Tweede Boek.
Spiritische of Geestenwereld.
Eerste Hoofdstuk.
Over de Geesten.
Oorsprong en natuur van de geesten. Normale primitieve wereld.
Vorm en alomtegenwoordigheid van de geesten. Perispirit. Verschillende orden
van geesten. Spiritische rangopvolging.
Vooruitgang van de Geesten. Engelen en duivels.
Oorsprong en natuur van de geesten.
76. Welke definitie kan men van de Geesten geven?
"Men kan zeggen dat de Geesten de intelligente wezens van
de schepping zijn. Zij bevolken het heelal buiten de stoffelijke wereld".
Aanmerking: het woord geest wordt hier gebruikt om de individualiteit van de niet-lichamelijke wezens, en niet om het algemene intelligente element, aan te duiden.
77. Zijn de geesten, van de Godheid afgescheidene wezens, of
zouden zij slechts emanaties of gedeelten van de Godheid zijn, en om die reden
zonen of kinderen Gods genoemd worden?
"Mijn God, het is Zijn werk, evenals wanneer een mens een
werktuig vervaardigt; dit werktuig is het werk van de mens, maar niet de mens
zelf. Gij weet, dat als iemand iets schoons, iets nuttigs maakt, hij dit zijn
kind, zijn schepping noemt. Wel nu! zo is het ook met God: Wij zijn Zijn
kinderen, daar wij Zijn werk zijn."
78. Hebben de geesten een begin gehad, of
zijn zij er, evenals God, van alle eeuwigheid geweest?
"Indien de geesten geen begin gehad hadden, zouden zij aan
God gelijk zijn, terwijl zij Zijn schepping, en aan Zijn wil onderworpen zijn.
God bestaat van alle eeuwigheid, dit is onweerlegbaar; maar wanneer en hoe hij
ons geschapen heeft, hiervan weten wij niets. Gij kunt zeggen dat wij zonder
begin zijn, als gij daardoor verstaat dat God, eeuwig zijnde, zonder ophouden
heeft moeten scheppen; maar wanneer en hoe ieder van ons geschapen is, dit, ik
herhaal het, weet niet mand; dit is een verborgenheid."
79. Zou men, daar er twee algemene elementen in het heelal zijn:
het intelligente en het stoffelijke, kunnen zeggen dat de Geesten van het
intelligente element gemaakt zijn, zoals de werkeloze lichamen van het
stoffelijk element gevormd zijn?
"Dit is duidelijk; de Geesten zijn de individualisering van
het intelligente beginsel, zoals de lichamen, die van het stoffelijke beginsel
zijn; het tijdstip wanneer, en de wijze, waarop die vorming heeft plaats
gevonden, is onbekend."
80. Vindt de schepping
van Geesten voortdurend plaats, of heeft die slechts bij de aanvang van de
tijden plaats gevonden?
"Zij vindt voortdurend plaats, dat wil zeggen dat God nooit
opgehouden heeft met scheppen."
81. Vormen zich de Geesten spontaan of brengt de ene Geest de
andere voort?
"Evenals alle andere schepselen, worden zij door Gods wil
geschapen; maar ik herhaal, hun begin is een verborgenheid."
82. Is het juist, te zeggen dat de Geesten
onstoffelijk zijn?
"Hoe kan men een nauwkeurig bepaald begrip van iets geven
als daartoe termen van vergelijking ontbreken en men daarbij van een onvolkomen
taal gebruik moet maken? Kan een blindgeborene het licht beschrijven?
Onstoffelijk is het woord niet; onlichamelijk zou juister zijn, want gij moet
goed begrijpen dat de Geest een schepping zijnde, iets zijn moet; het is een
gequintessensieerde stof, maar voor u zonder vergelijking, en zo etherisch dat
zij niet onder het bereik van uw zintuigen valt."
Wij zeggen dat de Geesten onstoffelijk zijn omdat hun wezen met alles wat wij onder de naam van stof kennen verschilt. Een volk van blinden zou geen woorden hebben om het licht en zijn verschijnselen te kunnen uitdrukken. De blindgeborene gelooft alles door het gehoor, de reuk, de smaak en het gevoel te kunnen waarnemen; hij begrijpt de denkbeelden niet, die hem het hem ontbrekende zintuig zoude kunnen geven. Zo zijn ook wij ten opzichte van het wezen van de bovenmenselijke schepselen, inderdaad aan blinden gelijk; wij kunnen die niet beschrijven dan door vergelijkingen die altijd onvolkomen zijn, of door gebruik te maken van onze verbeeldingskracht.
83. Hebben de Geesten een einde? Men begrijpt dat het beginsel
waaruit zij ontstaan zijn, eeuwig is, maar hetgeen wij wensen te weten is, of
hun individualiteit een grens heeft, en of op een gegeven min of meer
verwijderd tijdstip, het element, waaruit zij gevormd zijn, zich niet verdeelt
en tot de massa terugkeert, zoals dat met de stoffelijke lichamen het geval is.
Het valt moeilijk te begrijpen dat iets hetwelk een begin gehad heeft, geen
einde zou hebben.
"Er zijn nog vele dingen, die gij niet begrijpt, omdat uw
verstand beperkt is, maar dat is geen rede om die daarom te verwerpen. Het kind
begrijpt niet alles wat zijn vader, noch de onwetende wat de geleerde begrijpt.
Wij zeggen u dat het bestaan van de geesten geen einde heeft, en dat is al wat
wij thans kunnen zeggen."
84. Vormen de Geesten een afzonderlijke wereld, buiten degene
die wij zien?
"Ja, de wereld van de geesten, of van de onlichamelijke
intelligenties."
85. Welke is van deze twee de belangrijkste
in de orde van de dingen, de geestenwereld of de lichamelijke wereld?
"De geesten wereld; deze heeft eerder bestaan en overleeft
alles."
86. Zou de lichamelijke wereld kunnen ophouden te bestaan, of
nooit bestaan kunnen hebben, zonder daardoor het wezen van de geestenwereld te
veranderen?
"Ja, zij zijn onafhankelijk, en toch is haar wederzijdse
betrekking voortdurend, want zij werken zonder ophouden op elkaar."
