Zesde Hoofdstuk.

 

Het Geestenleven.

 

 

Omdolende geesten. Werelden van overgang. Gewaarwordingen. Gevoel en lijden van de geesten. Proef van een theorie over de gewaarwordingen bij de geesten. Keuze van de beproevingen. Betrekkingen aan gene zijde van het graf. Simpathetische en afkerige verhouding van de geesten. Geestelijke wederhelften. Herinnering van het lichamelijk bestaan. Gedachtenisviering van afgestorvenen. Begrafenis.

 

 

Omdolende Geesten.

 

 

223. Reïncarneert zich de ziel dadelijk weder na hare scheiding van het lichaam?

“Soms onmiddellijk, maar meestaal na verloop van een langere of kortere tussenpozen. In de verheven werelden vindt de incarnatie meestal onmiddellijk plaats; de stof van het lichaam daar minder grof zijnde, is de geest in het genot van bijna alle zijn geestelijke vermogens; zijn normale toestand is die van uw helderziende somnambules.

 

224. Wat wordt de ziel gedurende de tijd, die ertussen de incarnaties verloopt?

“Omdolende geest, die naar zijn nieuwe bestemming verlangt: hij is afwachtende.”

- Hoelang kan die tussen tijd wel aanhouden?

“Van enige uren af tot aan enige duizenden eeuwen. Doch eigenlijk gezegd is er geen uiterste grens voor de tijd van omdoling van de geesten vastgesteld, die wel zeer lang kan duren, maar evenwel niet eeuwig is; vroeg of laat komt de geest altijd in de gelegenheid om weder een nieuw leven te beginnen, dat tot loutering van zijn vroegere levens dienen moet.”

- Is die duur van de wil van de geest afhankelijk of kan dezelfde als boetedoening opgelegd zijn?

“Het is een gevolg van de vrije wil; de geesten weten zeer goed wat zij doen, maar er zijn er ook voor wie het het een door God opgelegde straf is; andere vragen om die te verlengen teneinde zodanige studies, die niet anders dan in de toestand van geest te maken zijn, te kunnen voortzetten.”

 

225. Is de omdoling op zichzelf niet een bewijs van minderheid bij de geesten?

“Nee, want er zijn omdolende geesten op alle trappen van ontwikkeling. De incarnatie is een toestand van overgang, wij zeiden reeds: dat de geest in zijn normalen toestand van de stof vrij is.”

 

226. Kan men zeggen dat alle niet-geïncarneerde geesten, omdolende zijn?

“Wat degene, die zich weder incarneren moeten, aangaat, ja; maar de Zuivere Geesten, die de volmaaktheid bereikt hebben, zijn niet omdolende; hun staat is voor goed vastgesteld.

 

 

Met betrekking tot hun innerlijke hoedanigheden, behoren de geesten tot verschillende orden of rangen welke zij naar gelang van hun loutering doorlopen. Hun staat kan zijn: geïncarneerd, dat wil zeggen, verenigd met een lichaam; omdolend, dat wil zeggen van het stoffelijk lichaam bevrijd, en een nieuw incarnatie tot hun verbetering afwachtende; Zuivere Geest: dat wil zeggen volmaakt en geen incarnatie meer behoevende

 

 

227. Op welke wijze doen omdolende geesten kundigheden op; waarschijnlijk toch wel niet op dezelfde wijze als wij dit doen?

“Zij overdenken hun verleden, en zoeken naar de middelen om hoger te komen. Zij zien, en nemen waar wat er in de oorden, die zij doortrekken, voorvalt; zij luisteren naar de gesprekken van kundige mensen, en naar de raadgevingen van boven hen verheven geesten, en daardoor doen zij denkbeelden op, die zij vroeger niet hadden.”

 

228. Behouden de geesten sommige van de menselijke driften?

“De verheven geesten, ontdoen zich bij het afleggen van hun omhulsel van alle slechte neigingen en behouden alleen die van het goede; maar de mindere geesten behouden die neigingen, ware dit het geval niet, dan zouden zij tot de eerste rang behoren.”

 

229. Waarom laten de geesten bij het verlaten van de aarde niet alle kwade neigingen achter, daar zij er toch de nadelen van kennen?

“Gij hebt op uw aarde lieden die uitermate ijverzuchtig zijn; gelooft gij nu, dat zodra zij de aarde verlaten, zij die ondeugd verliezen? Er blijft de geesten na hun vertrek van de aarde, vooral bij hen, die scherp uitgedrukte driften hebben een soort van dampkring bij, die hen omringt en hen alle slechte eigenschappen doet behouden, want de geest is niet geheel van de stof los, het is slechts nu en dan dat hij de waarheid inziet die hem als 't ware de weg aanwijst.”

 

230. Maakt de geest in zijn omdoling vorderingen?

“Hij kan zich veel verbeteren, altijd naar gelang van zijn wil en verlangen daartoe, maar het is in zijn lichamelijk leven dat hij de nieuwe, door hem opgedane denkbeelden in toepassing brengt.”

 

231. Zijn de omdolende geesten gelukkig of ongelukkig?

“Min of meer al naar gelang van hun verdiensten. Zij lijden door de driften waarvan zij de kiem behouden hebben, of zijn gelukkig naarmate zij meer of minder gedematerialiseerd zijn. De omdolende geest bemerkt wat hem ontbreekt om gelukkig te kunnen zijn, en dan zoekt hij naar de middelen om dat te bereiken; maar het wordt hem niet altijd toegestaan om zich naar eigen verkiezing te reïncarneren, en in zodanig geval is het een straf.”

 

232. Kunnen de geesten, die zich in de omdolende toestand bevinden, zich naar alle werelden begeven?

“Dit hangt van omstandigheden af; wanneer de geest het lichaam verlaten heeft, is hij daardoor alleen, niet van alle stof los, en behoort hij nog tot de wereld, waarop hij geleefd heeft, of wel op een van gelijke rang, tenzij hij gedurende zijn leven opgeklommen is, en dat is het doel, waarnaar hij streven moet ; zonder dat, kan hij nooit volmaakter worden. Hij kan zich evenwel naar sommige meer verhevene werelden begeven, maar dan is hij daar als vreemdeling; hij ziet dezelfde als het ware slechts in 't verschiet, en dat doet bij hem de zucht ontstaan, zich te beteren, teneinde de gelukzaligheid, die men daar geniet waardig te worden, en die werelden later te mogen bewonen.”

 

233. Komen de reeds gelouterde geesten, ook op mindere werelden?

“Zij komen er dikwijls, teneinde deze in hun vooruitgang behulpzaam te zijn, zonder dat zouden die werelden zonder leidslieden om hen te besturen, overgelaten zijn.”

 

 

Werelden van overgang.

 

 

234. Bestaan er, zoals er gezegd wordt, werelden die bestemd zijn, om de dolende geesten tot plaats van oponthoud en tot rustpunten te dienen?

“Ja, er bestaan werelden, die meer in het bijzonder voor hen bestemd zijn; werelden, waarop zij tijdelijk verblijf kunnen houden; soorten van legerplaatsen, kampen, waar zij van een langdurige omdoling, die altijd een moeilijke toestand is, kunnen uitrusten. Het zijn tussenliggende plaatsen temidden van de andere werelden, naar de aard van de geesten welke er zich naar toe kunnen begeven gerangschikt, en deze, genieten daar een min of meer groot geluk.”

- Kunnen de geesten, die deze werelden bewonen, dezelfde naar welgevallen verlaten?

“Ja, de geesten die op die werelden zijn, kunnen er zich van verwijderen, om daar waar het nodig is, te kunnen gaan. Stel u trekvogels voor, die op een eiland neerstrijken, op nieuwe krachten wachtende om hun bestemming verder te bereiken.”

 

235. Maken de geesten gedurende hun verblijf op die werelden van overgang, vorderingen?

“Zeer zeker; zij, die zich op die wijze verenigen, doen dit, met het doel om zich te bekwamen, en gemakkelijker de toestemming te mogen verkrijgen om op betere werelden, over te gaan, en de staat waarin de uitverkorenen verkeren, te mogen bereiken.”

 

236. Zijn die werelden van overgang ten eeuwigen dage en door hun bijzondere aard voor de omdolende geesten bestemd?

“Nee, hun toestand is slechts tijdelijk.”

- Zijn zij tegelijkertijd door lichamelijke wezens bewoond?

“Nee, haar oppervlakte is onvruchtbaar. Zij die deze werelden bewonen, hebben aan niets behoefte.”

- Is deze onvruchtbaarheid blijvend, en is dit een gevolg van haar bijzondere natuur?

“Nee zij zijn allen in hun toestand van overgang onvruchtbaar.”

- Deze werelden moeten dus geheel van natuurlijke schoonheden ontbloot zijn?

“De natuur toont zich daar, door de schoonheid van het onmetelijke, dat niet minder bewonderenswaardig is dan hetgeen gij natuurschoonheden noemt.”

- Daar die werelden slechts in een staat van overgang verkeren, zal wellicht onze aarde ook eens tot die werelden behoren?

“Zij is reeds in die toestand geweest.”

- Op welk tijdstip?

“Gedurende haar vorming.”

 

 

Niets in de natuur is nutteloos; ieder ding heeft zijn doel en bestemming; niets is ledig, alles is bewoond, het leven is overal. Zo was er gedurende de lange reeks van eeuwen, die er verlopen zijn, vóór dat de mens op aarde verscheen, gedurende die trage tijdperken van overgang, die ons door de geologische lagen aangetoond worden, zelfs vóór de schepping van de eerste bewerktuigde wezens, op die vormloze klomp, in die naakte chaos, waarin alle elementen onderéén gemengd waren, geen gebrek aan leven; wezens, die niet onze behoeften, noch onze fysieke gewaarwordingen hadden, vonden er een toevluchtsoord. God heeft gewild dat de aarde zelfs in die onvolmaakte toestand tot iets dienstig zou zijn. Wie zou dan nog durven beweren dat onder die miljarden van werelden, die zich in de oneindige ruimte bewegen, slechts een en nog wel een van de kleinste, die zich onder de menigte verliest, alleen bevoorrecht zou zijn bewoond te worden? Welk nut zouden dan de andere hebben? Zou God die alleen geschapen hebben met het doel om ons gezicht te strelen? Ongerijmde veronderstelling, onverenigbaar met de wijsheid die uit alle zijn werken straalt, en die onaannemelijk is als men bedenkt, hoe velen er nog zijn die voor ons geheel onzichtbaar zijn. Niemand zal het kunnen tegenspreken dat er in het denkbeeld dat werelden, die nog ongeschikt zijn voor het materiële leven, toch door levende wezens, voor die verblijfplaatsen geschikt, bewoond zijn, iets groots iets verhevends is, en waarin wellicht de oplossing van meer dan een vraagstuk te vinden is.

