Achtste Hoofdstuk.
Vrijheid van de Ziel.
De slaap en de dromen. Geestelijk bezoek tussen levende
personen. Geheime overbrenging van de gedachte. Lethargie. Katalepsie.
Schijndood. Somnambulisme. Geestvervoering. Tweede gezicht. Theoretisch
overzicht van het somnambulisme, de geestvervoering en het tweede gezicht.
400. Vertoeft de geïncarneerde geest gaarne in zijn lichamelijk
hulsel?
"Het is alsof gij vraagt of de gevangene gaarne opgesloten
is. De geïncarneerde geest haakt onophoudelijk naar zijn verlossing, en hoe
grover het omhulsel is, des te meer wenst hij ervan verlost te worden."
401 - Rust de ziel gedurende de slaap zoals het lichaam?
"Nee, de geest is nooit werkeloos. Gedurende de slaap
worden de banden, waarmede hij aan het lichaam verbonden is losser, en het
lichaam dan de ziel niet nodig hebbende, komt deze meer in onmiddellijke
aanraking met de andere geesten."
402. Hoe kunnen wij over de vrijheid van de geest gedurende de
slaap oordelen?
"Door de dromen. Wees verzekerd dat als het lichaam rust,
de geest meer vermogens bezit dan gedurende het waken; dan herinnert hij zich
het verleden en voorziet soms de toekomst, hij verkrijgt dan meer macht, en kan
zich in betrekking met de andere geesten stellen, hetzij op deze of op een
andere wereld. Dikwijls zegt gij: Ik heb een zonderlingen een afgrijselijke,
maar geheel onwaarschijnlijke droom gehad; hierin vergist gij u; het is
dikwijls een herinnering aan het oord of aan iets dat gij gezien hebt, of dat
gij in een ander leven of op een ander ogenblik zien zult. Terwijl het lichaam
verdoofd is, tracht de geest door in het verleden of in de toekomst te zoeken,
zijn ketenen te verbreken.
Arme mensen, hoe weinig kent gij de meest gewone verschijnselen
van het leven! Gij denkt zeer geleerd te zijn, en op de meest alledaagse dingen
weet gij geen antwoord te geven; op de vraag, die alle kinderen doen: wat doen
wij als wij slapen? Wat is dromen? Blijft gij het antwoord schuldig.
De slaap maakt de ziel gedeeltelijk van het lichaam vrij.
Wanneer men slaapt, is men tijdelijk in die toestand, die na de dood blijvend
is. De geesten, die bij hun dood spoedig van de stof bevrijd zijn, hebben
intelligente dromen gehad; deze herenigen zich gedurende de slaap met de
maatschappij van de andere boven hen verhevene wezens; zij reizen, spreken met
en leren door dezen; zelfs arbeiden zij aan werken, die zij, als zij sterven
geheel gereed vinden. Dit moet u nog meer leren de dood niet te vrezen, daar
gij volgens de woorden van een heilige: alle dagen sterft.
Dit is zo, voor zover het de verheven geesten betreft; maar de
massa, die bij hun dood, lange uren in die verwarring en die onzekerheid,
waarover ik u gesproken heb, moeten blijven verkeren, deze gaan, hetzij naar
mindere werelden dan de aarde, waar vroegere genegenheid hen roept, of waar zij
wellicht nog lagere vermaken dan die welke zij op aarde genieten, opzoeken; zij
gaan daar leerstellingen opdoen, nog slechter, onedeler en schadelijker dan
die, welke zij in ons midden verkondigen. En hetgeen de sympathie op aarde doet
ontstaan, is niets anders dan de daadzaak, dat men zich bij het ontwaken door
het hart meer tot hen genaderd vindt, met wie men acht of negen uur geluk en
vreugde gedeeld heeft. Dit verklaart ook zekere onoverwinnelijke afkeer, doordien
men in het binnenste van zijn hart weet, dat die mensen een ander geweten
hebben, dan wij, omdat men hen kent zonder ze ooit met de ogen gezien te
hebben. Ook zekere onverschilligheid wordt hierdoor verklaard; men tracht geen
nieuwe vrienden te maken, als men weet dat men er andere heeft, die ons
liefhebben en ons aankleven. In een woord, de slaap oefent een veel grotere
invloed op uw leven uit, dan gij denkt.
Door de slaap komen de geïncarneerde geesten altijd in aanraking
met de geestenwereld, en dit is de reden, waarom verheven geesten zonder al te
veel tegenzin genegen zijn zich onder u te incarneren. God heeft gewild dat zij
gedurende hun aanraking met de ondeugd, aan de bron van het goede nieuwe
krachten konden gaan putten, opdat zij, die anderen komen onderwijzen, zelf
niet dwalen zouden. De slaap is de poort, die God voor hen tot de vrienden in
de hemel geopend houdt; het is de ontspanning na de arbeid, in afwachting van
de grote verlossing, de eindelijk algehele vrijmaking, die hen tot hun ware
omgeving moet terug voeren.
De droom is de herinnering van hetgeen uw geest gedurende de
slaap gezien heeft; maar let wel op dat gij niet altijd droomt, doordien gij u
niet altijd wat of niet alles wat gij gezien hebt herinnert. Het is niet uw
ziel in hare gehele ontwikkeling; het is dikwijls slechts de herinnering aan de
verwarring, die met uw vertrek of uw terugkomst gepaard gaat, waarbij zich dan
de herinnering van hetgeen gij in wakenden toestand gedaan of waarover gij toen
gedacht hebt, komt voegen; hoe zoudt gij anders die ongerijmde dromen, die
zowel de meest geleerde als de eenvoudigste mens heeft, kunnen verklaren. De
kwade geesten maken ook van de dromen gebruik om zwakke en blohartige zielen te
kwellen. Trouwens zult gij eerlang een ander soort van dromen zich zien
ontwikkelen: even oud als de uwe, doch die u onbekend waren. De droom van een
Johanna van Orleans, die van Jacob, die van de Joodse profeten en van enige
Indische waarzeggers: zodanige droom is de herinnering van de geheel van het lichaam
losgemaakte ziel, de herinnering van dat tweede leven waarover ik uw zo straks
gesproken heb.
Tracht die twee soorten van dromen onder degenen die gij u
herinneren zult, van elkaar te onderscheiden, anders zoudt gij in
tegenstrijdigheden en in dwalingen vervallen, die voor uw geloof verderfelijk
zouden zijn".
