Vierde Hoofdstuk.

 

Menigvuldigheid van het Leven.

 

 

Reïncarnatie. Rechtvaardigheid van de reïncarnatie. Incarnatie op de verschillende werelden. Vooruitgaande transmigratie. Toestand van de kinderen na de dood. Geslacht van de geesten. Bloedverwantschaap, afstamming. Fysieke en zedelijke gelijkenis. Aangeboren denkbeelden.

 

 

Reïncarnatie.

 

 

166. Op welke wijze kan de ziel die in haar aardse leven de volmaaktheid nog niet bereikt heeft, zich verder louteren?

"Door de beproeving van een nieuw leven te ondergaan."

- Op welke wijze vervult de ziel dit nieuwe leven? Is het door zich als geest te hervormen?

"De ziel wordt door zich te louteren natuurlijk hervormd, maar daarvoor is beproeving door het lichamelijke leven nodig."

- De ziel ondergaat dus meer dan een lichamelijk leven?

"Ja, wij ondergaan allen meer dan één leven. Zij, die u het tegendeel zeggen, willen u onwetend doen blijven, zoals zij zelf zijn; dat is hun begeerte."

-Uit dit beginsel vloeit dunkt ons, dus voort, dat de ziel na het lichaam verlaten te hebben, er een ander neemt; anders gezegd, dat zij zich weder in een nieuw lichaam incarneert; moeten wij dit aldus begrijpen?

"Dit is duidelijk."

 

167. Wat is het doel van de incarnatie?

"Boetedoening, opvolgende verbetering van het mensdom; waar blijft, zonder dat, de rechtvaardigheid?"

 

168. Is het aantal van de lichamelijke levens beperkt of moet de Geest zich tot in de eeuwigheid reïncarneren?

"De geest doet bij elk nieuw leven een stap voorwaarts in volmaking; wanneer hij zich van alle smet zal gezuiverd hebben, heeft hij de beproevingen van het lichamelijke leven niet meer nodig."

 

169. Is het aantal incarnaties voor alle geesten dezelfde?

"Nee; degene, die snelle vorderingen maakt, bespaart zichzelf beproevingen. De opvolgende incarnaties zijn evenwel altijd zeer talrijk, want de vooruitgang is bijna oneindig."

 

170. Wat wordt de Geest na zijne laatste incarnatie?

Gelukzalige Geest; hij is Zuivere Geest.

 

 

Rechtvaardigheid van de reïncarnatie.

 

 

171. Waarop is de leer van de reïncarnatie gegrond?

"Op Gods rechtvaardigheid en op de openbaring, want wij herhalen het u onophoudelijk: een goede vader laat altijd voor zijn kinderen een deur voor het berouw open; zegt uw rede u niet, dat de onrechtvaardig zou zijn om voor altijd de eeuwige gelukzaligheid te ontzeggen aan hen, van wie het niet afgehangen heeft zich te verbeteren? Zijn niet alle mensen Gods kinderen? Die onbillijkheid, die onverzoenlijke haat, en dat straffen zonder genade, vindt men alleen bij de baatzuchtige mens."

 

Alle Geesten trachten naar volmaking, en God schenkt hen daartoe de middelen door de beproevingen van het lichamelijk leven; maar in zijn rechtvaardigheid, laat hij hen toe, datgene, wat zij bij een eerste beproeving niet hebben kunnen doen of niet hebben kunnen voleinden, in een nieuw leven te beëindigen.Het zou niet billijk, noch met Gods goedheid overeen te brengen zijn hen, die buiten hun wil, ja door de omgeving waarin zij zich geplaatst vinden, beletselen tot hun verbetering hebben kunnen vinden, voor altijd te straffen. Indien het lot van de mens onherroepelijk bij zijn sterven vastgesteld werd, zou God de daden van allen, niet met dezelfde weegschaal gewogen, noch hen onpartijdig behandeld hebben. De leer van de reïncarnatie, dat wil zeggen de leer die voor ieder mens verscheidene opvolgende levens aanneemt, is de enige, die met de gedachte overéén te brengen is, welke wij ons van Gods rechtvaardigheid tegenover de mens, op een lage trap van zedelijkheid geplaatst, vormen, de enige die onze toekomst verklaart, en op welke wij onze hoop vestigen kunnen, omdat zij ons de middelen aanbiedt om, om door het ondergaan van nieuwe beproevingen, onze dwalingen uitwisselen. De rede wijst het ons aan, en de geesten leren het ons.

De mens van zijn minderheid bewust, put in de reïncarnatie een troostrijke hoop. Indien hij aan Gods rechtvaardigheid gelooft, kan hij niet verwachten in alle eeuwigheid, met hen die beter dan hij, gehandeld hebben, gelijk gesteld te zullen worden. De gedachte, dat die minderheid hem niet voor altijd het hoogste geluk zal doen derven, dat hij dat door vernieuwde inspanning zal kunnen verkrijgen, ondersteunt hem en wekt zijn moed weder op. Wie toch is er, die, het einde van zijn leven bereikt hebbende, geen berouw voelt dat hij de ondervinding, waarvan hij geen gebruik meer kan maken, te laat heeft verkregen? Deze te laat verkregen ondervinding is daarom niet voor hem verloren; hij zal er in een volgend leven voordeel mede doen.

 

 

Incarnatie op de verschillende werelden.

 

 

172. Volbrengen wij onze verschillende incarnaties allen op de aarde?

"Nee, niet allen, maar op de verschillende werelden: die, welke wij op de aarde ondergaan is niet de eerste noch de laatste, en is een van de meest stoffelijke en het verst van de volmaaktheid verwijderde."

 

173. Gaat de ziel bij elke incarnatie van de ene wereld naar de andere of kan zij meerdere incarnaties op de aarde ondergaan?

