Vierde Hoofdstuk.

 

Levensbeginsel.

 

 

Bewerktuigde en onbewerktuigde wezens. Leven en dood. Intelligentie en natuurdrift.

 

 

Bewerktuigde en onbewerktuigde wezens.

 

 

Bewerktuigde wezens zijn de zodanige, die in zichzelf een bron van werkzaamheid bezitten, die hen het leven geeft; zij worden geboren, groeien, brengen door zichzelf weder voort, en sterven; zij hebben bijzondere werktuigen, organen, om daarmede de onderscheidene handelingen van het leven, en die welke voor de behoeften van hun instandhouding nodig zijn, te kunnen ten uitvoer brengen. Het zijn: de mensen, dieren en planten. Onbewerktuigde wezens zijn alle de zodanige, die geen vitaliteit noch eigen beweging hebben, en alleen gevormd worden door opeenhoping van de stof, zoals de delfstoffen het water, de lucht enz.

 

60. Is het dezelfde kracht, die de elementen van de stof in de bewerktuigde en onbewerktuigde lichamen te samen verbindt?

"Ja, de wet van attractie is voor allen dezelfde."

 

61. Bestaat er verschil tussen de stof van de bewerktuigde en van de onbewerktuigde lichamen?

"Het is altijd dezelfde stof, maar in de bewerktuigde lichamen is die stof geanimaliseerd."

 

62. Wat is de oorzaak van de animalisatie van de stof?

"Hare vereniging met het levensbeginsel."

 

63. Is het levensbeginsel in een bijzondere werkende kracht gelegen, of is het slechts een eigenschap van de bewerktuigde stof; in één woord, is het uitwerksel of oorzaak?

"Het is beiden. Het leven is een uitwerksel, dat door de werking van een kracht op de stof voortgebracht wordt; deze werkende kracht is, zonder de stof, niet het leven, evenals de stof zonder de werkende kracht niet leven kan. Het geeft leven aan alle wezens, die het tot zich nemen en assimileren."

 

64. Wij hebben gezien dat de geest en de stof twee samenstellende elementen van het heelal zijn; is het levensbeginsel een derde element?

"Het is ongetwijfeld een van de voor de samenstelling van het heelal noodzakelijke elementen, maar het vindt zelf zijn oorsprong in de gewijzigde algemene stof; voor u lieden is het een element, zoals de zuurstof en de waterstof, die toch evenmin oorspronkelijke elementen zijn, want dat alles vindt zijn oorsprong in hetzelfde beginsel."

-Het schijnt dat men hieruit moet afleiden dat de vitaliteit haar oorsprong niet ontleent aan een afzonderlijk verkende kracht, maar aan een bijzondere eigenschap van de universele stof, die deze, door sommige wijzigingen te ondergaan, verkregen heeft?

"Dit is de gevolgtrekking uit hetgeen wij gezegd hebben."

 

65. Zetelt het levensbeginsel in een van de ons bekende lichamen?

"Het vindt zijn oorsprong in het universele fluīdum; het is wat gij magnetische of geanimaliseerde elektrische vloeistof noemt. Het is de middelaar, de band tussen geest en stof."

 

66. Is het levensbeginsel hetzelfde voor alle bewerktuigde wezens?

"Ja, gewijzigd naar de soort. Dit is wat die wezens beweging en bedrijvigheid geeft en hen van de werkeloze stof onderscheidt; want de beweging van de stof is het leven niet; de stof ondergaat die beweging, maar veroorzaakt die niet."

 

67. Is de vitaliteit een bestendige eigenschap van de levenskracht, of wordt die vitaliteit alleen door de werking van de organen ontwikkeld?

"De vitaliteit ontwikkelt zich slechts met het lichaam. Hebben wij niet gezegd dat deze werkende kracht zonder de stof, het leven niet is? Deze twee moeten verenigd zijn, om het leven te kunnen voortbrengen."

-Kan men dus zeggen dat, wanneer de levenskracht niet met het lichaam verenigd is, de vitaliteit, latent is?

"Ja, zo is het."