Dromen zijn het product van de vrijheid van de ziel, die door de
schorsing van het werkdadig en maatschappelijke leven, onafhankelijk geworden
is. Daaruit vloeit een soort van onbeperkte helderziendheid voort die zich tot
de verst verwijderde oorden, of tot oorden, die men nooit gezien heeft en zelfs
tot andere werelden uitstrekt. Vandaar ook de herinnering, die ons
gebeurtenissen van het tegenwoordige of van vroegere levens voor de geest
brengt; vandaar het zonderlinge van de beelden van hetgeen in onbekende
werelden gebeurt of gebeurd is, die, met de dingen van de tegenwoordige wereld
dooreen gemengd, dat zonderlinge en verwarde geheel vormt, dat noch zin noch
verband schijnt te hebben.
De weinige samenhang van de dromen, vindt zijn verklaring in de
gapingen welke door de onvolmaakte herinnering van hetgeen ons in droom
verschenen is, teweeggebracht wordt. Het is als een verhaal, waarvan men op
goed geluk af zinnen of gedeelten van zinnen uitgelaten heeft; de overgebleven
brokstukken hij elkaar gevoegd, hebben dan alle verstandige betekenis verloren.
403. Hoe komt het, dat men zich niet altijd de dromen kan
herinneren?
"Bij hetgeen gij slapen noemt, is het slechts het lichaam
dat rust, want de geest is altijd werkzaam; dan herkrijgt hij een weinig van
zijn vrijheid, en stelt zich met degenen, die hem lief zijn, hetzij op deze
wereld of op ene andere in aanraking, maar daar het lichaam een zware en grove
stof is, behoudt dit moeilijk de indrukken, die door de geest ontvangen zijn,
omdat de geest die niet door middel van de organen van het lichaam ontvangen
heeft."
404. Wat moet men van de betekenis denken, die men aan de dromen
toeschrijft?
"De dromen zijn niet waar in de zin, die er de waarzeggers
aan geven, want het is ongerijmd te geloven dat als men dit of dat droomt, het
dan deze of geen betekenis heeft. Zij zijn waar in die zin dat zij voor de
geest werkelijke beelden zijn, maar die dikwerf niet de minste betrekking
hebben met hetgeen in het lichamelijke leven voorvalt; dikwijls is het ook,
zoals wij reeds gezegd hebben een herinnering; het kan eindelijk ook, als God
dit toestaat, een voorgevoel van de toekomst zijn, of wel het gezicht van
hetgeen op dat ogenblik in een ander oord, waarheen de ziel zich begeven heeft,
gebeurt. Zijn er niet vele voorbeelden dat mensen in de droom aan hun
bloedverwanten of vrienden verschijnen en hen komen waarschuwen wat er met hen
gebeurd is? Wat zijn die verschijningen anders, zo niet de ziel of geest van
die personen, die zich met de uwe in betrekking stellen? Wanneer gij de
zekerheid verkrijgt dat hetgeen wat gij gezien hebt wezenlijk gebeurd is, is
het dan geen bewijs dat de verbeelding daar niets mee te maken heeft gehad,
vooral als gij over het gebeurde in uw wakende toestand niet gedacht
hebt?"
405. Men ziet dikwijls in de droom dingen, die een voorgevoel
schijnen te zijn, en die niet vervuld worden; wat is hiervan de oorzaak?
"Zij kunnen, zo niet voor het lichaam, dan toch voor de
geest vervuld worden, dat wil zeggen dat de geest de dingen ziet, die hij wenst
omdat hij het gaat zoeken. Vergeet niet dat de ziel zich gedurende de slaap,
altijd meer of min onder de invloed van het lichaam bevindt, en dat zij zich
dus dientengevolge nooit geheel van de aardse denkbeelden los kan maken,
daaruit vloeit voort dat hetgeen de gedachte gedurende het waken heeft bezig
gehouden, aan hetgeen wat men ziet het uiterlijke voorkomen kan geven van
hetgeen men verlangt of waarvoor men vreest; dit is het wat men inderdaad een uitwerksel
van de verbeeldingskracht kan noemen. Wanneer een gedachte ons sterk bezig
houdt, knoopt men er alles, wat men ziet, aan vast."
406. Wanneer wij in onze dromen in leven zijnde mensen, die wij
zeer goed kennen, dingen zien doen, waaraan zij in het geheel niet denken, is
dit dan net louter een uitwerksel van de verbeeldingskracht?
"Waaraan zij in het geheel niet denken, hoe weet gij dat?
Hun geest kan de uwe komen bezoeken, zoals de uwe de hunne kan gaan opzoeken,
en gij weet niet altijd waaraan hij denkt. En dikwijls past gij op personen,
die u bekend zijn naar eigen lust dingen toe, die in een ander leven gebeuren
of gebeurd zijn."
407. Is er volkomen slaap nodig om de geest vrij te maken?
"Nee, de geest herkrijgt zijn vrijheid, wanneer de zintuigen
in verdoving raken; hij maakt van ieder ogenblik, waarin het lichaam hem met
rust laat, gebruik om zijn vrijheid te hernemen. Zodra er een grote
vermindering van de levenskrachten aanwezig is, maakt de geest zich los, en hoe
zwakker het lichaam, des te vrijer is de geest."
Hierdoor komt het dat men in de half slaap, of enkele verdoving van de zintuigen, dikwijls dezelfde beelden als in de droom, ziet.
408. Het komt ons soms voor, alsof wij in ons zelf duidelijk
woorden horen, die niet de minste betrekking hebben op hetgeen ons in gedachte
bezig houdt, hoe komt dit?
"Ja, en dikwerf gehele volzinnen, vooral als de zintuigen
in verdoving beginnen te raken. Het is dikwijls een zwakke weerklank van een
geest, die zich met u in betrekking wil stellen."
409. Dikwijls zien wij, in de toestand, die
nog geen half slapen kan genoemd worden, wanneer wij de ogen gesloten hebben,
duidelijk beelden, gezichten, waarvan wij de kleinste bijzonderheden kunnen
onderscheiden; is dit een gezichtsbegoocheling of een uitwerksel van de verbeeldingskracht?
"Als het lichaam in een staat van verdoving verkeert,
tracht de geest zijn ketenen te verbreken; hij raakt in vervoering en ziet;
indien de slaap volkomen ware, zou het een droom zijn."
410. Men heeft dikwijls gedurende de slaap of half slaap
denkbeelden, die zeer goed schijnen, en die men zich, welke moeite men daartoe
ook aanwendt, niet herinneren kan, en als uit het geheugen gewist schijnen;
vanwaar komen die denkbeelden?
"Zij zijn een uitvloeisel van de vrijheid van de geest, die
zich emancipeert en gedurende die ogenblikken in het bezit van meerdere
vermogens komt. Dikwijls zijn het ook raadgevingen, die door andere geesten
gegeven worden."
