Vijfde Hoofdstuk.
Bemerkingen over de Menigvuldigheid van het
Leven.
222. De leer van de reïncarnatie, zeggen sommigen, is niet
nieuw, het is de oude leer van Pythagoras, die weder opgehaald wordt. Wij
hebben nooit beweerd dat de spiritistische leer een nieuwe vinding is, een
natuurwet zijnde, heeft zij te allen tijde moeten bestaan, en wij hebben ons
steeds beijverd te bewijzen, dat men er tot in de vroegste oudheid de sporen
van vindt. Zoals men weet is niet Pythagoras de stichter van het stelsel van de
zielsverhuizing; hij heeft die aan de Indische wijsgeren en aan de Egyptenaren
ontleend, bij wie zij sedert onheugelijke tijden bestond. Het denkbeeld van de
transmigratie van de zielen was dus een algemeen verspreid geloof, dat door de
uitstekendste mannen aangenomen was. Hoe zijn zij aan dat geloof gekomen? Door
openbaring of bij ingeving? Dat weten wij niet; maar hoe ook, een denkbeeld
houdt zich geen eeuwen lang staande, en wordt niet door de uitstekendste
vernuften aangenomen als het geen ernstige zijde heeft. De oudheid van deze
leer zou dus eer vóór, dan tegen haar getuigen. Evenwel bestaat er, zoals men
weet, tussen de zielsverhuizing der ouden en de nieuwe leer van de
wedergeboorte of reïncarnatie, dit grote verschil, dat de geesten, de verhuizing
van de mens in dieren en omgekeerd, op de meest stellige wijze verwerpen.
Door het dogma van de menigvuldigheid van de incarnaties te
verkondigen, doen dus de geesten een leer herleven, die in de vroegste jaren
van de wereld haar oorsprong vond, en tot op onze tijd als innige gedachte bij
velen mensen is bewaard gebleven; doch door haar van alles wat het bijgeloof er
heeft bijgevoegd, te ontdoen, dragen zij die in een vorm die veel redelijker,
meer met de wetten van de natuur en met de wijsheid van de Schepper
overeenstemt. Een opmerkenswaardige bijzonderheid is het, dat in de laatste
tijd, deze leer niet alleen in dit boek verkondigd wordt; maar dat er, voordat
dit uitgegeven was, in verschillende landen vele mededelingen van dezelfde aard
ontvangen zijn, welke zich sedert veel vermenigvuldigd hebben. Het zoude
wellicht hier de plaats zijn om te onderzoeken wat de reden is, waarom alle
geesten het omtrent dit punt niet eens schijnen te zijn; doch wij komen hierop
later terug.
Laat ons de zaak uit een ander oogpunt, en iedere tussenkomst
van geesten daarbuiten latende, beschouwen; laat ons deze voor een ogenblik ter
zijde stellen; veronderstellen wij dat deze theorie niet van hun vinding is;
veronderstellen wij zelfs dat er nooit sprake van geesten geweest is. Plaatsen
wij ons dus voor een ogenblik op een onzijdig standpunt, waarbij wij de
waarschijnlijkheid van twee stellingen als gelijkstaande aannemen, namelijk
menigvuldigheid en eenheid van het lichamelijk leven, en laten wij dan zien,
welke zijd het gezond verstand en ons eigen welzijn ons zal doen kiezen.
Enige mensen verwerpen het denkbeeld van de wedergeboorte of
reïncarnatie, allen omdat hun die gedacht niet aangenaam is; zij zeggen meer
dan genoeg van een leven te hebben, en er geen tweede van die soort te
verlangen; wij kennen personen, die alleen de gedachte om op aarde terug te
komen in woede doet ontsteken. Wij hebben deze slechts een vraag te doen, en
wel of zij geloven dat God om het heelal te regelen hun mening en hun neigingen
geraadpleegd heeft. En een van deze twee is waar: de wedergeboorte bestaat, of
zij bestaat niet; indien zij bestaat, zullen zij die, hoe hen die ook mag
tegenstaan, moeten ondergaan; God zal hen daartoe hun toestemming niet vragen.