87. Bewonen de Geesten een bepaald en beperkt oord in de ruimte?
"De geesten zijn overal, de oneindige ruimte is er tot in
het oneindige mede vervuld. Er zijn er steeds naast u, die u gadeslaan, en die,
zonder dat gij het weet, invloed op u uitoefenen want de Geesten zijn een van
de machten van de natuur, en de werktuigen waarvan God zich bedient om de
besluiten van zijne Voorzienigheid uit te voeren; maar niet alle Geesten gaan
overal, want er zijn oorden wier toegang aan de minder ontwikkelden ontzegd
is."
Vorm en alomtegenwoordigheid van de Geesten.
88. Hebben de Geesten een bepaalde begrensde en bestendige vorm?
"Voor uw ogen niet, voor de onze wel, het is indien gij
wilt, een vlam, een licht, of een etherische vonk."
-Heeft deze vlam of vonk een zekere kleur?
"Voor u varieert die van het sombere tot aan de glans van
de robijn, al naarmate de Geest min of meer rein is."
De geniussen worden gewoonlijk met een vlam of ster op het voorhoofd afgebeeld; dit is een zinnebeeldige voorstelling, welke ons aan de wezenlijke natuur van de Geesten doet denken. Men plaats die op het hoofd, omdat daar de zetel van de intelligentie is.
89. Hebben de Geesten een zekere tijd nodig om de ruimte te
doorklieven?
"Ja maar dit geschiedt met de snelheid van de
gedachte."
-Is de gedachte niet de
ziel zelf, die zich verplaatst?
"Als de gedachte ergens is, dan bevindt zich de ziel daar
ook, want het is de ziel, die denkt. De gedachte is een attribuut."
90. Heeft de Geest, die zich van de ene plaats naar de andere
begeeft bewustzijn van de afstand, die hij aflegt en van de ruimte, die hij
doortrekt; of wordt hij plotseling op de plaats, die hij bezoeken wil,
overgebracht?
"Het een en het ander; de geest kan, zo hij wil, zich zeer
goed rekenschap geven van de afstand, die hij aflegt, maar die afstand kan ook
geheel uitgewist worden; dit hangt van zijn wil en ook van zijn meerdere of
mindere reinheid af.
91. Is de stof een beletsel voor de Geesten?
"Nee, zij dringen door alles heen, lucht, aarde, water,
vuur, alles is voor hen toegankelijk."
92. Hebben de Geesten de gave van de alomtegenwoordigheid;
met andere woorden, kan de Geest zich verdelen of op verschillende plaatsen
tegelijk zijn?
"Er kan geen verdeling van dezelfde geest plaats vinden;
maar ieder geest is een centrum dat naar verschillende kanten uitstraalt, en
daardoor is het, dat hij op vele plaatsen tegelijk schijnt te zijn. Gij ziet de
zon, zij is één, straalt naar alle kanten uit, en schiet haar stralen op grote
afstand, en verdeelt zich daarom toch niet."
Stralen alle Geesten met dezelfde kracht uit?
"Op verre na niet; dit hangt van hun graad van reinheid
af."
Iedere Geest is een ondeelbare éénheid, maar ieder van hen kan zijn gedachte naar verschillende kanten richten, zonder zich daarom te verdelen. Het is alleen in die zin dat men de alomtegenwoordigheid moet verstaan, die men aan de Geesten toeschrijft. Zo is het met een vonk, die in de verte haar licht verspreidt en aan alle kanten van de horizont kan gezien worden. Eveneens is het met een mens, die zonder van plaats te veranderen of zich te verdelen, naar verschillende punten orders, signalen en beweging kan overbrengen.
93. Is de eigenlijk gezegde geest onbeschut, of is hij zoals
enige beweren, door de een of andere substantie omgeven?
"De Geest is door een voor ulieden dampvormige, doch voor
ons, nog zeer grove substantie omgeven, doch dampvormig genoeg om in de lucht
te kunnen opstijgen, en zich, waarheen hij wil, te kunnen begeven."
Evenals de kiem van een vrucht door het perispermium, zo is ook de eigenlijk gezegde Geest door een omhulsel omgeven, dat men bij vergelijking perispirit kan noemen.
94. Waaruit put de geest zijn halfstoffelijk omhulsel?
"Uit het algemene fluïdum van elke wereldbol. Daarom is dat
op alle werelden niet hetzelfde; van deze naar ene andere wereld overgaande,
verwisselt de Geest zijn omhulsel, zoals gij van klederen verwisselt."
-Als dus de Geesten, die ene wereld boven de onze verheven
bewonen, tot ons komen, nemen zij dan een grover perispirit aan?
"Zij moeten zich met uw stof omkleden; wij hebben dit reeds
gezegd."
95. Neemt het halfstoffelijk omhulsel van de Geest een bepaalde
vorm aan, en kan het waarneembaar worden?
"Ja, en wel een vorm naar het goedvinden van de Geest, en
op die wijze verschijnt hij u dikwijls, hetzij in de droom, hetzij in wakende
toestand, en kan hij een zichtbare, ja zelfs tastbare vorm aannemen."
Verschillende orden van geesten.
96. Zijn de Geesten allen gelijk, of bestaat er onder hen ene of
andere hiërarchie?
"Zij zijn van verschillende orden naar gelang de graad van
volmaking die zij bereikt hebben."
97.
Bestaat er een bepaald getal rang of graad van volmaaktheid onder
de Geesten?
"Hun getal is onbegrensd, omdat geen juiste lijn van
afbakening als een scheiding tussen die rangen kan getrokken worden, en men dus
naar verkiezing het getal afdelingen kan vermeerderen of verminderen; als men
evenwel de algemene eigenschappen in aanmerking neemt, dan kan men de Geesten
in drie voorname afdelingen rangschikken.
In de eerste rang kan men dezulken plaatsen, die de volmaaktheid
bereikt hebben: de Zuivere Geesten: die van de tweede rang hebben het midden
van de ladder bereikt: de begeerte naar het goede is hun verlangen bij
uitnemendheid. Die van de laatste rang staan nog onder aan de ladder:
onvolmaakte Geesten: zij kenmerken zich door onwetendheid, door zucht tot kwaad
doen, en door alle kwade neigingen, de hen in hun vooruitgang belemmeren."