- Waartoe dienen die denkbeelden en raadgevingen, als men er de
herinnering van verliest en er dus geen gebruik van maken kan?
"Die denkbeelden behoren dikwijls meer tot de geesten dan
tot de lichamelijke wereld; maar meestal herinnert zich de geest, daar waar het
lichaam vergeet, en het denkbeeld komt op het ogenblik, dat men het nodig
heeft, als een ingeving van het ogenblik terug."
411. Kent de geïncarneerde geest in de ogenblikken dat hij van
de stof los is en als geest handelt, het tijdstip van zijn dood?
"Dikwijls heeft hij er een voorgevoel van; somwijlen heeft
hij er een zeer juist bewustzijn van, en dat is het, wat hem er in wakende
toestand de intuïtie van geeft; daardoor komt het dat enige mensen hun dood
soms met grote juistheid voorzien."
412. Kan de werkzaamheid van de geest gedurende de rust of in de
slaap van het lichaam, aan dit laatste vermoeienis doen voelen?
"Ja, want de geest is met het lichaam verbonden, zoals een
met touwen vastgehouden luchtballon met de paal, die hem tegenhoudt, en evenals
de schokken van de luchtballon de paal doet schudden, werkt de geest op het
lichaam, en kan aan dit vermoeienis doen voelen."
Geestelijk bezoek tussen levende personen.
413. Van het beginsel van de vrijmaking van de ziel gedurende de
slaap uitgaande, schijnt hieruit voort te vloeien dat wij gelijktijdig een
dubbel bestaan hebben: dat van ons lichaam dat ons in betrekking met de
buitenwereld, en dat van de ziel, dat ons in betrekking met de onzichtbare
wereld stelt; is dit juist?
"Gedurende de staat
van vrijheid van de ziel, doet het leven van het lichaam voor dat van de ziel
onder; maar het zijn daarom juist gezegd, geen twee levens; het zijn veeleer
twee afwisselende toestanden van hetzelfde leven, want de mens leeft niet
dubbel."
414. Kunnen twee mensen, die elkaar kennen, zich gedurende hun
slaap bezoeken?
"Ja, en nog vele anderen, die niet geloven elkaar te kennen
komen samen en spreken met elkaar. Gij kunt, zonder dat gij dit vermoedt,
vrienden in een ander land hebben.
Het, gedurende de slaap, vrienden, bloedverwanten, kennissen,
mensen, die ons van nut kunnen zijn, te gaan opzoeken, is zo veelvuldig, dat
gij dit zelf bijna alle nachten doet."
415. Welk nut kunnen die nachtelijke bezoeken hebben, als men er
zich niets van herinnert?
"Gewoonlijk blijft er een intuïtie bij het ontwaken van
over, en deze is dikwijls de oorzaak van sommige denkbeelden, die, als vanzelf,
zonder dat men het verklaren kan, opkomen, en dat geen andere denkbeelden zijn,
dan die welke men gedurende die gesprekken opgedaan heeft."
416. Kan de mens door zijn wil deze geestenbezoeken doen
ontstaan? Kan hij bijvoorbeeld inslapende, zeggen: ik wil deze nacht deze of
die mens in de geest ontmoeten, om er mee te spreken en hem dit of dat te
zeggen?
"Zie hier wat er gebeurt. De mens slaapt in, zijn geest
wordt wakker, en hetgeen de mens besloten had, wil dikwijls de geest in de
verste verte niet opvolgen, want het leven van de mens boezemt de geest als
deze van de stof los is, weinig belang in; dit voor zover het reeds vrij
vergevorderde mensen betreft, de anderen brengen hun geestelijk bestaan op een geheel
andere wijze door; zij geven zich aan de bevrediging van hun driften over of
blijven werkeloos. Het kan dus gebeuren, dat de geest al naar de bedoeling, die
men er mede heeft, de mensen naar welke hij verlangt, gaat bezoeken; maar omdat
dit in wakende toestand zijn wens was, is dit daarom nog geen reden dat hij het
doen zal."
417. Kunnen op die wijze een zeker aantal geïncarneerde geesten
bij elkaar komen en verenigingen daar stellen?
"Ongetwijfeld; de banden van vriendschap, zowel oude als
nieuwe, brengen op die wijze dikwijls geesten bijeen, die zich gelukkig voelen,
met elkaar te zijn."
Onder het woord oude moet men de vriendschapsbetrekkingen verstaan, die men in vroegere levens aangeknoopt heeft. Wij brengen bij ons ontwaken een intuïtie van denkbeelden mede, die wij in sommige van die geheime gesprekken opgedaan hebben, waarvan ons de oorsprong onbekend is.
418. Zou iemand, die zijn vriend dood waant, terwijl dit zo niet
is, die vriend in de geest kunnen ontmoeten, en op die wijze kunnen te weten
komen, dat hij nog in leven is? Zou hij in dat geval bij zijn ontwaken er nog
de intuïtie van kunnen bezitten?
"Als geest kan hij hem zeker zien en zijn lot kennen;
indien het hem niet als beproeving opgelegd is om aan de dood van zijn vriend
te geloven, zal hij een voorgevoel van zijn in leven zijn, hebben, zoals hij
ook die van zijn dood zal kunnen hebben."
Geheime overbrenging van de gedachte.
419. Hoe komt het, dat hetzelfde denkbeeld, bij voorbeeld van
een uitvinding, zich tegelijkertijd op vele punten openbaart?
"Wij hebben reeds gezegd dat de geesten, gedurende de slaap
met elkaar verkeren, wel nu, wanneer het lichaam weder ontwaakt, herinnert zich
de geest wat hij geleerd heeft, en de mens gelooft het uitgevonden te hebben;
zo kunnen onderscheiden mensen tegelijk hetzelfde uitvinden; als gij zegt dat
denkbeeld zit in de lucht, is dit een juister beeld dan gij wel denkt; zonder
zulks te vermoeden draagt iedereen er het zijne aan bij om het te
verspreiden."
Onze geest openbaart dikwijls op die wijze, buiten ons weten, aan andere geesten datgene, wat ons gedurende ons waken het meeste bezig hield.
420. Kunnen de geesten hun gedachte aan elkaar meedelen, als het
lichaam volkomen wakker is?
"De geest is niet in het lichaam als een doos opgesloten;
hij straalt naar alle kanten uit; daarom kan hij zich aan andere geesten zelfs
in wakende toestand, ofschoon hem dit veel moeilijker is, openbaren."
421. Hoe komt het dat twee mensen, die volmaakt wakker zijn,
dikwijls op hetzelfde ogenblik dezelfde gedachte hebben?