Het is alsof wij een zieke hoorden zeggen: ik heb vandaag al genoeg geleden,
morgen wil ik niet meer lijden. Hoe wrevelig hij ook wezen moge, hij zal
desniettemin morgen en de volgende dagen, en totdat hij genezen zal zijn,
moeten lijden; indien zij dus lichamelijk herleven moeten, zullen zij herleven;
zij mogen er zich tegen verzetten als een kind, dat niet naar school, of als
een veroordeelde, die niet naar de gevangenis wil gaan, zij zullen er zich aan
moeten onderwerpen. Soortgelijke tegenwerpingen zijn te kinderachtig om er ons
langer bij op te houden. Wij zullen hen evenwel tot hun geruststelling zeggen
dat de spiritistische leer van de incarnatie niet zo verschrikkelijk is als zij
zich wel verbeelden, en dat indien zij die grondig bestudeerd hadden, zij er zo
bevreesd niet voor zouden zijn; zij zouden dan weten, dat de voorwaarden van
dit nieuwe leven van henzelf afhankelijk is; dat leven zal gelukkig of
ongelukkig zijn, naar gelang van hetgeen zij hier op aarde gedaan zullen
hebben, en zij kunnen reeds in het tegenwoordige leven zo hoog stijgen dat zij
geen vrees behoeven te koesteren weder in het slijk te zullen terugvallen.
Wij veronderstellen dat wij tot mensen spreken, die aan een
toekomst, welke dan ook, na de dood geloven en niet tot dezulken, die in de
toekomst het niet voor ogen hebben, of die hun ziel in een algemeen Al, zonder
individualiteit, als de regendruppels in de oceaan, willen opgelost zien,
hetgeen ten naastenbij op hetzelfde neerkomt. Indien gij dus aan een toekomst,
welke dan ook, gelooft, zult gij toch niet aannemen dat deze voor allen
dezelfde zijn zal, want waar blijft dan het voordeel van het goede te doen?
Waarvoor zich dan te bedwingen? Waarom niet alle zijn driften de vrije teugel
gevierd, waarom niet alle zijn wensen, zelfs ten koste van anderen bevredigd,
daar onze toekomst er niet slechter noch beter door wordt? Gij gelooft dat die
toekomst meer of minder gelukkig zal zijn, naar gelang hetgeen wij gedurende
ons leven gedaan zullen hebben; gij koestert dus het verlangen daar zo gelukkig
mogelijk te zullen zijn, want het is voor eeuwig? Zoude ge u wellicht
aanmatigen uw zelf onder de meest volmaakte mensen te rekenen die op aarde
geleefd hebben, en waaruit het recht willen ontlenen om op ééns de hoogste
gelukzaligheid der uitverkorenen deelachtig te worden? Nee, dus stemt gij toe
dat er mensen zijn die beter zijn dan gij, en die aanspraak op een beter deel
dan gij kunnen maken, zonder evenwel te behoeven erkennen dat uw plaats onder
de veroordeelden moet zijn. Welnu! Plaats u dan eens voor een ogenblik in
gedachte in die tussenstand van geluk, die, gij bekent hetzelf, de uw zijn zal,
en veronderstel verder dat men u kwam zeggen: gij lijdt, gij zijt niet zo
gelukkig als gij zou kunnen zijn; terwijl gij wezens voor u ziet die een
onverdeeld geluk genieten; wilt gij uw plaats met de hun verwisselen?
