil van gevoel, dat over enige punten van de
leer bestaat. Het is niet te verwonderen, dat bij de eerste verschijning van
een wetenschap, wanneer de waarneming nog onvolkomen is, en iedereen , die van
zijn eigen standpunt beoordeelt, er zich tegenstrijdige stelsels hebben kunnen
opdoen; maar ten gevolge van een meer grondige studie, zijn thans reeds drie
vierde van die stelsels gevallen, waaronder om te beginnen dat, hetwelk alle de
mededelingen, aan de Geest van het kwaad toeschreef, als of het voor God een
onmogelijkheid zou geweest zijn om goede Geesten tot de mensen te zenden:
ongerijmde leer, omdat zij door de feiten weerlegd wordt; goddeloze leer omdat
zij de ontkenning van de Almacht en Goedheid van de Schepper is. De Geesten
hebben ons altijd gezegd ons over die, uiteenlopende gevoelens niet bezorgd te
maken, want dat er eenstemmigheid komen zal; en die bestaat reeds omtrent de
meeste punten en het verschil in gevoel vermindert hij de dag. Op de vraag:
waarop moet de onpartijdige en onbaatzuchtige mens zich gronden om een oordeel
te kunnen vellen, zolang die eenstemmigheid nog niet verkregen is? Is hun
antwoord:
"Het zuiverste licht is dat, hetwelk door geen enkele wolk
verduisterd wordt; de diamant zonder vlek is degene, die het meeste waarde
bezit; beoordeel dus de Geesten naar de reinheid van hun onderwijs. Vergeet
niet dat onder de Geesten er zijn, die hunne aardse denkbeelden nog niet
afgelegd hebben; leer ze te onderkennen aan hunne taal; beoordeel ze naar hunne
mededelingen in hun geheel; gaat na of er logische verbinding van gedachte in
bestaat, of er geen onwetendheid, hoogmoed of kwaadwilligheid in te ontdekken
is; in een woord, of hunne woorden altijd de stempel van de wijsheid dragen,
die het kenmerk van het ware verhevene is. Indien uwe wereld voor dwaling
ontoegankelijk was, zou zij volmaakt zijn, maar hiervan is zij nog verre
verwijderd; gij zijt nog bezig te leren hoe de dwaling van waarheid te
onderscheiden; om uw oordeel te oefenen en u vorderingen te doen maken hebt gij
nog de lessen van de ondervinding nodig. De eenstemmigheid zal daar geboren
worden, waar het goede, nooit met kwaad vermengd is geworden, het is aan die
kant dat de mensen door de kracht der dingen gedrongen, zich weder zullen herenigen,
want zij zullen begrijpen dat daar de waarheid zijn moet. Van welk belang
kunnen dan ook enige uiteenlopende gevoelens zijn die meer de vorm dan de grond
betreffen! Merk wel op, dat de grondbeginselen overal dezelfde zijn en u in een
gemeenschappelijk gevoel: liefde tot God en goed doen, moeten verenigen. Hoe
men zich dan ook de wijze van vooruitgang voorstelt, of hoe ook de normale
toestand van het toekomstige leven zijn moge, blijft het einddoel hetzelfde:
goed doen; en er bestaan geen twee manieren om dat te doen."
Indien er onder de volgers van het spiritisme zijn, die omtrent
enige punten van de theorie van mening verschillen, dan zijn zij het toch allen
over de grondbeginselen ééns; er bestaat dus eenstemmigheid, als men daarvan
die weinigen uitzondert, die bij de manifestaties de tussenkomst van de Geesten
nog niet willen erkennen, maar die of aan louter fysische oorzaken wijten; welk
gevoel strijdig is met het axioma: ieder intelligente uitwerksel moet een
intelligente oorzaak hebben; ofwel ze aan de terugkaatsing van onze eigen
gedachten toeschrijven, hetgeen door de feiten weerlegd wordt. De andere punten
zijn van ondergeschikt belang. Er kunnen dus leerscholen bestaan, die omtrent
punten van de wetenschap die nog tegengesproken worden, trachten ingelicht te
worden, doch er moeten geen tegen elkaar wedijverende sekten bestaan; er moet
slechts antagonisme bestaan tussen die sekten, die het goede willen, en die,
welke het kwade doen of zouden willen; en er bestaat niet een ernstig
spiritist, doordrongen van de grote zedelijke lessen, die door de Geesten
gegeven worden, welke overigens zijne denkwijze ook wezen moge, die het kwade
zou willen of aan zijnen naasten kwaad zou willen toewensen. Indien een van die
sekten dwaalt, zal, indien zij ter goeder trouw onbevooroordeeld het licht
zoekt, dat ook vroeg of laat voor haar doorbreken; intussen hebben allen een
gemeenschappelijke band, die hen door dezelfde gedachte verenigen moet; allen
beogen hetzelfde doel; het komt er dus weinig op de weg die men volgt op aan,
mits die weg er toe leidt; geen moet, hetzij door stoffelijke hetzij door
zedelijke dwang zichzelf opdringen en de sekte, die over een andere het
anathema zou uitspreken, zou juist die wezen welke dwaalde, want zij zoude
klaarblijkelijk onder de invloed van kwade Geesten handelen. De uitspraak van
de rede, moet als beslissing in het hoogste ressort gelden en men zal door
gematigdheid beter van de zegepraal van de waarheid verzekert zijn, dan door
bittere en door nijd en naijver vergiftigde geschriften. De goede Geesten
prediken alleen eendracht en liefde tot de naaste, en nooit zijn er uit een
zuivere bron, kwaadwillige of met de liefde strijdige gedachten voortgekomen.
Horen wij hieromtrent en tot slot de raad, die de Geest van de H. Augustinus ons
geeft:
"Lang genoeg hebben de mensen elkaar in de naam van een God
van vrede en barmhartigheid verscheurd en vervloekt, en door zulk een
heiligschennis, beledigt men God. Het spiritisme is de hand, die allen eenmaal
zal verenigen, omdat het de mensen wijzen zal waar waarheid en waar dwaling is;
maar nog lang zullen er schriftgeleerden en Farizeeën zijn, die het zullen
loochenen, zoals zij de Christus geloochend hebben. Wilt gij dus weten onder de
invloed van welke Geesten de verschillende sekten zijn, waarin de wereld
verdeeld is? Beoordeel ze naar hunne werken en naar hunne grondbeginselen.
Nooit zijn de goede Geesten aandrijvers tot kwaad geweest; nooit hebben zij
moord of geweld aangeraden of gewettigd; nooit hebben zij partijhaat, dorst
naar rijkdommen en eer, noch de onmatige zucht naar aardse goederen opgewekt;
alleen zij die goed, menselijk en welwillend voor allen zijn, zijn hunne
lievelingen en ook die van Jezus, want zij volgen de weg, die hij hun, om tot
hem te komen, aangewezen heeft."
H. Augustinus.
(vorige)