"Als zij niet ver genoeg gevorderd is, om op een meer verhevene wereld over te gaan, kan zij herhaaldelijk op dezelfden bol herleven."

- Dus kunnen wij meerdere malen op de aarde terugkomen?

"Zeker."

- Kunnen wij op aarde terugkomen, nadat wij op andere wereld geleefd hebben?

"Zeer zeker, gij hebt reeds elders, en op aarde kunnen leven."

 

174. Is het een noodzakelijkheid om op aarde te herleven?

"Nee, maar indien gij geen vorderingen maakt, kunt gij op een andere wereld overgaan, die niet veel beter of erger dan de aarde zijn kan."

 

175. Is het een voorrecht om de aarde wederom te komen bewonen?

"Geen bijzonder voorrecht, tenzij men er komt om een zending te vervullen; in dat geval gaat men daar even goed als elders vooruit."

 - Zou men niet gelukkiger zijn als men geest bleef?

 "Nee zeker niet, men zou dan op dezelfde hoogte blijven staan, en het streven is: God te naderen."

 

176. Kunnen de Geesten na in andere werelden geïncarneerd te zijn geweest, ook op deze geïncarneerd worden zonder er vroeger ooit geweest te zijn?

"Ja evenals gij op de andere werelden. Alle werelden zijn solidair met elkaar verbonden: wat op de een niet volbracht is, wordt op de andere volbracht."

- Dus zijn er mensen, die voor het eerst op aarde zijn?

"Er zijn er velen, en zij staan op verschillende trappen van ontwikkeling."

- Kan men aan een of ander teken herkennen dat een Geest voor het eerst op aarde is?

"Dit zou niet het minste nut hebben."

 

177. Moet de Geest, om de hoogste volmaaktheid en gelukzaligheid, het einddoel voor ieder mens, te bereiken, de proef op alle werelden van het heelal doorstaan?

"Nee, want er zijn vele werelden die op dezelfde hoogte staan, en op welke de Geest niets nieuws zou kunnen leren."

- Hoe verklaart gij dan de menigvuldigheid van de reïncarnaties op dezelfde wereldbol?

"De geest kan er zich telkens onder geheel andere omstandigheden bevinden, die voor hem zo vele gelegenheden zijn om ondervinding op te doen."

 

178. Kunnen de Geesten lichamelijk herleven op een wereld, die betrekkelijk lager staat, dan die waarop zij geleefd hebben?

"Ja indien zij een zending ter bevordering van de vooruitgang te vervullen hebben, en dan nemen zij met vreugde de verdrietelijkheden van dat leven op zich, omdat dit voor hen een middel is om vorderingen te maken."

- Kan hetzelfde niet door boetedoening verkregen worden en kan God de weerspannige Geesten niet naar lagere werelden zenden?

"De Geesten kunnen op dezelfde hoogte blijven staan, maar zij gaan niet achteruit, en hun straf bestaat dan daarin dat zij niet vooruitgaan, en het slecht besteedde leven, in een omgeving, die met hun aard overeenkomt, op nieuw moeten beginnen."

- Welke Geesten moeten hetzelfde leven wederom opnieuw aanvangen?

"Zij, die in hun zending of beproeving te kort schieten."

 

179. Hebben al de wezens, die dezelfde wereld bewonen, dezelfde graad van volmaaktheid bereikt?

"Nee, het is daar als op de aarde. Er bevinden er zich meerder en minder ontwikkelden."

180. Behoudt de Geest, wanneer hij van deze wereld op een andere overgaat, de intelligentie, die hij hier bezat?

"Ongetwijfeld, de intelligentie gaat niet verloren, maar de middelen om zich te uiten kunnen hem ontbreken, dit hangt af van zijn meerdere of mindere voortreffelijkheid en van de toestand van het lichaam, dat hij aan zal nemen." (zie Invloed van het organisme).

 

181. Hebben de wezens, die de verschillende werelden bewonen, lichamen gelijk aan de onze?

"Zij hebben lichamen, omdat de Geest om op de stof te kunnen werken, met de stof moet bekleed zijn; maar dit bekleedsel is naar gelang van de reinheid die de Geesten bereikt hebben, meerder of minder stoffelijk, en hierin bestaat het verschil der werelden die wij doorlopen moeten, want, er zijn vele woningen bij onze Vader en dientengevolge vele rangen. Sommigen weten dat, en zijn daarvan reeds op deze aarde bewust, daarentegen zijn er anderen, die volstrekt nog niet op die hoogte zijn.'

 

182. Kunnen wij de fysieke en zedelijke toestand van de onderscheidene werelden nauwkeurig kennen?

"Wij Geesten kunnen slechts naar de graad van ontwikkeling waarop gij u bevindt, antwoorden, dat wil zeggen dat wij deze dingen niet aan allen moeten openbaren, omdat niet allen in staat zijn die te begrijpen, en hen dit zou verontrusten."

 

Naar gelang de geest zich loutert, nadert het lichaam, waarmede hij bekleed is, ook tot de natuur van de geesten. De stof is dan minder vast, het lichaam sleept zich niet meer met moeite over de aarde, de fysieke behoeften zijn minder grof, de levende wezens zijn niet meer genoodzaakt elkaar van het leven te beroven om zich te kunnen voeden. De geest is vrijer, en heeft van verwijderde dingen voorstellingen, die ons onbekend zijn; hij ziet met de ogen van het lichaam, wat wij slechts in gedachte zien.

De loutering van de geesten, brengt bij de wezens in welke zij geïncarneerd zijn, zedelijke volmaking voort. De zinnelijke driften worden minder, en baatzucht wordt door gevoelens van broederschap vervangen. Daarom zijn op de werelden, welke boven de aarde in voortreffelijkheid uitmunten, de oorlogen onbekend; haat en tweedracht hebben daar geen rede van bestaan, omdat niemand eraan denkt zijn naasten te benadelen. Het bewustzijn door ingeving, dat zij van hun toekomst hebben, de gerustheid, die hen een geweten schenkt vrij van wroeging, maakt dat de dood hen geen bezorgdheid inboezemt; zij zien die zonder vrees en als een eenvoudige vervorming die zij ondergaan moeten, naderen.

