Zevende Hoofdstuk.

 

Terugkeer tot het Aardse Leven.

 

 

Voorboden van de terugkeer. Vereniging van de ziel met het lichaam. Misgeboorte. Zedelijke en intellectuele vermogens. Invloed van het organisme. Idiotisme. Krankzinnigheid. De kindsheid. Aardse sympathie en tegenzin. Het vergeten van het verleden.

 

 

Voorboden van de terugkeer.

 

 

330. Kennen de geesten het tijdstip, waarop zij weder geļncarneerd zullen worden?

"Zij hebben er een voorgevoel van, zoals de blinde het vuur vermoedt, als hij dit nadert. Zij weten dat zij wederom een lichaam moeten aannemen, zoals gij weet dat gij eens zult moeten sterven, maar zonder te weten, wanneer het gebeuren zal." (zie 166).

- De reļncarnatie is dus een aan het geestenleven verbonden noodzakelijkheid, zoals de dood die van het lichamelijk leven is?

"Zeker, zo is het."

 

331. Houden alle geesten zich met de gedachte aan hun incarnatie bezig?

"Er zijn er die er geheel niet aan denken, ja het zelfs niet begrijpen; dit hangt van hun meer of minder gevorderden staat af. Voor enigen is de onzekerheid, waarin zij over hun toekomst verkeren, een straf."

 

332. Kan de geest het ogenblik van zijne reļncarnatie bespoedigen of uitstellen?

"Hij kan die door vurig te wensen bespoedigen; ook kan hij het ogenblik uitstellen, indien hij voor de beproeving terugdeinst, want onder de geesten zijn er ook lafaards en onverschilligen, maar hij doet dit niet ongestraft; hij lijdt erdoor, evenals degene, die ertegen opziet om een heilzaam middel, dat hem genezen kan, in te nemen."

 

333. Indien een geest zich gelukkig genoeg in een middentoestand onder de omdolende geesten voelde; en geen eerzucht bezat om hoger opklimmen, zou hij dan die toestand tot in het oneindige kunnen doen voortduren?

"Nee niet tot in het oneindige, vooruitgang is een behoefte, die de ziel vroeg of laat ondervindt; allen moeten opklimmen, het is hun bestemming."

 

334. Is de vereniging van deze of gene ziel met dit of dat lichaam, gepredestineerd? Of geschiedt deze keuze slechts op het laatste ogenblik?

"De geest is altijd vooraf aangewezen. De geest, de beproeving die hij wil ondergaan, uitkiezende, vraagt om geļncarneerd te worden; en God, die alles weet en alles ziet, heeft vooraf geweten en gezien, dat deze geest met dat lichaam zal verenigd worden."

 

335. Heeft de geest ook de keus van het lichaam, dat hij bezielen moet of alleen die van de aard van het leven, dat hem tot beproeving dienen moet?

"Hij kan ook het lichaam uitkiezen, want de onvolmaaktheden van dat lichaam zijn voor hem beproevingen, die tot zijn vooruitgang bevorderlijk zijn als hij de hinderpalen die dezen hem in de weg leggen, te boven komt; maar de keus hangt niet altijd van hem af; hij kan het vragen."

- Zou de geest op het laatste ogenblik kunnen weigeren het lichaam, dat door hem gekozen is, te bezielen?

"Indien hij weigerde, zou hij veel meer lijden dan degene, die nog in 't geheel geen beproeving hebben trachten te ondergaan."

 

336. Zou het mogelijk kunnen zijn dat een kind, dat ter wereld moet komen, geen geest vond, die zich in hem zou willen incarneren?

"God zou er in voorzien. Voor het kind dat levensvatbaar ter wereld moet komen, is altijd een ziel bestemd: niets is zonder doel geschapen."

 

337. Kan de vereniging van de geest met een bepaald lichaam door God opgelegd worden?

"Dit kan evenals alle andere beproevingen opgelegd worden vooral als de geest, zelf nog niet in staat is om met kennis van zaken een keuze te doen. De geest kan voor boetedoening genoodzaakt worden zich met het lichaam van een kind te verbinden, dat door geboorte en de stand die het in de maatschappij zal bekleden, voor hem een werktuig tot straf zal kunnen worden."

 

338. Indien het mocht gebeuren dat meerdere geesten zich aanboden om zich met een en hetzelfde lichaam, dat geboren moet worden, te verenigen, wie zou dan hierin beslissen?

"Velen kunnen het vragen: God oordeelt wie in zo'n geval het beste in staat is de zending, waartoe het kind bestemd is, te vervullen, maar zoals ik zeg, de geest wordt voor het ogenblik dat hij zich met het lichaam moet verbinden, daartoe aangewezen."

 

339. Gaat het ogenblik van de incarnatie ook met verwarring gepaard zoals bij het verlaten van het lichaam plaats vindt?

"Veel grotere en vooral veel langduriger verwarring. Bij de dood raakt de ziel uit de slavernij; bij de geboorte, keert hij erin terug."

 

340. Is het ogenblik, waarop een geest zich moet incarneren, voor hem een plechtig ogenblik? Verricht hij die daad, als iets dat ernstig en gewichtig voor hem is?

"Hij is als een reiziger, die tot het doen van een gevaarvolle overtocht scheep gaat, en die niet weet of hij wellicht in de golven die hij trotseert, zijn dood zal vinden."

 

 

De reiziger die scheep gaat kent de gevaren aan welke hij zich bloot stelt, maar weet niet of hij schipbreuk zal lijden; zo is het ook met de geest; hij kent de aard van de beproevingen waaraan hij zich onderwerpt, maar hij weet niet of hij bezwijken zal.

Evenals de dood van het lichaam een soort van wedergeboorte voor de geest is, is ook de reļncarnatie voor de geest een soort van dood, of liever van verbanning en opsluiting. Hij verlaat de geestenwereld voor de lichamelijke, zoals de mens de lichamelijke wereld verlaat om de geestenwereld in te gaan. De geest weet dat hij zich zal reļncarneren, zoals de mens weet dat hij sterven zal; maar evenals deze, is hij eerst op 't laatste ogenblik, als de daartoe bepaalde tijd gekomen zal zijn, daarvan bewust; op dat plechtige ogenblik, maakt een verwarring zich van hem meester, zoals bij de mens als deze stervende is, en deze verwarring houdt aan totdat dit nieuwe leven duidelijk gevormd zal zijn. De naderende reļncarnatie is een soort van doodstrijd voor de geest.

 

 

341. Is de onzekerheid over het al of niet slagen in de beproevingen, die hij in het leven gaat ondergaan, voor de geest vóór zijn incarnatie geen bron van angstvalligheid?

"Een zeer grote, daar de beproevingen van zijn leven, naarmate hij die goed of kwaad gedragen zal hebben, zijn vooruitgang zullen tegenhouden of bevorderen."