"Het zijn twee simpathetische geesten, die zich aan elkaar
openbaren en wederkerig, zelfs als het lichaam niet slaapt, elkaar gedachten
zien."
Er heeft tussen de geesten, die elkaar ontmoeten een overbrenging van de gedachten plaats, waardoor twee mensen elkaar zien en begrijpen zonder dat zij de uitwendige tekenen van de taal behoeven te gebruiken. Men zou kunnen zeggen dat zij de taal der geesten met elkaar spreken.
Lethargie. Katalepsie. Schijndood.
422. De mensen, die in lethargie of katalepsie verkeren, zien en
horen gewoonlijk wat rondom hen omgaat, maar kunnen dit niet uiten; zien en
horen zij door de ogen en oren van het lichaam?
"Nee, door de geest; de geest herkent zichzelf maar kan
zich niet uiten."
Waarom kan hij zich niet uiten?
"Het wordt hem door de toestand, waarin het lichaam
verkeert belet; deze bijzondere toestand van de organen bewijst u dat er in de
mens nog iets anders is, dan het lichaam, daar het lichaam niet meer handelt en
de ziel wel."
423. Kan de geest zich in de toestand van lethargie geheel van
het lichaam afscheiden, en dit, geheel het voorkomen van de dood geven, om er
later weder in terug te komen?
"Gedurende de lethargie, is het lichaam niet dood, daar er
nog verrichtingen plaats vinden; de vitaliteit is latent zoals in de larve,
maar niet vernietigd; en zolang het lichaam leeft, blijft de geest met
hetzelfde verbonden; eens de banden, die hem daarmee verenigen, door de
werkelijke dood en de ontbinding van de organen verbroken, is de scheiding
volkomen en komt de geest niet meer in het lichaam terug. Als iemand, die het
voorkomen van een dode heeft, weder in het leven terugkeert, komt dit, doordien
de dood niet volkomen was."
424. Kan men, door bijtijds aangewende hulp, de banden van het
leven die op het punt waren zich te begeven versterken, en aan iemand het leven
teruggeven, die zonder die hulp, bepaald gestorven zou zijn?
"Ja, zonder twijfel, en dagelijks komen er u de bewijzen
van voor ogen. Het magnetisme is dikwijls in dat geval een krachtig middel,
omdat het aan het lichaam het levensgevende fluïdum, dat aan dit ontbreekt en
ongenoegzaam was om de werking van de organen te onderhouden, terug
geeft."
Lethargie en Katalepsie hebben dezelfde oorsprong en wel: het tijdelijk verlies van gevoel en bewegingen door een tot dusverre onverklaarbare fysiologische oorzaak; zij zijn daarin van elkaar onderscheiden, dat in de lethargie, de opheffing van levenskrachten algemeen is en aan het lichaam geheel het uiterlijke aanzien van een lijk geeft; in de katalepsie, is die opheffing plaatselijk en kan een grootser of kleiner gedeelte van het lichaam getroffen hebben, waardoor aan de intelligentie de vrijheid gelaten wordt om zich te uiten, waardoor men die toestand niet met die van de dood kan verwarren. De lethargie is altijd natuurlijk, de katalepsie is soms natuurlijk maar kan ook kunstmatig door de werking van het magnetisme opgewekt en weder opgeheven worden.
425. Heeft het natuurlijke somnambulisme enige overeenkomst met
dromen? Hoe kan men het somnambulisme verklaren?
"Het is een meer volkomen onafhankelijkheid van de ziel dan
bij het dromen, en hare vermogens zijn dan meer ontwikkeld; de ziel heeft dan
gewaarwordingen, die zij in de droom, hetwelk een onvolmaakte staat van
somnambulisme is, niet heeft.
In het somnambulisme behoort de geest geheel aan zichzelf toe;
de stoffelijke organen in zeker opzicht in staat van katalepsie verkerende,
ontvangen geen indrukken meer van buiten. Deze toestand openbaart zich vooral
in de slaap; dit is het ogenblik, waarin de geest tijdelijk zijn lichaam kan
verlaten, daar dit aan de voor de stof onontbeerlijke rust is overgegeven.
Wanneer de verschijnselen van het somnambulisme zich voordoen, komt dit
doordien de geest dan met de gedachte aan het een of ander bezig zijnde zich
aan de een of andere handeling, die het gebruik van zijn lichaam noodzakelijk
maakt, overgeeft; hij gebruikt dan zijn lichaam zoals hij een tafel of ieder
ander stoffelijk voorwerp bij de fysieke manifestaties, of zoals hij uwe hand bij
de schriftelijke mededelingen zou gebruiken. Bij die dromen waarvan ons de
herinnering bij blijft, beginnen de organen, waaronder dat van het geheugen, te
ontwaken; deze ontvangen de indrukken door voorwerpen of oorzaken van buitenaf
voortgebracht op een onvolkomen wijze, en delen die aan de geest mee, die dan,
zelf in rust zijnde, er slechts verwarde en dikwijls onsamenhangende
gewaarwordingen door ontvangt; gewaarwordingen die met onduidelijke weifelende
herinneringen hetzij uit dit leven, hetzij uit vroegere levens vermengd zijnde,
geen schijn van rede van bestaan hebben. Het is dan gemakkelijk te begrijpen
hoe het komt dat de somnambules zich niets herinneren en dat de dromen, die men
zich herinnert, meestal geen zin hebben. Ik zeg meestal, want het gebeurt wel
dat zij het gevolg van juiste herinneringen uit een vroeger leven en soms zelfs
een soort van intuïtie van de toekomst zijn."
426. Heeft het somnambulisme hetwelk men de magnetische noemt,
enige overeenkomst met het natuurlijk somnambulisme?
"Het is hetzelfde, met dit onderscheid dat het opgewekt
wordt."
427. Welk is de natuur van het werkende middel welke men
magnetische vloeistof noemt?
"Levensgevend fluïdum; geanimaliseerde elektriciteit, welke
wijzigingen van het universele fluïdum zijn."
428. Welke is de oorzaak van de somnambulistische
helderziendheid?
"Wij hebben dit reeds gezegd: het is de ziel die
ziet."