 

 

Gewaarwordingen. Gevoel en lijden van de Geesten.

 

 

237. Heeft de geest, eenmaal de geestenwereld ingetreden zijnde, nog de gewaarwordingen die hij gedurende zijn leven had?

“Ja, en nog anderen, die hij bij zijn leven niet had, omdat zijn lichaam als een sluier was, die ze voor hem verborgen hield. De intelligentie is een eigenschap van de ziel, maar die zich alleen vrijelijk uit, als zij door geen banden daarin verhinderd wordt.”

 

238. Zijn de gewaarwordingen en kundigheden van de geesten oneindig; met andere woorden, kennen zij alles?

“Hoe meer zij de volmaaktheid naderen, des te meer weten zij; indien het verheven geesten zijn, weten zij veel; de mindere zijn in alles meer of minder onwetend.”

 

239. Kennen de geesten de oorsprong van de dingen?

“Dit hangt van hun verhevenheid af: de mindere geesten weten er niets meer van dan de mensen.”

 

240. Begrijpen de geesten de duur van de tijd, zoals wij?

“Nee, en daardoor komt het dikwijls dat gij ons niet begrijpt als er sprake is om datums en tijdvakken te bepalen.”

 

 

 

De Geesten leven buiten de tijd, zoals wij die begrijpen; de tijd van duur, wordt voor hen als 't ware geheel vernietigd, en de eeuwen zo lang van duur voor ons, zijn in hun ogen slechts ogenblikken, die door de eeuwigheid uitgewist worden, evenals de oneffenheden van de grond verdwijnen, voor degene die in de lucht opstijgt.

 

 

 

241. Hebben de geesten een juister en nauwkeuriger denkbeeld dan wij, van het tegenwoordige?

“Ten naastenbij zoals iemand die goede ogen heeft, zich een juister denkbeeld van de dingen vormt, dan een blinde. De geesten zien datgene wat gij niet ziet; zij oordelen dus anders dan gij, maar wij herhalen, dit hangt geheel van hun meerdere of mindere verhevenheid af.”

 

242. Hoe kennen de geesten het verleden, en heeft deze kennis voor hen geen grenzen?

“Als wij er ons mede bezig houden, is het verleden het tegenwoordige, op dezelfde wijze als gij u iets herinnert dat u in de loop van uw ballingschap getroffen heeft. Doch daar de stoffelijke sluier die uw toestand benevelt, ons niet meer bedekt, herinneren wij ons dingen, die voor u reeds uitgewist zijn; maar niet alles is de geesten bekend: bijvoorbeeld in de eerste plaats, is hun eigene schepping hen onbekend.”

 

243. Kennen de geesten de toekomst?

“Dit hangt wederom van de hoogte van hun ontwikkeling af: dikwijls zien zij de toekomst als 't ware slechts ten halve in 't verschiet, maar het is hen niet altijd veroorloofd die te openbaren; wanneer zij de toekomst zien, schijnt die voor hun als tegenwoordig. Hoe meer de geest tot God nadert, des te duidelijker wordt voor hem de toekomst. Na de dood, ziet en omvat de ziel zijn vorige emigraties; maar zij kan niet zien, wat God voor haar bestemt; daarvoor moet zij, na vele levens, geheel in Hem zijn.

- Bezitten de geesten die de volstrekte volmaaktheid bereikt hebben, een volledige kennis van de toekomst?

“Volledig is het woord niet, want God alleen is de opperste Meester, en geen wezen kan aan Hem gelijk zijn.”

 

244. Zien de geesten God?

“Alleen de verheven geesten zien en begrijpen hem; de minderen voelen en gissen Hem.”

- Als een mindere geest zegt, dat God hem iets verbiedt of toestaat, hoe weet hij dan dat dit verbod van Hem komt?

“Hij ziet God niet, maar hij voelt Diens oppermacht; en als iets niet gedaan of niet gezegd moet worden, voelt hij als een ingeving, een onzichtbare raadgeving, die hem verbiedt het te doen. Hebt gij zelf geen voorgevoel, dat voor u als een geheime waarschuwing is, om het een of ander te doen of na te laten. Zo is het ook met ons, maar in een hogere graad, want gij begrijpt dat het wezen van de geesten fijner dan het uw zijnde, zij daardoor de goddelijke waarschuwingen beter kunnen ontvangen.”

- Wordt het gebod rechtstreeks door God of door tussenkomst van andere geesten gegeven?

“Het komt niet rechtstreeks van God tot hem; om met God in gemeenschap te kunnen komen, moet men dit waardig zijn. God zendt hem Zijn bevelen door geesten, die boven hem in volmaaktheid verheven zijn.”

 

245. Is het gezicht bij de geesten zoals bij de lichamelijke wezens begrensd?

“Nee het zetelt in hen.”

 

246. Hebben de geesten om te zien, licht nodig?

“Zij zien door henzelf en hebben geen uitwendig licht nodig; voor hen bestaat geen duisternis, behalve die, waarin zij zich tot boetedoening kunnen bevinden.”

 

247. Hebben de geesten nodig zich van de een plaats naar de andere te begeven om op twee verschillende punten te kunnen zien? Kunnen zij bijvoorbeeld tegelijkertijd op de twee halfronden van de aarde zien?

“Daar de geest zich met de snelheid van de gedachte verplaatst, kan men zeggen dat hij overal tegelijk ziet; zijn gedachte kan tegelijk naar verschillende punten uitstralen en overgebracht worden; maar dit vermogen hangt van zijn reinheid af; hoe minder gelouterd, des te beperkter is zijn gezicht; alleen de verheven geesten kunnen een geheel omvatten.”

 

 

 

De gave om te kunnen zien is bij de geesten een eigenschap die aan hun natuur eigen is, en die in haar gehele wezen zetelt, zoals het licht in alle de delen van een lichtgevend lichaam aanwezig is; het is een soort van universele helderheid, die zich tot alles uitstrekt en tegelijk de ruimte, de tijd, en de dingen omvat, en waarvoor er geen duisternis noch stoffelijks hinderpalen bestaan. Men begrijpt dat dit zo wezen moet; het gezicht bij de mens door de werking van een orgaan dat door het licht getroffen wordt veroorzaakt wordende, bevindt deze zich zonder licht, in het duister; bij de geesten is het zien een eigenschap aan hun wezen eigen, afgescheiden van elke invloed van buiten, en is dus het zien geheel onafhankelijk van het licht. (zie alomtegenwoordigheid nr. 92 )

 

 

 

248. Ziet de geest de voorwerpen even duidelijk als wij?

“Duidelijker, want zijn gezicht dringt door, daar, waar het uwe niet doordringen kan, het wordt door niets verduisterd.”

 

249. Wordt de geest geluiden gewaar?

“Ja, hij wordt er gewaar, die door uw stompe zintuigen niet opgemerkt kunnen worden.”

- Zetelt het vermogen om te kunnen horen, in zijn gehele wezen evenals dat van het zien?

“Alle gewaarwordingen zijn eigenschappen aan de geest eigen en maken een deel van zijn wezen uit; wanneer hij door een stoffelijk lichaam omkleed is, kunnen deze gewaarwordingen slechts door middel van de organen tot hem komen; doch in de staat van vrijheid geschiedt dit niet meer door bijzondere organen.”

 

250. De gewaarwordingen aan de geest eigen zijnde, kan deze er zich dan aan onttrekken?

“De geest ziet en hoort slechts wat hij wil. Dit is zo in het algemeen, vooral bij verheven geesten, want degene die onvolmaakt zijn, horen en zien dikwijls tegen hun wil datgene, wat tot hun verbetering strekken kan.”

 

251. Zijn de geesten gevoelig voor muziek?

“Spreekt gij van uw muziek? Wat is die vergeleken bij de hemelse, bij die harmonie, waarvan niets op aarde u een denkbeeld geven kan? De ene bij de andere vergeleken, is als de zang van de wilde vergeleken met de liefelijkste melodie. Alledaagse geesten kunnen er evenwel een zeker genoegen in vinden om naar uwe muziek te luisteren, omdat het hun nog niet gegeven is een meer verhevene te begrijpen. De muziek heeft voor de geesten oneindige bekoorlijkheden, doordien hun gevoel zeer ontwikkeld is; ik bedoel de hemelse muziek, die alles is, wat de geest zich als het schoonste en liefelijkste voorstellen kan.”

 

252. Zijn de geesten gevoelig voor de schoonheden van de natuur? De schoonheden van de natuur zijn op de werelden zo verschillend, dat het er nog ver vanaf is, dat men die alle zou kennen. Ja, zij zijn er naar gelang van hun geschiktheid om die te kunnen waarderen en begrijpen gevoelig voor; voor de verheven geesten bestaan er schoonheden van het geheel, waardoor als 't ware alle schoonheid van de bijzondere delen uitgewist wordt.”

 

253. Voelen de geesten onze stoffelijke behoeften en smarten?

Zij kennen die, omdat zij die ondervonden hebben, maar zij voelen die niet lichamelijk zoals gij; het zijn geesten.”

 

254. Voelen de geesten vermoeidheid en behoefte aan rust?

Zij kunnen geen vermoeidheid in de zin zoals gij dit bedoelt, voelen, en hebben daarom ook uw lichamelijke rust niet nodig, daar zij geen organen bezitten van wie de krachten moeten hersteld worden; maar de geest rust in die zin uit, dat hij niet aanhoudend bedrijvig is, hij handelt niet op een materiële wijze; zijn werkzaamheid is geheel intellectueel en zijn rust geheel zedelijk; dat wil zeggen dat er ogenblikken zijn, waarin zijn gedachte ophoudt zo werkzaam en op een bepaald onderwerp gericht te zijn, het is een werkelijke rust, maar die niet met de rust van het lichaam te vergelijken is. De vermoeidheid, die door de geesten gevoeld kan worden, staat in verhouding tot hun minderheid, want hoe verhevener zij zijn, des te minder hebben zij rust nodig.”

 

255. Wanneer een geest zegt dat hij lijdt, welke is dan de aard van dat lijden?

“Zedelijke angst, waardoor hij meer dan door lichamelijke pijnen gefolterd wordt.”

 

256. Hoe komt het dan, dat er geesten zijn, die zich beklagen door kou of hitte te lijden?

“Herinnering aan hetgeen zij in hun leven geleden hebben, welke herinnering dikwijls evenzo pijnlijk als de wezenlijkheid is; het is dikwerf een vergelijking, die zij gebruiken, om bij gebrek van een betere uitdrukking, hun toestand te beschrijven. Wanneer zij zich hun lichaam herinneren, voelen zij een soort van indruk, gelijk aan die wanneer men een mantel aflegt, en men zich daarna nog enige tijd verbeeldt, die aan te hebben.”