98. Hebben de Geesten van de tweede rang alleen de zucht naar
het goede; of hebben zij ook de macht om het goede te doen?
"Zij bezitten deze macht naarmate van hun volmaking; enigen
bezitten wetenschap, anderen wijsheid en goedheid, maar allen hebben nog
beproevingen te ondergaan."
99. Zijn de Geesten van de derde rang allen wezenlijk slecht?
"Nee, sommigen doen noch goed noch kwaad; anderen
daarentegen, vinden genoegen in het kwaaddoen en zijn tevreden als zij daartoe
gelegenheid vinden. Verder zijn er nog lichtzinnige of dartele geesten, meer
wargeesten dan slechte geesten, die eigenlijk meer genoegen in guitenstreken
dan in slechtheid vinden, en die er vermaak in scheppen te mystificeren, en
kleine onaangenaamheden te verwekken, waarmee zij de spot drijven."
100. Inleidende aanmerkingen. De classificatie van de Geesten is
gegrond op de graad van hun ontwikkeling op de door hen verkregen eigenschappen
en op onvolmaaktheden, waarvan zij zich nog hebben te ontdoen. Deze
classificatie is overigens niet absoluut; iedere categorie draagt slechts voor
het geheel, een sterk afgebakend karakter, maar de overgang van de een tot de
andere graad is onmerkbaar; zij lopen op beide grenzen in elkaar evenals dit
bij de verschillende rijken van de natuur, bij de kleuren van de regenboog of
bij de verschillende tijdperken van 's mensen leven het geval is. Men kan dus
een groter of kleiner aantal klassen aannemen naar gelang het standpunt, waarop
men zich bij de beschouwing van de zaak plaatst.
Het gaat hiermee zoals met elk systeem van wetenschappelijke
classificatie; zij kunnen meer of min volledig, rationeel, gemakkelijk te
begrijpen zijn, maar, hoe die ook zijn mogen, veranderen zij niets aan het
wezen van de wetenschap. De Geesten die daaromtrent geraadpleegd zijn, kunnen
dus over het getal categorieën verschillen, zonder dat men daaruit een
ongunstig gevolgtrekking zou kunnen maken. Men heeft zich van die schijnbare
tegenstrijdigheid een wapen gesmeed, zonder te bedenken dat de Geesten aan iets
dat louter conventie is, niet het minste gewicht hechten; voor hen is de
gedachte alles; zij laten de vorm, keus van woorden, classificaties, in een
woord alle stelsels, aan ons over.
Laten wij hierbij nog een opmerking voegen, en wel deze, dat men
nooit uit het oog moet verliezen, dat er zich onder de Geesten even goed als
onder de mensen, zeer onwetend bevinden, en dat men zich dus niet genoeg kan
wapenen tegen de neiging om te geloven dat zij, omdat zij Geesten zijn, alles
weten moeten. Elke classificatie vereist methode, analyse, en grondige kennis
van het onderwerp. En in de Geestenwereld zijn zij, die beperkte kennis bezitten
evenals de onwetenden op aarde, niet hij machte om het geheel te overzien of
een systeem te formuleren; zij kennen of begrijpen elke classificatie slechts
ten dele; voor hen behoren alle Geesten, die boven hen verheven zijn, tot de
eerste klasse zonder dat het hen mogelijk is de onderscheidene schakeringen van
kennis, bekwaamheid en zedelijkheid, waardoor zij van elkaar verschillen, te
kunnen opmerken en waarderen; zoals dit ook bij ons met een onbeschaafd
tegenover een ontwikkeld mens het geval is. Zij zelfs, die er de bekwaamheid
toe bezitten, kunnen naar gelang het standpunt waarvan zij zijn uitgegaan, in
de bijzonderheden verschillen, vooral als een afdeling niet absoluut afgebakend
is. Linnaeus, Jussieu, Tournefort, hebben ieder hun eigen methode gehad, en de
plantenkunde zelf is daarom toch niet veranderd; dit komt doordien zij noch de
planten noch hun karakters verzonnen hebben, maar de analogie naar welke zij de
groepen en klassen verdeeld hebben, nagegaan hebben. Zo ook hebben wij gedaan,
wij hebben noch de Geesten noch hun karakters verzonnen; wij hebben gezien en
opgemerkt, wij hebben hen naar hun handelingen en daden beoordeeld, en toen
volgens de gegevens die zij ons verstrekt hebben, naarmate hun overeenkomst met
elkaar, in klassen verdeeld.
Over het algemeen nemen de Geesten drie voorname categorieën of
groot afdelingen aan. In de laatste die onder aan de ladder staat, bevinden
zich de onvolmaakt Geesten, die zich kenmerken door de overmacht welke de stof
bij hen over de geest uitoefent, en door de neiging tot het kwaad. Die van de
tweede categorie worden door de overmacht, welke de Geest op de stof uitoefent
en door de zucht naar het goede gekenmerkt, het zijn de goede Geesten.
Eindelijk bevat de eerste categorie de Zuivere Geesten, dat zijn de zodanige
die de hoogste trap van volkomenheid bereikt hebben.
Deze verdeling komt ons voor volkomen rationeel te zijn en zeer
duidelijk afgebakende karakters te omvatten; er bleef ons nu niet anders te
doen, dan door een voldoend getal onderafdelingen, de verschillende
schakeringen waaruit het geheel bestaat te doen uitkomen; en dat hebben wij
onder medewerking van de Geesten, wier welwillend onderwijs ons nooit ontbroken
heeft, ten uitvoer gebracht.
Door middel van deze beschrijving zal het ons gemakkelijk vallen
de rang en de mate van verhevenheid of minderheid van de Geesten, met welke wij
in aanraking kunnen komen en dientengevolge de mate van vertrouwen en achting
die zij verdienen, te bepalen; het is om zo te zeggen de sleutel van de
spiritistische wetenschap, want deze kan alleen de afwijkingen welke men in de
verschillende mededelingen van de Geesten ontdekt, verklaren, door ons omtrent
hun intellectuele en zedelijke ongelijkheid in te lichten. Wij moeten nochtans
hierbij opmerken, dat de Geesten niet altijd uitsluitend tot ene of andere
klasse behoren; hun vooruitgang vindt slechts trapsgewijze plaats, en soms meer
in de een dan in de andere richting; zij kunnen dus de karakters van
verschillende categorieën in zich verenigen, hetgeen gemakkelijk uit hun taal
en uit hun daden is op te maken.