 

342. Wordt de geest bij zijn reļncarnatie door andere vriendengeesten uitgeleide gedaan, om hem bij zijn vertrek behulpzaam te zijn; zoals zij hem bij zijn terugkeer komen opwachten?

"Dit hangt af van de sfeer, welke de geest bewoont. Als hij zich in zodanige sfeer bevindt, waar liefde heerst, geleiden hem de geesten, die hem lief hebben, tot op het laatste ogenblik; spreken hem moed in, en volgen hem dikwijls in het leven."

 

343. Zijn de geesten, die ons in het leven volgen, soms degene die wij in onze dromen zien, die ons toegenegenheid tonen, en die zich onder ons onbekende gelaatstrekken aan ons vertonen?

"Zij zijn dit zeer dikwijls; zij komen u, zoals gij dat een gevangene in de kerker doet, bezoeken."

 

 

Vereniging van de ziel met het lichaam. Misgeboorte.

 

 

344. Op welk ogenblik verenigt zich de ziel met het lichaam?

"De vereniging vangt aan bij de ontvangenis maar zij wordt eerst volkomen op het ogenblik van de geboorte. Van het ogenblik van de ontvangenis af, wordt de geest, die bestemd is om dat lichaam te bewonen, door een fluļdieke band met het zelf verbonden, deze band wordt, tot op het ogenblik dat het kind in de wereld komt, hoe langer hoe nauwer aangehaald, de kreet, die het kind dan slaakt is het teken, dat het tot het getal van de levenden en van Gods dienaren behoort."

 

345. Is de vereniging tussen de geest en het lichaam vanaf het ogenblik van de ontvangenis, beslissend? Zou de geest gedurende dat tijdperk, niet van de bewoning van het aangewezen lichaam kunnen afzien?

"De vereniging is beslissend in die zin dat geen andere geest, degene, die voor dat lichaam aangewezen is, zoude kunnen vervangen; maar daar de banden die hem eraan hechten, zeer zwak zijn, kunnen zij gemakkelijk verbroken worden, en zij kunnen dit door de wil van de geest, die voor de beproeving, die hij gekozen heeft terug deinst; maar dan leeft het kind niet."

 

346. Wat gebeurt er ten opzichte van de Geest, als het lichaam, dat hij gekozen heeft, voor de geboorte sterft?

"Dan kiest de geest er zich een ander."

 - Welk nut kan zulk een ontijdig sterven hebben?

"Meestal zijn de gebreken van de stof de oorzaak van dat sterven."

 

347. Welk nut kan het voor de geest hebben, zich in een lichaam te incarneren, dat weinige dagen na de geboorte sterft?

"Het schepsel heeft geen genoegzaam ontwikkeld bewustzijn van zijn bestaan; de belangrijkheid van het sterven is bijna gelijk aan niets, dikwijls is het, zoals wij reeds gezegd hebben, een beproeving voor de ouders."

 

348. Weet de geest vooruit dat het lichaam dat het uitkiest geen kans heeft om in het leven te blijven?

"Soms weet hij dit, maar indien hij het om die rede uitgekozen heeft, komt dit omdat hij voor de beproeving terug deinst."

 

349. Als een incarnatie, door welke oorzaak dan ook, voor een geest mislukt is, wordt er dan dadelijk weer door een ander leven in voorzien?

"Niet altijd dadelijk; de geest moet tijd hebben om een nieuwe keuze te kunnen doen, tenzij dat die onmiddellijke reļncarnatie een gevolg is van een vroeger genomen besluit."

 

350. Heeft de geest, ééns aan het lichaam verbonden, en als er niets meer tegen te doen is, wel eens berouw over de door hem gedane keuze?

"Bedoelt gij, of hij als mens zich over zijn leven beklaagt? Of hij dit anders zou verlangen? Ja, of hem zijn keuze berouwt? Nee; hij weet niet dat hij een keuze gedaan heeft. De geest kan, eens geļncarneerd zijnde, geen berouw hebben over een keuze, waarvan hij het bewustzijn niet heeft die gedaan te hebben; maar hij kan de hem opgelegde last te zwaar vinden, en acht hij die boven zijn krachten, dan gebeurt het, dat hij zijn toevlucht tot zelfmoord neemt."

 

351. Is de geest gedurende de tijd, die ertussen de ontvangenis en de geboorte verloopt, in het bezit van alle zijn vermogens?

"Min of meer, al naarmate van het tijdperk, want hij is nog niet geļncarneerd, maar verbonden. Van het ogenblik van de ontvangenis af, begint zich de verwarring van de geest meester te maken, die daardoor gewaarschuwd wordt dat de tijd om een nieuw leven te beginnen voor hem aangebroken is; naarmate het tijdstip van de geboorte nadert, neemt die verwarring toe, in die tussentijd is zijn toestand bijna gelijk aan die van een geļncarneerde geest gedurende de slaap van het lichaam; naarmate het ogenblik van de geboorte nadert, worden zijn gedachten zo mede de herinnering aan het verleden uitgewist, waarvan hij als mens het leven ingetreden zijnde, geen bewustzijn meer heeft; maar de herinnering komt bij hem in zijn staat van geest allengs terug."

 

352. Krijgt de geest op het ogenblik van de geboorte dadelijk het volle genot van zijn vermogens terug?

"Nee, deze ontwikkelen zich trapsgewijze, tegelijk met de organen. Het is voor hem een nieuw bestaan; hij moet zijn werktuigen leren gebruiken; de denkbeelden komen allengs bij hem terug, als bij iemand, die uit de slaap ontwaakt, en zich in een andere toestand, dan die van de vorige dag, bevindt."

 

353. Kan men, daar de vereniging van geest en lichaam eerst na de geboorte volkomen en beslissend is, het foetus als in het bezit van een ziel zijnde, beschouwen?

"De geest, die het bezielen moet, bestaat om zo te zeggen uitwendig, buiten hem; in de bepaalde zin van het woord bezit het dus geen ziel, daar de incarnatie nog maar aangevangen is, maar het is met de ziel, die het bezitten moet, tezamen verbonden.

 

354. Hoe kan men het baarmoederlijke leven verklaren?

"Het is de vrucht, die een plantenleven leidt. Het kind leeft het dierlijke leven. De mens bezit in zich het dieren en plantenleven, dat hij bij de geboorte met het geestenleven aanvult."

 

355. Zijn er kinderen, die, zoals de wetenschap aantoont reeds in het lichaam van de moeder zonder levensvatbaarheid geboren zijn; en met welk doel vindt dit plaats?

"Dit gebeurt dikwijls, God laat dit toe als een beproeving, hetzij voor de ouders, hetzij voor de geest, die bestemd was om die plaats in te nemen."

 

356. Zijn er doodgeboren kinderen die niet tot de incarnatie van een geest bestemd waren?

"Ja, er zijn er voor wiens lichaam nooit een geest bestemd is geweest. Voor hun moest niets volbracht worden. Het is dan alleen voor de ouders dat dit kind ter wereld gekomen is."