429. Hoe kan de somnambule door ondoorschijnende lichamen zien?
"Er bestaan alleen voor uw grove zintuigen ondoorschijnende
lichamen; hebben wij niet reeds gezegd dat de stof voor de geest geen beletsel
is, daar hij er ongehinderd doorheen gaat. Dikwijls zegt hij, dat hij met zijn
voorhoofd met zijn knie enz. ziet, omdat gij, geheel in de stof levende niet
begrijpen kunt dat hij zonder behulp van de organen zien kan; hij zelf, geleid
wordende door het verlangen, dat gij hebt, gelooft ook die organen nodig te
hebben; maar indien gij hem geheel vrij liet, zou hij begrijpen dat hij door
ieder lichaamsdeel kan zien; of beter gezegd, zou hij begrijpen dat het buiten
zijn lichaam om is, dat hij ziet."
430. Aangezien de helderziendheid van de somnambule, de
helderziendheid van zijn ziel of geest is; waarom ziet hij dan niet alles, en
waarom vergist hij zich dikwijls?
"Vooreerst is het niet aan de onvolmaakte geesten gegeven
om alles te zien en te weten, gij weet immers dat zij nog met uw vooroordelen
en dwalingen behept zijn; en daar zij nog met de stof verbonden zijn, zijn zij
niet in het volle bezit van hun vermogens als geest; God heeft de mens dit
vermogen tot een nuttig en ernstig doel geschonken, en niet om datgene te
leren, wat hij niet weten moet: daarom kunnen de somnambules niet alles
zeggen."
431. Waaruit put de somnambule zijn aangeboren denkbeelden, en
hoe kan hij met juistheid over dingen spreken, die hij in wakende toestand niet
kent, en die zelfs zijn begrip te boven gaan?
"Dan bezit de somnambule meer kundigheden dan die welke u
van hem bekend zijn maar die kundigheden sluimeren, omdat zijn omhulsel te
onvolmaakt is, om hem zich die te kunnen doen herinneren. Maar wat is hij
tenslotte? Zoals wij, een om zijn zending te kunnen volbrengen, in de stof
geïncarneerde geest, en de toestand, waarin hij treedt, wekt hem uit die
doodsslaap. Wij hebben u zeer dikwijls gezegd dat wij herhaaldelijk herleven;
het is die verandering, die hem stoffelijk datgene, wat hij in een vroeger
leven heeft kunnen aanleren, doet vergeten; in de toestand, die gij crisis
noemt gerakende, herinnert hij zich, maar niet altijd op een volledige wijze;
hij weet, maar zou niet weten te zeggen, hoe hij het te weten is gekomen, noch
hoe het komt dat hij in het bezit van die kennis is gekomen. Na de crisis, is
alle herinnering uitgewist, en hij treedt weer in het duister terug."
De ondervinding leert ons dat de somnambules ook mededelingen van andere geesten ontvangen, die hun bekend maken , wat zij zeggen moeten, en die hun ongenoegzaamheid aanvullen, dit ziet men vooral bij geneeskundige voorschriften gebeuren; de geest van de somnambule ziet de kwaal, een ander wijst hem het geneesmiddel aan. Deze dubbele handeling neemt men dikwijls duidelijk waar en openbaart zich daarenboven door uitdrukkingen als de volgende: men zegt mij te zeggen of men verbiedt mij dit of dat te zeggen. In het laatste geval is het altijd gevaarlijk om na een geweigerde openbaring daarop te blijven aandringen, omdat men dan de mindere geesten vrijspel laat, die zonder de minste schroom en zonder zich om de waarheid te bekommeren, over alles spreken.
432. Op welke wijze kan men het zien op een afstand bij enige
somnambules verklaren?
"Verplaatst de ziel zich niet gedurende de slaap? Hetzelfde
vindt bij het somnambulisme plaats."
433. Ligt de meerdere of mindere ontwikkeling
van de helderziendheid van de somnambules aan het fysieke organisme of aan
de natuur van de geest?
"Aan beide, er bestaat fysieke aanleg, die het de geest min
of meer gemakkelijk maakt om zich van de stof los te maken."
434. Zijn de vermogens welke de somnambule bezit, dezelfde als
die van de geest na de dood?
"Tot op een zekere hoogte, want men moet de invloed, die de
stof, waaraan hij nog gebonden is, uitoefent niet vergeten."
435. Kan de somnambule de andere geesten zien?
"De meeste zien die zeer goed; dit hangt van de graad en
van de aard van hun helderziendheid af; maar dikwijls kunnen zij zich daarvan
niet dadelijk rekenschap geven, en zien zij die voor lichamelijke wezens aan;
dit is vooral het geval met hen, die geen kennis van het spiritisme dragen; zij
begrijpen het wezen van de geesten nog niet; zij staan verwonderd, en daarom
geloven zij levenden te zien."
Hetzelfde uitwerksel vindt op het ogenblik van de dood plats bij hen, die zich dan nog in leven wanen. Niets van hetgeen hen omringt komt hen veranderd voor; de geesten hebben in hun ogen lichamen als de onze, en zij zien het uiterlijke voorkomen van hun eigen lichaam als een wezenlijk lichaam aan.
436. Ziet de somnambule, die op een afstand ziet, vanuit het
punt waar zich zijn lichaam bevindt, of van dat waar zijn ziel is?
"Waartoe die vraag, daar het de ziel is die ziet, en niet
het lichaam?"
437. Daar het de ziel is, die zich verplaatst, hoe kan dan de
somnambule de gewaarwording van warmte of kou van het oord waarin zijn ziel
zich bevindt, en die soms zeer ver verwijderd is, voelen?
"De ziel heeft niet geheel het lichaam verlaten; zij blijft
daarmee nog altijd door de band, die hen samen verbindt, verenigd; die band is
de geleider van de gewaarwordingen. Wanneer twee mensen van de ene stad naar de
andere met elkaar door middel van de elektriciteit briefwisseling voeren, dan
is die elektriciteit de band tussen hun gedachten en daardoor zenden zij elkaar
mededelingen alsof zij naast elkaar gezeten waren."
438. Heeft de wijze, waarop de somnambule van zijn gave gebruik
maakt, ook enige invloed op de staat van zijn geest na de dood?
"Veel, evenals het goede of slechte gebruik van al de
vermogens, die God aan de mens geschonken heeft, dit heeft.
439. Welk verschil bestaat er tussen geestvervoering en
somnambulisme?
'Het is een meer gelouterde somnambulisme; de ziel van hem, die
in staat van geestvervoering verkeert, is nog onafhankelijker.'
440. Dringt de geest van degene, die in staat van geestvervoering
verkeert wezenlijk in de verheven werelden door?
"Ja, hij ziet die en begrijpt het geluk van hen die er zich bevinden;
daarom zou ook hij daar willen blijven; maar er zijn werelden, die voor nog
niet genoegzaam gelouterde geesten, ontoegankelijk zijn."