Derde Orde - Onvolmaakte Geesten.
101. Algemeen karakter. - Overmacht van de stof over de geest.
Neiging tot het kwaad. Onwetendheid, hoogmoed, egoïsme, en alle slechte
hartstochten die er de gevolgen van zijn:
Zij hebben het bewustzijn van het bestaan van God maar begrijpen
het niet.
Zij zijn niet allen bepaald slecht; bij sommigen is het meer
lichtzinnigheid, beginsel loosheid en guiterij dan wezenlijke slechtheid.
Sommigen doen noch goed noch kwaad; maar juist het feit dat zij noch goed noch
kwaad doen, bewijst hun minderheid. Anderen daarentegen vinden er behagen in
kwaad te doen, en zijn vergenoegd als zij daartoe de gelegenheid vinden.
Zij kunnen bij hun verstand slechtheid of slimheid paren, maar
welke ook de graad van hun intellectuele ontwikkeling moge zijn, blijven hun
gedachten weinig verheven en zijn hun gevoelens min of meer laag.
Hun kennis omtrent de dingen van de geestenwereld is beperkt, en
het weinige dat zij ervan weten, is vermengd met denkbeelden en vooroordelen
aan het lichamelijk leven eigen. Zij kunnen er ons niets dan vals en
onvolledige voorstellingen van geven; maar de oplettende onderzoeker kan
dikwijls in hun zelfs onvolmaakte mededelingen, de bevestiging vinden van
belangrijke waarheden, die door de verheven Geesten onderwezen worden.
Hun karakter is aan hun taal te herkennen. Elke Geest, die in
zijn mededelingen een slechte gedachte verraadt, kan men als tot de derde orde
behorende, beschouwen; dientengevolge is elke slechte gedachte die ons
ingegeven wordt afkomstig van een geest, die tot die orde behoort.
Zij zien het geluk van de goede, en dat gezicht is voor hen een
eindeloze kwelling, want zij ondergaan al het zware zielenlijden, dat door de
wangunst en de ijverzucht kan opgewekt worden.
Zij behouden de herinnering aan en de indrukken van de smarten
van het aardse leven, en deze indrukken zijn dikwijls pijnlijker dan de
werkelijkheid. Zij lijden dus wezenlijk door de smarten die zij verduurd
hebben, en door die welke zij anderen hebben doen ondergaan en daar hun lijden
langdurig is, geloven zij dat dit zonder einde zal zijn. Om hen te straffen wil
God, dat zij dat geloven zullen.
Men kan ze in vijf hoofdklassen verdelen.
102. Tiende klasse. Onreine Geesten. - Zij zijn tot kwaaddoen geneigd,
en het kwaad doen is hun hoofdgedachte. Als Geest geven zij verkeerde raad,
blazen tweedracht en wantrouwen in, en nemen elke vermomming te baat om beter
te kunnen bedriegen. Zij vervolgen hen, wier karakter zwak genoeg is om aan hun
inblazingen gehoor te geven, ten einde ze in het verderf te storten, en zijn
tevreden als zij hun vooruitgang kunnen vertragen door hen in de beproevingen
die zij ondergaan, te doen bezwijken.
Bij de manifestaties herkent men hen aan hun taal; gemene en
ruwe uitdrukkingen zijn altijd, zowel bij Geesten als bij mensen, zo niet een
bewijs van intellectuele, dan toch van zedelijke minderheid. Hun mededelingen
verraden de laagheid van hun neigingen, en als zij iemand, door soms op een
verstandige wijze te spreken, op het dwaalspoor willen brengen, kunnen zij dit
niet lang volhouden, en eindigen zij altijd met hun aard te verraden.
Sommige volken hebben er boosaardige goden van gemaakt, anderen
geven hen de naam van duivels, kwade geniussen, geest van het kwaad.
Als zij geïncarneerd zijn, verkrijgen de levende wezens die
bezielen, de geneigdheid tot al die ondeugden welke door lage en onterende
hartstochten worden opgewekt, zoals: zinnelijke wellust, wreedheid, schurkerij,
huichelarij, hebzucht, lage vrekkigheid; zij doen het kwaad uit zucht om kwaad
te doen en gewoonlijk zonder beweegredenen, en gedreven door hun haat van het
goede kiezen zij bijna altijd hun slachtoffers onder de brave mensen. Tot welke
stand in de maatschappij zij ook mogen behoren, zijn het gesels voor de mensheid,
en het vernis der beschaving, waarmede zij bedekt zijn, kan hen niet voor
verachtingen smaad beveiligen.
103. Negende klasse. Lichtzinnige Geesten. - Deze zijn onwetend,
boosaardig, wispelturig en spotziek, zij bemoeien zich met alles en antwoorden
op alles, zonder zich om de waarheid te bekommeren. Zij vinden er behagen in
kleine verdrietelijkheden en geringe genoegens te doen ontstaan, plagerijen te
verwekken, en door mystificaties en guitenstreken iemand op boosaardige wijze
om de tuin te leiden. Tot deze klasse behoren de Geesten door het volk met de
naam van kwel- plaag- aard of berggeest, kwelduivel, enz. bestempeld. Zij zijn
aan de verhevene geesten ondergeschikt, die hen dikwijls, zoals wij onze
bedienden, gebruiken. In hun aanraking met de mensen is hun taal dikwijls
geestig en grappig, doch meestal zonder diepe zin; zij tasten de verkeerdheden
en het belachelijke met vinnige en hekelige zetten aan. Als zij verdichtte
namen aannemen doen zij dit meer om de draak te steken dan uit boosheid.
104. Achtste klasse. Schijngeleerde Geesten. - Hun kennis is
tamelijk uitgebreid, maar zij beelden zich in meer te weten, dan inderdaad het
geval is. In vele opzichten enige vorderingen gemaakt hebbende, is hun taal
ernstig en kan een verkeerd denkbeeld omtrent hun kunde en verstand geven; maar
zij is gewoonlijk maar een afschijnsel van vooroordelen en stelselmatige
denkbeelden van het aardse leven; een mengsel van enige waarheden met de
grofste dwalingen, onder welke zich, inbeelding, hoogmoed, ijverzucht en
stijfhoofdigheid verraden, waarvan zij zich niet hebben kunnen ontdoen.