- Kan zo'n wezen op de natuurlijke tijd geboren worden?

"Ja somwijlen, doch dan leeft het niet."

- Dus bezit ieder kind, dat bij zijne geboorte leeft, noodwendig een in hem geļncarneerde geest?

"Wat zou het, zonder dat, zijn? Het zou geen menselijk wezen zijn."

 

357. Welke zijn voor de geest, de gevolgen van een misgeboorte?

"Het is een bestaan, dat van nieuws af aan begonnen moet worden."

 

358. Pleegt men, welke ook het tijdperk van de ontvangenis zijn moge, een misdaad, door moedwillig misgeboorte te doen ontstaan?

"Gods wet te overtreden is altijd een misdaad. De moeder of ieder ander, zal altijd door aan het kind voor de geboorte het leven te ontnemen, een misdaad begaan, want zij belet de ziel om de beproevingen, waarvan het lichaam het werktuig was, te ondergaan."

 

359. Indien het leven van de moeder, door de geboorte van het kind in gevaar wordt gebracht, pleegt men dan een misdaad als men het kind opoffert om de moeder te redden?

"Het is beter het wezen, dat nog niet bestaat, dan dat, dat reeds bestaat, opofferen."

 

360. Is het rationeel om voor het foetus dezelfde eerbied als voor het lichaam van een kind, dat geleefd heeft, te koesteren?

"Zie in dit alles Gods goedheid en Gods werk, behandel dus de dingen, die gij eerbiedigen moet niet op een lichtzinnige wijze. Waarom zou men de werken der schepping, die door de wil van de Schepper soms onvolledig zijn, niet eerbiedigen? Dit alles ligt in zijn doel, hetwelk niemand geroepen is te beoordelen."

 

 

Zedelijke en intellectuele vermogens.

 

 

361. Hoe komt de mens aan zijn zedelijke, hetzij goede of kwade vermogens?

"Het zijn de vermogens die aan de geest die in hem geļncarneerd is, toebehoren; hoe reiner die geest is, des te meer zal de mens zich tot het goede gedrongen voelen."

- Het schijnt dat men daaruit moet opmaken dat de goede mens, de incarnatie van een goede geest, en de verdorven mens, die van een slechte geest is?

"Ja; doch zeg liever dat het een onvolmaakte geest is, anders zou men aan geesten kunnen gaan geloven, die altijd slecht blijven, en die gij duivels noemt."

 

362. Hoe is het karakter van de individuen in welke zich spot en lichtzinnige geesten incarneren?

"Lichtzinnig, spotziek en soms kwaadwillig."

 

363. Hebben de geesten ook driften die de mensen niet hebben?

"Nee, want anders zouden zij ook die, u meegedeeld hebben."

364. Heeft de mens zijn zedelijke en intellectuele hoedanigheden aan een en dezelfde geest te danken?

"Zeer zeker, aan dezelfde, en dat wel in evenredigheid van de rang die hij bereikt heeft. De mens heeft geen twee geesten in zich."

 

365. Hoe komt het dat zeer schrandere mensen, die een uitstekende geest tonen te bezitten, soms tegelijkertijd zo verdorven kunnen zijn?

"Dat komt doordien de geļncarneerde geest niet rein genoeg is, en de mens aan de invloed van andere slechte geesten toegeeft. De Geest gaat door een onmerkbare beweging vooruit, maar de vooruitgang geschiedt niet opeens in alle richtingen; gedurende het ene tijdperk kan hij in wetenschap, gedurende het andere in zedelijkheid toenemen."

 

366. Wat moet men denken van het gevoel, dat de mens zijn verschillende verstandelijke en zedelijke eigenschappen aan zo vele geesten, die ieder een bijzondere aanleg hebben, en in hem geļncarneerd zijn, te danken zou hebben?

"Hierover nadenkende, zult gij inzien dat die mening ongerijmd is. De geest moet de aanleg tot alles hebben; om vorderingen te kunnen maken moet hij een enige wil hebben; indien de mens een mengelmoes van geesten was, zou die wil niet bestaan, en zoude er voor hem geen individualiteit zijn; want bij zijn dood zouden die geesten gelijk zijn aan een vlucht vogels, die uit een kool ontsnappen. De mens klaagt dikwijls dat hij sommige dingen niet begrijpt, en het is opmerkelijk na te gaan hoe hij zich bevlijtigt om het getal zwarigheden te vermeerderen, terwijl een zeer eenvoudige en natuurlijke verklaring voor de hand ligt. In deze is het wederom het gevolg voor de oorzaak aanzien; men doet voor de mens wat de heidenen voor hun goden deden. Zij geloofden aan zovele Goden als er verschijnselen in het heelal waren: maar de verstandige mensen onder hen, zagen in die verschijnselen niet anders dan uitwerkselen die een énig God tot oorzaak hadden."

 

 

Zowel de fysieke als de zedelijke wereld bieden ons voor dat onderwerp verscheidene punten van vergelijking aan. Zo lang men zich bepaald heeft tot de waarneming van het uiterlijk voorkomen van de verschijnselen, heeft men aan het bestaan van veelvoudige stof geloofd; heden ten dage begrijpt men, dat die zo uiteenlopende verschijnselen zeer goed niet anders dan wijzigingen van een enige grondstof kunnen zijn. De verschillende vermogens zijn uitingen van één zelfde oorzaak welke de ziel of geļncarneerde geest is, en niet die van vele zielen; evenals de onderscheidene tonen van een orgel het product zijn van een soort lucht, en niet van zovele soorten van lucht als er tonen zijn. Uit zodanig stelsel zou voortvloeien dat wanneer een mens zekere hoedanigheden, zekere neigingen verliest of aanwint, dit dan het werk van zovele geesten, die zich van hem verwijderen of bij hem komen, zoude zijn, hetgeen van hem een veelvoudig wezen zonder individualiteit en dientengevolge zonder verantwoordelijkheid zoude maken. Buitendien is dit met de menigvuldige manifestatie, door welke de geesten hun persoonlijkheid en hun identiteit bewijzen, in tegenspraak.

 

 

Invloed van het organisme.

 

 

367. Vloeit de geest bij zijn vereniging met het lichaam, met de stof in een?

"De stof is slechts het omhulsel van de geest, zoals een kledingstuk het omhulsel van het lichaam is. De geest zich met het lichaam verenigende, behoudt de eigenschappen die tot de natuur van de geesten behoren."

 

368. Oefent de geest na zijn vereniging met het lichaam, zijn vermogens vrij uit?

"De uitoefening van de vermogens hangt af van de organen die hen tot werktuigen dienen; zij zijn door de grofheid van de stof verzwakt."

- Volgens dit, zou het stoffelijke omhulsel een beletsel voor de vrije uiting van de vermogens van de geest zijn, zoals de vrije verspreiding van het licht door een ondoorschijnend glas belet wordt?