Het schijnt dat de duur van het leven op de verschillende werelden, evenredig is aan de trap van fysieke en zedelijke voortreffelijkheid op die werelden, en dit is geheel rationeel. Hoe minder stoffelijk het lichaam is, des te minder zal het aan de wisselvalligheden, die zijn ontbinding teweeg brengen, onderhevig zijn; hoe reiner de geest is, des te minder zullen, hem ondermijnende driften, zijn deel zijn. Dit is wederom een weldaad van de Voorzienigheid, die het lijden verminderen wil.

 

 

 

183. Als de geest van de ene wereld op de andere overgaat, moet hij dan wederom een nieuwe kindsheid doorlopen?

"De kindsheid vormt overal een noodzakelijke overgang, maar zij is niet overal zo stompzinnig als bij u."

 

184. Wordt aan de geest de keus omtrent de nieuwe wereld, die hij bewonen moet, overgelaten?

"Niet altijd, maar hij kan dit verzoeken, en kan dit verkrijgen als hij het verdient; want de werelden zijn voor de geesten alleen naarmate van hun verdiensten toegankelijk."

- Indien de geest niets vraagt, waardoor wordt het dan bepaald op welke wereld hij gereïncarneerd zal worden?

"Door de graad van zijn ontwikkeling."

 

185. Blijft de fysieke en zedelijke toestand van de levende wezens op iedere wereldbol altijd dezelfde?

"Nee; de werelden zijn ook onderworpen aan de wet van vooruitgang. Allen hebben als de uwe eerst op een lage trap gestaan, en de aarde zal ook een dusdanige vervorming ondergaan; zij zal, wanneer de mensen goed geworden zullen zijn, een aards paradijs worden."

 

 

Zo zullen de rassen die nu de aarde bevolken, eenmaal door meer en meer volmaakte wezens vervangen worden; deze hervormde rassen zullen het tegenwoordige opvolgen zoals de tegenwoordige, andere nog ruwere vervangen hebben.

 

 

186. Zijn er ook werelden, op welke de geest, geen stoffelijk lichaam meer bewonende, alleen zijn perispirit tot omkleedsel zal hebben?

"Ja, en zelfs dat omkleedsel wordt zo etherisch, dat het voor u is alsof het niet bestond; dit is de toestand van de Zuivere Geest."

- Hieruit schijnt men te moeten opmaken, dat er geen scherpe afbakening tussen de toestand van de laatste incarnaties en die van Zuivere Geest bestaat?

"Die grens bestaat niet; het verschil verdwijnt allengs en wordt onmerkbaar, zoals de nacht voor de eerste stralen van het morgenlicht wijkt."

 

187. Is de substantie van het perispirit op alle wereldbollen dezelfde?

"Nee, zij is meer of minder etherisch. Van de ene wereld op de andere overgaande, bekleedt de geest zich met de stof die aan ieder dezelfde eigen is; hiertoe is niet meer tijd dan de duur van een bliksemstraal, nodig."

 

188. Bewonen de Zuivere Geesten uitsluitend voor hen bestemde werelden, of bevinden zij zich in de algemene ruimte, zonder meer aan de ene dan aan de andere wereldbol gebonden te zijn?

"De Zuivere Geesten bewonen zekere werelden maar zijn daar niet aan gebonden, zoals de mens aan de aarde; zij kunnen beter dan elk ander wezen, overal zijn."

 

 

 Volgens de geesten, is van al de wereldbollen, die tot ons zonnestelsel behoren, de aarde een degene waarvan de bewoners, het minste zou wel fysiek als zedelijk ontwikkeld zijn; Mars zou nog lager, en Jupiter is alle opzichten veel hoger staan. Volgens hen zou de zon geen wereld door lichamelijke wezens bewoond, maar een oord van bijeenkomst van verhevene Geesten zijn die van daar uit, naar andere werelden hun gedachten uitstralen, die zij door tussenkomst van minder verheven geesten, met welke zij door het algemene fluïdum in betrekking staan, besturen. De fysieke gesteldheid van de zon zou een brandpunt van elektriciteit zijn. Alle zonnen zouden in dezelfde toestand verkeren.

Er bestaat geen noodzakelijke verhouding tussen de massa en afstand van de zon, en de trap van ontwikkeling van de werelden, want het schijnt dat Venus meer gevorderd dan de aarde, en Saturnus minder gevorderd dan Jupiter is.

Onderscheiden geesten, die op aarde bekende personen bezield hebben, hebben medegedeeld dat zij op Jupiter, een van de meest tot de volmaaktheid genaderde hemelbollen, gereïncarneerd waren, en men heeft zich kunnen verwonderen op zulk een vergevorderde wereldbol men scheen te vinden, welke het oordeel van de wereld niet op dezelfde lijn plaatste, doch men heeft geen rede om zich daarover te verwonderen, als men in aanmerking neemt, dat sommige geesten, welke die planeet bewonen, op aarde hebben kunnen gezonden zijn om er eens zending te vervullen, die hen in onze ogen niet op de eerste rang plaatsten; ten tweede, dat zij tussen hun bestaan op aarde en dat op Jupiter nog op tussenliggende werelden, op welke zij zich hebben kunnen beteren, geïncarneerd hebben kunnen geweest zijn; eindelijk nog dat er op die wereld verschillende trappen van ontwikkeling bestaan evenals op onze aarde, en dat de afstand tussen deze trappen zo groot kan zijn als bij ons tussen de wilden en de beschaafde mens. Men moet dus de gevolgtrekking niet maken, dat, omdat men een bewoner van Jupiter is, men daarom met de meest ontwikkelde gelijk moet staan, evenmin als men met een lid van het Instituut van Frankrijk gelijk staat, omdat men te Parijs woont.