105. Zevende klasse. Onzijdige Geesten. - Deze zijn niet goed
genoeg om het goede, noch slecht genoeg om het kwade te doen; zij hellen in
gelijke mate tot beide over, en zijn niet boven het alledaagse in de mens,
zowel wat zedelijkheid als verstand aangaat, verheven. Zij zijn nog gehecht aan
de dingen van de aarde, en betreuren het gemis van haar grove genietingen.
106. Zesde klasse. Klop En Wargeesten. - Deze vormen wat hun
persoonlijke eigenschappen aangaat, eigenlijk geen afzonderlijke klasse; zij
kunnen tot elke klasse van de derde orde behoren. Dikwijls maken zij hun
tegenwoordigheid door waarneembare en fysische middelen bekend, zoals kloppen,
beweging en abnormale verplaatsing van vaste lichamen, beweging van de lucht
enz., zij schijnen meer dan anderen aan de stof gehecht en de voornaamste
bewerkers van de veranderingen in de elementen van de aardbol te zijn, hetzij
door op de dampkring, het water, het vuur, de vaste lichamen of in de
ingewanden van de aarde te werken; men heeft ingezien dat deze uitwerkselen,
als zij een intentioneel en intelligent karakter tonen, niet het gevolg van een
toevallige en fysische oorzaak zijn. Alle Geesten kunnen die verschijnselen
doen ontstaan, maar de verheven Geesten laten die gewoonlijk aan de
ondergeschikte over, die meer geschiktheid voor stoffelijke dan intelligente
zaken bezitten. Wanneer zij oordelen dat dergelijke manifestaties nuttig zijn,
gebruiken zij daartoe die ondergeschikte Geesten als handlangers.
107. Algemene kenmerken. - Overhand van de Geest over de stof;
zucht naar het goede. Hun goede hoedanigheden, en hun macht om het goede te
doen, komen overeen met de graad van vooruitgang, die zij bereikt hebben:
sommigen bezitten kennis, anderen wijsheid en goedheid; de meest gevorderden
verenigen kennis bij zedelijke hoedanigheden. Daar zij nog niet geheel
gedematerialiseerd zijn, blijven zij naar gelang van hun rang meer of min de
indrukken van het lichamelijke leven, hetzij in hun wijze van spreken, hetzij
in hun gewoonten houden, bij welke men zelfs enige van hun hebbelijkheden terug
vindt; ware dit niet het geval dan zouden het volmaakte Geesten zijn.
Zij begrijpen God en de oneindigheid, en smaken reeds het geluk
van de deugdzame. Zij zijn gelukkig door het goede dat zij doen en door het
kwaad dat zij beletten. De liefde, die hen tezamen verenigt is voor hen een
bron van onuitsprekelijk geluk, dat door geen wangunst noch door
gewetenswroeging en door geen van de boze hartstochten, die kwelling van de
onvolmaakte geesten, verstoord wordt; maar allen hebben nog beproevingen te
ondergaan totdat zij de volmaaktheid zullen bereikt hebben.
Als Geesten, wekken zij goede gedachten op, en brengen de mensen
van de weg van de ondeugd terug; zij beschermen in hun leven degene die zich
deze bescherming waardig maken, en vernietigen de invloed van de onvolmaakte
geesten bij hen die niet wensen daar aan toe te geven.
De mensen in welke die Geesten geïncarneerd zijn, zijn goed en
welwillend jegens hun natuurgenoten; zij worden niet door hoogmoed of egoïsme,
noch door eerzucht gedreven, zij koesteren geen haat of wrok noch wangunst of
ijverzucht, en doen het goede ter wille van het goede.
Tot deze orde behoren de Geesten, die het volksgeloof met de
naam van goede genius, beschermgenius, geest van het goede, bestempelt. In de
tijden van bijgeloof en onkunde heeft men er weldadige goden van gemaakt.
Men kan de goede Geesten in vier hoofdgroepen verdelen.
108. Vijfde klasse. Welwillende Geesten. - Het goede heeft hij
hen de overhand; zij vinden er genoegen in de mensen een dienst te kunnen
bewijzen en te kunnen beschermen, maar hun kennis is beperkt; hun vooruitgang
is meer in zedelijke dan in intellectuele zin geweest.
109. Vierde klasse. Geleerde Geesten. - Zij onderscheiden zich
voornamelijk door hun uitgebreide kennis. Zij bemoeien zich minder met
zedenkundige dan met wetenschappelijke onderwerpen, voor welke laatste zij meer
aanleg bezitten; maar zij beschouwen de wetenschap alleen uit het
utiliteitsbeginsel, en mengen daarbij geen één van de hartstochten die aan de
onvolmaakte geesten eigen zijn.
110. Derde klasse. Wijze Geesten. - Het bezit van de meest
verhevene zedelijke hoedanigheden is hun voornaamste kenmerk. Zonder een
onbeperkte kennis te bezitten, is hun intellectuele bekwaamheid zo groot, dat
deze hen in staat stelt om een gezond oordeel over zaken en mensen te kunnen
vellen.
111. Tweede klasse. Verheven Geesten. - Bij dezen vindt men
wetenschap wijsheid en goedheid verenigd. Hun taal ademt niets dan
welwillendheid, is altijd waardig, verheven, dikwijls voortreffelijk. Door hun
grotere voortreffelijkheid bezitten zij boven anderen de geschiktheid, om ons,
binnen de grens van hetgeen de mens mag weten, de meest juiste denkbeelden over
de onlichamelijke wereld te geven. Zij openbaren zich gaarne aan hen die de
waarheid met oprechtheid zoeken, en wiens ziel genoegzaam los van het aardse is
om die te kunnen begrijpen, maar zij verlaten degene, die alleen door nieuwsgierigheid
gedreven worden, of die door de invloed van de stof, worden verhinderd het
goede te doen.
Wanneer zij zich bij uitzondering op aarde incarneren, is het,
om er een zending tot bevordering van de vooruitgang te vervullen; en zij doen
zich dan aan ons voor: als het type van de volmaaktheid, die de mens hier op
aarde bereiken kan.