"Ja, en zeer onderschijnend."

 

Men kan de werking van de grove stof van het lichaam op de geest nog met modderig water vergelijken, dat aan het lichaam dat erin gedompeld is, belet zich vrij te bewegen.

 

369. Is de vrije uitoefening van de vermogens van de ziel, ondergeschikt aan de ontwikkeling van de organen?

"De organen zijn de werktuigen tot uiting van de vermogens van de ziel; deze uiting is afhankelijk van de ontwikkeling en van de graad van volmaaktheid welke deze organen bereikt hebben, zoals de deugdelijkheid van een werk van de deugdelijkheid van het gebezigde werktuig afhankelijk is."

 

370. Kan men uit de invloed, die de organen uitoefenen afleiden, dat er een verband bestaat tussen de ontwikkeling van de hersenorganen met die van de zedelijke en intellectuele vermogens?

"Gij moet het uitwerksel niet met de oorzaak verwarren. De geest bezit altijd de vermogens die hem eigen zijn; en het zijn niet de organen die de vermogens geven, maar wel de vermogens, die de organen tot ontwikkeling dwingen."

- Volgens dat, hangt de verscheidenheid van de menselijke vermogens alleen van de staat van de geest af?

"Alleen, is niet geheel juist; de hoedanigheden van de geest die meer of minder gevorderd kan zijn, dat is het beginsel; maar men moet ook de invloed van de stof, welke de uitoefening van zijn vermogens min of meer in de weg staat in aanmerking nemen."

        

De geest brengt bij zijn incarnatie, zekere aanleg mede, en als men voor iedere aanleg een daarmede overeenstemmend orgaan in de hersenen aanneemt, dan zal de ontwikkeling van die organen een gevolg en geen oorzaak zijn. Indien de vermogens hun oorsprong in de organen namen, dan zou de mens een werktuig zonder vrije wil en zonder verantwoordelijkheid voor zijn daden zijn, men zou dan moeten aannemen, dat de grootste vernuften, geleerden, dichters, kunstenaars, alleen geniėn zijn, omdat het toeval hen bijzondere organen daartoe gegeven heeft, waaruit zoude volgen dat zij zonder die organen, geen geniėn geweest zouden zijn, en dat de minste van de botteriken een Newton, een Virgilius of een Raphaėl zou geweest, zijn, indien hij in het bezit van zekere organen geweest waren; een onderstelling die nog ongerijmder wordt, als men die op de zedelijke eigenschappen toepast. Dan zoude volgens die stelling St. Vincentius de Paula, indien de natuur hem met dit of dat orgaan begiftigd had, een booswicht hebben kunnen zijn, en zoude er aan de grootste booswicht om een St. Vincentius te zijn niets dan een zeker orgaan ontbreken. Neem daarentegen aan, dat de bijzondere organen indien er althans zulke bestaan, een gevolg zijn, dat zij zich door de uitoefening van het vermogen zoals de spieren door beweging, ontwikkelen, en gij zult er niets irrationeels in vinden. Laat ons een vergelijking, waarvan de waarheid door, haar platheid des te meer in het oog springt, gebruiken: aan zekere tekenen op het aangezicht zichtbaar, herkent gij de man, die aan de drank verslaafd is; zijn het nu deze tekenen, die een dronkaard van hem maken, of is het de dronkenschap, die deze tekenen doet ontstaan? Men kan zeggen dat de organen de indruk van de neigingen ontvangen.

 

 

Idiotisme. Krankzinnigheid.

 

 

371. Is de mening dat cretins en idioten een ziel van een mindere natuur bezitten, gegrond?

"Nee, zij hebben een mensenziel, die dikwerf verstandiger is, dan gij veronderstelt, en die door het onvoldoende van de werktuigen, die ter zijne beschikking staan om zich te kunnen uiten, lijdende is, evenals de stomme lijdt door niet te kunnen spreken."

 

372. Met welk doel heeft de Voorzienigheid zulke misdeelde wezens als de cretins en idioten zijn, geschapen?

"Het zijn geesten, welke straf ondergaan, die de lichamen van de idioten bewonen. Deze geesten lijden door de dwang die zij ondervinden, en door de onmacht waarin zij verkeren om zich door onontwikkelde of ontstemde organen te kunnen uiten."

- Het is dus niet juist als men beweert dat de organen zonder invloed op de vermogens zijn ?

"Wij hebben nooit gezegd dat de organen zonder invloed zijn; zij hebben op de uiting van de vermogens een zeer grote invloed; maar het zijn niet zij, die de vermogens geven; dat is het onderscheid. Een goed toonkunstenaar, zal op een slecht instrument geen goede muziek maken, en dat zal hem toch niet beletten een goed musicus te zijn."

 

Men moet de normale en de ziekelijke toestand goed van elkaar onderscheiden. In de normale toestand, komt het moreel de beletselen, die de stof in de weg legt, te boven; maar er zijn gevallen in welke de stof zulk een tegenstand biedt, dat elke uiting belet of bedorven wordt; dit is het geval bij idiotisme en krankzinnigheid; dit zijn ziekelijke toestanden, en de ziel in die toestand niet geheel vrij zijnde, ontslaat de menselijke wet zelf haar van de verantwoordelijkheid van haar daden.

 

373. Welk nut kan het leven van zulke wezens opleveren, die evenals de idioten en cretins, goed noch kwaad kunnen doen en dus ook geen vorderingen kunnen maken?

"Het is een boetedoening, die voor het misbruik dat men van zekere vermogens gemaakt heeft, kan opgelegd worden; het is een tijd van stilstand."

- Het lichaam van een idioot kan dus de geest bevatten, die in een vorig bestaan een man van genie bezield heeft?

"Ja, het genie wordt dikwijls een gesel, wanneer men er misbruik van maakt."

 

De zedelijke meerderheid houdt niet altijd gelijke tred met de verstandelijke ontwikkeling, en de grootste vernuften kunnen dikwijls veel te boeten hebben; daarom hebben zij dikwijls een lager leven te ondergaan dan dat, hetwelk zij reeds beėindigd hebben, en dit is voor hen een bron van lijden; de beletselen, die de geest in zijn uitingen ondervindt zijn voor hem als de ketenen, waarmede de bewegingen van een fors mensen bedwongen worden. Men kan van de cretins en idioten zeggen dat zij door hun hersenen verminkt zijn zoals de kreupele dit door zijn benen en de blinde het door zijn ogen is.

 

 

374. Heeft de idioot, in zijn staat van geest, besef van zijn innerlijke toestand?

"Ja, zeer dikwijls; hij begrijpt dat de ketenen, die zijne vlucht beletten, een beproeving en boetedoening zijn."