Ongetwijfeld! Zult gij zeggen, wat moet ik daarvoor doen? Bijna niets; weder
opnieuw beginnen wat gij niet goed gedaan hebt en te trachten het beter te
doen. Zou gij aarzelen deze voorwaarde aan te nemen, zelfs al ware het ten koste
van verscheidene levens vol beproevingen? Laat ons een meer prozaïsch voorbeeld
gebruiken: indien men aan iemand, die, zonder juist doodarm te zijn, door zijn
bekrompen inkomen vele ontberingen moest verduren, kwam zeggen:
Zie hier een ontzettend groot fortuin, waarvan gij u het genot
kunt verzekeren, gij moet daarvoor gedurende een minuut hard werken. Al ware
het de luiste mensen op aarde, zou hij toch zonder zich te bedenken zeggen: een
minuut, twee minuten, een uur, een dag werken als het nodig is, wat is dat, als
ik daardoor het overige van mijn leven in overvloed kan leven? En hoe lang
duurt dan wel het lichamelijk leven vergeleken bij de eeuwigheid? Minder dan
een minuut, ja minder dan een seconde.
Wij hebben de volgende redenering horen maken: God, die de
hoogste goedheid is, kan aan de mens niet opgelegd hebben, om telkens weer
opnieuw een reeks van ellende en wederwaardigheden te moeten ondergaan. Gelooft
men dan misschien, dat het meer goedheid zou bewijzen, de mens als straf voor
enige ogenblikken van dwaling, liever een eeuwigdurend lijden opleggen, dan hem
het middel te verschaffen om zijne fouten te kunnen herstellen? "Twee
fabrikanten hadden ieder een werkman in hun dienst, die er naar konden dingen
eenmaal deelgenoot van de eigenaar te worden. En het gebeurde, dat beide deze
werklieden, hun dag zeer slecht besteed hadden en daarom verdienden weggezonden
te worden; de een fabrikant joeg de zijne weg, niettegenstaande diens smeken om
te mogen blijven, en deze geen ander werk gevonden hebbende, stierf van gebrek.
De andere meester zei tot zijn werkman: gij hebt een dag verloren, gij zijt er
mij dus een tot vergoeding schuldig; gij hebt uw werk slecht verricht, gij zijt
mij daarvoor schadeloosstelling verschuldigd; ik sta u toe het werk over te
doen; tracht het goed te doen en gij kunt bij mij blijven, en gij kunt nog
altijd naar de betere plaats, die ik u beloofd heb, blijven dingen."
Behoeft men nu wel te vragen welke van deze twee meesters de liefderijkste
geweest is? En zou God, die de barmhartigheid zelf is, onverbiddelijker zijn
dan een mens? De gedachte dat ons lot ten gevolge van enige jaren beproeving
voor eeuwig bepaald wordt, zelfs dan wanneer het niet altijd van ons zelf
afgehangen heeft om de volmaaktheid op aarde te bereiken, is verschrikkelijk,
terwijl de tegenovergestelde gedachte, door ons de hoop te doen behouden, in de
hoogste mate vertroostend is. Zonder ons dus vóór of tegen de menigvuldigheid
van het leven te verklaren, zonder het ene of andere als hypothese aan te
nemen, zeggen wij, dat wij vermenen dat bijaldien de keuze aan ons gelaten
werd, niemand een onherroepelijk vonnis zou kiezen. Een wijsgeer heeft gezegd,
dat indien God niet bestond, men die voor het geluk van de mensheid moest
verzinnen; hetzelfde zou men van de menigvuldigheid van het leven kunnen
zeggen. Maar, zoals wij reeds gezegd hebben, vraagt God ons onze toestemming
niet; Hij gaat niet met onze smaak te rade; het is zo of het is zo niet; laat
ons nagaan aan welke zijde de meeste waarschijnlijkheid bestaat, en laat ons,
het onderwijs van de geesten er buiten latende, de zaak uit een ander oogpunt
en alleen als wijsgerige studie, beschouwen.
