Derde Hoofdstuk.

 

Terugkeer uit het Lichamelijk tot het Geestenleven.

 

 

De ziel na de dood; haar individualiteit. Het eeuwige leven. Scheiding van ziel en lichaam. Spiritistische bedwelming.

 

 

De ziel na de dood.

 

 

Wat wordt er van de ziel op het ogenblik van het sterven?

"Zij wordt wederom Geest, dat wil zeggen dat zij weder tot de geestenwereld, welke zij tijdelijk verlaten had, terugkeert.

 

150. Behoudt de ziel na de dood haar individualiteit?

Ja, zij verliest die nooit. Wat zou zij zijn, als zij die niet behield?

- Hoe bemerkt de ziel haar individualiteit?

"Zij bezit nog een fluïdum dat haar eigen is, dat zij uit de dampkring van haar planeet put, en dat het uiterlijk aanzien van haar laatste incarnatie heeft: haar perispirit."

- Neemt de ziel niets van hier met zich mede?

"Niets dan de herinnering, en de wens om tot een betere wereld over te gaan. Deze herinnering is vol genoegen of wel bedroevend naar gelang van het gebruik dat zij van haar leven gemaakt heeft. Naarmate zij reiner is, begrijpt zij beter de nietigheid van hetgeen zij op aarde achterlaat."

 

151. Wat moet men denken omtrent de mening dat de ziel na de dood tot het universele Al terugkeert?

"Vormen al de Geesten tezamen niet een geheel? Is dat niet een gehele wereld? Als gij een vergadering bijwoont zijt gij een integrerend deel van die vergadering, en toch blijft gij uw individualiteit behouden."

 

152. Welk bewijs kunnen wij van de individualiteit van de ziel na de dood hebben?

"Vindt gij dat bewijs niet in de mededelingen, die gij ontvangt? Indien gij niet blind zijt, zult gij zien; indien gij niet doof zijt, zult gij horen; want zeer dikwijls spreekt een stem tot u, die u het bestaan van een wezen buiten u openbaart."

 

 

Zij, die denken dat de ziel bij de dood in het universele Al terugkeert, dwalen, indien zij daaronder verstaan, dat de ziel, evenals een druppel water die in de zee valt, zijn individualiteit verliest; doch zij zijn in de waarheid indien zij door het universele Al de gezamenlijke onlichamelijke wezens verstaan, waarvan elke Ziel of Geest een van de elementen is.

Indien de zielen in de massa opgenomen werden, zouden zij slechts de eigenschappen van het geheel bezitten, en door niets van elkaar onderscheiden zijn; zij zouden geen eigen intelligentie noch eigen hoedanigheden bezitten; terwijl zij bij alle hun mededelingen van het bewustzijn van een eigen ik en van een eigen wil, blijken geven; de oneindige verscheidenheid in ieder opzicht, waarin zij zich aan ons vertonen, is een noodzakelijk gevolg van die individualiteit. Indien er na de dood alleen datgene bestond, wat men het grote Al noemt en alle individualiteiten in zich opneemt, dan zou dit Al eenvormig zijn, en dientengevolge ook alle uit de onzichtbare wereld ontvangen mededelingen aan elkaar gelijk zijn. Maar daar men er goede en slechte, geleerde en onwetende, gelukkige en ongelukkige wezens aantreft, daar men er alle karakters: opgeruimde en neerslachtige, lichtzinnige en diepzinnige vindt, is het duidelijk dat het afzonderlijke wezens zijn. De individualiteit wordt nog duidelijker bewezen, wanneer deze wezens hun identiteit door onwraakbare tekenen, door bijzonderheden uit hun eigen aardse leven die onderzocht kunnen worden, bewijzen; zij kan niet in twijfel getrokken worden, wanneer zij zich bij verschijningen zichtbaar aan ons vertonen. De individualiteit van de ziel wordt ons theoretisch als geloofsartikel onderwezen; het spiritisme bewijst die theorie en maakt ons dit als 't ware tastbaar.

 

 

153. In welke zin moet men het eeuwige leven verstaan?

 "Het is het leven van de geest dat eeuwig is; het leven van het lichaam is slechts tijdelijk en van korte duur. Als het lichaam sterft, keert de ziel tot het eeuwige leven terug."