 

375. Welk is de toestand van de geest bij krankzinnigheid?

"Wanneer de geest zich in vrijheid bevindt, ontvangt hij onmiddellijk zijn indrukken en oefent hij onmiddellijk zijn werking op de stof uit; maar geļncarneerd zijnde, vindt hij zich onder geheel andere voorwaarden geplaatst, en kan hij dit niet anders dan door middel van bijzondere organen doen. Indien die organen gedeeltelijk of wel geheel ontstemd zijn, zal zijn werking op of zijn indrukken van dezelfde, voor zover die organen betreft, opgeheven zijn. Indien hij zijn ogen verliest, wordt hij blind; verliest hij het orgaan van het gehoor, dan wordt hij doof, en zo verder. Stel, u nu voor dat het orgaan, waardoor de uitingen van het verstand en van de wil plaatsvinden, gedeeltelijk of geheel aangetast of gewijzigd wordt, en gij zult gemakkelijk begrijpen, dat de geest, geen andere dan onvolledige of ontstemde werktuigen tot zijn beschikking hebbende, er een verstoring opvolgen moet, waarvan de geest door zichzelf, en diep in zijn binnenste, volmaakt bewust is, maar welker loop hij niet bij machte is te stuiten."

- Het is dus altijd het lichaam en niet de geest, die ontstemd is?

"Ja, maar men moet niet uit het oog verliezen, dat evenals de geest op de stof invloed uitoefent, deze ook op de geest in zekere mate terugwerkt, en de geest zich door de verandering, die de organen, door middel van welke hij zich uit en zijne indrukken ontvangt, ondergaan hebben, gedrukt kan worden. Het kan gebeuren dat als de krankzinnigheid gedurende geruime tijd heeft aangehouden, de gedurige herhaling van dezelfde handelingen, eindelijk in een invloed vergaat, van welke hij niet meer dan na algehele verwijdering van alle stoffelijke indrukken, kan verlost worden."

 

376. Hoe komt het dat krankzinnigheid soms tot zelfmoord leidt?

"De geest lijdt door de dwang, die hij ondervindt en door de onmacht waarin hij zich bevindt om zich te kunnen uiten, daarom zoekt hij in de dood een middel om zijne banden te verbreken."

 

377. Ondervindt de geest van de krankzinnige nog na de dood het gevolg van de ontstemming van zijn vermogens?

"Hij kan die nog enige tijd na de dood ondervinden totdat hij geheel van de stof los is, zoals iemand, wakker wordende, nog enige tijd de verwarring voelt, waarin hij door de slaap gedompeld is geweest."

 

378. Hoe kan de ontstemming van de hersenen nog na de dood op de geest werken?

"Het is een herinnering; de geest gaat gebukt onder een gewicht, en daar hij van al hetgeen gedurende zijn krankzinnigheid gebeurd is, geen bewustzijn heeft, moet er altijd enige tijd voorbijgaan om zich weer op de hoogte te kunnen stellen; daarom zal, hoe langer de krankzinnigheid geduurd heeft, de knelling, de dwang na de dood, ook des te langer aanhouden. De geest van het lichaam verlost, voelt nog enige tijd de druk van zijn banden."

 

 

De kindsheid.

 

 

379. Is de geest, die een kind bezielt, even ontwikkeld als die van een volwassene?

"Hij kan meer ontwikkeld zijn, indien hij vorderingen gemaakt heeft; het zijn alleen de onvolmaakte organen die hem beletten zich te uiten. Hij handelt naarmate het werktuig, door middel waarvan hij zich openbaren kan, hem dit mogelijk maakt."

 

380. Denkt de ziel van een jong kind, de beletselen daargelaten die de onvolkomenheid van de organen aan zijn vrije uiting in de weg leggen, als een kind of als een volwassen mens?

"Het is natuurlijk, dat, daar zijn verstandsorganen, zolang als hij kind is, nog niet ontwikkeld zijn, deze hem niet alle de ingevingen van een volwassene kunnen geven; zijn verstand is dan in afwachting dat de tijd zijn intelligentie tot rijpheid zal gebracht hebben, inderdaad zeer beperkt. De verwarring, die met de incarnatie gepaard gaat, houdt niet dadelijk met de geboorte op, maar wordt slechts langzamerhand naarmate de organen zich ontwikkelen opgeheven."

 

 

Dit antwoord wordt door een waarneming bevestigd en is deze: dat de dromen van een kind niet het karakter van die van de volwassenen hebben; het onderwerp van hun dromen is bijna altijd kinderachtig; waardoor de aard van de overdenkingen van de geest aangetoond worden.

 

 

381. Herkrijgt de geest bij de dood van het kind onmiddellijk zijn vorige kracht?

"Dit moet wel zo zijn, aangezien het van zijn vleselijk omhulsel verlost is; hij herkrijgt evenwel zijn vorige helderheid eerst dan, als de losmaking van het lichaam volkomen is, dat wil zeggen, nadat er geen enkele band meer tussen geest en lichaam overgebleven is."

 

382. Lijdt de geest gedurende de kindsheid door de dwang, die hem door de onvolkomenheid van zijne organen wordt opgelegd?

"Nee, die toestand is noodzakelijk, het is in de natuur en volgens de inzichten van de Voorzienigheid, het is een tijd van rust voor de geest."

 

383. Welk nut heeft het voor de geest om de tijd van de kindsheid te moeten doorlopen?

"De geest incarneert zich met het doel om zich te volmaken, en is in die tijd meer vatbaar voor de indrukken die hij ontvangt, en die hem tot zijn vooruitgang bevorderlijk kunnen zijn, en hiertoe moeten degene medewerken, aan wie zijn opvoeding opgedragen is."

 

384. Waarom weent het kind bij de eerste kreet die het slaakt?

"Om de belangstelling van de moeder opwekken, en om tot het verlenen van de zorg, die het nodig heeft, aan te sporen. Begrijpt gij niet, dat indien het, nog niet kunnende spreken, alleen vreugdekreten te slaken had, men weinig aan de voldoening van zijn behoeften zou denken? Bewonder dus in alles de wijsheid van de Voorzienigheid."

 

385. Waardoor ontstaat de verandering in het karakter, die op zekere leeftijd, en vooral op het einde van de jongelingsjaren plaats vindt; is het de geest die een wijziging ondergaat?

"Het is de geest, die zijn eigen natuur herneemt, en zich toont, zoals hij geweest is.

Gij kent het geheim niet, hetwelk de kinderen in hun onschuld verbergen; gij weet niet wat zij zijn, noch wat zij geweest zijn of worden zullen; en toch hebt gij hen lief, gij bemint ze tederlijk, alsof zij een deel van uw eigen ik waren, zodat de liefde van een moeder voor hare kinderen voor de sterkste liefde, die een schepsel voor een ander schepsel hebben kan, gehouden wordt. Vanwaar die liefderijke toegenegenheid, die tedere welwillendheid, die zelfs vreemden voor kinderen voelen? Weet gij het? Nee? Dan zal ik het u verklaren.