Indien er geen reïncarnatie bestaat, wordt het duidelijk dat er
slechts een lichamelijk leven is, en indien ons tegenwoordige het enigste is,
dan wordt de ziel van elk mens bij diens geboorte geschapen, tenzij men een
hoger ouderdom voor de ziel aanneemt, in welk geval men tot de vraag komt: wat
de ziel dan wel voor de geboorte was, en of haar bestaan dan geen leven was, in
welke vorm dan ook. Er is geen middenweg te vinden; de ziel bestond of bestond
niet voor het lichaam; indien zij bestond, in welke toestand was het dan? Was
zij zichzelf bewust of niet? Indien zij zich zelf niet bewust was, was het ten
naastenbij alsof zij niet bestond; indien zij een individualiteit bezat, was
zij, hetzij vooruitgaande of wel stationair; in beide gevallen vragen wij: op
welke hoogte stond zij toen zij in het lichaam kwam? Het volksgeloof aannemende
dat de ziel tegelijk met het lichaam geboren wordt, of hetgeen op hetzelfde
neerkomt; dat zij voor haar incarnatie niets dan negatieve eigenschappen bezat,
doen wij de volgende vragen:
1. Hoe komt het dat de ziel zo verschillende natuurlijke aanleg,
geheel onafhankelijk van de denkbeelden die door opvoeding verkregen worden,
toont te bezitten?
2. Van waar komt bij enige jonge kinderen, die buitengewone
aanleg voor de ene of anderen kunst of wetenschap, terwijl andere hun gehele
leven tot de minst ontwikkelden of middelmatige blijven behoren?
3. Van waar komen bij sommigen die aangeboren of ingegeven
denkbeelden, die anderen niet hebben?
4. Van waar komen bij sommige kinderen, die vroegtijdige neiging
tot ondeugd of deugd, dat aangeboren gevoel van waardigheid of laagheid, dat
geheel in strijd is, met de omgeving in welke zij geboren zijn?
5. Hoe komt het dat sommige mensen, buiten hetgeen zij door
onderwijs verkregen hebben meer ontwikkeld zijn dan anderen?
6. Waarom zijn er wilde en beschaafde volken? Indien gij, een
hottentot bij zijne geboorte neemt, en die in een van onze beroemdste
instituten doet opvoeden, zult gij er ooit een Laplace of een Newton van maken?
Wij vragen, welke wijsbegeerte of theosofie kan die problemen
oplossen? De zielen zijn aan elkaar gelijk of ongelijk, dit is niet twijfelachtig.
Indien zij aan elkaar gelijk zijn, van waar dan die verschillende aanleg? Zal
men zeggen dat het een gevolg van het organisme is? Maar dat is de meest
monsterachtige en onzedelijke leer. Dan is de mens niets anders dan een
werktuig, de speelbal van de stof, dan is hij geen verantwoording meer van
zijne daden schuldig; hij kan alles aan zijne natuurlijke onvolmaaktheden
toeschrijven. Indien de zielen niet aan elkaar gelijk zijn, komt dit omdat God
ze aldus geschapen heeft; maar waarom is dan die aangeboren voortreffelijkheid
aan enigen geschonken? Is deze partijdigheid met Gods rechtvaardigheid en
gelijke liefde voor alle zijne schepselen overeen te brengen?
