Tweede Hoofdstuk.
Incarnatie (menswording) van de Geesten.
Doel van de incarnatie. De ziel. Materialisme.
Doel van de incarnatie.
132. Wat is het doel van de incarnatie van de Geesten?
"God legt hen die op, met het doel om hen de volmaaktheid
te doen bereiken; voor sommigen is het een boetedoening, voor anderen een
zending. Maar om die volmaaktheid te bereiken, moeten zij de wisselvallige van
het lichamelijke leven doorstaan; hierin bestaat de boetedoening. De incarnatie
heeft nog een ander doel, namelijk de Geest in staat te stellen zijn deel in
het werk van de schepping te kunnen dragen, om dit te kunnen doen, neemt hij in
elke wereld een gestalte aan in harmonie met het stoffelijk beginsel, waaruit
die wereld bestaat, om daar, in dat opzicht, Gods geboden te kunnen volbrengen,
zo doende arbeidt hij mede aan het algemene werk, terwijl hij zijn eigen
vooruitgang bevordert."
De medewerking van de lichamelijk wezens is voor de geregelde loop van het heelal nodig; maar God heeft in Zijn wijsheid gewild, dat die wezen, in die arbeid een middel zouden vinden tot vooruitgang, en om meer en meer tot Hem te naderen. Zo ziet men, dat door een bewonderenswaardige wet door Gods voorzienigheid vastgesteld, alles, in het heelal een keten vormt, en dat alles, in de natuur door wederkerige verplichtingen aan elkaar verbonden is.
133. Hebben ook die Geesten, die van de begin af aan de weg van
het goede gevolgd hebben, nodig de incarnatie te ondergaan?
"Allen zijn eenvoudig en onwetend geschapen; zij worden
wijzer door de strijd en de wederwaardigheden van het leven, God, die
rechtvaardig is, kon enige zonder dat zij daarvoor enige moeite aangewend of
gearbeid hadden en dus zonder verdiensten te hebben, niet gelukkig maken."
-Maar wat baat het dan aan de Geesten de goede weg opgegaan te
zijn, indien hen dit niet van de verdrietelijkheden van het lichamelijke leven
vrijwaart?
"Zij bereiken spoediger het einddoel, bovendien zijn de
moeilijkheden van het leven dikwijls het gevolg van de onvolmaaktheden van de
Geest; hoe minder onvolmaaktheden dit bezit, des te minder kwellingen zal hij
ondervinden; hij, die niet afgunstig of naijverig, niet gierig of eerzuchtig
is, zal de kwellingen, die deze gebreken na zich slepen, niet
ondervinden."
134. Wat is de ziel?
"Een geïncarneerde Geest."
-Wat was de ziel voor zij zich met het lichaam verenigde?
"Geest."
-Dus zijn zielen en geesten hetzelfde?
"Ja, zielen zijn slechts Geesten. Voordat zij zich met het
lichaam verenigt, is de ziel een van de intelligente wezens, die de onzichtbare
wereld bevolken en die tijdelijk een vleselijk omhulsel aannemen, teneinde zich
te reinigen en wijzer te worden."
135. Bestaat er in de mens nog iets anders dan de ziel en het
lichaam?
"Ja, de band die de ziel met het lichaam verbindt."
-Van welke aard is die band?
"Halfstoffelijk, dat wil zeggen, bemiddelaar tussen Geest
en lichaam. En dit moet zij zijn, willen deze zich met elkaar in gemeenschap
kunnen stellen. Het is door die band dat de Geest op de stof en wederkerig de
stof op de Geest werkt."
De mens bestaat alzo uit drie noodzakelijke delen:
1. Het lichaam, of stoffelijk wezen, zoals de dieren, en door
hetzelfde levensbeginsel bezield.
2. De ziel, een geïncarneerde Geest die het lichaam tot woning
heeft.
3. Het bemiddelend beginsel of perispirit, halfstoffelijke
substantie, die tot eerste omhulsel van de Geest dient, en de ziel met het
lichaam verbindt. Zo vindt men in een vrucht: kiem, kiemhulsel, en schil of
bast.
136. Is de ziel onafhankelijk van het levensbeginsel?
"Het lichaam is slechts omhulsel; wij herhalen dit
steeds."