 

Al de organen vormen tezamen een soort van mechanisme, dat zijn impuls van de innerlijke werkzaamheid of het levensbeginsel, dat in hen aanwezig is ontvangt. Het levensbeginsel is de beweegkracht van de bewerktuigde lichamen. Terzelfder tijd dat de levenskracht de impuls aan de organen geeft, onderhoudt en ontwikkelt de werking van de organen de werkzaamheid van de levenskracht, ten naastenbij zoals door wrijving warmte ontwikkeld wordt.

 

 

Leven en dood.

 

 

68. Welke is de oorzaak van de dood bij de bewerktuigde wezens?

"Uitputting van de organen."

- Zou men de dood kunnen beschouwen als het ophouden van de beweging bij een ontredderd uurwerk?

 "Ja, als het uurwerk slecht in elkaar gezet is, breekt de veer; als het lichaam ziek is, gaat het leven weg."

 

69. Waarom veroorzaakt een kwetsing van het hart eerder de dood als een kwetsing van andere organen?

"Het hart is een levenswerktuig; maar het hart is niet het enigste orgaan waarvan de kwetsing de dood teweegbrengt; het is slechts een van de voornaamste raderen van het werktuig."

 

70. Wat wordt er van de stof en van het levensbeginsel van de bewerktuigde wezens bij hun dood?

"De werkeloze stof wordt ontleed en vormt nieuwe wezens; het levensbeginsel keert tot de massa terug.”

 

Het bewerktuigde wezen dood zijnde, ondergaan de elementen, waaruit het bestaat, nieuwe verbindingen, welke nieuwe wezens vormen; deze putten uit de algemene bron het beginsel van leven en bedrijvigheid, worden daarvan doordrongen en assimileren dit, om dit weder wanneer zij ophouden te bestaan, aan die bron terug te geven.

De organen zijn als 't ware door het levensgevende fluīdum verzadigd. Dit fluīdum geeft aan elk deel van het organisme een werkzaamheid, die de samentrekking bij sommige wonden teweegbrengt, en tijdelijke verstoring van de verrichtingen herstelt. Maar als de noodzakelijke elementen, die voor de werking van de organen onontbeerlijk zijn, vernietigd of te diep aangedaan zijn, dan ja het levensgevend fluīdum onmachtig hen de beweging van het leven te geven, en het schepsel sterft.

De organen werken min of meer noodzakelijk op elkaar terug; uit de tussen hen heersende harmonie ontstaat hun wederzijdse werking op elkaar. Wanneer deze harmonie door de een of andere oorzaak verbroken wordt, houdt hun werking op, zoals de beweging van een werktuig, waarvan het hoofdraderwerk niet in orde is. Zo is het ook met een uurwerk, dat door de tijd verslijt of bij ongeluk in ontredderde staat raakt, en dat de beweegkracht niet instaat is wederom in beweging te brengen.

Wij bezitten een juister beeld van leven en dood in de elektriseermachine. Dit toestel houdt de elektriciteit, zoals alle andere lichamen in de natuur dit doen, in latente toestand verborgen. De elektrische verschijnselen openbaren zich niet, dan wanneer de vloeistof door een bijzondere oorzaak in beweging gebracht wordt: men zou dan kunnen zeggen dat het toestel leeft. De oorzaak van de beweging ophoudende, houdt ook het verschijnsel op: het toestel wordt weder werkeloos. De bewerktuigde lichamen zouden dus een soort van galvanische kolom of elektriseermachine zijn, waarin de werking van het fluīdum het verschijnsel, dat men leven noemt, voortbrengt; het ophouden van die werking doet de dood ontstaan.

De hoeveelheid van het levensgevende fluīdum is bij alle bewerktuigde wezens niet absoluut; maar is naar gelang van de soort, afwisselend, en bij hetzelfde individu of bij die van dezelfde soort niet bestendig. Er zijn er, die er als 't ware door verzadigd zijn, terwijl anderen er ternauwernood eens voldoende hoeveelheid van bezitten; vandaar, bij enigen een meer werkzaam, meer vasthoudend en in zeker opzicht meer overvloedig leven.

De hoeveelheid van het levensgevende fluīdum, kan uitgeput raken, zij kan, indien zij niet door de opneming en assimilatie van de zelfstandigheden die het bevatten, vernieuwd wordt, onvoldoende tot onderhoud van het leven worden.