- Zou het niet juister zijn, alleen het leven van de Zuivere Geesten, van hen, die de volmaaktheid bereikt hebben en dus geen beproevingen meer hebben te ondergaan, het eeuwige leven te noemen?

"Dit is meer eeuwig gelukzaligheid; maar dit is twisten over woorden; noem de dingen zoals gij wilt, mits gij elkaar verstaat."

 

 

Scheiding van ziel en lichaam.

 

 

154. Is de scheiding van ziel en lichaam pijnlijk?

"Nee, het lichaam lijdt dikwijls meer gedurende het leven dan op het ogenblik van het sterven; de ziel lijdt niet. De smarten, die men soms op het ogenblik van de dood lijdt, zijn een wellust voor de Geest, die het einde van zijn ballingschap voelt naderen."

 

 

Bij een natuurlijke dood, bij sterven door uitputting van de organen ten gevolg van ouderdom verlaat de mens het leven zonder het gewaar te worden; het is een lamp die door gebrek aan olie uitgaat.

 

 

155. Op welke wijze scheidt de ziel van het lichaam?

"De banden, die haar met het lichaam verbonden, verbroken zijnde, maakt zij zich vanzelf los."

- Vindt die scheiding plotseling en door een snelle overgang plaats? Bestaat er een duidelijke grenslijn tussen leven en dood?

"Nee, de ziel maakt zich allengs los en ontsnapt niet gelijk een vogel uit de kooi, wanneer men die eensklaps de vrijheid geeft. Die twee toestanden grenzen aan, en lopen in elkaar; de geest bevrijdt zich alzo langzamerhand van zijn banden; die banden worden losgemaakt, niet verscheurd."

 

 

De Geest is gedurende het leven door zijn halfstoffelijk omhulsel of perispirit met het lichaam verbonden, de dood is slechts de vernietiging van het lichaam en niet van dit omhulsel, hetwelk wanneer het organische leven in het lichaam ophoudt, zich daarvan afscheidt. De ondervinding heeft bewezen dat op het ogenblik van de dood de losmaking van het perispirit niet dadelijk volkomen is en dat dit slechts langzamerhand en naar gelang van de individuen, met verschillende snelheid plaats vindt; bij sommigen geschiedt die losmaking vrij snel en men kan zeggen dat bij dezen het ogenblik van sterven, op weinige uren na, ook het ogenblik van de verlossing is; maar bij anderen vooral bij hen wier leven geheel stoffelijk en zinnelijk is geweest, gaat de losmaking veel minder snel en kan dikwijls vele dagen, weken, ja maanden duren, zonder dat dit daarom de minste levensvatbaarheid noch terugkeer tot het leven in zich sluit, maar eenvoudig een affiniteit tussen lichaam en geest is; affiniteit die altijd evenredig is aan het overwicht, dat de geest gedurende zijn leven aan de stof toegestaan heeft. Het is inderdaad rationeel te begrijpen, dat, hoe meer de Geest zich met de stof vereenzelvigd heeft, hij des te meer moeite zal hebben daarvan te scheiden, en dat de zedelijke en intellectuele arbeid - verheffing van geest - reeds gedurende het leven een begin van losmaking teweeg brengt, en dat, wanneer dan de dood komt, de vrijmaking bijna onmiddellijk volgt. Dit is de slotsom van de studie, welke men op alle individuen op het ogenblik van hun sterven waargenomen, gemaakt heeft. Deze waarnemingen bewijzen ook nog, dat de affiniteit, die tussen ziel en lichaam bij sommige individuen blijft bestaan, soms zeer pijnlijk is want daardoor wordt het mogelijk dat de Geest de afgrijselijkheid van de ontbinding van het lichaam kan voelen. Dit geval behoort tot de uitzonderingen, en is aan zekere levenswijze en soort van dood eigen en komt bij enige zelfmoordenaars voor.

 

156. Kan de algehele scheiding tussen ziel en lichaam, reeds plaats gevonden hebben, voordat het organische leven geheel uitgeblust is?

"In de doodstrijd heeft de ziel soms het lichaam reeds verlaten; er bestaat dan nog alleen organisch leven. De mens is zichzelf dan niet meer bewust en toch bezit hij nog een ademtocht van het leven. Het lichaam is een werktuig dat door het hart in beweging wordt gebracht; en leeft zolang als het hart het bloed door de aderen doet vloeien, doch heeft daartoe geen ziel nodig."