 

 

Proef van een theorie over de gewaarwordingen bij de Geesten.

 

 

257. Het lichaam is het werktuig van de smart; het is daarvan zo niet de eerste, dan toch de naast oorzaak. De ziel wordt die smart gewaar, die gewaarwording is: het uitwerksel. De herinnering die de ziel van die smart heeft, kan zeer pijnlijk zijn, maar kan geen fysieke uitwerking hebben. En inderdaad, kunnen kou of hitte de weefsels van de ziel net verwoesten; de ziel kan niet bevriezen noch verbranden. Zien wij niet dagelijks dat de gedachte aan of de angst voor een fysiek leed, hetzelfde uitwerksel als de werkelijkheid, zelfs de dood ten gevolge heeft? Iedereen weet dat degene die een amputatie hebben ondergaan, pijnen in het lichaamsdeel dat niet meer bestaat, voelen. Zeker is het, dat niet het lid dat zij verloren hebben, de zetel, zelfs niet het aanvangspunt van de pijn is; de hersenen hebben er de indruk van behouden, dat is alles. Men mag dus aannemen dat er iets van die aard bij het lijden van de geest na de dood plaats vindt. Een meer grondige studie van het perispirit dat zo’n belangrijke rol bij alle spiritistische verschijnselen vervult, van de nevelachtige en tastbare verschijningen, van de staat van de ziel op het ogenblik van de dood, van het zo menigvuldig voorkomend denkbeeld bij de geest, dat hij nog in het leven is, van de zo treffende taferelen van zelfmoordenaars, van ter dood gebrachte, van mensen die zich geheel aan zinnelijk genot overgegeven hadden, en van zo vele andere feiten, hebben over dit onderwerp veel licht verspreidt, en de gelegenheid gegeven om veel op te helderen, van welke ophelderingen wij hier een beknopt overzicht zullen geven.

Het perispirit is de band die de geest met de stof van het lichaam verbindt, het wordt uit de midden stof waarin hij zich bevindt, het algemene fluïdum, geput; het heeft iets van de aard van de elektriciteit, van de magnetische vloeistof en in zeker opzicht ook van de werkloze stof. Men zou kunnen zeggen dat het de kwintessens van de stof is; het is het beginsel van het organische, maar niet dat van het intellectuele leven; het intellectuele leven zetelt in de geest. Bovendien is het perispirit de oorzaak van de uiterlijke gewaarwordingen. Bij het lichaam zijn deze gewaarwordingen in de organen die hem tot geleiders dienen, gelokaliseerd. Eens het lichaam vernietigd zijnde, worden de gewaarwordingen algemeen. Daarom zegt de geest niet, meer door het hoofd dan door de voeten te lijden. Men moet er zich evenwel voor wachten om de gewaarwordingen van het onafhankelijk geworden perispirit met die van het lichaam te verwarren; wij kunnen de laatste slechts bij wijze van vergelijking en niet als geheel aan de eerste gelijk, aanhalen. Van het lichaam verlost, kan de geest lijden, maar dat lijden is niet dat van het lichaam, het is evenwel geen uitsluitend zedelijk lijden, zoals gewetens­wroeging, daar hij over kou en hitte klaagt; zijn lijden is niet heviger in de winter dan in de zomer; wij hebben er zonder dat zij iets pijnlijks ondervonden door vlammen zien gaan; de hevigheid van de warmte maakt dus op hem geen indruk. De pijn, die zij voelen, is dus geen eigenlijk gezegd fysiek lijden, het is een onbepaald innerlijk gevoel, waarvan zelfs de geest, juist omdat de pijn niet gelokaliseerd is en niet door uitwendige oorzaken voortgebracht wordt, zichzelf niet altijd rekenschap kan geven; het is meer een herinnering dan een werkelijkheid, maar die daarom toch even pijnlijk is. Soms bestaat er toch nog iets meer dan een herinnering, zoals wij straks zien zullen.

Door waarneming hebben wij geleerd, dat het perispirit zich op het ogenblik van het sterven, dan eens sneller, dan eens langzamer, van het lichaam losmaakt, gedurende de eerste ogenblikken, kan de geest zich geen denkbeeld van zijn toestand maken; hij gelooft niet, dood te zijn; hij voelt zichzelf leven; hij ziet zijn lichaam liggen, hij weet dat het 't zijne is, hij begrijpt niet hoe het komt dat hij daarvan gescheiden is; deze toestand duurt zolang als er nog een band tussen het lichaam en het perispirit bestaat. Een zelfmoordenaar zei ons: nee, ik ben niet dood, en voegde daarbij: en toch voel ik dat de wormen aan mij knagen. En de wormen knaagden toch zeker niet aan het perispirit; en nog veel minder aan de geest; zij knaagden slechts aan het lichaam; maar aangezien de scheiding tussen lichaam en perispirit nog niet volkomen was, veroorzaakte dit een zedelijke repercussie, waardoor hem de gewaarwording van hetgeen met het lichaam plaats vond, werd overgebracht. Repercussie is wellicht niet het geschiktste woord, want het kan een te materieel uitwerking doen veronderstellen; het is meer het gezicht van hetgeen in zijn lichaam, waarmede hij nog door zijn perispirit verbonden was, omging, dat bij hem een begoocheling, die hij voor de werkelijkheid aanzag, deed ontstaan. Het was dus geen herinnering, want gedurende zijn leven hadden de wormen niet aan zijn lichaam geknaagd; het was de gewaarwording van de tegenwoordige toestand. Hieruit ziet men welke gevolgtrekking men uit feiten kan trekken, wanneer men die met aandacht gadeslaat. Gedurende het leven ontvangt het lichaam de indrukken van buiten en brengt die tot de ziel over door middel van het perispirit, die waarschijnlijk datgene is, dat wij zenuw­vloeistof noemen. Het lichaam dood zijnde, voelt niets meer, omdat het geen geest noch perispirit meer bezit. Het perispirit, vrij geworden van het lichaam ontvangt de indrukken, maar daar zij deze niet langs een bepaald kanaal ontvangt, voelt zij die indrukken overal; en aangezien het perispirit in werkelijkheid niet anders dan een overbrenger van die indrukken is, daar de geest alleen, bewustzijn heeft, vloeit er uit voort, dat indien er een perispirit zonder geest kon bestaan, dit evenmin als het dode lichaam iets voelen zoude; zo zou ook de geest bij gemis aan perispirit, door geen pijnlijke gewaarwordingen getroffen kunnen worden. Nu weten wij, dat hoe meer de geesten zich louteren, ook het wezen van het perispirit meer etherisch wordt, waaruit voortvloeit dat de invloed van de stof in dezelfde mate afneemt, als de geest vooruit gaat, dat wil zeggen, naarmate het perispirit zelf minder grof wordt.

Maar, zal men zeggen, zowel de aangename als de onaangename gewaarwordingen worden aan de geest door middel van het perispirit overgebracht; en indien de geest voor de een ongenaakbaar is; moet dit ook zo voor de andere zijn. Ja, ongetwijfeld, voor zover het de gewaarwordingen betreft die een gevolg zijn van de stof die wij kennen; het geluid van muziekinstrumenten, de geur van bloemen oefenen geen de minste invloed op hem uit, en toch heeft hij innige gewaarwordingen van een onbeschrijfelijke bekoorlijkheid, waarvan wij ons niet het geringste denkbeeld kunnen vormen, omdat wij in dezen zijn als de blindgeborene ten opzichte van het licht, wij weten dat het bestaat maar door wat? Hier houdt voor ons het weten op. Wij weten dat er gewaarwording, gevoel, gehoor, gezicht, bestaat; wij weten dat deze vermogens aan het gehele wezen, en niet zoals bij de mensen, aan een of ander deel van het wezen eigen is; maar wij herhalen, waar door? Dat weten wij niet. De geesten zelf, kunnen ons daar geen rekenschap van geven, omdat onze taal niet geschikt is om denkbeelden, die wij niet bezitten, te kunnen uitdrukken, evenmin als de taal van de wilden woorden heeft, om onze kunsten, wetenschappen en wijsgerige stellingen uit te drukken.

Wanneer wij zeggen dat de geesten voor de indrukken van onze stof niet vatbaar zijn, spreken wij van zeer verheven geesten, wiens etherisch omhulsel met niets hier op aarde kan vergeleken worden, dit is niet het geval met hen wiens perispirit meer vast of dicht is, dezulken worden onze klanken, onze geuren gewaar; maar niet meer zoals bij hun leven door middel van een beperkt gedeelte van hun individu. Men zou zeggen dat de moleculaire trillingen zich in hun gehele wezen doen voelen, om op die wijze tot hun sensorium commune (De algemene gevoelszetel of dat punt in de hersenen, waar de door alle zinnen opgewekte gewaarwordingen samenlopen) te raken, welke hier de geest zelf is, (hoewel op een andere wijze, en wellicht ook onder een anderen indruk, waardoor een wijziging in de gewaarwording teweeggebracht wordt.) Zij horen het geluid van onze stem, en toch verstaan zij ons ook alleen door de overbrenging van de gedachte, zonder dat wij spreken, en ons beweren wordt gesteund door de daadzaak dat die scherpzinnigheid des te sterker is, naarmate de geest meer gedematerialiseerd is. Wat het zien aangaat, is dit bij de geesten geheel van het licht onafhankelijk. Het vermogen om te zien is een essentieel attribuut, van de ziel; voor haar bestaat er geen duisternis; maar het gezicht is bij hen die het meest gelouterd zijn, uitgebreider en doordringender. De ziel of geest bezit dus in zichzelf het vermogen tot alle gewaarwordingen; gedurende het lichamelijk leven is de grofheid van onze organen een belemmering; bij het leven buiten het lichaam wordt die belemmering naarmate het halfstoffelijk omhulsel zich verfijnt, hoe langer hoe minder.

Dit omhulsel, dat uit de middenstof die ons omgeeft, geput wordt, verandert naar de aard van de werelden. Van de ene wereld op de andere overgaande, verwisselen de geesten dit omhulsel, zoals wij van klederen veranderen wanneer wij van de winter in de zomer overgaan, of ons van de poolstreken naar de linie begeven. Wanneer de hoogverheven geesten ons komen bezoeken, bekleden zij zich met een aards perispirit en van dat ogenblik af aan, nemen zij op dezelfde wijze waar als onze alledaagse geesten; maar allen, zowel mindere als verheven geesten horen of voelen alleen datgene wat zij horen of voelen willen. Zonder gevoelsorganen te bezitten, kunnen zij naar welgevallen hun waarnemingsvermogen werkend of werkeloos maken; er bestaat slechts een ding dat zij gedwongen zijn te horen, en dat is de raadgevingen van de goede geesten. Hun gezicht is altijd werkzaam maar zij kunnen zich voor elkaar onzichtbaar maken. Naar gelang van de rang, op welke zij staan, kunnen zij zich voor hun minderen, maar niet voor hun meerderen verbergen. In de eerste ogenblikken die op de dood volgen, is het gezicht van de geest altijd beneveld en verward; naarmate hij zich van het lichaam bevrijdt, wordt het allengs helderder, en kan dezelfde helderheid als tijdens het leven bereiken, ongerekend dat het door lichamen dringt, die voor ons ondoorschijnend zijn. De afstand tot welke de geest met het gezicht in de oneindige ruimte doordringt, hangt van zijn graad van reinheid en verhevenheid af.