“Kinderen zijn de schepselen, die God in een nieuw leven zendt, en opdat zij Hem geen te grote gestrengheid zouden kunnen verwijten, bekleedt Hij ze met al het uiterlijke der onschuld; zelfs bij een slechtgeaard kind, vergoelijkt men zijn misslagen door hem, bewustzijn van het verkeerde van zijn handelingen, te ontzeggen. Deze onschuld is geen wezenlijke meerdere voortreffelijkheid boven hetgeen zij vroeger waren; nee, het is het beeld van hetgeen zij zouden moeten zijn, en indien zij dit niet zijn, valt op hen alleen, daarvoor de kastijding.

“Maar het is niet alleen om hunnentwil dat God hen dat uiterlijk gegeven heeft, maar ook, en wel voornamelijk voor hun ouders, van wie de liefde zij in hun zwakke toestand zo nodig hebben, en die liefde zoude door het gezicht van een kregelig en stug karakter zeer verminderen terwijl zij gelovende dat hun kinderen goed en zachtaardig zijn, hen al de liefde, waarvoor zij vatbaar zijn, schenken, en hen met de tederste zorgen omringen. Maar als de kinderen die bescherming niet meer nodig hebben, als zij die hulp, die men hen gedurende vijftien of twintig jaren verleend heeft, kunnen ontberen; dan komt hun wezenlijk en individueel karakter in alle naaktheid voor de dag; indien het goed van natuur was, blijft het goed, maar er doen zich dan toch schakeringen voor, die in zijn prille jeugd verborgen waren gebleven.

“Gij ziet dat Gods wegen altijd de beste zijn; en dat als men een rein hart bezit, de verklaring ervan gemakkelijk te begrijpen is.

“En inderdaad, bedenk wel dat de geesten van de onder u geboren wordende kinderen, van een wereld kunnen komen, op welke zij geheel met de onze verschillende gewoonten hebben kunnen aannemen; hoe zoudt gij willen dat onder u dat nieuwe wezen, met geheel andere driften dan de uwe, met geheel met de uwe strijdige neigingen en smaken voorzien, hoe zoudt gij willen dat het zich onder uw gelederen zoude kunnen voegen, anders dan op de wijze zoals God dit gewild heeft, dat wil zeggen door de zeef der kindsheid? Daar komen alle gedachten, alle karakters, alle die verschillende wezens, voorgebracht door die menigte werelden, op welke alle schepselen zich ontwikkelen, zich met elkaar vermengen. En gij zelf stervende, komt ook in een zekere kindsheid onder nieuwe broeders; en in uw nieuw niet aards bestaan, kent gij evenmin de gewoonten, zeden, betrekkingen van die voor u nieuwe wereld; gij zult met moeite een taal stamelen, die u ongewoon is en die levendiger is, dan nu uw gedachten zijn (zie 319).

“De kindsheid heeft ook nog een ander nut: de geesten treden alleen het lichamelijk leven in, om zich te volmaken, zich te beteren; de zwakheid van de jeugd maakt hen buigzaam, en toegankelijk voor de raadgevingen van de ondervinding en van hen wiens taak het is hen vooruit te doen gaan; het is gedurende die tijd dat men hun inborst kan verbeteren en hun slechte neigingen kan bestrijden; dit is de plicht, die God aan de ouders heeft toevertrouwd: een heilige opdracht, waarover zij eens rekenschap zullen afteleggen hebben.

“Op die wijze is de kindsheid, niet alleen nuttig, noodzakelijk en onontbeerlijk, maar zij is het natuurlijk gevolg van de wetten, die God heeft vastgesteld, en waarnaar dit heelal bestuurd wordt."

 

 

Aardse sympathie en tegenzin.

 

 

386. Kunnen twee wezens, die elkaar gekend en lief gehad hebben, zich in een ander lichamelijk leven terugvinden en herkennen?

"Elkaar herkennen, nee, maar tot elkaar aangetrokken worden, ja; en dikwijls hebben innige op oprechte genegenheid gegronde vriendschapsbetrekkingen, geen andere oorzaak. Twee wezens komen ogenschijnlijk door toevallige omstandigheden met elkaar in aanraking, maar het is niet anders dan de aantrekking, die twee geesten, die elkaar onder de grote menigte opzoeken, op elkaar uitoefenen."

- Zou het niet aangenamer voor hen zijn, als zij elkaar herkenden?

"Niet altijd; de herinnering van de vroegere levens zou groter ongelegenheden, dan gij wel denkt, kunnen veroorzaken. Na de dood zullen zij zich weder herkennen, en zullen zij weten hoeveel tijd zij tezamen doorgebracht hebben." (zie 392).

 

387. Heeft de sympathie altijd een vroegere kennismaking tot grondslag?

"Nee, twee geesten die elkaar bevallen, zoeken elkaar op natuurlijke wijze op; zonder dat zij elkaar als mensen gekend hebben."

 

388. Zou het ontmoeten van sommige mensen, dat men aan het toeval toeschrijft, niet het gevolg zijn van een soort van simpathetische betrekking tot elkaar?

"Er bestaan banden tussen de denkende wezens, die gij nog niet kent. Het magnetisme is de wegwijzer in die wetenschap die gij later beter zult begrijpen."

                  

389. Waaraan moet men de instinctmatige afkeer toeschrijven, die men dikwijls op het eerste gezicht voor sommige mensen voelt?

"Het zijn van elkaar afkerige geesten, die een voorgevoel hebben, en elkaar herkennen, zonder met elkaar gesproken te hebben."

 

390. Is de instinctmatige tegenzin altijd een bewijs van een slechte natuur?

"Omdat twee geesten een tegenzin voor elkaar voelen, behoeven zij daarom nog niet noodwendig slecht te zijn; de tegenzin kan zijn oorsprong in gebrek aan overeenstemming van gedachten hebben, maar naarmate zij zich verheffen vermindert het verschil in gevoelens en verdwijnt de tegenzin."

 

391. Begint de tegenzin tussen twee mensen, bij degene waarvan de geest het slechtste, of bij degene, wiens geest de beste is?

"Bij de een zowel als bij de andere, maar de oorzaken en de uitwerkselen zijn verschillend. Een slechte geest voelt tegenzin voor elk een die hem beoordelen en ontmaskeren kan; als hij voor het eerst iemand ziet, dan weet hij dat hij afkeuring zal ontmoeten; zijn afkeer gaat in haat, in jaloezie over en boezemt hem de zucht in om kwaad te doen. De goede geest voelt afkeer voor de slechte, omdat hij weet dat deze hem niet begrijpen zal en zij dezelfde gevoelens niet delen; maar sterk door zijn meerderheid, voelt hij tegen hem geen haat noch jaloersheid; hij bepaalt er zich bij, hem te ontwijken en te beklagen."

 

 

Het vergeten van het verleden.