 

157. Verkeert de ziel op het ogenblik van sterven soms in een verrukking of geestvervoering, die haar de wereld, tot welke zij terug gaat keren, als 't ware aanschouwelijk maakt?

"Dikwijls voelt de ziel, dat de banden die haar aan het lichaam verbinden, verbroken worden, dan wendt zij alle krachten aan om er zich geheel van te ontdoen. Reeds gedeeltelijk van de stof bevrijd, ziet zij de toekomst zich voor haar ogen ontsluieren, en zij geniet bij voorbaat reeds de toestand van geest.

 

158. Is het beeld van de rups, die eerst op aarde voortkruipt, daarna zich als larve opsluitende als schijndood is, om weder met pracht in het leven te treden, een goed beeld van het aardse leven, het sterven, en ons nieuwe leven?

"Een beeld in 't klein. Het beeld is goed, doch men moet het evenwel niet zoals gij dikwijls doet, letterlijk opvatten."

 

159. Welke gewaarwording ondervindt de ziel op het ogenblik dat zij zich zelf in de Geestenwereld herkent?

"Dit hangt van omstandigheden af; indien gij slecht gehandeld hebt, met de bedoeling om slecht te handelen, dan zult gij u in de eerste ogenblikken vol schaamte voelen, het gedaan te hebben. Voor de rechtvaardige is dit geheel anders: de ziel voelt zich als 't ware van een grote last bevrijdt, want zij vreest geen uitvorsende blik."

 

160. Vindt de Geest hen, die hij op aarde gekend heeft en die vóór hem gestorven zijn, dadelijk terug?

"Ja, al naar gelang de toegenegenheid, die hij voor hen, of zij voor hem voelden; dikwijls komen zij hem bij zijn terugkeer tot de geestenwereld tegemoet, en zij zijn hem behulpzaam om hem van de banden van de stof te bevrijden; er zijn er ook, die hij gedurende zijn aardse leven uit het oog verloren had, en die hij nu terug vindt; hij ziet degene die ronddwalende, anderen, die geïncarneerd zijn, en gaat die bezoeken."

 

161. Heeft hij een gewelddadige dood of bij de dood door ongeluk, waarbij de organen nog niet door ouderdom of ziekte verzwakt zijn, de scheiding van de ziel en het ophouden van het leven tegelijkertijd plaats?

"Gewoonlijk is dit zo, maar in ieder geval is de tijd, die tussen de een en het andere verloopt, zeer kort."

 

162. Behoudt de mens, bijvoorbeeld bij onthoofding, gedurende enige ogenblikken het zelfbewustzijn?

"Dikwijls behoudt hij dit gedurende enige minuten, totdat het organische leven geheel uitgedoofd is; maar ook dikwijls heeft de angst voor de dood, hem dit bewustzijn reeds voor het ogenblik van de onthoofding doen verliezen."

 

 

Er is hier alleen sprake van het bewustzijn dat de lijder als mens door middel van de organen en niet als Geest van zichzelf kan hebben. Indien hij dit bewustzijn niet reeds voor het ondergaan van onthoofding verloren heeft, dan kan hij deze nog enige ogenblikken, doch zeer kort behouden, en moet dit noodwendig bij het ophouden van het organische leven van de hersenen een eind nemen; daaruit moet men evenwel niet opmaken dat dan het perispirit reeds geheel van het lichaam vrij is, integendeel, bij alle gevallen van gewelddadige dood, als die niet door trapsgewijze uitdoving van de levenskrachten teweeg wordt gebracht, zijn de banden, die het lichaam met het perispirit verbinden, meer vasthoudend, en de volkomen loslating heeft langzaam plaats.

 

 

Spiritistische bedwelming.

 

 

163. Bezit de ziel, bij het verlaten van het lichaam, onmiddellijk zelf bewustheid?

"Onmiddellijk zelfbewustheid is het woord niet; de ziel verkeert dikwijls in een staat van bedwelming."

 

164. Ondervinden alle Geesten in dezelfde mate en gedurende even lange tijd die bedwelming, welke op de scheiding van lichaam en ziel volgt?

"Nee, dat hangt af van de graad van ontwikkeling die zij bereikt hebben. Hij, die reeds gelouterd is, herkent zichzelf bijna dadelijk, omdat hij zich gedurende het leven reeds van de stof heeft losgemaakt; terwijl de zinnelijke mens, en degene wiens geweten niet zuiver is, veel langer de inwerking van de stof blijft voelen."