Deze gehele theorie, zal men zeggen, is weinig opbeurend. Wij dachten dat als wij eens van ons grove omhulsel, het werktuig van onze smarten verlost waren, wij niet meer te lijden zouden hebben, en nu komt gij ons leren dat wij dan nog zullen lijden; op welke wijze dit nu ook zijn moge, blijft het toch lijden. Helaas ja, wij kunnen, en zelfs nog veel en lang lijden, maar wij kunnen ook, zelfs onmiddellijk nadat wij het lichamelijk leven hebben afgelegd, niet meer behoeven te lijden.

Het lijden hier op aarde is dikwijls geheel van onszelf onafhankelijk, maar ook vele smarten zijn het gevolg van onze wil. Indien men tot de bron opklom zoude men ontwaren dat een groot deel van ons lijden het gevolg is van oorzaken die wij hadden kunnen voorkomen. Hoe vele kwalen en gebreken haalt de mens zich niet door onmatigheid, eerzucht, kortom door de bevrediging van alle zijn lusten op de hals? De mens die altijd matig wilde leven, van niets misbruik maakte, die altijd eenvoudig in zijn behoeften, bescheiden in zijn wensen was, zou zich heel wat verdrietelijkheden besparen. Zo is het ook met de geest; de verdrietelijkheden die hij ondergaat, zijn altijd een gevolg van de wijze waarop hij op aarde geleefd heeft; het spreekt vanzelf dat hij niet meer aan jicht of reumatiek zal lijden, maar hij zal een ander lijden dat daarom niet minder hevig zal zijn, ondergaan. Wij zagen dat het lijden een gevolg is van de banden, die er nog tussen de geest en de stof bestaan; dat hoe minder de geest onder de invloed van de stof is, met andere woorden, dat hoe meer hij gedematerialiseerd is, hoe minder hij onaangename gewaarwordingen zal te verduren hebben; en het hangt geheel van hemzelf af zich reeds in dit leven van die invloed te bevrijden; hij heeft zijn vrije wil, en dus de keuze tussen doen en niet doen; laat hij zijn dierlijke neigingen beteugelen, laat hij geen haat noch nijd of ijverzucht, geen hoogmoed koesteren; laat hij zich niet door egoïsme doen beheersen; laat hij zijn ziel door het aankweken van goede gedachten reinigen; laat hij goed doen; niet aan de dingen van deze wereld meer waarde hechten dan zij verdienen, dan zal hij, zelfs onder het lichamelijke hulsel, reeds gelouterd, reeds van de stof vrij zijn, en als hij dat af zal leggen, zal hij er de invloed niet meer van ondervinden; het lichamelijke lijden, dat hij ondergaan heeft, zal bij hem geen onaangename herinnering opwekken; er zal hem geen enkele pijnlijke indruk van overblijven, omdat die alleen het lichaam en niet de geest getroffen hebben; hij zal zich gelukkig voelen ervan bevrijd te zijn, en door de kalmte van zijn gerust geweten, zal hij tegen elk zedelijk lijden gevrijwaard worden. Wij hebben er duizenden, die tot alle rangen en standen van de maatschappij behoord hebben, ondervraagd; wij hebben hen in alle tijdperken van het geestenleven vanaf het ogenblik, dat zij hun lichaam verlieten, nagegaan; wij hebben ze voet voor voet in dat leven aan gene zijde van het graf gevolgd, om de veranderingen, die zich bij hen in hun denkbeelden en gewaarwordingen ontwikkelden, gade te slaan, en het waren niet de alledaagse mensen, die ons de minst belangrijke voorwerpen voor onze studie verschaft hebben; en wij hebben altijd opgemerkt dat het lijden in verband staat met het gedrag waarvan zij de gevolgen dragen, en dat dit nieuw be­staan de bron van een onuitsprekelijk geluk is voor hen, die de goede weg gevolgd hebben; waaruit volgt dat zij, die lijden, dit ondergaan, omdat zij het gewild hebben, en zij dit dus zowel in de andere als in deze wereld, aan niemand dan aan zichzelf te wijten hebben.

 

 

Keuze van de beproevingen.

 

 

258. Bezit de geest in de staat van omdoling en voordat hij een nieuw lichamelijk leven aanvaard, het bewustzijn van hetgeen hem in dat leven te wachten staat?

“Hij kiest zelf de soort van beproeving, die hij ondergaan wil, en hierin bestaat zijn vrije wil.”

- Dus is het niet God, die hem de wederwaardigheden van het leven als straf oplegt?

“Niets geschiedt zonder Gods toestemming, want Hij is het, die alle wetten welke het heelal beheersen, heeft vastgesteld. Gij zou even goed kunnen vragen, waarom Hij liever de ene dan de andere wet vastgesteld heeft. Door de geest in zijn keuze vrij te laten, laat hij deze de gehele verantwoordelijkheid van zijn handelingen en van de gevolgen van die handelingen dragen, niet een hinderpaal wordt aan zijn toekomst in de weg gelegd; de weg ten goede staat hem evenals die tot het kwaad open; maar als hij bezwijkt, behoudt hij nog een troost, en die is: dat alles niet voor hem een einde genomen heeft, en dat God in zijn goedertierenheid hem vrijheid geeft, datgene wat hij verkeerd gedaan heeft, weder over te doen. Bovendien moet men wel weten te onderscheiden, wat het het werk van Gods wil, en wat het werk van 's mensen wil is. Indien gij door een gevaar bedreigd wordt, dan zijt niet gij het, die het gevaar hebt doen ontstaan, maar God; doch gij hebt de wil om er u aan bloot te stellen, omdat gij er een middel in ziet, om voorwaarts te streven, en God dit toestaat.”

 

259. Indien aan de geest de keuze overgelaten wordt, om de aard van de beproeving die hij ondergaan moet, te bepalen, vloeit daar dan niet uit voort, dat alle de wederwaardigheden, die zij in het leven ondervinden, door ons voorzien en uitgekozen zijn?

“Allen, is het woord niet, want het wil niet zeggen, dat gij al wat u voorkomt, tot in de geringste bijzonderheden gekozen en voorzien hebt, gij hebt alleen de aard van uw beproeving uitgekozen, de bijzonderheden zijn een gevolg van de toestand, waarin gij geplaatst zijt, en dikwijls ook in uw eigen daden. De geest weet dat door deze of gene weg te kiezen, hij deze of gene soort van strijd zal moeten ondergaan; hij kent dus de aard van de wederwaardigheden, die hem treffen zullen, doch hij weet niet of het door deze dan wel door een andere gebeurtenis zijn zal. De bijzonderheden van de feiten worden door de omstandigheden en de kracht van de dingen voortgebracht. Alleen de grote gebeurtenissen die invloed op zijn lot kunnen hebben zijn voorzien. Als gij een weg vol kuilen opgaat, dan weet gij dat gij voorbehoedend maatregelen nemen moet, omdat er kans voor u bestaat om te vallen, maar gij weet niet juist op welke plek gij vallen zult, en het behoort tot de mogelijkheden dat gij, als gij voorzichtig genoeg zijt, niet vallen zult. Indien er u op straat een dakpan op het hoofd valt, geloof dan niet dat het zoals men dit gewoonlijk zegt, geschreven stond.”

 

260. Hoe kan een geest wensen te midden van slechte mensen geboren te worden?

“Men is wel verplicht hem te midden van een omgeving te zenden, in welke hij de door hem gevraagde beproeving kan ondergaan. Wel nu! Er moet dus analogie bestaan; om de neiging tot roven te kunnen bestrijden, moet hij zich onder mensen van dat slag bevinden.”

- Indien er dus geen slechte mensen op aarde waren dan zou de geest geen omgeving kunnen vinden, om sommige beproevingen te kunnen ondergaan?

“Zou men zich daarover moeten beklagen? Zo is het in de verheven werelden waar het kwaad geen toegang vindt, daarom zijn daar niets dan goede geesten. Doe uw best dat het spoedig op aarde ook zo worde.”

 

261. Moet de geest onder de beproevingen die hij moet ondergaan om tot volmaaktheid te raken, alle mogelijke verleidingen ondervinden; moet hij alle die toestanden, die hoogmoed, ijverzucht, gierigheid zinnelijkheid enz. bij hem kunnen opwekken, doorlopen?

“Zeer zeker niet, want gij weet immers dat er geesten zijn, die van de aanvang af aan, een weg betreden die hen voor vele beproevingen vrijwaart maar degene, die zich op de slechte weg laat meeslepen, moet alle gevaren, die die weg oplevert, doorstaan. Een geest kan bijvoorbeeld rijkdom vragen, en die kan hem geschonken worden, dan zal hij naar gelang van zijn karakter, gierig of verkwistend, baat­zuchtig of milddadig kunnen worden, of wel zich aan alle denkbare zinnelijke genietingen kunnen overgeven; maar dat wil niet zeggen, dat hij daarom tegen wil en dank de proef van de verleiding van alle die neigingen zal moeten doorstaan.”

 

262. Hoe kan de geest, die bij zijn oorsprong, eenvoudig, onwetend en zonder ondervinding is, met kennis van zaken een leven kiezen en voor die keuze verantwoordelijk zijn?

“God komt zijn onervarenheid te hulp, door hem de weg, die hij moet volgen aan te wijzen, zoals gij met het kind vanaf zijn geboorte doet; maar allengs laat hij hem, naar mate zijn vrije wil zich ontwikkeld, meester, om zelf een keuze te doen, en als hij dan niet naar de raadgevingen van de goede geesten luistert, gebeurt het dikwijls dat hij van de rechte weg afdwaalt en de slechte opgaat; dit is wat men ‘s mensen val noemen kan.”

- Wanneer een geest in het bezit van zijn vrije wil is; hangt dan de keuze van zijn lichamelijk leven altijd uitsluitend van zijn wil af, of kan dat leven hem door de wil van God als boetedoening worden opgelegde?

“God weet te wachten: hij spoort niet tot boetedoening aan; evenwel kan God een bestaan aan een geest opleggen, als deze, door de lage trap, waarop hij staat of door onwil, niet instaat is te begrijpen wat voor hem het heilzaamste zijn zal, en als God ziet, dat zodanig leven kan strekken om hem te reinigen en te doen vooruitgaan, en het daarbij een boetedoening voor hem zijn kan.”