-Kan het lichaam zonder de ziel bestaan?
"Ja, en toch verlaat de ziel het lichaam, zodra dit ophoudt
te leven. Voor de geboorte bestaat er nog geen algehele vereniging tussen ziel
en lichaam; doch zodra deze vereniging tot stand gekomen is, worden door de
dood van het lichaam de banden, die dit met de ziel verbonden, verbroken, en de
ziel verlaat het lichaam. Een lichaam zonder ziel kan het organische leven
bezitten, maar de ziel kan niet in een van het organische leven beroofd lichaam
verblijven."
-Wat zou ons lichaam zijn, indien het geen ziel had?
"Een vleesklomp zonder intelligentie, alles wat gij wilt,
maar geen mens."
137. Kan dezelfde Geest zich tegelijk in twee verschillende
lichamen incarneren?
"Nee, de Geest is ondeelbaar en kan niet tegelijkertijd twee
verschillende wezens bezielen." ( zie in het Boek der Mediums, Bicorporeiteit
en transfiguratie.
)
138. Wat moet men denken over het gevoel van hen, die de ziel
als het beginsel van het stoffelijk leven beschouwen?
"Dit is een strijd over woorden; wij hechten daar niet aan,
begin met u onderling te verstaan."
139. Enige Geesten, en voor hen, enige wijsgeren hebben de ziel
genoemd: een bezielende vonk, van het grote Al geëmaneerd; hoe verklaart gij
die tegenstrijdigheid?
"Het is geen tegenstrijdigheid; alles hangt af van de zin
die men aan de woorden hecht. Waarom hebt gij voor iedere zaak niet een
afzonderlijk woord?"
Het woord ziel wordt gebruikt om geheel van elkaar verschillende
dingen uit te drukken. Enige geven die naam aan het beginsel van het leven,
en in die zin is het figuurlijk gesproken juist, te zeggen, dat de ziel een
bezielende vonk is, geëmaneerd van het grote Al. De laatste woorden duiden
de algemene bron van het levensbeginsel aan, waarvan ieder schepsel een gedeelte
tot zich neemt, en dat na de dood weder tot de massa terugkeert. Dit denkbeeld
sluit geenszins het bestaan uit van een zedelijk, afgescheiden, van de stof
onafhankelijk en zijn persoonlijkheid behoudend wezen. Het is datzelfde wezen
dat men ook ziel noemt, en het is in die zin dat men zeggen kan dat de ziel
een geïncarneerde Geest is. De Geesten, deze verschillende definities van
de ziel gevende, spraken in de geest van de betekenis die zij aan het woord
gaven, en naar de aardse denkbeelden, die zij nog meer of min aankleefden.
Dit komt door de onvolledigheid van de menselijke taal, die niet voor elk
denkbeeld een eigen woord heeft en daardoor ontstaat veel vergissing en woordenstrijd;
en het is daarom dat de verheven geesten ons zeggen, om het eerst onder elkaar,
over de betekenis van de woorden ééns te worden. (Zie ziel).
140. Wat moet men denken van de theorie, die de ziel in zovele
delen als er spieren zijn, verdeelt, waarvan elk een van de verrichtingen
van het lichaam bestuurt?
"Dit hangt alweer af van de betekenis, die men aan het
woord ziel geeft; indien men daarmee het levensgevende fluïdum bedoelt, dan
heeft men gelijk; doch als men daarmee de geïncarneerde Geest bedoelt, heeft
men ongelijk. Wij hebben dit reeds gezegd, de Geest is ondeelbaar; hij brengt
de beweging op de organen door het bemiddelend fluïdum over, zonder zich daarom
te verdelen."
- Er zijn toch geesten, die er deze definitie van gegeven
hebben?
"Onwetende Geesten kunnen het uitwerksel voor de oorzaak aanzien."
De ziel handelt door tussenkomst van de organen, en de organen
worden bezield door het levensgevend fluïdum, dat zich tussen hen verdeelt, en
het overvloedigste tussen die organen, welk middel of brandpunten van beweging
zijn. Maar deze verklaring is niet toepasselijk op de ziel, beschouwd als
Geest, die het lichaam bewoont, en dat bij de dood verlaat.