 

165. Oefent de bekendheid met het spiritisme enige invloed uit op de kortere of langere duur van die bedwelming?

"Een zeer grote invloed, daar de geest reeds vooraf zijn toestand begreep; maar de betrachting van het goede en een rein geweten oefenen in dezen de grootste invloed uit."

 

 

Op het ogenblik van het sterven is alles eerst verward; de ziel heeft enige tijd nodig om tot zich zelf te komen; zij is eerst als 't ware duizelig, en als iemand, die uit een zware slaap ontwakende, zich rekenschap van zijn toestand tracht te geven. De helderheid van de gedachten en de herinnering van het verleden komt weder terug naarmate de invloed van de stof, waarvan zij zich kortelings losgemaakt heeft, vermindert, en de nevel waarin zijn gedachten gehuld zijn, zich oplost.

De duur van de bedwelming die op de dood volgt, is zeer ongelijk; zij kan even goed enige uren als enige maanden, ja zelfs vele -jaren duren. Voor hen, die reeds bij hun leven zich de gedachte van hun toekomstige staat eigen gemaakt hebben, is zij het kortste omdat zij dadelijk hun toestand begrijpen.

Bij deze bedwelming doen zich naar gelang van het karakter van de individuen en vooral naar gelang van de soort van dood, bijzondere omstandigheden voor. Bij gewelddadige dood, zelfmoord, ter dood brenging, dood door ongelukken, beroerten, kwetsuren enz. is de Geest overrompeld, verbaasd, gelooft niet dood te zijn en houdt dit hardnekkig staande; toch ziet hij zijn lichaam; hij weet dat dit lichaam hem toebehoort, en begrijpt niet, hoe hij daarvan gescheiden is; hij gaat tot degene, die hij lief heeft, spreekt hen aan, en begrijpt niet hoe het komt dat zij hem niet horen. Deze begoocheling houdt aan, totdat het perispirit geheel van het lichaam bevrijd is; eerst dan, komt de Geest tot zichzelf en begrijpt dat hij niet meer tot de levenden behoort. Dit verschijnsel is gemakkelijk te verklaren. Onverwacht door de dood overvallen, is de Geest door de plotselinge verandering die hij ondergaan heeft, bedwelmd; in zijn gedachte is de dood, verwoesting, vernietiging; en aangezien hij denkt, ziet, hoort, is hij voor zichzelf niet dood; wat zijn verwarring nog vermeerdert, is, dat hij zichzelf in een ander lichaam ziet, wat de vorm aangaat, gelijk aan het vorige, maar welks etherische natuur hij nog geen tijd heeft gehad te leren kennen, en dat hij vast en begrensd als het eerste waant; en wanneer men zijn aandacht op dat punt vestigt is hij zeer verwonderd zichzelf niet te kunnen betasten. Dit beginsel is hetzelfde als dat van de beginnende somnambule die niet geloven dat zij slapen; voor dezen is slapen stilstand van het vermogen om iets te doen, en daar zij vrij denken en zien, slapen zij voor zichzelf niet. Bij enige geesten komt deze eigenaardige toestand voor, niettegenstaande hun dood niet onverwacht heeft plaats gevonden; maar hij is altijd meer algemeen bij hen, die ofschoon ziek zijnde, niet aan sterven gedacht hebben. Men ziet dan het zonderlinge schouwspel van een Geest, die bij zijn eigen teraardebestelling als bij die van een vreemde tegenwoordig is, en tot op het ogenblik, waarop hij de waarheid begrijpt, erover spreekt alsof het hem niet aanging. Voor de deugdzame heeft de bedwelming, die op de dood volgt, niets pijnlijks; zij is kalm en in alles met hetgeen een kalm ontwaken vergezelt, gelijk. Voor degene wiens geweten niet zuiver is, is zij vol angst en benauwdheid, die naarmate hij tot zichzelf komt, toenemen. Men heeft de opmerking gemaakt dat bij het tegelijk sterven van meerdere individuen - niet al degene, die tegelijk omkomen elkaar dadelijk terug zien. In de bedwelming die op het sterven volgt, gaat ieder zijn eigen weg, of houdt zich alleen op met hen, die hun belang inboezemen.

(vorige)						(volgende)