441. Wanneer degene, die in geestvervoering
is, de wens uit, om de aarde te verlaten, is die wens dan oprecht, en wordt
hij niet door het instinkt van zelfbehoud weerhouden?
"Dit hangt van de graad van reinheid van de geest af;
indien hij ziet dat zijn toekomstige staat beter is dan zijn tegenwoordige
leven, doet hij moeite om de banden, die hem aan de aarde kluisteren, te
verbreken."
442. Indien men zo iemand aan zichzelf overliet, zou dan zijn
ziel voor goed zijn lichaam kunnen verlaten?
"Ja, hij kan sterven; daarom moet men hem door alles wat
hem aan het leven kan doen hechten terugroepen; en vooral door hem te doen
inzien, dat indien hij zijn ketenen, die hem hier op aarde kluisteren, verbrak,
dit juist het middel zoude wezen om daar, waar hij ziet dat hij gelukkig zoude
zijn, niet te blijven."
443. Er zijn dingen, die de in de geest vervoerde
vermeent te zien, en die klaarblijkelijk het uitvloeisel van een door het
geloof in de aardse vooroordelen verhitte verbeeldingskracht zijn. Al hetgeen
door hem gezien wordt, bestaat dus niet werkelijk?
"Wat hij ziet, bestaat voor hem werkelijk; maar doordien
zijn geest, altijd onder de invloed van de aardse denkbeelden blijft, kan hij
het op zijn wijze zien, of beter gezegd, kan hij het in een taal uitdrukken,
die met zijn vooroordelen en de denkbeelden, die hij ingezogen heeft, of met de
uwe, teneinde zich beter te doen verstaan, overeenstemt, en het is vooral in
die zin dat hij dwalen kan."
444. Welk vertrouwen kan men aan de onthullingen van de zich in
geestvervoering bevindende stellen?
"De zich in geestvervoering bevindende kan zich zeer
dikwijls vergissen, vooral als hij datgene, wat voor de mens verborgen moet
blijven, wil doorgronden, want hij wordt dan het slachtoffer van zijn eigen
denkbeelden of de speelbal van bedrieglijke geesten, die van de
geestvervoering, waarin hij zich bevindt, gebruik maken om hem te
verblinden."
445. Welke gevolgtrekking kan men uit de somnambulistische
verschijnselen en uit die van de geestvervoering maken? Zoude het niet een
soort van inwijding in het toekomstige leven zijn?
"Beter gezegd, het is het vorige en het toekomstige leven
beiden dat door de mens in het verschiet gezien wordt. Laat hij die
verschijnselen bestuderen, en hij zal er de oplossing door vinden van meer dan
een geheim dat zijn verstand tevergeefs tracht te doorgronden."
446. Zouden de verschijnselen van het somnambulisme en van de
geestvervoering met het materialisme overeen te brengen zijn?
"Hij, die ze ter goeder trouw, en onbevooroordeeld
bestudeert, kan geen materialist noch atheïst zijn."
447. Heeft het verschijnsel, dat men met de naam van tweede
gezicht bestempelt, enige overeenkomst met de dromen en het somnambulisme?
"Dit alles is slechts één en hetzelfde; wat gij tweede
gezicht noemt is wederom de geest, die niettegenstaande het lichaam niet
slaapt, vrijer is. Het tweede gezicht is het zien der ziel."
448. Is het tweede gezicht blijvend?
"Het vermogen, ja; de uitoefening niet. Op de minder
stoffelijke werelden dan de uwe, kunnen de geesten zich gemakkelijker los
maken, en alleen door de gedachte, zonder daarom de gesproken taal uitsluiten,
met eikaar in gemeenschap treden; daar is dan ook meestal het tweede gezicht
een blijvende eigenschap; hun normale toestand kan met uw helderziende
somnambules vergeleken worden, en dat is ook de reden, waarom zij zich
gemakkelijker, dan diegene die in grovere lichamen geïncarneerd zijn, aan u
kunnen openbaren."
449. Ontwikkelt zich het tweede gezicht van zelf, of door de wil
van degene, die ermee begiftigd is?
"Meestal ontwikkelt het zich van zelf, maar ook dikwijls
vervult de wil daarbij een grote rol. Neem als voorbeeld zekere mensen, die men
waarzeggers noemt en waarvan sommigen die macht bezitten, en gij zult zien dat
het de wil is, die hen behulpzaam is om in de toestand te raken, die men tweede
gezicht en die, welke gij het zien van visioenen noemt."
450. Kan zich het tweede gezicht door oefening ontwikkelen?
"Ja, arbeid leidt altijd tot vooruitgang, en de sluier, die
over de dingen geworpen is, wordt opgelicht."
- Ligt dit vermogen aan het fysieke organisme?
"Zeker, het organisme speelt er een grote rol in; er zijn
organismen, die er niet vatbaar voor zijn."
451. Hoe komt het dat het tweede gezicht in sommige families
erfelijk schijnt?
"Gelijkvormigheid van organisme dat evenals alle fysieke
eigenschappen overgedragen wordt, waarbij nog de ontwikkeling van het vermogen
door een soort van opvoeding, die ook van de een op de andere overgebracht
wordt, gevoegd moet worden."
452. Is het waar dat zekere toestanden het tweede gezicht
ontwikkelen?
"Ziekte, nadering van een gevaar, de schok door een grote
aandoening, teweeggebracht, kunnen dit vermogen doen ontwikkelen. Het lichaam
bevindt zich soms in een bijzondere toestand, die aan de geest toelaat, datgene
te zien, wat gij niet met de ogen van het lichaam zien kunt."
De tijden van gevaar en van algemene rampen, de schok teweeggebracht door grote aandoeningen, in een woord, alle oorzaken waardoor het moreel overprikkeld wordt, doen soms ontwikkeling van het tweede gezicht ontstaan. Het is alsof de Voorzienigheid ons bij nadering van gevaar, de middelen om dat te bestrijden, wil aan de hand doen. Alle sekten en alle partijen die aan vervolging zijn blootgesteld geweest, bieden er ons menigvuldige voorbeelden van aan.
453. Zijn de personen, die de gave van het tweede gezicht
bezitten, er altijd van bewust?
"Niet altijd; het is voor hen een zeer natuurlijk iets, en
velen geloven dat bijaldien alle mensen zichzelf maar nagingen, zij zouden
vinden dat allen zo zouden moeten zijn?"
454. Zou men het doorzicht van sommige mensen, die zonder iets
bijzonders te hebben, de dingen juister dan anderen inzien, ook niet aan een
soort van tweede gezicht kunnen toeschrijven?
"Het blijft altijd de ziel die vrijer uitstraalt en beter
oordeelt dan wanneer zij door de sluier der stof bedekt is."