Indien wij daarentegen een reeks van vroegere levens van
vooruitgang aannemen, lost zich alles op. De mensen, brengen dan bij hun
geboorte de intuïtie van het door hen aangeleerde mede; zij zijn naar mate van
het getal levens, die zij doorlopen hebben, naar mate zij zich meer of minder
van het punt van uitgang verwijderd hebben, meer of minder gevorderd; volmaakt
hetzelfde als bij een verzameling van individuen van verschillenden ouderdom;
ieder van hen zal in evenredigheid van de jaren, die hij geleefd heeft,
ontwikkeld zijn; de elkaar opvolgende levens, zullen voor het leven van de ziel
zijn, wat de, jaren, voor het leven van het lichaam zijn. Breng eens duizend
individuen in de ouderdom van een tot tachtig jaren bij elkaar; verondersteld
dat een sluier over alle de dagen die voorafgegaan zijn, geworpen ware, en dat
gij in uw onwetendheid, ook geloofde dat zij allen op dezelfde dag geboren
waren; dan zou zich bij u ook natuurlijk de vraag opdoen, hoe komt het, dat
enigen groot anderen klein, de een jong, de andere oud; de een geleerd en de
andere onwetend is; maar. indien de sluier, die het verleden voor uw ogen
bedekt houdt, opgeheven werd, indien gij hoorde dat de een langere de andere
korter geleefd had, zou alles u duidelijk zijn. God heeft in zijne
rechtvaardigheid geen meer of minder volmaakte zielen kunnen scheppen; maar
door de menigvuldigheid van de incarnaties, bestaat er in de ongelijkheid die
wij zien, niets, dat met de striktste billijkheid in strijd is; wij zagen
alleen het tegenwoordige en niet het verleden. Vindt deze redenering haar grond
in een systeem of berust die op een ongemotiveerde veronderstelling? Nee, wij
gaan hier uit van een duidelijk, niet te loochenen feit: de ongelijkheid in
aanleg en in intellectuele en zedelijke ontwikkeling, en wij vinden dat dit
feit door geen van de aangevoerde theorieën te verklaren is; terwijl die door
ene andere, eenvoudig, natuurlijk en logisch te verklaren is. Is het dan
rationeel aan de theorie, die niets verklaart, de voorkeur boven die, welke
alles verklaart, te willen schenken?
Op de zesde vraag zal men vermoedelijk antwoorden dat de hottentot
tot een minder ras behoort; maar dan vragen wij: is een hottentot een mens of
is hij het niet? Indien de hottentot een mens is, waarom heeft God hem en zijn
ras dan de voorrechten aan het caucasische ras eigen, onthouden. Indien het
niet een mens is, waarom dan getrachte er een Christen van te maken? De
spiritistische leer heeft ruimer inzichten; voor haar bestaan er geen
verschillende soorten van mensen, maar alleen mensen van wie het verstand meer
of min achterlijk, maar vatbaar voor vooruitgang is; is dit niet veel beter met
Gods rechtvaardigheid overeen te brengen? Wij hebben de ziel en haar verleden
en in haar tegenwoordige staat beschouwd; indien wij haar toekomst beschouwen,
stuiten wij op dezelfde bezwaren.
1. Indien ons tegenwoordig leven alleen, ons toekomstig lot moet
bepalen, wat is dan in het toekomstige leven het lot van de wilde en van de
beschaafde mens? Staan zij met elkaar gelijk, of is de som van de eeuwige
gelukzaligheid voor hen verschillend?
2. Staat de mens, die gedurende
zijn gehele leven aan zijn verbetering gearbeid heeft, met hem gelijk, die,
niet door eigen schuld, maar omdat hij geen tijd gehad heeft, noch in de gelegenheid
geweest is om beter te worden, op een lage trap van ontwikkeling is blijven
staan?
3. Moet de mens, die door
gebrek aan kennis kwaad doet, een toestand ondergaan, die door een oorzaak
geheel van hem onafhankelijk ontstaan is?
4. Men doet alles om de mensen te verlichten, zedelijke te maken
en te beschaven; maar voor één, die men verlicht, sterven er dagelijks miljoenen,
voordat het licht tot hen gekomen is: welk lot staat dezen te wachten? Zullen
zij als verworpelingen behandeld worden? Zo niet, wat hebben dan dezen gedaan
om met de andere gelijk gesteld te worden?
5. Welk is het lot van de kinderen, die jong sterven, voordat
zij goed noch kwaad hebben kunnen doen? Indien zij onder de uitverkorenen
komen, waarom dan die gunst, zonder iets om het te verdienen gedaan te hebben?
Krachtens welk privilegie zijn zij van de wederwaardigheden van het leven vrij
gesteld?