De voorwaarden voor de levensduur zijn ook niet overal dezelfde als op aarde, en men kan daarom de leeftijden niet met elkaar vergelijken. Iemand sedert enige jaren overleden, opgeroepen zijnde, deelde mede, sedert zes maanden op een bij ons in naam onbekende wereld gereïncarneerd te zijn; gevraagd zijnde welke ouderdom hij nu in die wereld had, antwoordde hij: “Ik kan dit niet schatten, want wij rekenen anders dan gij, daarbij is onze wijze van bestaan niet meer dezelfde; men ontwikkelt zich hier sneller; intussen kan ik zeggen dat ofschoon er slechts zes van uw maanden verlopen zijn, sinds ik er ben, ik wat het verstand aangaat dertig jaren van die welke ik op aarde leefde, oud ben.”

Vele soortgelijke antwoorden zijn door andere geesten gegeven, en hierin is niets onwaarschijnlijks gelegen. Zien wij op aarde niet een tal van dieren, die in weinige maanden hun normale ontwikkeling bereiken? Waarom kan dit op andere werelden niet even goed het geval met de mensen zijn? Merken wij daarbij op, dat de ontwikkeling die de mens op dertigjarige leeftijd bereikt heeft, vergeleken bij die, welke hij bereiken moet, wellicht slechts een soort van kindsheid is. Men moet al zeer kortzichtig zijn om onszelf in alles als de typen der schepping te beschouwen en men verlaagt de Godheid door te geloven dat zij de macht niet zou hebben om niets beters dan wij zijn, te kunnen voortbrengen.

 

 

Vooruitgaande transmigratie.

 

 

189. Is de geest vanaf het begin van zijn wording in het volle bezit van zijn vermogens?

"Nee, want de geest, heeft evenals de mens, zijn tijdperk van kindsheid. Bij de aanvang bezitten de geesten slechts een instinctmatig leven, en zijn zichzelf en hun daden ternauwernood bewust; slechts langzamerhand ontwikkelt zich het verstand."

 

190. In welke toestand verkeert de ziel bij haar eerste incarnatie?

"In de toestand van kindsheid van het lichamelijke leven; haar intelligentie is ternauwernood ontloken: zij beproeft te leven."

 

191. Zijn de zielen van onze wilde volkeren, zielen in de kindsheid?

"Betrekkelijke kindsheid, doch het zijn reeds ontwikkelde zielen; zij bezitten hartstochten."

Dus zijn de hartstochten een bewijs van ontwikkeling?

"Van ontwikkeling, ja, maar niet van vooruitgang; zij zijn een bewijs van werkzaamheid, en van bewustzijn van het ik; terwijl in de beginnende ziel, intelligentie en leven, beiden slechts als kiem aanwezig zijn."

 

Het leven van de geest in zijn geheel, doorloopt dezelfde afwisselende toestanden, die wij bij het lichamelijke leven opmerken; hij gaat trapsgewijze van de toestand van embryo tot die van de kindsheid over, om, door elkaar opvolgende tijdperken, de staat van volwassen, welke die van de volmaaktheid is, te bereiken; alleen met dat onderscheid; dat hij geen tijd van afneming en afgeleefheid, zoals bij het lichamelijke leven, ondergaat, dat zijn leven, hetwelk een begin gehad heeft, geen einde hebben zal; dat hij, naar onze zienswijze geschat, een onmetelijke tijd nodig zal hebben om van het geestelijke kindsheid een volmaakte ontwikkeling te bereiken, en dat zijn volmaking niet op één wereldbol, maar door overgang op vele werelden zal voltooid worden. Het leven van de geest bestaat dus uit een reeks van lichamelijke levens, waarvan ieder voor hem een middel tot vooruitgang is, zoals ieder lichamelijk leven uit een reeks van dagen bestaat, op ieder van welke de mens vermeerdering van kennis en ondervinding opdoet. Maar evenals er in het leven van de mens dagen zijn die geen vruchten afwerpen, zo zijn er ook in dat van de geest lichamelijke levens, die voor hem zonder vrucht blijven, omdat hij er geen nut uit heeft weten te trekken.

 

 

192. Kan men reeds in dit leven, door een volmaakt gedrag, alle rangen overspringen, en zonder andere toestanden te doorlopen Zuiveren Geest worden?

"Nee, want hetgeen de mens als volmaakt beschouwt is ver van volmaakt te zijn, er zijn hoedanigheden, die hem ten enenmale onbekend zijn. Hij kan zo volmaakt zijn als zijn menselijke natuur gedoogt, maar dat is niet de absolute volmaaktheid. Zo moet ook een kind, hoe vroeg ook ontwikkeld, eer hij de rijp leeftijd kan bereiken; toch het tijdperk van de jongelingschap, een kranke vóór zijn gehele beterschap, het tijdperk van de herstelling doorlopen. Bovendien moet de geest zowel wetenschappelijk als zedelijk vooruitgaan; indien hij slechts in een richting vorderingen heeft gemaakt moet hij, indien hij de hoogste trap wil bereiken ook in de andere vorderingen maken; maar naarmate de mens in zijn tegenwoordig leven meer vooruitgaat, zullen zijn volgende beproevingen ook minder langdurig en minder moeilijk zijn."

- Is het de mens althans mogelijk om reeds in dit leven, zich een toekomend leven met minder verdriet dan het tegenwoordige vervuld, te verzekeren?

"Ja, zonder twijfel, hij kan de lengte van de weg bekorten en de hindernissen, die hij ontmoet, verminderen. Alleen de onverschillige blijft altijd op dezelfde hoogte staan. "

 

193. Kan een mens, in zijn nieuwe incarnaties, lager zinken dan hij was?

"In zijnen maatschappelijke toestand ja; als geest niet."