Eerste Orde - Zuivere Geesten.
112. Algemene kentekenen. De stof is zonder invloed op hen. In
vergelijking met de geesten van de andere orden bezitten zij absolute
intellectuele en zedelijke meerderheid.
113. Eerste klasse. Enige klasse. - Zij hebben al de trappen van
volmaking doorlopen, alle onreinheden van de stof afgelegd. De som van alle
volmaaktheden, die door het schepsel bereikt kan worden, verkregen hebbende,
hebben zij geen beproevingen meer te ondergaan, noch boete te doen. Niet meer
in een vergankelijk lichaam hoevende geïncarneerd te worden, is het voor hen
het eeuwige leven dat zij in Gods schoot volbrengen.
Een onverstoorbaar geluk is hun deel, omdat zij niet aan de
behoeften, noch aan de wisselvalligheden van het stoffelijk leven onderworpen
zijn; maar dat geluk bestaat niet in het genieten van een eentonige
werkeloosheid en een altijd durende aanschouwing. Zij zijn Gods boden en
dienaren, wiens bevelen tot behoud van de algemene harmonie zij ten uitvoer
brengen. Zij geven bevelen aan al de Geesten, die minder zijn dan zij, zijn
deze in hun volmaking behulpzaam en wijzen hen hun roeping aan. In het ongeluk
de mens bij te staan, deze tot het goede of tot boetedoening voor de fouten,
die hem van het hoogste geluk verstoken houdt, aan te moedigen, is voor hen een
zalige arbeid. Men duidt ze dikwijls aan door de naam van engelen, aartsengelen
en serafijnen De mens kan zich met hen in gemeenschap stellen, maar het zou
zeer aanmatigend zijn te geloven dat wij hen altijd ter onzer beschikking
hebben.
114. Zijn de Geesten uit hun natuur goed of slecht, of zijn het
dezelfde Geesten, die zich verbeteren?
“Het zijn dezelfde geesten, die zich verbeteren; door zich te
verbeteren gaan zij van ene lagere tot ene hogere orde over.”
115. Zijn de Geesten, de ene goed de andere slecht geschapen?
“God heeft alle Geesten eenvoudig en onwetend, dat wil zeggen
zonder kennis geschapen. Hij heeft aan elk hun een zending opgedragen met het
doel hen te onderwijzen, en door de kennis van de waarheid trapsgewijze de
volmaaktheid te doen bereiken en tot Hem te doen naderen. De eeuwige
ongestoorde gelukzaligheid bestaat voor hen in die volmaaktheid. De Geesten
verkrijgen die kennis van de waarheid, door de beproevingen die God hen oplegt,
te ondergaan. Enigen ondergaan die beproevingen met onderwerping en bereiken
daardoor spoedig hun bestemming; anderen niet dan morrende en blijven
dientengevolge door eigen schuld van de volmaaktheid en de toegezegde
gelukzaligheid verstoken."
- Hieruit zou men dus kunnen afleiden, dat de Geesten evenals de
kinderen, bij hun begin onwetend en zonder ondervinding zijn, maar door het
doorlopen van de onderscheidene toestanden van het leven de nodige kennis die
hen nog ontbreekt, opdoen?
"Ja, die vergelijking is juist, het weerbarstige kind
blijft onwetend en onvolmaakt; naar gelang van zijn leerzaamheid maakt hij
meerdere of mindere vorderingen; maar het leven van de mens heeft een grens, en
dat van de Geesten blijft tot in het oneindige voortduren."
116. Bestaan er Geesten die eeuwig in de laagste rangen zullen
blijven?
"Nee, allen zullen de volmaaktheid bereiken, zij
veranderen, doch hiertoe is een zeer langen tijd nodig: want zoals wij u bij
een andere gelegenheid gezegd hebben: een rechtvaardig en goedertierend vader
kan niet voor eeuwig zijn kinderen verbannen. Kunt gij denken dat God, die zo
groot, zo goed, zo rechtvaardig is, strenger zou wezen dan gij zelf zijt?"
117. Hangt het van de Geesten af, hun vooruitgang tot bereiking
van de volmaaktheid te bespoedigen?
"Zeer zeker, naar gelang van hun begeerte en hun
onderwerping aan Gods wil, bereiken zij dit spoediger. Maakt, een leerzaam kind
niet spoediger vorderingen dan een onwillig kind?"
118. Kunnen de Geesten ontaarden?
"Nee, naarmate zij zich ontwikkelen begrijpen zij wat hen
van de volmaking terughield. Nadat de Geest een beproeving ondergaan heeft,
heeft hij kennis verkregen en deze verliest hij niet. Hij kan op dezelfde
hoogte blijven staan, maar gaat niet achteruit."
119. Zou God, de Geesten niet kunnen ontheffen
van de beproeving om tot de eersten rang te raken?
"Indien zij volmaakt geschapen waren zou het voor hen geen
verdienste zijn die hen op de weldaden van die volmaking aanspraak zou kunnen
doen maken. Waarin toch zou zonder strijd, deze verdienste bestaan? Bovendien
is de ongelijkheid welke tussen hen bestaat nodig voor hun persoonlijkheid; en
de zending, die zij op die verschillende trappen van ontwikkeling volbrengen,
behoren tot het plan, door de Voorzienigheid voor de harmonie van het heelal
vastgesteld."
Daar in het maatschappelijk leven, voor alle mensen de hoogste plaatsen bereikbaar zijn, zou men met evenveel recht kunnen vragen, waarom de soeverein niet van ieder soldaat een generaal maakt; waarom alle ondergeschikte ambtenaren geen hoofdambtenaren, alle leerlingen geen leeraars rijn. En tussen het maatschappelijk en het Geestenleven bestaat dit verschil, dat de duur van het eerste beperkt is, en daardoor niet iedereen, alle rangen kan bereiken, terwijl het tweede, oneindig van duur zijnde, voor allen de mogelijkheid openlaat om tot de hoogste rang opklimmen.
120. Staan alle geesten teneinde tot het goede te komen, de
proef van het kwaad door?
"Niet de proef van het kwaad, maar die van de
onwetendheid."
121. Waarom zijn enige Geesten de weg van het goede, en anderen
die van het kwaad opgegaan?