Bestaat er een leer die al die vragen kan oplossen? Neem
opvolgende incarnaties aan en alles wordt op een wijze die met Gods
rechtvaardigheid in overeenstemming is, verklaard. Wat men in één leven niet
heeft kunnen doen, doet men in een volgend; op die wijze ontgaat niemand de wet
van de volmaking, wordt iedereen in evenredigheid van zijn wezenlijke
verdiensten beloond, en wordt niemand van de hoogste gelukzaligheid
uitgesloten, die voor allen bereikbaar blijft, welke ook de hinderpalen mogen
zijn, die op hun pad ontmoet worden.
Deze vragen zouden tot in het oneindige kunnen vermeerderde
worden want de psychologische en zedenkundige vraagstukken, die alleen door de
menigvuldigheid van het leven kunnen opgelost worden, zijn ontelbaar; wij
hebben ons tot de meest algemene bepaald. Hoe het dan ook zij, zal men wellicht
zeggen; de leer van de reïncarnaties wordt niet door de kerk erkend, die aan te
nemen zou dus de omverwerping van de godsdienst zijn; het is ons voornemen niet
thans die vraag te behandelen; het is ons genoeg te hebben bewezen dat die leer
zedelijk en rationeel is; en al wat zedelijk en rationeel is, kan niet in
strijd zijn met een godsdienst, die ons God als de hoogste goedheid en wijsheid
doet kennen. Wat zou er van de godsdienst geworden zijn, indien deze, tegen het
algemeen gevoel en tegen de getuigenis van de zintuigen in; zich hardnekkig
tegen de evidentie had blijven verzetten en uit zijn midden allen uitgeworpen
had, die niet aan de beweging van de aarde of aan de zes scheppingsdagen geloofden?
Welk vertrouwen en welk gezag zou een godsdienst, die zijn geloofsartikelen op
handtastelijke dwalingen vestigt, bij beschaafde volken gevonden hebben? De
kerk heeft zich, toen het bewijs van de waarheid, onomstotelijk geleverd was,
wijselijk geschaard aan de zijde van hen die het bewijs geleverd hadden. Indien
het dus bewezen is, dat sommige bestaande zaken zonder de reïncarnaties
onmogelijk zijn, indien sommige geloofsartikelen niet anders dan door haar
kunnen verklaard worden, zal men die wel moeten aannemen, en moeten erkennen,
dat de tegenstrijdigheid van die leer met de leerstellingen van de kerk slechts
in schijn bestaat. Later zullen wij aantonen, dat de godsdienst niet zo ver als
men wel geloofd van die aanneming verwijderd is, en dat hij er niet meer door
lijden zal dan vroeger door de ontdekking van de beweging van de aarde en van
de geologische tijdvakken, waarin men in de begin een logenstraffing van de
inhoud van de gewijde schriften meende te zien. Het beginsel van de
reïncarnatie of wedergeboorte blijkt buitendien uit verschillende plaatsen in
de H. Schriften zelf, en wordt meer in het bijzonder op een duidelijke wijze in
het Evangelie uitgedrukt:
"En als zij van de berg afkwamen, (na de verheerlijking)
gebood hun Jezus, zeggende: zegt niemand dit gezicht, totdat de Zoon des mensen
zal opgestaan zijn uit de doden. En zijn discipelen vraagden hem, zeggende: Wat
zeggen dan de schriftgeleerden, dat Elias eerst moest komen? Doch Jezus
antwoordende, zei tot hem: Elias zal wel eerst komen, en alles weder oprichten.
Maar ik zeg u, dat Elias nu gekomen is, en zij hebben hem niet gekend; doch zij
hebben aan hem gedaan, al wat zij hebben gewild; alzo zal ook de Zoon des
mensen van hen lijden. Toen verstonden de discipelen, dat hij hun van Johannes den
Doper gesproken had."(Matth. XVII.)
Aangezien Johannes den doper Elias was, heeft er dus een
reïncarnatie van de geest of ziel van Elias, in het lichaam van Johannes den
Doper plaats gevonden.