- Kan deze eigenschap, in enige gevallen, voorwetenschap van de
dingen geven?
"Ja, zij geeft ook voorgevoel, want deze eigenschap heeft
verschillende trappen, en hetzelfde individu kan die allen, dan wel alleen maar
enige bezitten."
Theoretisch overzicht van het somnambulisme, de geestvervoeringen het tweede gezicht.
455. De verschijnselen van het natuurlijke somnambulisme komen
vanzelf op, en zijn van elke bekende uitwendige oorzaak onafhankelijk, maar
kunnen door de werking van het magnetisme, bij sommige mensen met een bijzonder
organisme, kunstmatig opgewekt worden.
De toestand, die men met de naam van Magnetische Somnambulisme
bestempelt, verschilt in niets van het natuurlijke somnambulisme, dan dat de
eerste opgewekt wordt en de laatste vanzelf ontstaat.
Iedereen kent het natuurlijke somnambulisme, en niemand denkt
eraan, dit in twijfel te trekken; niettegenstaande het wonderbaarlijke van de
verschijnselen. Wat vindt men dan in het magnetische somnambulisme, alleen
omdat dit evenals zo vele andere dingen kunstmatig opgewekt wordt, meer, dat
met het verstand strijdig of buitengewoon is? Kwakzalvers hebben het
geëxploiteerd, zegt men: een reden te meer om het niet in hun handen te laten.
Wanneer de wetenschap er haar werk van gemaakt zal hebben, zal de kwakzalverij
veel minder geloof bij de menigte vinden; maar daar het natuurlijke of
kunstmatige magnetisme, intussen een feit blijft, en dat er tegen feiten niet
te redeneren valt, komt het, niettegenstaande de onwil van velen, meer en meer
in aanzien, en wel bij de wetenschap zelf, waar het door een menigte
kleinendeurtjes binnensluipt in plaats van door de grote poort binnen te komen;
als het daar in grote getale aanwezig zal zijn, zal men het wel burgerrecht
moeten verlenen.
Het somnambulisme is voor het spiritisme meer dan een
psychologisch verschijnsel, het is een over de psychologie verspreid licht;
daar kan men de ziel bestuderen, omdat zij zich in hare naaktheid voor ons
vertoont; en een van de verschijnselen, die het karakteriseert, is de van de
gewone organen van het lichaam onafhankelijke helderziendheid. Zij die dit feit
weigeren te erkennen, gronden die weigering hierop: dat de somnambules niet
altijd en op bevel van de onderzoeker ziet zoals met de ogen. Moet men er zich
over verwonderen, dat als de middelen verschillend zijn, de uitwerkselen ook
anders zijn? Is het redelijk om dezelfde uitwerkselen te verlangen als het
werktuig om die te verkrijgen niet aanwezig is? De ziel heeft hare eigene
eigenschappen, zoals het oog de zijne heeft; men moet ze ieder op zichzelf en
niet bij analogie beschouwen.
De oorzaak van de helderziendheid, van de magnetische en
natuurlijke somnambule is volmaakt dezelfde, het is een vermogen dat tot de
ziel behoort, een eigenschap die aan al de delen van het onlichamelijke wezen,
dat in ons is, eigen en daarvan onafscheidelijk is, en datgene grenzen kent,
dan die welke aan de ziel zelf gesteld zijn. Hij ziet, welke ook de afstand
zijn moge, overal, waar zijn ziel zich begeven kan.
Bij het zien in de verte, worden de dingen niet vanuit het punt
waar zijn lichaam zich bevindt en als door een telescoop door de somnambule
gezien. Hij ziet ze als aanwezig, en alsof hij op de plaats ware, op welke zij
bestaan, omdat zijn ziel in werkelijkheid op die plaats is; daardoor is het dat
zijn lichaam als vernietigd is en van alle gevoel beroofd schijnt tot op het
ogenblik dat de ziel er weer bezit van komt nemen. Deze partiële scheiding van
ziel en lichaam is een abnormale toestand, die van korter of langer, maar niet
van onbeperkte duur kan zijn; dit is de oorzaak van de vermoeienis die het
lichaam na enige tijd voelt, vooral als de ziel zich aan een krachtige arbeid
wijdt.
Het gezicht van de ziel of geest niet beperkt noch aan een
bepaalde zetel gebonden zijnde, wordt het hierdoor verklaard hoe het komt dat
de somnambules geen speciaal orgaan daarvoor weten aan te wijzen; zij zien
omdat zij zien, zonder te weten hoe of waarom, het gezicht voor hen als geest
bezit geen eigen zetel. Indien zij in hun lichaam terugzien; komt het hun voor
dat die zetel zich in die middelpunten bevindt waar de levenskracht het
grootste is en wel voornamelijk in de hersenen, de maagstreek, of wel in het
orgaan, dat voor hem het meest vasthoudende verbindingspunt tussen de geest en
het lichaam is.
De kracht van de somnambulistische helderziendheid is niet
onbeperkt. De geest is, zelfs in de toestand van volkomen vrijheid, in zijn
vermogens en kennis beperkt, naar evenredigheid met de trap van volmaaktheid,
die hij bereikt heeft; hij is dit nog meer, als hij met de stof, waarvan hij de
invloed ondergaat, verbonden is. Dat is de reden, waarom de somnambulistische
helderziendheid niet algemeen noch onfeilbaar is. Men kan des te minder op hare
onfeilbaarheid staat maken, naarmate men haar meer van het doel dat de natuur ermee
beoogde doet afdwalen, en haar beschouwt als iets tot bevrediging van de
nieuwsgierigheid of om proeven mede te nemen.
In de staat van vrijheid, waarin de geest van de somnambule zich
bevindt, treedt hij gemakkelijk met de andere zowel geïncarneerde als niet
geïncarneerde geesten in gemeenschap; die gemeenschap wordt tot stand gebracht
door de aanraking van de fluïden, waaruit de perispirit bestaan, die evenals de
telegraafdraad tot overbrenging van de gedachte dienen. Het is voor de
somnambule dus onnodig dat de gedachten door woorden uitgedrukt worden; hij
voelt en begrijpt die; daardoor is hij zeer vatbaar voor elke indruk, en
toegankelijk voor alle invloeden van de zedelijke dampkring, waarin hij
geplaatst is; daardoor komt het dat een grote vereniging van mensen en vooral
van min of meer kwalijk gezinde nieuwsgierigen, de ontwikkeling van zijn
vermogens werkelijk in de weg staat, die zich als 't ware in zichzelf
terugtrekken, en zich alleen in de intimiteit en te midden van een
simpathetische omgeving vrijelijk ontwikkelen De aanwezigheid van kwalijk
gezinde of antipathetische mensen heeft dezelfde uitwerking op hem, als de
aanraking van de hand op het "kruidje roer-mij-niet".