 

194. Kan de ziel van een braaf mens, in een nieuwe incarnatie, het lichaam van een booswicht bezielen?

"Nee, aangezien zij niet ontaarden kan."

- Kan de ziel van een verdorven mens die van een braaf mens worden?

"Ja, als hij berouw toont, en dan is het een beloning."

 

De loopbaan van de geesten is vooruit en nimmer achteruit gaande; trapsgewijze rijzen zij in rang, en dalen niet van de rang, die zij bereikt hebben af. In hun onderscheiden incarnaties kunnen zij als mens maar niet als geest dalen. Zo kan de ziel van een machtige der aarde, later de minste onder de werklieden bezielen en omgekeerd; want de rangen bij de mensen staan dikwijls in een omgekeerde rede tot de verhevenheid van hun zedelijk gevoel. Herodus was koning en Jezus, timmerman.

 

195. Kan de mogelijkheid om zich in een ander leven te verbeteren, door de gedachte dat zij zich later altijd zullen kunnen beteren, enige mensen er niet toe brengen in het kwade te volharden?

"Hij, die zo denkt, gelooft aan niets, en de gedachte van een eeuwigdurende straf houdt deze evenmin van het kwaad terug, omdat zijn rede dit denkbeeld verwerpt, en deze voorstelling de mens ertoe brengt niets te geloven. Indien men om de mensen te leiden niet anders dan redelijke middelen gebezigd had, dan zouden er minder ongelovigen zijn. Een onvolmaakte geest kan inderdaad bij zijn lichamelijk leven zo denken als gij zegt; maar eenmaal van de stof bevrijd denkt hij anders, want hij bemerkt zeer spoedig dat hij een verkeerde rekening gemaakt heeft, en dan brengt hij een tegenovergesteld gevoel in een nieuw leven mede. Op die wijze wordt de volmaaktheid bereikt, en het is daardoor dat er op aarde mensen zijn, die meer dan anderen ontwikkeld zijn, sommigen hebben reeds ondervinding opgedaan, die anderen nog niet bezitten, maar die zij later verkrijgen zullen. Het hangt van henzelf af om hun vooruitgang te bespoedigen; dan wel die voor een onbepaalde tijd uit te stellen."

 

De mens die in een ongunstige toestand verkeert, tracht die zo spoedig mogelijk tegen een andere te verwisselen. Hij, die de overtuiging heeft dat de wederwaardigheden van het leven het gevolg van zijn tekortkomingen zijn, zal trachten een nieuw, minder moeilijk bestaan te verkrijgen; en die gedachte zal hem eerder dan die aan het eeuwige vuur, waaraan hij niet gelooft, van het kwaad afbrengen.

 

 

196. Daar de geesten alleen door het ondergaan van de beproevingen van het aardse leven, beter kunnen worden zou men daaruit moeten afleiden dat het stoffelijk leven een soort zuivering, zifting, loutering is, die alle wezens van de geestenwereld moeten ondergaan om de volmaaktheid te kunnen bereiken?

"Ja, zo is het. Door het kwaad te vermijden en het goede te doen worden zij door die beproevingen beter. Maar het is niet dan na vele incarnaties of opvolgende louteringen dat zij, na langere of kortere tijd, naar gelang van hun krachtsinspanning, het door hen beoogde doel bereiken."

- Oefent het lichaam op de geest invloed uit om die te verbeteren, of is het de geest die op het lichaam die invloed uitoefent?

"Uw geest is alles, uw lichaam is slechts een kleed dat vergaat: ziedaar alles."

 

Wij vinden in het sap van de wijngaard een stoffelijke gelijkenis voor de opvolgende zuiveringen van de ziel. Dit sap bevat het vocht dat wij geest of alcohol noemen doch verdunt door een menigte vreemde bestanddelen die er het wezen van veranderen; dit sap bereikt de absolute zuiverheid eerst na opvolgende distillaties, bij ieder van welke het zich van enige onzuiverheden ontlaat. Het distilleertoestel is het lichaam waarin het gebracht moet worden om zich te kunnen zuiveren; de vreemde bestanddelen zijn als het perispirit, dat naarmate de geest, de volmaaktheid nadert, ook anzelf zuiverder wordt.

 

 

Toestand van de kinderen na de dood.

 

 

197. Is de geest van een jonggeboren kind zo ver gevorderd als die van een volwassen?

"Dikwijls veel meer, want hij kan veel meer geleefd en meer ondervinding hebben, vooral indien hij vooruitgegaan is."

- Dus kan de geest van een kind verder gevorderd zijn dan die van zijn vader?

"Dit is zeer dikwijls het geval, bemerkt gij zelf dit niet dikwijls op de aarde?"

 

198. Behoort de geest van het kind dat jong sterft en dus geen kwaad heeft kunnen doen, tot de verheven geesten?

"Indien hij geen kwaad heeft kunnen doen, heeft hij ook geen goed kunnen doen, en God stelt hem niet vrij van de beproevingen, die hij ondergaan moet. Indien hij rein is, komt dit niet doordien hij kind, maar omdat hij meer gevorderd was."

 

199. Waarom wordt dikwijls reeds in de jeugd het leven afgebroken?

"De duur van het leven van een kind, kan voor de geest, die in hem geïncarneerd is, een aanvulling zijn van een vóór de bepaalde tijd afgebroken leven, en zijn leven is dikwijls: een beproeving of boetedoening voor de ouders. "

- Wat wordt er van de geest van een jong gestorven kind?

"Hij vangt een nieuw leven aan."