141. Is er iets waars in de mening van hen, die geloven dat de
ziel uitwendig is en het lichaam omgeeft?
"De ziel is niet in het lichaam, zoals een vogel in een
kooi, opgesloten; zij straalt uit en openbaart zich naar buiten, zoals een
licht door een glazen bol, of zoals het geluid om een geluidsgevend middelpunt;
in die zin kan men zeggen dat zij uitwendig is, maar zij is daarom nog geen
omhulsel van het lichaam. De ziel heeft twee omhulsels: het ene, fijn en licht
is het eerste, dat gij het perispirit noemt; het andere, grof stoffelijk en
zwaar: het lichaam. De ziel is het middelpunt van alle deze omhulsels, zoals de
kiem dit in een pit is; dit hebben wij u reeds gezegd."
142. Wat moet men denken van die andere theorie, volgens welke
de ziel van het kind, zich bij ieder tijdperk van het leven aanvult?
"De ziel is slechts één, zij bestaat zowel bij het kind als
bij de volwassen in haar geheel, het zijn de organen of werktuigen ten dienste
van de ziel die zich ontwikkelen en volmaken. Hier neemt men wederom het
uitwerksel voor de oorzaak."
143. Waarom geven de Geesten niet allen dezelfde omschrijving
van de ziel?
"Omtrent soortgelijke onderwerpen zijn niet alle Geesten
even goed ingelicht, er zijn geesten wier verstand nog weinig ontwikkeld is en
die nog geen afgetrokken denkbeelden kunnen begrijpen; het is evenals bij u met
de kinderen; er zijn ook schijngeleerde Geesten, die om indruk te maken met
woorden schermen: ook zoals bij u. Dan nog kunnen verlichte Geesten
verschillende uitdrukkingen gebruiken, die, wat de grond van de zaak betreft,
dezelfde waarde hebben, vooral als er sprake is van dingen, welke uw taal niet
bij machte is duidelijk terug te geven; men moet dan beelden en vergelijkingen
bezigen, en die neemt gij dan als werkelijk bestaande aan."
144. Wat moet men onder de wereldziel verstaan?
"Het is het algemeen beginsel van het leven en van de
intelligentie, waaruit alle individualiteiten geboren worden. Maar zij, die dit
woord gebruiken, begrijpen het dikwijls zelf niet. Het woord ziel is zo
rekbaar, dat iedereen er naar welgevallen de betekenis van zijn eigen
droombeelden aan geeft. Men heeft ook dikwerf aan de aarde een ziel toegeschreven;
hieronder moet men de gezamenlijke zich toewijdende Geesten verstaan, die, als
gij naar hen luisteren wilt, uw daden ten goede leiden, en die als het ware
Gods plaatsbekleders op uw aardbol zijn."
145. Hoe komt het, dat zo vele wijsgeren van oude en nieuwere
tijden, zo lang over de psychologische wetenschap getwist hebben, zonder tot de
waarheid gekomen te zijn?
"Deze mannen waren de voorlopers van de eeuwige
spiritistische leer; zij hebben de weg voorbereid. Zij waren mensen en konden
dus dwalen, omdat zij hun eigen denkbeelden voor het licht hebben aangezien;
maar zelfs hun dwalingen zijn van nut om door hetgeen voor en tegen is
aanschouwelijk te maken, de waarheid te doen uitkomen; bovendien zijn er onder
die dwalingen grote waarheden vermengd, welke door een vergelijkende studie
begrijpelijk worden."
146. Neemt de ziel een bepaalde en begrensde plaats in het
lichaam in?
"Nee, maar zij zetelt bij grote vernuften, en bij allen die
veel denken, voornamelijk in het hoofd; en bij hen die diep voelen en wiens
daden het meest betrekking op de mensheid hebben, in het hart."
-Wat moeten wij denken van het gevoel van hen, die de ziel in
een voor het leven noodzakelijk middelpunt plaatsen?