"Hebben zij niet hun vrije wil? God schiep geen slechte
geesten, maar hij schiep ze eenvoudig en onwetend, dat wil zeggen met gelijke
aanleg voor het goede als voor het kwade; zij die slecht zijn, zijn dit door
hun eigen wil geworden."
122. Hoe kunnen de Geesten die bij hun oorsprong nog geen
zelfbewustheid bezitten, de vrije keus tussen goed en kwaad hebben? Bestaat er
in hen een beginsel, een zekere neiging, welke hen eerder in de een dan in de
andere richting drijft?
"Naarmate het zelfbewustzijn bij de Geest toeneemt,
ontwikkelt zich ook de vrije wil. Er zou geen sprake van vrijheid kunnen zijn,
indien het doen van een keuze, door een van de wil van de geest onafhankelijke
oorzaak, bepaald werd. De oorzaak van het kwaad is niet in, maar buiten hem
gelegen, in de invloeden waaraan hij ten gevolge van zijn vrije wil, toegeeft.
Dit is het grote beeld van 's mensenval en van de erfzonde: sommigen zijn voor
de verleiding bezweken, anderen hebben weerstand geboden."
- Van waar komen die invloeden, welke hij ondergaat?
"Van onvolmaakte Geesten, welke trachten zich van de mens
meester te maken, hem te overheersen, en zich gelukkig voelen als zij hem
kunnen doen bezwijken. Dit heeft men onder de gedaante van Satan willen
afbeelden."
- Ondergaat de geest deze invloed alleen bij het begin van zijn
bestaan?
"Het volgt hem in zijn Geestenleven, totdat hij zoveel
macht over zichzelf verkregen heeft, dat de slechte geesten er van afzien hem
te willen beheersen."
123. Waarom heeft God toegestaan dat de Geesten de weg van het
kwaad konden betreden?
"Hoe durft gij aan God rekenschap van zijn daden vragen?
Gelooft gij instaat te zijn zijne bedoelingen te doorgronden? Toch kunt gij tot
uzelf zeggen: Gods wijsheid is zichtbaar in de vrijheid, die Hij aan ieder laat
om een keuze te doen, want ieder heeft daardoor de verdienste van zijn
arbeid."
124. Daar er Geesten zijn, die vanaf hun oorsprong de weg van
het absolute goede en andere welke die van het absolute kwaad volgen, zo
bestaan er zeker tussen deze twee uitersten, nog trappen?
"Ja zeker, en tot deze behoort de grote meerderheid."
125. Kunnen de Geesten, die de weg van het kwaad opgegaan zijn,
dezelfde graad van volkomenheid van de anderen bereiken?
"Ja, maar de eeuwigheden zullen voor hen langduriger
zijn."
Door dit woord eeuwigheden drukt men het denkbeeld uit, dat de mindere geesten omtrent de eeuwigheid van hun lijden koesteren, daar het hen niet gegeven is daarvan het einde te voorzien, en dit denkbeeld zich bij elke beproeving waaronder zij bezwijken, hernieuwt.
126. Zijn de Geesten, die, na het kwade doorgeworsteld te zijn,
de hoogste trap bereikt hebben, in Gods ogen minder verdienstelijk dan de
andere?
"God beschouwt de verdoolden met hetzelfde oog en heeft hen
even lief. Zij worden slecht genoemd omdat zij bezweken zijn; voor die tijd
waren zij slechts eenvoudige Geesten."
127. Worden alle Geesten met gelijke intellectuele vermogens
geschapen?
"Zij zijn allen gelijk geschapen, maar niet wetende vanwaar
zij komen, moet de vrije wil zijn loop hebben. Zij gaan allen, de ene spoediger
dan de andere, zowel in verstand als in zedelijkheid vooruit."
Geesten, die van de aanvang af de weg van het goede bewandelen, zijn daarom nog geen volmaakte geesten; al hebben zij geen slechte neigingen, dan moeten zij toch de nodige ondervinding en kennis, om de volmaking te kunnen bereiken, opdoen. Wij kunnen hen met kinderen vergelijken, die, hoe goed hun natuurlijke aanleg ook zijn moge, toch nodig hebben die te ontwikkelen, en te worden onderwezen, en die niet zonder tussenstand van de kindsheid tot de mannelijke leeftijd overgaan; doch zoals er mensen gevonden worden, die van hun jeugd af aan goed, anderen, die slecht zijn, zijn er ook Geesten, die van de aanvang af goed of slecht waren met dit grote verschil, dat het kind geheel gevormde neigingen meebrengt, terwijl de Geest bij zijn vorming evenmin goed als slecht is; hij bezit in zich alle neigingen en tengevolge van zijn vrije wil, volgt hij de een of de andere.
128. Behoren de wezens, die wij engelen, aartsengelen,
serafijnen noemen, tot een afzonderlijke categorie van Geesten, welke natuur
met die van de anderen verschilt?
"Nee, het zijn reine Geesten, die op de hoogste trap staan,
en alle volmaaktheden in zich verenigen."
Het woord engel doet bij ons het denkbeeld van zedelijke volmaaktheid ontstaan, doch het wordt ook dikwijls op goede en kwade wezens, die buiten de mensheid bestaan, toegepast. Men zegt bijvoorbeeld de goede en kwade engel; de engel des lichte en die der duisternis, in die zin heeft het dezelfde betekenis als geest of genius. Wij bezigen het hier in de goede zin van het woord.
129. Hebben de engelen alle trappen doorlopen?
"Zij hebben alle trappen doorlopen, maar zoals wij reeds
gezegd hebben: hebben sommigen hun zending zonder morren aanvaard en spoedig
het einddoel bereikt, terwijl anderen een meer of minderen lange tijd hebben
nodig gehad om de volmaaktheid te bereiken."
130. Indien het gevoel, dat er volmaakte en boven anderen
verhevene wezens geschapen zijn, een dwaling is, hoe komt het dan, dat men dit
geloof onder de overleveringen van de meeste volken terug vindt?
"Weet dat uw aarde niet van alle eeuwigheid bestaan heeft,
en dat er Geesten waren, die reeds lang vóór dat zij bestond, de hoogste trap
bereikt hadden; daardoor hebben de mensen dus kunnen geloven, dat zij altijd,
zoals zij toen waren, geweest zijn."