Het levensgevende fluīdum wordt van het een individu op het andere overgebracht, degene die er het meeste van heeft, kan daarvan aan hem, die er minder van heeft, afgeven, en in sommige gevallen, hem het leven dat op het punt stond uitgeblust te worden, teruggeven.

 

 

Intelligentie en natuurdrift.

 

 

71. Is de intelligentie een eigenschap aan het levensbeginsel eigen?

"Nee, want de planten leven, maar denken niet, zij bezitten alleen een bewerktuigd leven. De intelligentie en de stof zijn aan elkaar onafhankelijk, daar een lichaam leven kan zonder intelligentie; maar de intelligentie kan zich niet anders dan door middel van stoffelijke organen openbaren; er moet vereniging met de geest zijn om de geanimaliseerde stof intelligent te maken."

 

 

De intelligentie is een aan een zekere klasse van de bewerktuigde wezens eigen, bijzondere eigenschap, die dezen, het denkvermogen, de wil tot handelen, het bewustzijn van hun bestaan en van hun individualiteit, zo mede de middelen geeft, om de gemeenschap met de uitwendige wereld te kunnen onderhouden, en in de voldoening van hun behoeften te kunnen voorzien.

Men heeft dus; 1e. de onbezielde wezens, die alleen uit stof samengesteld, zonder levensvermogen of intelligentie zijn; het zijn de onbewerktuigde lichamen; 2e. de levende niet-denkend wezens, gevormd uit stof, en levensvermogen, maar geen intelligentie bezittende; 3e. de bezielde, denkende wezens, uit stof gevormd, met levensvermogen bedeeld, en daarenboven een intelligent beginsel bezittende, dat hen de gave om te denken schenkt.

 

 

72. Welk is de bron van de intelligentie?

"Wij zeiden dit reeds: de algemene intelligentie."

- Zou men kunnen zeggen dat ieder wezen een gedeelte intelligentie uit de algemene bron put en dit assimileert zoals hij het beginsel uit het materiele leven put en assimileert?

"Dit is slechts een vergelijking, maar die niet juist is omdat de intelligentie een gave van ieder wezen in het bijzonder is en diens zedelijke individualiteit uitmaakt. Buitendien weet gij dat er dingen zijn, die het de mens niet gegeven is, te doorgronden, en hieronder behoort voor alsnog ook dit."

 

73. is het instinct van de intelligentie onafhankelijk?

"Nee, niet geheel, want het is een soort intelligentie. Het instinct is een onberedeneerd intelligentie, het is daardoor dat alle wezens in de vervulling van hun behoeften voorzien."

 

74. Kan men een grenslijn tussen het instinct en de intelligentie trekken; dat wil zeggen kan men aangeven waar het ene eindigt en het andere begint?

"Nee, want dikwijls lopen zij in één; maar men kan zeer goed de handelingen die tot het instinct, en die, welke tot de intelligentie behoren, onderscheiden."

 

75. Is het juist, te zeggen dat de instinctmatige eigenschappen verminderen, naarmate de intellectuele toenemen?

"Nee, het instinct blijft altijd bestaan, maar de mens verwaarloost het; het instinct kan ook tot het goede leiden; het is door het instinct dat wij bijna altijd en dikwijls zekerder dan door het verstand geleid worden; het raakt nooit het spoor bijster."

 

-Waarom is het verstand niet altijd een onfeilbare gids?

"Het zou onfeilbaar wezen, als het niet door verkeerde opvoeding, hoogmoed en egoīsme bedorven werd. Het instinct redeneert niet; de rede laat de keuze vrij, en geeft aan de mens de vrije wil."

 

Het instinct is een nog nauwelijks merkbare intelligentie, die daarin van de eigenlijke intelligentie verschilt, dat zijn uitingen meest altijd spontaan zijn, terwijl die van de intelligentie het resultaat van combinaties en van een vooraf overwogen daad zijn.

Het instinct is naar de soort en de behoeften van de onderscheiden wezens verschillend in zijn uitingen. Bij de schepselen, die bewustzijn van de uitwendige dingen hebben en deze kunnen waarnemen, gaat het met intelligentie, dat wil zeggen, met de wil en de vrijheid gepaard.

 

(vorige)                                                               (volgende)