 

263. Doet de geest onmiddellijk na zijn dood een keuze?

“Nee, vele geloven aan de eeuwigheid van de straf; men heeft u dit reeds gezegd: dit is op zichzelf een straf.”

 

264. Door wat wordt de geest, bij het doen van een keuze van de beproevingen die hij ondergaan wil, geleid?

“Hij kiest zodanige beproevingen; die door de aard van zijn gebreken voor hem een boetedoening kunnen zijn en hem spoediger vorderingen kunnen doen maken. Sommigen kunnen zich dus een leven van gebrek en ontberingen opleggen om te trachten dit met moed te dragen; anderen willen de beproeving van de verleiding ondergaan welke fortuin en macht aanbieden, die door het misbruik en het verkeerd gebruik, dat men er van maken kan en door de vuige driften, die zij doen ontstaan nog gevaarlijker is; eindelijk zijn er nog anderen, die zich zelf in de strijd die zij door de aanraking met de ondeugd te doorstaan hebben willen beproeven.”

 

265. Daar er geesten zijn, die de aanraking met de ondeugd als beproeving kiezen, zijn er dan ook anderen, die zo’n keuze doen uit sympathie en gedreven door de zucht om in een omgeving, die met hun neigingen overeenkomt te leven, of om op stoffelijke wijze aan de bevrediging van hun materiele neigingen te voldoen?

“Er zijn er, dat is zeker, maar men treft die alleen onder hen aan, wier zedelijke zin nog weinig ontwikkeld is; de beproeving komt vanzelf en zij moeten die gedurende langere tijd ondergaan. Vroeg of laat beginnen zij toch te begrijpen dat de voldoening van hun neigingen voor hen betreurenswaardige gevolgen na zich sleept, die zij gedurende een tijd, die hen als de eeuwigheid zal toeschijnen, zullen moeten dragen; en God zal hen, totdat zij hun fout begrepen zullen hebben, en totdat zij die zelf door voor hen heilzame beproevingen geboet zullen hebben, in die toestand kunnen doen verblijven.”

 

266. Schijnt het niet natuurlijker, de minst moeilijke beproevingen te kiezen?

“Voor u, ja; voor de geest, nee; als deze van de stof verlost is, houdt alle illusie op, en hij denkt er dan anders over.”

 

Op aarde ondergaat de mens de invloed van vleselijke gedachten, en ziet dus van die beproevingen slecht de moeilijke zijde, daarom komt het hem natuurlijk voor, zodanige beproevingen te kiezen, die volgens zijn zienswijze met stoffelijke genietingen gepaard kunnen gaan, maar in het geestenleven, vergelijkt hij die voorbijgaande en grove genietingen met de onverderfelijke gelukzaligheid, die hij in het verschiet ziet, en wat kunnen hem dan enige voorbijgaande smarten deren? Het is dus mogelijk dat de geest de zwaarste beproeving, en dientengevolge het moeilijkste bestaan kiest, in de hoop daardoor spoediger in een betere toestand te raken, zoals een zieke dikwijls het onaangenaamste geneesmiddel kiest, om des te spoediger te genezen. Hij, die verlangt dat zijn naam aan de ontdekking van een onbekende land verbonden wordt, kiest niet een met bloemen versierde loopbaan, hij kent de gevaren die hij onder de ogen zal moeten zien, maar hij weet ook dat als hij slaagt, roem zijn deel zal zijn.

De leer van de vrijheid in de keuze van het leven en van de beproevingen die wij ondergaan moeten, houdt op vreemd te zijn, als men bedenkt dat de van de stof bevrijde geesten op een geheel andere wijze de dingen beschouwen dan wij. Zij zien het einddoel, en dat doel heeft voor hen een veel grotere waarde dan de voorbijgaande genietingen van de aarde; na ieder leven zien zij hoeveel zij vooruit gegaan zijn, en begrijpen wat hen nog aan reinheid ontbreekt om het doel te kunnen bereiken, daarom onderwerpen zij zich vrijwillig aan alle wederwaardigheden van het lichamelijk leven, zelfs de zodanige vragende, die hun in staat kunnen stellen vroeger het eind­doel te bereiken. Het is dus ten onrechte dat men zich verwondert als de geesten niet aan het gemakkelijkste leven de voorkeur geven. Dat leven dat van verdriet vrij is, ziet hij in 't verschiet, hij kan het in de onvolmaakte staat waarin hij nu is, niet genieten, daarom tracht hij zich te beteren, teneinde het deelachtig te kunnen worden.

Ontmoeten wij trouwens in het dagelijks leven niet menig voorbeeld van zo’n keuze? De man, die een gedeelte van zijn leven met gestadig arbeiden doorhangt, teneinde daardoor welvaart te verkrijgen, wat doet hij anders dan zichzelf een taak met het oog op een betere toekomst, opleggen? De krijgsman, die zichzelf voor een gevaarlijke expeditie aanbiedt, de reiziger, die in het belang van de wetenschap of om fortuin te maken al de gevaren trotseert, wat zijn dat anders dan vrijwillige beproevingen, die hen, als zij er van terugkomen, eer en voordeel moeten aanbrengen? Waaraan onderwerpt zich de mens al niet, en waaraan stelt hij zich niet bloot om zijn belangen te bevorderen of om roem te oogsten? Is niet iedere wedstrijd een beproeving, die degene, die er deel aan nemen, zichzelf vrijwillig opleggen, met het doel om in de loopbaan die zij zich uitgekozen hebben, vooruit te komen? Men bereikt geen verheven maatschappelijk standpunt, hetzij in wetenschappen, kunsten of industrie, dan na de proef van de mindere rangen, die men evenals zo vele beproevingen kan beschouwen, te hebben doorgestaan. Het menselijke leven is alzo de kopie van het geesten­leven; wij vinden er in het klein dezelfde toestanden in terug. Indien wij dus dikwijls gedurende ons leven, de moeilijkste beproevingen kiezen om een hoger standpunt te kunnen bereiken, waarom zou dan de geest, die veel verder ziet dan het lichaam, en voor wie het leven van dat lichaam slechts een voorbijgaande gebeurtenis is; geen moeilijk en werkzaam leven kiezen, indien hen dit de eeuwige gelukzaligheid moet doen bereiken? Zij, die zeggen, dat indien aan de mens de keuze van zijn bestaan overgelaten werd, hij vorst of miljonair zou willen worden, zijn als de bijzienden, die alleen dat gene wat zij aanraken zien, of als die snoeplustige kinderen, die op de vraag, wat wilt gij worden, antwoorden: banketbakker of confituurmaker.

Evenzo is het met de reiziger, die beneden in de door nevelen verduisterde vallei, noch de lengte, noch het uiterste punt van zijn weg ziet; boven op de berg gekomen zijnde, overziet hij de gehele afgelegde weg, en wat hem nog van die weg af te leggen blijft, hij ziet de plaats van zijn bestemming en de beletselen die hij nog te overwinnen heeft, en kan dan op een meer zekere wijze de nodig middelen beramen, om die te bereiken. De geïncarneerde geest is gelijk aan de reiziger aan de voet van de berg; van de aardse handen bevrijd, overziet hij alles, zoals degene die op de top van de berg staat. Het doel van de reiziger is: rust na vermoeienis; voor de geest is dit doel: de hoogste gelukzaligheid na wederwaardigheden en beproevingen.

Alle geesten zeggen, dat zij in hun staat van omdoling, zoeken, leren, opmerken, teneinde een keuze te kunnen doen. Vinden wij ook niet daarvan het voorbeeld in het lichamelijk leven? Zoeken ook wij niet dikwijls gedurende vele jaren naar het beroep, waarop wij uit vrije beweging onze keus vestigen, omdat wij vermenen dat dat ons het beste door de wereld zal helpen? Indien het een mislukt, zoeken wij iets anders. Ieder beroep dat wij bij de hand nemen, is een afwisseling in onze toestand, een tijdvak in ons leven. Bedenken wij heden niet wat wij morgen doen zullen? En wat zijn de verschillende lichamelijke levens voor de geest, zo niet, afwisselingen, tijdperken, dagen voor zijn geestenleven, dat zoals wij weten, zijn normale leven is, terwijl het lichamelijke slechts een zeer kortstondig en een leven van overgang is?

 

 

267. Zou de geest die keus gedurende zijn lichamelijk leven kunnen doen?

“Zijn wensen kunnen daarop van invloed zijn; dit is afhankelijk van hetgeen hij er mede beoogt; maar wanneer hij geest geworden is, ziet hij dikwijls alles geheel anders in. Het is de geest alleen, die deze keuze doet; maar wij herhalen het, hij kan dit gedurende het stoffelijk leven doen, want er zijn altijd ogenblikken, waarin de geest onafhankelijk is van de stof die hij bewoont.”

- Vele mensen wensen naar grootheid en rijkdommen, en dit is zeker niet als boetedoening, noch als beproeving?

“Ongetwijfeld niet, het is het stoffelijke, dat die grootheid verlangt om er door te genieten, en het is de geest, die het wenst, om er het onzekere van te leren kennen.”

 

268. Heeft de geest totdat hij de volmaaktste reinheid zal bereikt hebben, steeds beproevingen te ondergaan?

“Ja, maar niet van die aard als gij u die voorstelt; gij noemt stoffelijke wederwaardigheden, beproevingen, en de geest een zekere hoogte bereikt hebbende, al moge hij niet volmaakt zijn, heeft er geen meer te ondergaan, maar heeft altijd plichten te vervullen die tot zijn eigen volmaking dienen, en die voor hem niet moeilijk zijn; bestond het ook alleen in anderen in hun volmaking behulpzaam te zijn.”

 

269. Kan de geest zich omtrent de doelmatigheid van de beproeving, die hij uitgekozen heeft, vergissen?

“Hij kan er een gekozen hebben, die zijn krachten te boven gaat; hij kan er ook een, waarvan hij geen nut kan trekken, met een onnut en werkeloos leven gelijkstaande, gekozen hebben; maar eens weder in de geestenwereld teruggekeerd, ziet hij in, niets gewonnen te hebben, en vraagt om de verloren tijd te mogen inhalen.”

 

270. Waaraan moet men de roeping toeschrijven die sommige mensen voelen, en hun wens om liever het een dan het andere vak te kiezen?

“Mij dunkt dat gij die vraag zelf kunt beantwoorden. Is het niet een gevolg van al hetgeen, wat wij u over de keuze van de beproevingen en over de vooruitgang in een vorig leven gezegd hebben?”