"Gij wilt daarmede zeggen dat de Geest zich bij voorkeur in
dat deel van uw organisme ophoudt omdat alle de gewaarwordingen op dat punt
uitlopen. Zij, die de ziel plaatsen in hetgeen zij als het middelpunt van het
levensvermogen beschouwen, verwarren dit met het levensgevende fluïdum of
beginsel. Men kan evenwel zeggen, dat de zetel van de ziel zich meer bijzonder
in de organen bevindt, die tot intellectuele en zedelijke uitingen
dienen."
147. Waarom zijn de ontleed- en natuurkundigen en in het
algemeen zij, die de natuurwetenschappen bestuderen, zo dikwerf tot
materialisme geneigd?
"De natuurkundige schrijft alles toe aan hetgeen hij ziet.
Menselijke hoogmoed, die gelooft alles te kennen, en die niet kan aannemen dat
er iets kan bestaan dat hun begripsvermogen te bovengaat, hun kennis zelf voedt
hun eigenwaan, zij verbeelden zich dat de natuur voor hen niets verborgens kan
hebben."
148. Is het niet te bejammeren dat het materialisme het gevolg
is van studies, die juist de mens de voortreffelijkheid van de intelligentie
die de wereld bestuurt, moest aantonen? Moet men daaruit niet de gevolgtrekking
maken dat die studies gevaarlijk zijn?
"Het is onwaar dat het materialisme een gevolg van de
beoefening van die wetenschappen is; het is de mens die uit die beoefening
verkeerde gevolgtrekkingen put, want de mens kan van alles, ja van de beste
dingen, misbruik maken. Bovendien het Niet beangst hen meer, dan zij willen
bekennen en de zogenaamde vrijgeesten zijn dikwijls meer grootsprekers dan
helden. De meesten zijn alleen materialist omdat zij niets hebben om de leegte
van die hen aangapende afgrond te kunnen opvullen; wijs hen een plechtanker
aan, en zij zullen er zich gaarne aan vastklemmen."
Er zijn mensen, die door een afdwaling van het verstand, in de
bewerktuigde wezens niets anders zien dan de uiting van de stof en daaraan al
onze handelingen toeschrijven. Zij hebben in het menselijk lichaam niet anders
dan een elektriseermachine gezien; zij hebben het levensorganisme alleen in de
beweging van de organen bestudeerd; zij hebben dit leven dikwijls als 't ware door
het breken van een draad, een einde zien nemen, en zij hebben niets anders dan
die draad gezien; zij hebben gezocht of er ook iets anders overbleef; en daar
zij niets dan de werkeloos geworden stof vonden, daar zij de ziel niet hebben
zien ontsnappen, en niet hebben kunnen grijpen, zijn zij tot het besluit
gekomen, dat alles in eigenschappen van de stof bestaat, en dat er dus na de
dood niets meer overblijft dan het niet van de gedachte; droevige
gevolgtrekking indien het zo ware, want dan zou goed en kwaad doelloos zijn, de
mens zou alle recht hebben, om, alléén aan zichzelf te denken en zijn
stoffelijke genietingen boven alles te stellen; de banden van de maatschappij
zouden verbroken en de heiligste neigingen onherroepelijk vernietigd worden.
Gelukkig zijn dergelijke denkbeelden ver van algemeen, men kan zelfs zeggen dat
zij zeer beperkt en het slechts individuele meningen zijn, die nog nergens tot
leer verheven zijn. Een maatschappij op zodanige grondstellingen gevestigd,
zoude in haar zelf de kiem van haar ontbinding bevatten, en haar leden zouden
als wilde dieren elkaar verscheuren.
De mens koestert instinctmatig de gedachte, dat met dit leven
voor hem niet alles een einde neemt; hij heeft een afgrijzen van het niet; hij
moge zich tegen die gedachte aan de toekomst, gehard hebben, als het laatste
ogenblik aanbreekt zijn er maar weinigen, die zichzelf niet afvragen wat er van
hen worden zal; want de gedachte om het leven voor altijd vaarwel te zeggen is
een verschrikkelijk denkbeeld. Wie kan dan ook een algehele eeuwige scheiding
van alles wat men lief heeft met onverschilligheid tegemoet gaan? Wie zoude de
onmetelijke afgrond van het niet waarin voor altijd al onze vermogens, al onze
hoop moeten begraven worden, voor zich kunnen zien openen en zonder ontzetting
tot zichzelf kunnen zeggen: Hoe! na mij niets, niets dan de leegte; alles is
voor eeuwig gedaan, nog weinige dagen, en dan zal ook mijn gedachtenis uit het
geheugen van hen die mij overleven, uitgewist zijn; weldra zal er geen spoor
van mijn verblijf op aarde meer overblijven; zelfs het goede dat ik gedaan heb,
zal door de ondankbaren, die verplichting aan mij hebben, vergeten zijn; en
niets om dat alles te vergoeden, geen ander vooruitzicht dan dat mijn lichaam
een prooi van de wormen zal worden.