 

 

392. Waarom verliest de geļncarneerde geest de herinnering van zijn verleden?

"De mens kan en mag niet alles weten; God wil dit zo in zijn wijsheid. Zonder de sluier, die vele dingen voor hem verborgen houdt, zou hij verblind worden, zoals degene, die zonder overgang van het duister in het licht komt. Door het vergeten van het verleden behoort hij meer zichzelf toe."

 

393. Hoe kan de mens verantwoordelijk zijn voor, en zich van feiten vrijpleiten waarvan hij geen herinnering meer heeft? Hoe kan hij gebruik maken van een ondervinding, die hij gedurende levens, die in vergetelheid zijn geraakt, heeft opgedaan? Men kan begrijpen dat de wederwaardigheden van het leven, voor degene die zich kan herinneren door welke oorzaak hij zich die op de hals gehaald heeft, een les kan zijn maar van het ogenblik af dat hij het zich niet herinnert, is ieder bestaan voor hem alsof het het eerste is, en het is dus telkens weer van nieuws af aan beginnen. Hoe kunnen wij dat met Gods rechtvaardigheid overeenbrengen?

"Bij ieder nieuw bestaan, heeft de mens meer verstand en kan beter goed van kwaad onderscheiden. Welke verdienste zou het hebben, indien hij zich al het verleden kon herinneren? Wanneer de geest in zijn oorspronkelijk leven (het geestenleven) terugkeert, ontrolt zich zijn geheel verleden voor hem, hij ziet de misslagen, die hij begaan heeft en die de oorzaak van zijn lijden waren, en ook datgene, waardoor hij die had kunnen voorkomen, hij begrijpt dat de toestand waarin hij zich geplaatst vindt, rechtvaardig is, en zoekt dan een bestaan waardoor hij het vorige zal kunnen herstellen. Dan zoekt hij beproevingen, gelijk aan die, welke hij reeds ondergaan heeft, of worstelingen, die hij tot zijn vooruitgang bevorderlijk, acht, en vraagt aan boven hem verheven geesten, hem in die nieuwe taak behulpzaam te willen zijn, want hij weet dat de geest, die hem als leidsman in dat nieuwe leven zal gegeven worden, trachten zal hem de begane misslagen te doen herstellen, door hem bij wijze van ingeving degene, die hij begaan heeft, te doen kennen. Diezelfde ingeving is de gedachte, de misdadige begeerte, die dikwijls bij u opkomt, en waartegen gij u instinctmatig verzet; meestal schrijft gij dit verzet toe aan de goede beginselen, die uw ouders u hebben ingeprent, terwijl het de stem van uw geweten is, die tot u spreekt; en die stem is de herinnering van het verleden, de stem, die u waarschuwt niet in dezelfde misslag, die gij reeds eens begaan hebt, te vervallen. De geest, dit nieuw leven ingetreden zijnde, zal, indien hij die beproevingen met moed draagt en er weerstand aan biedt, zichzelf verheffen en in de hiėrarchie van de geesten opklimmen, wanneer hij onder dezen terugkeert."

 

Indien wij gedurende het lichamelijk leven al geen juiste herinnering hebben van hetgeen wij geweest zijn, en van het goed of kwaad dat wij in onze vorige levens gedaan hebben, dan bezitten wij er toch de intuļtie van, en ons instinctmatig streven, is een zwakke herinnering van ons verleden, waartegen ons geweten, dat de begeerte is om dezelfde misslagen niet meer te begaan, ons waarschuwt weerstand te bieden.

 

394. Begrijpen de mensen, op meer gevorderde werelden dan de onze, op die werelden, waar men niet ten prooi van alle onze natuurlijke behoeften, noch van die van onze gebreken is, begrijpen zij daar, dat zij gelukkiger zijn dan wij? In het algemeen is geluk betrekkelijk, men voelt het als men het met een minder gelukkige toestand vergelijkt. En daar ten slotte enige van die werelden, ofschoon beter dan de onze, niet volmaakt zijn, moeten de mensen, die dezen bewonen, toch enige rede van verdriet van een andere aard hebben. Onder ons ondervindt de rijke, ofschoon hij niet zoals de arme de zorgen der stoffelijke behoeften kent, toch wederwaardigheden, die zijn leven vergallen. En nu vraag ik, of de bewoners van die werelden, op hun standpunt zichzelf niet even ongelukkig als wij beschouwen, en of zij zich niet, daar zij geen herinnering van een minder bestaan als punt van vergelijking hebben, over hun lot beklagen?

"Hierop moet men twee verschillende antwoorden geven. Onder de werelden waarvan gij spreekt, zijn er, waarvan de bewoners een zeer juiste en heldere herinnering van hun verleden hebben; dezen, dit begrijpt gij, kunnen het geluk dat God hun toestaat met volle teugen te genieten, op hoge prijs stellen en weten te waarderen; maar er zijn andere op welke de bewoners, ofschoon in een betere toestand verkerende dan gij, zoals gij zegt, toch grote verdrietelijkheden ondervinden; dezen waarderen hun geluk niet, juist omdat zij geen herinnering van een nog ongelukkiger toestand hebben. Maar zo zij het niet als mens waarderen, doen zij dit toch als geest."

 

Is de hand van de Voorzienigheid in dit vergeten van de vroegere levens vooral als zij moeilijk geweest zijn, niet zichtbaar en herkent men hierin niet de Goddelijke wijsheid? Het is eerst in die verheven werelden, waar de herinnering van ons afgelopen ongelukkig bestaan, niets meer dan een bange droom is, dat dit verleden weder in ons geheugen terug komt. Zoude in de lagere werelden ons tegenwoordig lijden door de herinnering van al wat men reeds geleden heeft niet verzwaard worden? Daar ons dus hier uit besluiten, dat al wat God doet, wel gedaan is, en dat het ons niet betaamt om zijn werken te bedillen, of te zeggen hoe Hij het heelal had moeten inrichten.

De herinnering van onze vroegere individualiteiten zou zeer ernstige bezwaren hebben: het zou ons in vele gevallen zeer kunnen beschamen, in andere onze hoogmoed opwekken en daardoor onze vrije wil kunnen belemmeren. God heeft ons, juist wat ons om ons te verbeteren, nodig en voldoende is, gegeven: de stem van het geweten en onze instinctmatige neigingen; hij ontneemt ons wat ons zou kunnen schaden. Voegen wij hier bij, dat indien wij ons onze eigene daden herinnerden, wij ons die ook van anderen zouden herinneren, en dat die wetenschap de schromelijkste gevolgen voor de maatschappelijke betrekkingen zouden kunnen hebben; daar wij niet altijd rede hebben om ons over ons verleden te verhovaardigen, zo is het dikwijls gelukkig dat er een sluier over geworpen is. Dit stemt geheel met de leer van de geesten over de boven ons verheven werelden overeen. Op die werelden waar alleen het goede heerst, heeft de herinnering aan het verleden niets pijnlijks; daarom herinnert men zich daar zijn vorige levens, zoals wij ons herinneren wat wij de vorige dag gedaan hebben. Wat de herinnering aan het verblijf op de mindere werelden aangaat, deze is, zoals wij reeds gezegd hebben, niets meer dan een bange droom.