 

 

Indien de mens slechts ééns leefde, en indien bij het einde van dat leven zijn lot voor eeuwig vastgesteld werd, welke verdienste zou dan de helft van het mensdom, dat jong sterft hebben, om aanspraak te kunnen maken, om zonder de minste inspanning daarvoor aangewend te hebben, de eeuwige gelukzaligheid deelachtig te worden; en met welk recht zouden zij van de dikwijls zo harde voorwaarden die aan de andere helft opgelegd worden, ontheven worden? Zoiets is niet met Gods rechtvaardigheid overeen te brengen. Door de reïncarnatie, is er gelijkheid voor allen; de toekomst behoort zonder enige uitzondering, zonder enig voorrecht ten gunste van wie ook, aan allen; zij, die het laatst het doel bereiken, kunnen dit aan niemand dan aan henzelf wijten. De mens moet naar de verdiensten van zijn arbeid oogsten, even goed als hij er de verantwoordelijkheid van draagt.

Het is bovendien niet rationeel om de kindsheid als een natuurlijke staat van onschuld te beschouwen. Vindt men niet kinderen met de slechtste inborst, op een leeftijd, waarop de opvoeding nog geen invloed heeft kunnen uitoefenen? Treft men er niet aan, die als ware het bij hun geboorte, sluwheid, valsheid, snoodheid, zelfs de neiging tot diefstal en moord medebrengen en zulks niet tegenstaande zij door goede voorbeelden omringd zijn? De burgerlijke wet rekent hen hun misdaden niet toe, omdat zij, heet het, zonder oordeel des onderscheids gehandeld hebben; en hierin heeft de wet gelijk, want zij handelen inderdaad meer gedreven door hun natuurdriften, dan met voorbedachte rade; maar van waar kunnen die verschillende driften bij kinderen van dezelfde ouders, onder dezelfde omstandigheden, en onder dezelfde invloed opgevoed, ontstaan? Van waar die vroege verdorvenheid, (daar de opvoeding er niets aan heeft kunnen doen), indien het geen gevolg is van de lage trap, waarop de geest staat? Hij, die slecht is, is dat, omdat zijn geest minder vorderingen gemaakt heeft, en dan draagt hij er de gevolgen van, niet de gevolgen van de daden die hij als kind, maar van die welke hij in een vorig leven gepleegd heeft; en op die wijze is de wet voor allen gelijk, en wordt iedereen door Gods rechtvaardigheid getroffen.

 

 

Geslacht van de Geesten.

 

 

200. Behoren de Geesten tot het ene of andere geslacht?

"Niet volgens de betekenis, die gij er aan geeft, want de kunne is afhankelijk van het organisme. Er heerst tussen hen liefde en sympathie, maar gegrond op overeenstemming in gevoel en gedachte."

 

201. Kan de geest, die het lichaam van een man bezield heeft, in een nieuw leven, dat van een vrouw bezielen en omgekeerd?

"Ja, mannen en vrouwen worden door dezelfde geesten bezield."

 

202. Als men geest is geeft men er dan de voorkeur aan, om in het lichaam van een man of in dat van een vrouw geïncarneerd te worden?

"Dit is de geest onverschillig; het hangt van de beproevingen af, die hij ondergaan moet."

 

 

De geesten incarneren zich als man of vrouw omdat zij zelf geen geslacht hebben; daar zij in alles vooruit moeten gaan vinden zij bij elke kunne en elke maatschappelijke toestand gelegenheid tot beproeving en tot toepassing van bijzondere plichten en om ondervinding op te doen. Degene, die altijd man zou zijn, zou niets anders weten dan hetgeen de mannen weten.

 

 

Bloedverwantschaap, afstamming.

 

 

203. Dragen de ouders een gedeelte van hun ziel op hun kinderen over, of schenken zij deze alleen het dierlijk leven, waarbij later een nieuwe ziel het zedelijke leven komt voegen?

"Alleen het dierlijke leven, want de ziel is ondeelbaar. Een stompzinnig vader, kan kinderen met een helder verstand hebben, en omgekeerd."

 

204. Is de verwantschap (aangezien wij meer dan een bestaan gehad hebben) ouder dan het tegenwoordige leven?

"Dit kan niet anders zijn. De elkaar opvolgende lichamelijke levens bevestigen tussen de geesten de banden, die reeds aan een vroeger leven hun ontstaan te danken hadden; vandaar zo dikwijls de oorzaken van sympathie, die tussen u en geesten, die u als onbekend toeschijnen, bestaan."

 

205. Volgens het gevoel van sommigen zouden door de leer van de reïncarnatie, de banden van bloedverwantschap, door deze tot voor het tegenwoordige leven te doen opklimmen, vernietigd worden?

"Zij breidt die verder uit, maar vernietigt ze niet. De verwantschap, op vroegere genegenheid gegrondvest zijnde, worden daardoor de banden die de leden van dezelfde familie met elkaar verbinden, minder wisselvallig. De incarnatie vermeerdert de plichten van de broederliefde, daar uw nabuur of uw dienaar een geest kan bevatten, die met u door de banden van bloedverwantschap in een vorig bestaan verbonden geweest is."

- Zij vermindert toch de waarde die sommigen aan hun afkomst hechten, daar men als vader een geest kan gehad hebben, die tot een geheel ander ras behoord heeft, of die in een geheel andere stand geleefd heeft?

"Dat is waar, maar die waardering is gegrond op hoogmoed; wat de mensen het meest in hun voorouders vereren zijn: titels, rang en fortuin; menigeen zou zich schamen tot grootvader een brave schoenmaker gehad te hebben, die er zich op zou verhovaardigen de afstammeling van een liederlijke edelman te zijn. Maar wat zij ook beweren of doen mogen, zij kunnen niet beletten dat de dingen zijn, zoals zij zijn; want God heeft de wetten van de natuur niet naar de eisen van hun ijdelheid geregeld."