 

271. Daar de geest gedurende zijn omdoling de verschillende toestanden, in welke hij vorderingen zou kunnen maken, nagaat, hoe kan hij dan denken, dat hij bijvoorbeeld door onder kannibalen geboren te worden, die vorderingen zal kunnen maken?

“Het zijn geen gevorderde geesten, die onder de kannibalen geboren worden, maar wel geesten van dezelfde natuur als de kannibalen of die op een nog lagere trap dan deze staan.”

 

 

Wij weten dat onze menseneters nog niet op de allerlaagste trap staan, en dat er werelden zijn, waarop de verdierlijking en wreedheid met niets op aarde kan vergeleken worden Deze geesten zijn dus nog ver beneden de laagste hier op aarde, en onder onze wilden geboren te worden zou voor hen een vooruitgang zijn, zoals het voor een menseneter een vooruitgang zou zijn, geroepen te worden, om bij ons een beroep dat hun verplicht bloed te vergieten, uit te oefenen. Dat zij niets hoger beogen, komt doordien zij door hun zedelijke minderheid geen meer volledige vooruitgang kunnen begrijpen. De geest kan niet dan trapsgewijze vooruitgaan; hij kan de afstand, die ertussen barbaarsheid en beschaving ligt, niet opeens overspringen, en dit toont ons de noodzakelijkheid van de reïncarnatie aan, die wel wezenlijk met Gods rechtvaardigheid overeen te brengen is; wat zou er anders van die miljoenen wezens worden, die dagelijks in een staat van diep verval sterven, indien hun de middelen om de volmaaktheid te bereiken niet gegund werden? Waarom zou God hen de gunst die Hij aan anderen schenkt, ontbonden?

 

 

272. Zouden geesten van een mindere wereld dan de aarde afkomstig, of geesten van een zeer achterlijk volk, zoals bijvoorbeeld van kannibalen, onder onze beschaafde volken kunnen geboren worden?

“Ja, er zijn er die door opeens te hoog te willen opklimmen een verkeerde weg inslaan; maar dan zijn zij onder ons ten enenmale misplaatst, omdat zij zeden en natuurdriften hebben, die bij de onze niet passen.”

 

 

 Deze wezens geven ons het schouwspel van wreedheid te midden van de beschaving; door tot de kannibalen terug te keren, zal dit voor hen geen vermindering zijn, en zij daardoor wellicht nog iets vooruitgaan.

 

        

 

273. Zou een tot een beschaafd volk behorend mens, tot boetedoening, bij een ras van wilden kunnen gereïncarneerd worden?

“Ja, maar dit hangt af van de aard van de boetedoening; een meester, die hardvochtig jegens zijn slaven geweest is, zal zelf slaaf kunnen worden, en op zijn beurt iedere slechte behandeling, die hij anderen heeft doen ondergaan, moeten verduren. Hij, die op een tijdstip bevel gevoerd heeft, kan in een nieuw bestaan, aan hen, die vroeger onder zijn wil bukten, moeten gehoorzamen; indien hij van zijn macht misbruik gemaakt heeft, is dit een boetedoening, en deze kan hem door God opgelegd worden. Een goede geest kan ook om minderen vorderingen te doen maken, een bestaan, waarin hij invloed op dat volk kan uitoefenen, uitkiezen, en dan is het een zending.”

 

 

Betrekkingen aan gene zijde van het graf.

 

 

274. Vormen de verschillende orden van geesten onder elkaar een hiërarchie van macht; bestaat er onder hen ondergeschiktheid en gezag?

“Ja, zeer veel; de geesten voeren in verhouding van hun voortreffelijkheid gezag over elkaar, en dit gezag oefenen zij door een onweerstaanbaar zedelijk overwicht uit.”

- Kunnen de mindere geesten zich aan het gezag van hen, die boven hen verheven zijn onttrekken?

“Ik heb immers onweerstaanbaar gezegd.”

 

275. Verkrijgt de mensen door de macht en onderscheiding, die hij hier op aarde genoten heeft, enig overwicht in de geestenwereld?

“Nee, want de kleinen zullen daar verhoogd, en de groten vernederd worden. Lees de Psalmen.”

- Hoe moeten wij die verhoging en vernedering verstaan?

“Weet gij niet dat de geesten naar gelang van hun verdienste van verschillende rangen zijn? Wel nu! de grootste van de aarde kan tot de laagste rang onder de geesten behoren, terwijl zijn dienstknecht op de eerste rang zal staan. Begrijpt gij dit? Heeft Jezus niet gezegd: die zichzelf vernedert zal verhoogd worden, en die zichzelf verhoogd zal vernedert worden?”

 

276. Voelt degene, die op aarde groot was en nu onder geesten van een van de minderen is, zich daar soms vernedert?

 “Hij voelt zich dikwerf diep vernederd, vooral indien hij hoogmoedig en ijverzuchtig was.”

 

277. Erkent de krijgsman, die zijn bevelhebber na de veldslag in de geestenwereld terug vindt, deze nog als boven hem in rang verheven?

“De titel is niets, de wezenlijke voortreffelijkheid is alles.”

 

 278. Zijn de geesten van de onderscheiden orders onder een gemengd?

“Ja en nee; dat wil zeggen, zij zien elkaar, maar zij zijn van elkaar afgescheiden. Naar gelang van de gelijkvormigheid of tegenstrijdigheid van hun gevoelens, ontwijken of naderen zij elkaar, zoals dit ook het geval bij u is. Het is een gehele wereld, waarvan de uw een doffe afspiegeling is. De geesten van dezelfde rang verenigen zich door een soort van affiniteit met elkaar, en vormen groepen of gezinnen van geesten, die door sympathie en door het doel dat zij beogen, met elkaar verbonden zijn; de goeden aangetrokken door de zucht om goed te doen, de slechten door de zucht om kwaad te doen, en door de schaamte over hun gebreken, en de behoefte om met aan hen gelijke wezens tezamen te zijn.”

 

Zoals in een grote stad waar mensen van elke rang en stand elkaar zien en ontmoeten, zonder zich met elkaar te vermengen; waar de gezelschappen zich naar gelang van gelijkvormigheid in smaak vormen, waar ondeugd en deugd zich rakelings voorbijgaan zonder elkaar aan te spreken.

 

 

279. Hebben alle geesten wederkerig toegang tot elkaar?

“De goede geesten gaan overal, en zo moet het zijn, willen zij hun invloed op de slechten kunnen uitoefenen; maar de sferen, die door de goede bewoond worden, zijn aan de onvolmaakte geesten ontzegd, opdat dezen er de onrust die door slechte hartstochten ontstaat, niet op zouden kunnen overbrengen.”

 

280. Van welke aard is de betrekking, die er tussen de goede en kwade geesten bestaat?

“De goede trachten de slechte neigingen bij de anderen te bestrijden, teneinde hen vorderingen te helpen maken; het is een zending.”

 

281. Waarom scheppen de mindere geesten er behagen in om ons tot het kwaad te verleiden?

“Uit jaloersheid van niet verdiend te hebben onder de goeden te behoren. Hun wens is, om zo veel als dit in hun vermogen is, de onervaren geesten te beletten het hoogste geluk te bereiken; zij willen anderen, datgene wat zij zelf voelen, doen ondervinden. Ziet gij niet hetzelfde onder u?”

 

282. Op welke wijze onderhouden de geesten zich met elkaar?

“Zij zien elkaar, en verstaan dan elkaar; de spraak is materieel: het is de afspiegeling van de geest. Door het universele fluïdum bestaat tussen hen een bestendig en voortdurend middel van verkeer, het is de overbrenger van de gedachte, zoals de lucht de overbrenger van het geluid is; het is een soort van universele telegraaf, die alle werelden tezamen verbindt en de geesten veroorloofd hun gedachten van de ene wereld naar de andere over te brengen.”

 

283. Kunnen de geesten hun gedachten voor elkaar bewimpelen; kunnen zij zich voor elkaar verbergen?

“Nee, voor hen is alles, vooral als zij volmaakt zijn, openbaar. Zij kunnen zich van elkaar verwijderen, maar zij blijven elkaar zien. Dit is geen absolute regel, want sommige geesten kunnen zich zeer goed voor andere onzichtbaar maken als zij dit nodig oordelen.”

 

284. Hoe kunnen de geesten, geen lichaam hebbende hun individualiteit constateren, en zichzelf van andere geestelijke wezens die hen omringen onderscheiden?

“Zij constateren hun individualiteit door het perispirit, zoals de mensen door het lichaam, waardoor zij van elkaar, afgescheiden wezens zijn.”

 

285. Herkennen de geesten elkaar als tezamen de aarde bewoond te hebben? Herkent de zoon zijn vader, de vriend zijn vriend?

“Ja, en zo van geslacht tot geslacht.”

- Op welke wijze herkennen de mensen, die elkaar op aarde gekend hebben, elkaar in de geestenwereld?

“Wij zien ons afgelopen leven en lezen daarin als in een boek; het verleden van onze vrienden en vijanden ziende, zien wij hun overgang van het leven in de dood.”

 

286. Ziet de geest, bij het afleggen van het aards hulsel, onmiddellijk zijn bloedverwanten en vrienden terug, die hem in de geestenwereld voorgegaan zijn?

“Niet altijd onmiddellijk, want zoals wij reeds gezegd hebben, is er enige tijd nodig om tot bezinning te komen en de stoffelijke sluier af te leggen.”

 

287. Op welke wijze wordt de ziel bij zijn terugkomst in de geestenwereld ontvangen?

“De rechtvaardige, als een geliefde broeder, die men reeds lang verwachtte; de slechte als een wezen, dat men veracht. “

 

288. Wat voelen de onreine geesten op het gezicht van een andere slechte geest, die tot hen komt?

“De slechten zijn verblijd, wezens naar hun beeld en die evenals zij van de eeuwige gelukzaligheid verstoken zijn, te zien, zoals op aarde een deugniet, dit onder zijns gelijken, ook is.”

 

289. Komen onze bloedverwanten en vrienden ons soms, als wij de aarde verlaten, tegemoet?

“Ja, zij komen de ziel die zij liefhebben tegemoet, zij wensen haar evenals bij de tehuiskomst na een volbrachte reis geluk, als zij aan de gevaren van de tocht ontkomen is, en helpen haar zich van de lichamelijke banden te ontdoen. Als degene, die hen lief gehad hebben, hen tegemoet komen is dit een gunst voor de goede geesten, terwijl degene die zich bezoedeld heeft, in de eenzaamheid blijft, of door geesten, die aan hem gelijk zijn omringd wordt: dan is het een straf.”