Heeft dit tafereel niet iets afschuwelijks, iets ijzingwekkends?
De Godsdienst leert ons, dat het niet aldus zijn kan, en de rede bevestigd
dit; maar in dat onbepaalde, onzekere toekomstige leven, is er niets dat onze
zucht voor het positieve kan bevredigen, en dat is wat bij velen twijfelzucht
doet ontstaan. Wij hebben een ziel, hetzij zo, maar wat is die ziel? Heeft
zij een gedaante of tenminste het een of ander uiterlijk aanzien? Is het een
begrensd of onbegrensd wezen? De een zegt dat het een ademtocht Gods, de andere
dat het een vonk, weer anderen dat het een deel van het grote Al, het beginsel
van het leven en van de intelligentie is maar wat leren wij nu uit dit alles?
Welk belang heeft het voor mij een ziel te hebben, als deze zich na mijn dood
in de onmetelijkheid verliest. Staat dit verlies van onze individualiteit
niet met het niet zijn gelijk? Men zegt ook dat de ziel onstoffelijk is: maar
een onstoffelijk iets kan geen bepaalde afmetingen hebben; voor ons is het
niets. Ook leert ons de godsdienst dat wij naar gelang van het goed en kwaad
dat wij gedaan hebben, gelukkig of ongelukkig zullen zijn; maar waarin bestaat
dat geluk dat ons wacht in Gods schoot? Is het ene eeuwige gelukzaligheid,
een eeuwige aanschouwing, zonder andere bezigheid dan het bezingen van de
lof des Scheppers? Bestaan de vlammen van de hel werkelijk of is het een beeld?
De kerk zelf geeft er deze laatste uitlegging van, maar welke zijn de smarten,
die men lijden zal? Waar bevindt zich die strafplaats? In een woord, wat doet
men, wat ziet men in die wereld die ons allen wacht? Niemand, zegt men, is
vandaar teruggekomen ons het ons meedelen. Dit is een dwaling, en het is juist
de roeping van het spiritisme om ons omtrent die toekomst in te lichten, en
ons haar tot in zekere mate, niet meer door redenering, maar door feiten,
met de handen te doen tasten en met de ogen te doen zien. Dankzij de spiritistische
mededelingen, is die toekomst niet meer een vermoeden, een waarschijnlijkheid,
welke iedereen naar goeddunken versiert, die de dichters door hun ficties
verfraaien of met allegorische voorstellingen, die ons bedriegen, opsmukken;
het is de werkelijkheid, die ons voor ogen gehouden wordt, want het zijn de
wezens van gene zijde van het graf zelf, die ons hun toestand komen beschrijven,
die ons komen zeggen wat zij doen, die ons in de gelegenheid komen stellen
om als 't ware bij alle omstandigheden van hun nieuw leven tegenwoordig te
zijn, en ons daardoor op het onvermijdelijke lot wijzen, dat ons naar gelang
van onze verdiensten of van de door ons gepleegde misdaden te wachten staat.
Is hierin iets ongodsdienstig gelegen? Integendeel, want de ongelovigen worden
er door tot het geloof teruggebracht, en de lauwe putten er een vernieuwing
van ijver en vertrouwen uit, het spiritisme is dus de machtigste bondgenoot
van de godsdienst. Dit zo zijnde is het omdat God dit toelaat, en Hij laat
het toe om onze wankelende hoop te doen herleven, en ons door het vooruitzicht
van hetgeen ons in de toekomst wacht, op de weg van het goede terug te voeren.