 

206. Aangezien er geen verwantschap tussen de geesten van de afstammelingen van dezelfde familie bestaat, vloeit dan hieruit niet voort dat de verering van zijn voorouders iets bespottelijks is?

"Volstrekt niet; want men moet zichzelf gelukkig achten tot een geslacht te behoren, waarin zich verheven geesten geïncarneerd hebben. Ofschoon de geesten niet uit elkaar voortkomen, voelen zij toch toegenegenheid voor hen, die met hen door banden van bloedverwantschap verbonden zijn, want die geesten worden dikwijls in deze of gene familie door sympathie of bloedverwantschap van vroegere tijd aangetrokken; maar wees verzekerd dat de geesten van uw voorzaten zich volstrekt niet door de hulde, die gij hen uit trotsheid toebrengt, vereerd voelen; hun verdiensten gaan slechts op u over, voor zoveel gij uw best doet om de goede voorbeelden, die zij u gaven, na te volgen; en dan alleen kan uw herinnering aan hen, voor hen niet alleen aangenaam, maar zelfs ook nuttig zijn."

 

 

Fysieke en zedelijke gelijkenis.

 

 

207. Dikwijls dragen de ouders een fysieke gelijkenis aan hun kinderen over. Dragen zij hen ook een zedelijke gelijkenis over?

"Nee, daar zij een verschillende ziel of geest bezitten. Het lichaam ontstaat uit het lichaam, maar de geest komt niet uit de geest voort. Tussen de afstammelingen van de rassen, bestaat slechts bloedverwantschap."

-Waardoor ontstaat de zedelijke gelijkenis, die dikwijls tussen ouders en kinderen bestaat?

"Het zijn simpathetische geesten, die door gelijkheid van neigingen aangetrokken worden."

 

208. Is de geest van de ouders zonder invloed op die van het kind na zijn geboorte?

"Deze oefent een grote invloed uit; zoals wij reeds gezegd hebben, moeten de geesten aan elkaar vooruitgang medewerken. Wel nu! de geesten van de ouders hebben tot opdracht om die hun kinderen door opvoeding te ontwikkelen; dat is voor hen een taak: indien zij hierin nalatig blijven, zijn zij strafwaardig."

 

209. Waarom geven goede en deugdzame ouders het leven aan kinderen met een verdorven inborst? Met andere woorden, hoe komt het dat de goede hoedanigheden van de ouders niet altijd door sympathie een goede geest tot zich trekken om hun kind te bezielen?

"Een kwade geest kan om goede ouders vragen, in de hoop om door hun raadgevingen op een betere weg gevoerd te zullen worden, en dikwijls vertrouwt God hen die dan toe."

 

210. Kunnen de ouders door hun gedachten en gebeden, bij voorkeur een goede geest boven een mindere voor het lichaam van het kind tot zich trekken?

"Nee, maar zij kunnen de geest van het kind, dat zij het leven geschonken hebben en dat hun toevertrouwd is, verbeteren; dit is hun plicht; slechts kinderen zijn een beproeving voor de ouders."

 

211. Wat is de oorzaak van de overeenkomst in karakter, die dikwijls tussen twee broeders, vooral bij tweelingen, bestaat?

"Simpathetische geesten, die door overeenstemming in gevoelens tot elkaar getrokken worden en die zich gelukkig voelen bij elkaar te zijn. "

 

212. Hebben de kinderen, wiens lichamen aan elkaar vastgegroeid zijn, en die sommige organen in gemeenschap bezitten twee geesten of anders gezegd, twee zielen?

"Ja; maar hun gelijkvormigheid maakt dat zij u dikwijls als 't ware als een toeschijnen."

 

 213. Daar de geesten zich uit sympathie in tweelingen incarneren, hoe komt het dan, dat deze dikwijls afkeer voor elkaar voelen?

"Het is geen vaste regel dat tweelingen alleen door simpathetische geesten bezield worden; het kan de wens van slechte geesten zijn om met elkaar op het wereldtoneel te kampen."

 

214. Wat moet men geloven van de geschiedenis van kinderen die in het lichaam hun moeder met elkaar vochten?

"Beeldspraak! om te doen uitkomen dat het een ingekankerde haat was, die hen bezielde, heeft men die reeds, als voor hun geboorte bestaande, voorgesteld. In het algemeen slaat gij te weinig acht op hetgeen slechts een dichterlijke uitdrukking is."

 

215. Wat is de oorzaak van het onderscheidend kenmerk van het karakter, dat men bij elk volk opmerkt?

"De geesten hebben ook families die hun bestaan te danken hebben aan de overeenkomst van hun, naar gelang van hun verhevenheid, meer of minder gelouterde gevoelens. Wel nu! een volk is een grote familie waarmede simpathetische geesten zich verenigen. De neiging, die de leden van die familie bezitten om zich bij elkaar aan te sluiten is de oorsprong van de overeenkomst, die in het kenmerkend karakter van elk volk bestaat. Gelooft gij dat goede en menslievende geesten trachten zullen zich bij een hardvochtig en ruw volk aan te sluiten? Nee, de geesten voelen sympathie voor de massa's evenals zij dit voor de individuen hebben, zij voelen zich daar op hun plaats."

 

216. Behoudt de mens in zijn nieuwe incarnaties, sporen van de zedelijke inborst van zijn vroegere levens?

"Ja, dit kan gebeuren; maar door zich te beteren, verandert hij. Zijn maatschappelijke toestand kan wellicht ook niet dezelfde zijn; indien hij van meester die hij vroeger was, slaaf wordt, zal hij geheel andere neigingen hebben, en gij zou met moeite in hem dezelfde herkennen. De geest in de verschillende incarnaties dezelfde blijvende, kunnen zijn uitingen in de ene en in de andere in zekere mate aan elkaar gelijk zijn, totdat een belangrijke verbetering zijn karakter geheel veranderd zal hebben, want van trots en kwaadwillig kan hij als hij berouw voelt, nederig en menslievend worden."