 

290. Worden bloedverwanten en vrienden altijd na hun dood verenigd?

“Dit hangt af van hun voortreffelijkheid en van de weg die zij tot hun volmaking volgen. Als een van hun meer gevorderd is en spoediger vooruitgaat dan de anderen, zullen zij niet tezamen kunnen blijven; zij zullen elkaar nu en dan kunnen zien, maar zij zullen dan eerst voor goed verenigd zijn, als zij tezamen hand aan hand zullen kunnen voorwaarts streven, of als zij even gevorderd in volmaaktheid zullen zijn. En soms ook, is het gemis van het zien van bloedverwanten of vrienden een straf.”

 

 

Simpathetische en afkerige verhouding van de geesten. Geestelijke wederhelften.

 

 

291. Voelen de geesten behalve de algemene sympathie, die uit gelijkvormigheid ontstaat, nog andere bijzondere genegenheid?

“Ja, evenals de mens; maar de band die de geesten tezamen verbindt, is, wanneer het lichaam niet meer bestaat sterker, omdat die dan niet meer aan de veranderlijkheid van de hartstochten blootstaat.”

 

292. Koesteren de geesten onderging haat?

“Er bestaat geen haat dan alleen bij onreine geesten, en deze zijn het, die onder u, vijandschap en tweedracht aanblazen.”

 

293. Zullen twee wezens die op aarde vijanden waren, elkaar in de geestenwereld vijandschap blijven toedragen?

“Nee, zij zullen inzien, dat hun vijandschap dom, en de oorzaak ervan kinderachtig was. Onvolmaakte geesten alleen, behouden zo lang zij zich niet gelouterd hebben, een soort van wrok. Indien het slechts een stoffelijk belang is dat de tweespalt veroorzaakt heeft, zullen zij, als zij slechts enigszins gedematerialiseerd zijn, er niet meer aan denken. Indien er geen natuurlijke afkeer tussen hen bestaat, kunnen zij, daar het onderwerp waarover de twist liep niet meer bestaat, elkaar met genoegen terug zien.”

 

 

Zoals twee schoolmakkers, die tot jaren van onderscheid gekomen zijnde, het kinderachtige van de twisten, die zij in hun jeugd met elkaar gehad hebben, inzien, en niets meer tegen elkaar hebben.

 

 

294. Is de herinnering van slechte daden, die twee mensen jegens elkaar hebben kunnen plegen, een hinderpaal voor hun sympathie?

“Ja, het brengt hen ertoe, zich van elkaar te verwijderen.”

 

295. Wat voelen na hun dood zij die wij hier op aarde kwaad gedaan hebben?

“Indien zij goed zijn, vergeven zij in evenredigheid van uw berouw. Indien zij slecht zijn, kunnen zij er nog wrok over blijven voelen, en u zelfs tot in een ander leven, daarmede vervolgen. God kan dat als straf toelaten.”

 

296. Is de individuele genegenheid van de geesten aan verkoeling onderhevig?

“Nee, want zij kunnen zich niet vergissen; zij bezitten het masker niet meer, waarachter de huichelaar zich kan verbergen; daarom is hun genegenheid, wanneer die rein is, onveranderlijk. De liefde die hen verenigt, is voor hen de bron van het hoogste geluk.”

 

297. Blijft de toegenegenheid die twee wezens elkaar op aarde toegedragen hebben, in de geestenwereld bestaan?

“Ja, zonder twijfel, als deze op waarachtige sympathie gegrond is; maar als fysieke oorzaken er meer de oorzaak van zijn dan simpathetische, houdt die genegenheid op tegelijk met de oorzaak, die haar deed ontstaan. Bij de geesten is de genegenheid hechter en duurzamer dan op aarde, omdat zij niet van het wisselvallige van de stoffelijke belangen en van de eigenliefde afhankelijk is.”

 

298. Zijn de zielen die zich verenigen moeten, van hun oorsprong af aan, daartoe gepredestineerd, en heeft ieder van ons ergens in het heelal zijn wederhelft, met welke hij eens onvermijdelijk zal verbonden worden?

“Nee, er bestaat geen bijzondere of onvermijdelijke vereniging van twee zielen. Er bestaat vereniging tussen alle geesten, maar in verschillende trappen naarmate de rang die zij innemen dat wil zeggen, naar gelang van de volmaking, die zij bereikt hebben; hoe volmaakter zij zijn, des te beter zij verenigd zullen zijn. Tweedracht is de oorzaak van alle rampen van de stervelingen, door eendracht ontstaat volkomen geluk.”

 

299. In welke zin moet men het woord wederhelft, dat door sommige geesten gebezigd wordt om simpathetische geesten aan te duiden, verstaan?

“Die uitdrukking is onjuist; zo de geest de helft van ene andere was, dan zou hij van deze afgescheiden, niet volledig wezen.”

 

300. Wanneer twee volkomen met elkaar overeenstemmende geesten, eenmaal met elkaar verenigd zijn, is dit dan voor eeuwig, of kunnen zij elkaar verlaten, en zich met andere geesten verenigen?

“Alle geesten zijn onderling verenigd, ik spreek van dezulken die de volmaaktheid bereikt hebben. Wanneer in de lage sferen een geest tot hoger opklimt, dan voelt hij niet meer die zelfde sympathie voor hen, die hij verlaten heeft.”

 

301. Dienen twee simpathetische geesten elkaar tot aanvulling, of is die sympathie het gevolg van een volkomen overeenstemming?

“De sympathie, die de een geest tot de andere voert, is het gevolg van de volkomen overeenstemming in hun neigingen en hartstochten; indien de ene tot aanvulling van de anderen moest dienen, zou hij zijn individualiteit verliezen.”

 

302. Bestaat de noodzakelijke identiteit voor volkomen sympathie, alleen in die van de gedachte en neigingen, of ook in die van de verkregen kundigheden?

“In de gelijkheid van de hoogte die zij bereikt hebben.”

 

303. Kunnen de geesten, die thans niet sympathiseren dit later doen?

“Ja, en eenmaal zullen zij allen sympathiseren. Zo zal een geest, die zich nu in een lager sfeer ophoudt, door zich te volmaken de sfeer, waar zeker ander zich bevindt, bereiken. Hun ontmoeting zal des te spoediger plaats vinden, als de meer verhevene, de beproevingen, die hem opgelegd zijn, slecht draagt en daardoor op dezelfde hoogte gebleven is.”

-Kunnen twee simpathetische geesten ophouden dit te zijn?

“Zeker, indien een van beiden traag is.”

 

 

De theorie van de eeuwige wederhelften is een beeld van de eendracht die tussen twee simpathetische geesten bestaat; het is zelfs in de gewone spreekwijze een gebruikelijke uitdrukking, die men niet letterlijk moet opvatten, de geesten, die deze uitdrukking bezigen, behoren zeker niet tot de hoogste orde; daardoor is de sfeer van hun denkbeelden noodwendig beperkt, en zij hebben daardoor hun denkbeelden in woorden die zij in hun lichamelijk leven gebruikten, kunnen uitdrukken. Men moet dus het denkbeeld, dat twee voor elkaar geschapen geesten, na een korte of langere tijd van elkaar verwijderd geweest te zijn, eens noodwendig voor alle eeuwigheid met elkaar verbonden zullen moeten worden, verwerpen.

 

 

Herinnering van het lichamelijk bestaan.

 

 

304. Herinnert zich de geest zijn lichamelijk leven?

“Ja, dat wil zeggen dat hij, herhaaldelijk als mens geleefd hebbende, zich herinnert wat hij geweest is, en ik verzeker u, dat hij nu en dan medelijdend de schouders voor zichzelf ophaalt.”

 

 

Zoals de man, die, de jaren van verstand bereikt hebbende, over de dwaasheden van zijn jongelingsjaren, en de kinderachtigheid van zijn kindsheid lacht.

 

 

305. Komt de herinnering van het lichamelijk leven ineens en op volkomen wijze na de dood op?

“Nee, die komt langzamerhand terug, als iets dat naarmate hij er zijn aandacht op vestigt, uit de nevel tevoorschijn treedt.”

 

306. Herinnert zich de geest de gebeurtenissen van zijn leven in alle bijzonderheden, of omvat hij die door een terugblik in het verleden, in hun geheel?

“Hij herinnert zich de dingen voor zover zij enige betrekking op zijn stand van geest kunnen hebben; maar gij zult geredelijk begrijpen dat er gebeurtenissen van zijn leven zijn, waaraan hij niet de minste waarde hecht, en die hij zich niet eens tracht te herinneren.”

 - Zou hij zich die kunnen herinneren, indien hij wilde?

 “Hij kan zich de kleinste bijzonderheden en toevallige omstandigheden van de gebeurtenissen, zelfs van de gedachten herinneren; maar als hij er geen nut in ziet, doet hij dit niet.”

- Ziet hij het doel van het aardse leven in, met betrekking tot het toekomstig leven?

“Zeer zeker ziet hij dat in en hij begrijpt het beter dan toen zijn lichaam nog in leven was; hij begrijpt de noodzakelijkheid van de reiniging, om het oneindige te bereiken, en hij weet dat hij na elk leven enige onreinheden achter laat.”

 

307. Op welke wijze doet zich het afgelegde leven aan het geheugen van de geest voor; is het door zijn verbeelding in te spannen, of is het als een tafereel dat hij voor ogen heeft?

“Het is het een en het ander, al de handelingen, van welke de herinnering voor hem van enig belang is, zijn voor hem alsof zij tegenwoordig waren: de andere doen zich als iets min of meer onbepaalds in gedachte voor of worden geheel vergeten. Hoe meer hij gedematerialiseerd is, des te minder belang stelt hij in stoffelijke zaken. Gij roept dikwijls een omdolende geest op die eerst sinds kort de aarde verlaten heeft, en die zich de namen van de personen, die hij lief had en vele bijzonderheden die u belangrijk voorkomen, niet meer herinnert; hij bekommert er zich weinig om, en vergeet het daardoor. Wat hij zich goed herinnert, zijn, voorname gebeurtenissen, die hem behulpzaam zijn geweest om zich te beteren.”

 

308. Herinnert zich de geest alle de verschillende levens, die zijn pas afgelegde voorafgegaan zijn?

“Zijn geheel verleden ontrolt zich voor hem, evenals de oorden die door een reiziger bezocht zijn; maar wij hebben dit reeds gezegd, hij heeft geen absolute herinnering van alle handelingen, hij herinnert zich alleen die, welk invloed op zijn tegenwoordige staat uitoefenen. Wat zijn allereerste levens, welke men als de kindsheid van de geest kan aanmerken, betreft, deze verliezen zich als iets onbepaalds en verdwijnen in de nacht van de vergetelheid.”

 

309. Hoe beschouwt de geest het lichaam dat hij kortelings verlaten heeft?

“Als een ongemakkelijk kleed dat hem hinderde, en dat hij blijde is afgelegd te hebben.”

- Wat voelt hij op het gezicht van zijn lichaam, dat in ontbinding overgaat?