 

 

395. Kunnen wij enige openbaringen omtrent onze vroegere levens ontvangen?

"Niet altijd, velen weten evenwel wat zij geweest zijn en gedaan hebben; indien het hun veroorloofd was het hardop te mogen zeggen, zouden zij zonderlinge openbaringen over het verleden doen."

 

396. Enige mensen vermenen een duistere herinnering van een onbekend verleden te bezitten, dat zich bij hen als het voorbijgaande beeld van een droom, die men tevergeefs tracht in het geheugen te vestigen, voordoet. Is dit denkbeeld slechts een illusie?

"Het is soms de werkelijkheid; maar het is dikwijls slechts een illusie, voor welke men zich wachten moet, want het kan dikwijls het gevolg van een verhitte verbeelding zijn."

 

397. Is de herinnering aan de voorafgegane levens, bij wezens, die een meer verheven lichamelijk leven dan het onze leiden, duidelijker?

"Ja, naarmate het lichaam minder stoffelijk is, herinnert men zich beter. De herinnering van het verleden is helderder voor hen, die de werelden van een verheven orde bewonen."

 

398. Daar de instinctmatige neigingen van de mens een flauwe herinnering van zijn verleden zijn, vloeit daar dan uit voort, dat hij door de studie van die neigingen de misslagen, die hij in vorige levens begaan heeft, kan leren kennen?

"Ongetwijfeld tot op zekere hoogte; maar men moet de verbetering die hij als geest heeft kunnen ondergaan en de voornemens, die hij in zijn staat van omdoling opgevat heeft, niet over het hoofd zien; het tegenwoordige leven kan veel beter zijn dan het vorige was."

- Kan het tegenwoordige leven slechter dan het vorige wezen; dat wil zeggen, kan de mens in zijn tegenwoordig leven misslagen begaan, die hij in een vorig niet begaan heeft?

"Dit hangt van de door hem gemaakte vorderingen af; indien hij aan de beproevingen geen weerstand weet te bieden, kan hij ertoe komen, nieuwe misslagen, die een gevolg zijn van de plaats, die hij zelf gekozen heeft, te begaan, maar in het algemeen zijn deze misslagen meer een bewijs van stilstand dan teruggang want de geest kan op dezelfde hoogte blijven staan, maar gaat niet achteruit."

 

399. Daar de wederwaardigheden van het lichamelijk leven tevens een boetedoening voor de vroegere misslagen en beproevingen voor de toekomst zijn, vloeit hieruit dan voort dat men uit de aard van die wederwaardigheden de aard van het vorige leven kan opmaken?

"Zeer dikwijls, daar iedereen door hetgeen, waardoor hij gezondigd heeft, gestraft wordt; dit is evenwel geen vaste regel; de instinctmatige neigingen zijn een meer zekere aanwijzing, want de beproevingen, die de geest ondergaat, zijn zowel voor de toekomst als voor het verleden."

 

 

De geest aan de eindpaal gekomen zijnde, die door de Voorzienigheid voor zijn leven van omdoling vastgesteld is, kiest zelf de beproevingen uit, aan welke hij zich wil onderwerpen om zijn vooruitgang te bespoedigen, dat wil zeggen, hij kiest het soort van bestaan uit, dat hij het geschiktste oordeelt om hem daartoe de middelen te verschaffen, en deze beproevingen staan altijd in verband, met de misslagen voor welke hij boeten moet. Indien hij overwint, klimt hij op; indien hij bezwijkt, moet hij van nieuws af aan beginnen.

De geest blijft altijd zijn vrije wil behouden; het is ten gevolge van die vrije wil dat hij als geest de beproevingen van het aardse leven kiest, en geļncarneerd zijnde overweegt, of hij doen of niet doen zal, en tussen goed en kwaad een keuze doet. Door bij de mens een vrije wil te ontkennen, verlaagt men hem tot een werktuig.

In het lichamelijk leven teruggekeerd, verliest de geest, als ware er een sluier over geworpen die het voor hem verborgen houdt, tijdelijk de herinnering van zijn vroegere levens; evenwel heeft hij er nu en dan een duister bewustzijn van, en in sommige gevallen kunnen zij hem zelfs geopenbaard worden, maar dit gebeurt alleen ten gevolge van de wil van de verhevene geesten, die dit met een goed doel uit eigen beweging doen, en nooit om een ijdele nieuwsgierigheid te bevredigen.

De toekomstige levens kunnen in geen geval geopenbaard worden omdat deze afhankelijk zijn van de wijze, waarop men het tegenwoordige leven vervult en van de latere keuze van de geest.

De niet herinnering van de begane misslagen is geen hinderpaal voor de verbetering van de geest, want zo hij er al geen juiste herinnering van heeft, wordt hij door die welke hij er in zijn staat van omdoling van had, en de zucht, die hij verkregen heeft om ze te herstellen, bij intuļtie geleid, en ontstaat bij hem de gedachte om aan het kwaad weerstand te bieden; die gedachte is de stem van zijn geweten, waarbij hij door de geesten, die hem ter zijde staan geholpen wordt indien hij aan de goede ingevingen, die ze bij hem opwekken, gehoor geeft.

Zo de mens al niet de daden zelf, die hij in zijn vroegere leven bedreven heeft, kent, dan kan hij toch altijd weten aan welke soort van misslagen hij zich schuldig gemaakt heeft, en welke de hoofdgebreken van zijn karakter geweest zijn. Hiertoe is het alleen nodig zichzelf te bestuderen, en dan zal hij niet door hetgeen hij nu is, maar aan zijn neigingen kunnen beoordelen wat hij vroeger geweest is. De wederwaardigheden van het lichamelijk leven zijn een boetedoening voor de vroeger begane misslagen en tevens beproevingen voor de toekomst. Die wederwaardigheden reinigen en verheffen ons, al naarmate wij die met gelatenheid en zonder morren dragen.

De aard van de wederwaardigheden en beproevingen die wij ondergaan kan ons ook inlichting geven omtrent hetgeen wij geweest zijn en over hetgeen wij gedaan hebben, zoals wij hier op aarde de daden van een misdadiger beoordelen naar de zwaarte van de straf, die hem door de wet opgelegd is. Zo zal de een in zijn hoogmoed door de vernedering van een leven in ondergeschikten stand, gestraft worden; de slechte rijke en de gierigaard door gebrek; hij die hardvochtig voor anderen geweest is, door de hardheid die hij zal ondervinden; de dwingeland door slavernij; de slechte zoon, door de ondankbaarheid van zijn kinderen; de vadsige door gedwongen arbeid, enz.

(vorige)						(volgende)