Welke overigens het denkbeeld zij dat men zich van de reïncarnatie
maakt, hetzij men die aanneemt of verwerpt, moet men die, als ze bestaat,
niettegenstaande elk daartegenover gesteld geloof, toch ondergaan; het
voornaamste is dat het onderwijs van de geesten bij uitnemendheid Christelijk
is, want zij is gegrond op de onsterfelijkheid van de ziel, op de toekomstige
straffen en beloningen, op Gods rechtvaardigheid, op de vrije wil van de mens
en op de zedenleer van Christus, en is dus niet ongodsdienstig.
Zoals wij zeiden hebben wij geredeneerd zonder datgene wat het spiritisme
ons leert in aanmerking te nemen, want dit heeft voor velen geen gezag. Indien
wij met zo velen de menigvuldigheid van het leven hebben aangenomen, komt dit
niet alleen omdat wij die leer van de geesten ontvangen hebben, maar omdat zij
voor ons de meest logische is, en dat door haar alleen vele vraagstukken, die
tot op de huidige dag onoplosbaar waren gebleven, verklaard worden. Al ware die
leer door een gewoon sterveling tot ons gekomen, zouden wij die even goed
hebben aangenomen en niet geaarzeld hebben, onze eigen denkbeelden opofferen;
zodra een dwaling bewezen is, heeft de eigenliefde, die ons noopt om
halsstarrig een verkeerd denkbeeld te blijven aankleven, meer daarbij te
verliezen dan te winnen. Wij zouden die leer, al kwam die van de geesten, even
goed verworpen hebben, indien zij ons als in strijd met de rede voorgekomen
was, zoals wij reeds veel verworpen hebben; want wij weten bij ondervinding dat
men niet alles wat van de geesten komt, evenmin als van de mensen, blindelings
als waarheid moet aannemen; haar eerste aanspraak op geloof ontleent zij in
onze ogen vooral door logisch te zijn; voegt daarbij dat de leer door daadzaken
gestaafd wordt, door stellige om zo te zeggen materiële feiten; die bij een
aandachtige en beredeneerde studie, door ieder, die zich de moeite wil geven
met geduld en volharding te onderzoeken, kunnen waargenomen worden, en
tegenover welke het niet aangaat te twijfelen. Als die feiten evenals die van
de schepping en beweging van de aarde meer algemeen gekend zullen zijn, zal men
zich wel moeten laten overreden, en de tegenpartij zal zich over de genomen
moeite te beklagen hebben.
Laat ons dus, resumerende, erkennen, dat alleen door de leer van
de menigvuldigheid van het leven, te verklaren is, wat zonder die leer onverklaarbaar
blijft; dat die leer bij uitnemendheid troostrijk en met de striktste
rechtvaardigheid in overeenstemming is, en dat zij voor de mens het plechtanker
is, dat God hem in zijn barmhartigheid geschonken heeft.
De woorden van Jezus zelf kunnen in dit opzicht niet de minste
twijfel doen blijven bestaan. Men leest in het Evangelie van Johannes hoofdstuk
III:
3. Jezus antwoordde en zei tot hem (Nicodemus): voorwaar zeg ik
u, tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koningrijk Gods niets zien.
4. Nicodemus zei tot hem: hoe kan een mens geboren worden nu oud
zijnde? Kan hij andermaal in zijn moeders buik ingaan, en geboren worden?
5. Jezus antwoordde: voorwaar, voorwaar zeg ik u: zo iemand niet
geboren wordt uit water en geest, hij kan in het Koningrijk Gods niet ingaan.
Hetgeen uit het vlees geboren is, dat is vlees; en hetgeen uit de geest geboren
is, dat is geest. Verwonder u niet, dat ik gezegd heb: gij moet wederom geboren
worden. (Zie hierna, Opstanding
van het vlees, nr. 1010.)