“Bijna altijd onverschilligheid, als voor iets, waaraan hij niet gehecht is.”

 

310. Herkent de geest na verloop van enige tijd, zijn gebeente of andere dingen, als aan hem toebehoord hebbende?

“Soms, dit is afhankelijk van het meerdere of mindere hoge standpunt waaruit hij de aardse dingen beschouwt.”

 

311. Trekt de eerbied, die wij hebben voor stoffelijke overblijfselen, welke van de geest afkomstig zijn, ook zijn aandacht op dezelfde voorwerpen, en zijn hem die bewijzen van eerbied aangenaam?

“De geest voelt zich altijd gelukkig, als men aan hem denkt; de voorwerpen die men van hem bewaart, verlevendigen die herinnering, maar het is door het denken aan hem, en niet door die voorwerpen dat hij door u aangetrokken wordt.”

 

312. Behouden de geesten de herinnering van de smarten die zij gedurende hun laatst lichamelijk leven geleden hebben?

“Dikwijls behouden zij die, en deze herinnering doet hen des te beter de waarde van het geluk, dat zij als geest kunnen genieten, op prijs stellen.”

 

313. Betreurt de mens, die op aarde gelukkig geweest is, als hij de aarde verlaten heeft, het gemis van haar genietingen?

“Het zijn alleen mindere geesten, die de genietingen welke met de onreinheid van hun natuur overeenkomen, en waarvoor zij door hun lijden boeten, kunnen terugwensen. Voor de verhevene geesten is de eeuwige gelukzaligheid duizenden malen boven de kortstondige genoegens van de aarde te verkiezen.”

 

Zoals de volwassen mens datgene gering schat, wat in zijne kindsheid een genot voor hem was.

 

314. Wordt het door hem, die tot een nuttig doel een groot werk begonnen is, dat door zijn dood afgebroken wordt, in de andere wereld betreurd, dat hij het onvoltooid heeft moeten achterlaten?

“Nee, want hij ziet dat anderen bestemd zijn het te voltooien. Hij tracht, integendeel zijn invloed te gebruiken om andere menselijke geesten over te halen het werk voort te zetten. Zijn doel op aarde was: bevordering van het welzijn van het mensdom: ditzelfde doel beoogt ook de geestenwereld.”

 

315. Behoudt degene, die kunst of letterkundige werken heeft achtergelaten, voor zijn arbeid dezelfde liefde als bij zijn leven?

“Dit hangt van zijn verhevenheid af; hij beschouwt die nu van een ander standpunt en wat hij vroeger het meeste bewonderde, keurt hij nu dikwijls af.”

 

316. Stelt de geest nog enig belang in de werken, die op aarde uitgevoerd worden, en in de vooruitgang van kunsten en wetenschappen?

“Dit hangt af van de trap van verhevenheid, die hij bereikt heeft, of van de zending, die hij te vervullen heeft. Wat u prachtig voorkomt is dikwijls voor geesten zeer min; zij bewonderen dit, zoals de geleerde het werk van de leerling bewonder. Hij onderzoekt datgene, waaruit hij bewijzen van ontwikkeling en vooruitgang van de geesten kan opmaken.”

 

317. Blijven de geesten na de dood, de liefde tot het vaderland behouden?

“Het is altijd hetzelfde beginsel; voor de verheven geesten is het vaderland daar, waar zij de meeste met hen sympathiserende mensen vinden.”

 

De toestand van de geesten en hun wijze om de dingen te beschouwen verschilt tot in het oneindige naar gelang van hun zedelijke en intellectuele ontwikkeling. De verheven geesten, houden zich gewoonlijk slechte, korte ogen blikken op aarde op; al wat daar plaats vindt, is bij de grootheid van het oneindige vergeleken, zo klein, de dingen, waarin de mens de meeste belangstelling toont zijn in hun oog zo kinderachtig, dat zij er weinig aanlokkends in vinden, tenzij, zij op aarde geroepen zijn met het doel om aan de vooruitgang van de mensheid mee te werken. De geesten van de middenrang, ofschoon zij de dingen uit een meer verheven standpunt dan tijdens hun leven beschouwen, komen er meerdere malen. De alledaagse zijn er als 't ware blijvend, en vormen de ons, omringende massa van de bevolking van de onzichtbare wereld; zij hebben op weinig na dezelfde denkbeelden, dezelfde smaak en dezelfde neigingen behouden, die, zij tijdens hun lichamelijk leven hadden; zij mengen zich in onze bijeenkomsten, in onze zaken en vermaken, waaraan zij naar gelang van hun karakter een meer of minder bedrijvig deel nemen. Hun driften niet kunnende bevredigen, verlustigen zij zich in het gezicht van hen die er zich aan overgeven, en drijven hen daartoe aan. Onder hen bevinden er zich ook, die ernstiger zijn, zij zien en merken op, teneinde zich te bekwamen en zich te volmaken.

 

 

 

318. Ondergaan de denkbeelden van de geesten wijzigingen in hun staat van geest?

“Zeer veel, naarmate de geest zich dematerialiseert ondergaan zij grote wijzigingen; dikwijls kan de geest lang dezelfde denkbeelden behouden, maar allengs neemt de invloed van de stof af, hij ziet de dingen dan helderder in; en zoekt de middelen op, die hem beter kunnen maken.”

 

319. Hoe komt het dat de geest, reeds vroeger als geest geleefd hebbende, toch verwondert is, als hij in de geestenwereld terug komt?

“Het is slechts de indruk van het eerste ogenblik, en het gevolg van de verwarring die op het ontwaken volgt; later herkent hij zich volkomen naarmate de herinnering van het verleden terugkomt en de indruk van het aardse leven uitgewist wordt. (Zie 163 en volgende.)

 

 

Gedachtenisviering van afgestorvenen. Begrafenis.

 

 

320. Zijn de geesten er gevoelig voor als degene, die zij op aarde hebben liefgehad, zich van hun herinneren?

“Veel meer dan gij wel denkt; dit herdenken vermeerdert hun geluk als zij gelukkig zijn, en is voor hen een verzachting als zij ongelukkig zijn.”

 

321. Is de dag, waarop men de nagedachtenis van de doden viert, voor de geesten plechtiger dan andere dagen? Maken zij zich gereed om hen, die op hun graven gaan bidden, te komen opzoeken?

“De geesten komen op die dag evenals op alle andere dagen op de roepstem van de gedachte.”

- Zijn hun graven die dag voor hun een plaats van bijeenkomst?

“Zij bevinden er zich die dag in groter getal, omdat zij dan door velen geroepen worden; maar ieder van hun komt daar alleen voor zijn eigen vrienden, en niet voor de onverschillige menigte.”

- In welke gedaante komen zij daar, en hoe zouden wij hen zien, indien zij zich zichtbaar aan ons konden vertonen?

“In de gedaante, waarin men ze tijdens hun leven gekend heeft.”

 

322. Komen de vergeten geesten, van wie de graven door niemand bezocht worden, daar toch, en voelen zij enig leed dat er geen enkele vriend is, die aan hen denkt?

“Wat bekommeren zij zich om de aarde? Men is er alleen door het hart aan gebonden; als de liefde er niet meer is, dan is er verder niets meer, wat de geest eraan kan doen hechten: het heelal staat voor hem open.”

 

323. Doet het de geest meer genoegen, als men zijn graf bezoekt, dan wanneer men te huis voor hem bidt?

“Het bezoek aan het graf is een van de wijzen, waardoor men toont dat men aan de geest denkt: het is het beeld. Ik heb u gezegd; dat het 't gebed is waardoor de herinnering geheiligd wordt, de plaats waarop dit gedaan wordt, is onverschillig, als het maar uit het hart vloeit.”

 

324. Zijn de geesten voor welke men standbeelden of gedenktekenen opricht, bij dergelijke plechtigheden tegenwoordig, en zien zij die met genoegen?

“Velen zijn er bij tegenwoordig als zij kunnen, maar zij zijn minder gevoelig voor de eer die men hen aandoet, dan voor de herinnering.”

 

325. Wat kan bij sommige mensen de wens doen ontstaan, liever op de een dan op een andere plek begraven te worden; komt de geest op die plek liever na zijn dood terug; en is het hechten van zoveel gewicht aan een stoffelijke daad een bewijs van minderheid van de ziel?

“Liefde van de geest voor zekere plaats; zedelijke minderheid. Welk belang kan het een plekje aarde boven het andere voor de geest hebben? Weet hij niet dat zijn ziel met degene die hij lief heeft, zal verenigd worden, al moge ook hun gebeente van elkaar gescheiden zijn?”

- Moet de vereniging van de doden van dezelfde familie in hetzelfde graf als beuzelachtig beschouwd worden?

“Nee; dit is een vroom gebruik en een betuiging van sympathie voor hen, die men lief gehad heeft. Al moge die vereniging van weinig belang voor de geesten zijn, is zij daarom toch voor de mensen nuttig: de herinnering aan hen is dan inniger.”

 

326. Is de geest, na zijn terugkeer tot het geestenleven, gevoelig voor de eer, die men aan zijn stoffelijk overschot bewijst?

“Indien de geest reeds een zekere mate van volkomenheid bereikt heeft, is hij vrij van de aardse ijdelheden en beseft hij de geringe waarde van al die dingen; maar gij moet weten, dat er geesten zijn, die in de eerste ogenblikken na hun dood, een groot genoegen smaken in de eerbewijzingen, die men hun geeft, of verdriet voelen, als zij hun omhulsel verlaten zien; want zij blijven nog enige van hun aardse vooroordelen behouden.”

 

327. Woont de geest zijn begrafenis bij?

“Zeer dikwijls, maar soms kan hij zichzelf, als hij nog in de staat van verwarring verkeert, van hetgeen er gebeurt geen rekenschap geven.”

- Doet het hem genoegen, als vele mensen zijn lijkstoet volgen?

“Meer of min, naarmate van de gevoelens, die hen daartoe nopen.”

 

328. Is de geest van hem die pas gestorven is, bij de bijeenkomsten van zijn erfgenamen tegenwoordig?

“Bijna altijd; God wil het tot zijn eigen lering en tot straf van de schuldigen; daar kan hij beoordelen wat hun vriendschapsbetuigingen waard waren; dan liggen voor hem alle gedachten bloot, en de teleurstelling, die hij ondervindt, als hij de roofzucht ziet van hen, die zijn nalatenschap onder elkaar verdelen, licht hem omtrent hun gevoelens in; maar hun beurt zal ook komen.”

 

329. Is de instinctmatige eerbied, welke men bij alle volken en in alle tijden aan de doden bewijst, een gevolg van het aangeboren ingegeven denkbeeld van een toekomend leven?

 “Het is er een natuurlijk gevolg van; zonder dat zou die eerbied geen betekenis hebben.”

(vorige)						(volgende)