131. Zijn er duivelen, in de zin die men aan dat woord hecht?
"Indien er duivelen waren zouden zij Gods schepping zijn,
en zou God rechtvaardig en goed zijn, als hij wezens geschapen had, die eeuwig
tot het kwaad en tot het ongeluk gedoemd zijn? Indien er duivelen zijn, dan
houden deze verblijf op uw mindere en andere soortgelijke werelden, het zijn
die huichelaars, die van een goede en rechtvaardige, een boze en wraakzuchtige
God maken, en die geloven Hem, door de gruwelen die zij in Zijn naam bedrijven,
welgevallig te zijn."
Het woord démon wordt alleen in de hedendaagse opvatting als slechte geest gebruikt, want het Griekse woord daimôn, waarvan het gevormd is, betekent genius, intelligentie, en werd zonder onderscheid voor alle onlichamelijke wezens, hetzij goede of slechte gebruikt.
Volgens de algemene toepassing van dat woord, hecht men aan
demonen de gedachte vanuit hun aard kwaadwillige wezens; deze zouden evenals
alles wat bestaat, Gods schepping zijn; en God, die bij uitnemendheid
rechtvaardig en goed is, kan geen wezens geschapen hebben, die door hun natuur
tot het kwaaddoen voorbeschikt en voor eeuwig verdoemd zullen zijn. Indien de
demonen Gods schepping niet waren, zouden zij evenals God, in alle eeuwigheid
bestaan hebben, en zoude er meer dan één Hoogste macht zijn.
Een hoofdvereiste van iedere leer is, logisch te zijn, en de
leer van de duivelen, in de absolute zin opgevat, is dit in zo'n voornaam
beginsel niet. Dat men in het geloof van achterlijke volken, die, Gods
eigenschappen niet kennende, kwaadwillige goden aannemen, ook demonen opgenomen
heeft is gemakkelijk te begrijpen; maar voor hen, die van Gods eigenschappen
Zijn goedheid als de uitnemendste beschouwen, is de veronderstelling dat Hij
wezens heeft kunnen scheppen, tot kwaaddoen gedoemd en bestemd om dit eeuwig te
doen, onlogisch en tegenstrijdig; want het is die goedheid loochenen. De
voorstanders van de duivel beroepen zich op de woorden van Christus; het zij
verre van ons, het gezag van zijn onderwijs, dat wij meer in 's mensenhart dan
in zijn mond zouden wensen te zien, te ontkennen; maar is men er wel zo zeker
van, de zin, die hij aan het woord duivel hechte, te kennen? Weet men niet dat
de allegorische vorm het onderscheidend kenmerk van zijn taal is, en moet
alles, wat in het Evangelie staat, woordelijk opgevat worden? Wij willen
slechts een tekst als voorbeeld aanhalen:
"En terstond na de verdrukking dier dagen, zal de zon
verduisterd worden, en de maan zal haar schijnsel niet geven, en de sterren
zullen van de hemel vallen, en de krachten der hemelen zullen bewogen worden.
Voorwaar ik zeg u: dit geslacht zal geenszins voorbijgaan, tot dat al deze
dingen zullen geschied zijn." ( Matth. XXIV, vs. 29 en 34). Hebben wij de
vorm van de tekst omtrent de schepping en de beweging van de aarde, zoals die
in de Bijbel vermeld staat, niet door de wetenschap weerlegd gezien? Kan dit
ook niet het geval zijn met enige beelden, die Christus gebruikt heeft, daar
hij volgens de begrippen van tijd en plaats spreken moest. Voorbedachtelijk
heeft Christus geen onwaarheid kunnen zeggen; indien er dus in zijn woorden
dingen voorkomen die strijdig met het gezond verstand zijn, komt dit omdat wij
die niet begrijpen of verkeerd toepassen.
Wat de mensen ten opzichte van de engelen gedaan hebben, deden
zij ook voor de duivelen; gelijk zij aan geesten, die van alle eeuwigheid
volmaakt waren, geloofd hebben, beschouwen zij de lage geesten als wezens, die
van alle eeuwigheid slecht waren. Onder het woord démon moeten de onreine
Geesten verstaan worden, die dikwijls niet veel beter zijn dan de wezens, die
men onder die naam aanduidt, maar met dit onderscheid, dat hun toestand slechts
tijdelijk is. Het zijn onvolmaakte Geesten, die de hun opgelegde beproevingen,
morrende ondergaan, en die daarom voor hen van langer duur zijn, doch, die ook
op hun beurt, zodra zij daartoe de wil doen blijken, het doel zullen bereiken.
Men zoude dus het woord in die beperkte zin opgevat kunnen behouden; ware het
niet dat men er heden ten dage een bijzonder begrip aan hechte, waardoor men op
het dwaalspoor zou kunnen raken, door aan bijzondere voor het kwaad geschapen
wezens te doen denken.
Wat Satan aangaat; die is klaarblijkelijk de personificatie van
het kwaad ouder een allegorische vorm; want het is onmogelijk aannemen, dat
er een wezen zou bestaan, met gelijke macht tegen God strijdende, en wiens
enigste streven zoude zijn, zich tegen Gods wil te verzetten. De mens heeft
beelden en schilderingen nodig om indruk op zijn verbeelding te kunnen maken,
daarom heeft hij de onlichamelijke wezen onder een materiele vorm met attributen,
aan hun goede hoedanigheden of gebreken herinneren, afgebeeld. Zo hebben de
ouden, de tijd willende personifiëren, die afgebeeld als een grijsaard met
een zeis en een zandloper; het beeld van een jongeling zou hier een tegenstrijdigheid
geweest zijn; hetzelfde geldt voor de allegorische voorstellingen van de fortuin,
de waarheid enz. De nieuwe volken hebben de engelen of reine geesten met een
schitterend gelaat en blanke vleugelen, zinnebeeld van de reinheid, Satan
met horens, klauwen en de attributen van het dierlijke, als zinnebeeld van
de lage driften, afgebeeld. Het volk, dat alles letterlijk opvat, heeft deze
zinnebeelden, als wezenlijke personen aangezien, zoals het dit vroeger met
Saturnus in de allegorische voorstelling van de tijd gedaan heeft.