 

217. Behoudt de mens in zijn verschillende incarnaties sporen van het fysieke karakter van zijn vroeger bestaan?

"Het lichaam is vernietigd en het nieuwe staat in geen betrekking tot het vorige. De geest spiegelt zich evenwel op het lichaam af; weliswaar is het lichaam slechts stof; maar desniettemin wordt het naar de eigenschappen van de geest gemodelleerd, die er, voornamelijk op het gelaat, een bepaald karakter opdrukt, en het is met waarheid dat men de ogen, de spiegel van de ziel noemt; dat wil zeggen dat het gelaat meer in het bijzonder, de afspiegeling van de ziel is; want er zijn buitengewoon lelijke mensen, die door en goede geest bezield zijnde, toch iets hebben dat u behaagt, terwijl er mensen met zeer schone gelaatstrekken zijn, die u koud laten, ja, voor welke gij zelf afkeer voelt. Gij zou kunnen denken dat het alleen de welgemaakte lichamen zijn, die tot omhulsel van de meest volmaakte geesten dienen, en toch ontmoet gij dagelijks brave lieden met een misvormd uiterlijk. Zonder bepaald sterk op elkaar te lijken kan overeenkomst in smaak en neigingen, een familiegelijkenis, zoals men dit noemt, doen ontstaan."

 

Aangezien het lichaam, waarmede de ziel zich in een nieuwe incarnatie bekleedt, in geen noodzakelijke betrekking tot dat, wat zij verlaten heeft, staat, daar dit van een geheel andere stamvader afkomstig kan zijn, zou het ongerijmd zijn uit een overeenstemming of gelijkenis, die slechts toevallig is, een opvolging van levens te willen afleiden. Evenwel worden de organen, die tot uiting dienen, dikwijls door de hoedanigheden van de geest gewijzigd, en wordt door deze op het gelaat en in de gehele wijze van zijn, een eigenaardige stempel gedrukt; zo kan het eenvoudigste uiterlijk met de uitdrukking van grootheid en waardigheid gepaard gaan; terwijl onder het gewaad van de voornamen Heer soms die van laagheid en schande zichtbaar is. Sommige mensen uit de meest nederige stand afkomstig, nemen zonder de minste moeite de gewoonten en manieren van de grote wereld aan, het is alsof zij hun element terug gevonden hebben, terwijl anderen, ofschoon van hoge geboorte en opvoeding er altijd misplaats schijnen. Hoe kan men dit feit anders dan door een afspiegeling van hetgeen hij als geest geweest is, verklaren?

 

 

Aangeboren denkbeelden.

 

 

218. Behoudt de geïncarneerde geest geen indrukken van de waarnemingen die hij in een vroeger bestaan heeft gedaan, en van de kundigheden, die hij toen verkregen heeft?

"Een onbepaalde herinnering blijft hem bij; en geeft hem wat men aangeboren denkbeelden noemt."

- De theorie van aangeboren denkbeelden is dus geen hersenschim?

"Nee, de in ieder bestaan opgedane kundigheden, gaan niet verloren; de geest herinnert zich die altijd als hij van de stof bevrijd is. Gedurende de incarnatie kan hij die gedeeltelijk, tijdelijk vergeten, maar de intuïtie, die hij ervan houdt bevordert zijn vooruitgang; zonder deze zou het telkens opnieuw beginnen zijn. Bij elk nieuw bestaan vangt de geest weder opnieuw van het standpunt aan waarop hij bij zijn vorig leven was blijven staan."

-Er moet dus een groot verband tussen twee opvolgende levens bestaan?

"Niet altijd zo groot als gij zou denken, want de toestanden zijn dikwijls zeer verschillend, en de geest heeft, intussen vorderingen kunnen maken. (Zie 216)"

 

219. Welk is de oorsprong van de buitengewone.vermogens van sommige individuen, die zonder voorafgegane studies, als ware het, sommige kundigheden, zoals taalkennis, rekenen enz. door ingeving schijnen ontvangen te hebben?

"Herinnering van het verleden; vroegere vorderingen van de ziel, maar die hem zelf onbewust zijn. Van waar zou het anders komen? Het lichaam wordt verwisselt, maar de geest niet, ofschoon deze een ander omkleedsel aangenomen heeft."

 

220. Kan men, door van lichaam te veranderen sommige intellectuele vermogens verliezen, kan men om iets op te noemen, de liefde voor de kunst verliezen?

"Ja, als men dit intelligente vermogen bezoedelt of er een slecht gebruikt van gemaakt heeft. Daarenboven kan gedurende een leven een vermogen sluimerende blijven omdat de geest er een ander, daarmede niet in verband staande, wil beoefenen; dan blijft zo'n vermogen latent, om later weder tevoorschijn komen."

 

221. Is de mens zelfs in de staat van wilde, aan deze terugblik in het verleden, het aangeboren denkbeeld van Gods bestaan, en het voorgevoel van een toekomstig leven verschuldigd?

"Het is een herinnering, die hij behouden heeft van hetgeen hij als geest vóór dat hij geïncarneerd werd kende; maar door hoogmoed wordt dat innerlijke gevoel dikwijls verstikt."

-Is men aan die zelfde herinnering, zeker geloof aan het spiritisme verschuldigd, dat men bij alle volken terug vindt?

"Deze leer is zo oud als de wereld; daarom vindt men die overal terug, en dit is een bewijs van haar waarheid. De geïncarneerde geest, de intuïtie van zijn toestand als geest behoudende, is instinctmatig van het bestaan van de onzichtbare wereld bewust, maar dat bewustzijn wordt dikwijls door vooroordelen verdrongen, terwijl onwetendheid er bijgelovigheden aan toevoegt."

(vorige)						(volgende)