De somnambule ziet tegelijkertijd zijn eigen geest en zijn
lichaam, het zijn om zo te zeggen, twee wezens, die voor hem het dubbele,
geestelijke en lichamelijke leven, vertegenwoordigen, en zich toch door de
banden die hen verenigen, met elkaar vermengen. De somnambule kan zich van die
toestand niet altijd rekenschap geven, en die dualiteit is dikwijls oorzaak dat
hij over zichzelf als over een vreemd mens spreekt; dit komt omdat dan eens het
lichamelijk wezen tot het geestelijk, en dan weder het geestelijk tot het
lichamelijk wezen spreekt.
Bij ieder lichamelijk leven neemt de geest in kennis en
ondervinding toe. Bij zijn incarnatie in een te grove stof verliest hij die
weder gedeeltelijk, maar herinnert zich die als geest. Daardoor tonen enige
somnambules kundigheden die de door hen opgedane kennis en zelfs hun schijnbaar
verstandelijke ontwikkeling verre overtreffen. De mindere graad van
verstandelijke en wetenschappelijke ontwikkeling van de somnambule in wakende
toestand belet dus niet dat hij in de staat van helderziendheid verkerende,
vele kundigheden kan bezitten. Hij kan die kundigheden al naar omstandigheden
en het doel, dat men beoogt, hetzij uit zijn eigen ondervinding, door het
helderzien van de aanwezige dingen putten, of uit de raadgevingen die hij van
andere geesten ontvangt, maar aangezien, zijn eigen geest min of meerder
gevorderd kan zijn, zo kan eveneens ook wat hij zegt meer of minder juist zijn.
Door de verschijnselen van hetzij het natuurlijk of het
magnetische somnambulisme, geeft ons de Voorzienigheid het onomstotelijk bewijs
van het bestaan en van de onafhankelijkheid van de ziel, en doet ons het
verheven schouwspel van hare vrijheid aanschouwen; hierdoor opent zij voor ons
het boek van onze toekomst. Wanneer de somnambule beschrijft wat er op een
afstand gebeurt, dan is het duidelijk dat hij het ziet, doch niet met de ogen
van het lichaam; hij ziet er zichzelf, hij heeft zich derwaarts verplaatst; er
bevindt zich dus daar iets van hem, en dat iets, zijn lichaam niet zijnde, kan
niet anders dan zijn ziel of geest zijn. Terwijl de mens om de oorzaak van zijn
zedelijk bestaan te ontdekken, in de spitsvondigheden van een afgetrokken en
onverstaanbare bovennatuurkunde verdwaald raakt, stelt God ons dagelijks, de
eenvoudigste en duidelijkste middelen tot bestudering van de
proefondervindelijke psychologie voor ogen, en geeft ze ons als 't ware in de
hand.
De geestvervoering is de toestand, waarin de onafhankelijkheid
van de ziel en van het lichaam, zich op de duidelijkste wijze openbaart, en als
't ware tastbaar wordt. Bij dromen en somnambulisme doolt de ziel op de aardse
wereld rond; bij geestvervoering, dringt zij tot op de onbekende werelden, die
van de etherische geesten, door, met welke zij doch zonder evenwel zekere
grenzen te kunnen overschrijden, in gemeenschap komt; zij zou die grenzen niet
kunnen overschrijden, zonder de banden, die haar met het lichaam verbinden,
geheel te verscheuren. Zij ziet zich door een voor haar geheel nieuwe
schitterende glans omringd, op aarde ongekende harmonieën brengen haar in
verrukking, zij wordt door een niet te beschrijven gevoel van welzijn
doordrongen; zij geniet bij voorraad de hemelse gelukzaligheid en men kan
zeggen dat zij een voel op de drempel van de eeuwigheid gezet heeft.
Bij geestvervoering is de vernietiging van het lichaam bijna
volkomen, en blijft er bijna niets dan het organische leven over, en men voelt
dat de ziel er slechts met één draad mede verbonden is, welke de geringste
inspanning voor altijd zou verbreken.
In die toestand verdwijnen alle aardse denkbeelden, om plaats te
maken voor het gelouterde gevoel, dat het wezen zelf van ons onstoffelijk
aanzijn is. Geheel aan die verhevene beschouwing overgegeven, beschouwt de in
de geest vervoerde het leven slechts als een tijdelijk oponthoud, voor hem zijn
het goede en de rampen, de grove genietingen en de ellende hier beneden slechts
niets beduidende voorbijgaande voorvallen op een reis, waarvan hij gelukkig het
einde ziet.
Bij de in de geest vervoerde kan de helderziendheid, evenals bij
de somnambules meer of minder volmaakt zijn, en is ook hun geest, naarmate die meer
of minder gevorderd is, in meerdere of mindere mate in staat om de dingen te
kennen en te begrijpen. Er bestaat bij hen dikwijls meer geestvervoering dan
wezenlijke helderziendheid, of beter gezegd, hun geestvervoering schaadt aan
hun helderziendheid, en het is daarom dat hun mededelingen dikwerf een mengsel
van waarheid en dwalingen, van verhevene en ongerijmde, ja zelfs van
bespottelijke dingen zijn. Mindere geesten maken dikwijls van die soort van
geestvervoering, die als men haar niet weet meester te blijven, altijd een
bewijs van zwakheid is, gebruik, om de in de geest vervoerde te overheersen en
om dit te kunnen doen, nemen zij voor zijn ogen zodanige gestalten aan, die
geschikt zijn om bij hem de denkbeelden of vooroordelen te onderhouden, die hij
in zijn wakende toestand heeft. Dit is een klip, maar niet allen zijn zo, het
is aan ons om in koelen bloede te oordelen en hun openbaringen aan het gezond
verstand te toetsen.
De vrijheid van de geest openbaart zich ook soms in de wakende
toestand, en brengt dan het verschijnsel voort dat men tweede gezicht noemt,
dat aan hen die deze gaaf bezitten, het vermogen geeft; om buiten de grenzen
die door onze zinnen bereikbaar zijn, te zien, te horen en te voelen. Zij
ontwaren de verafgelegen dingen overal tot waar de ziel hare werking kan
uitstrekken; zij zien dit als 't ware door het gewone gezicht heen, en als door
een soort van luchtverheveling.
Op het ogenblik, dat het verschijnsel van het tweede gezicht
voortgebracht wordt, ondergaat de fysieke toestand een aanmerkelijke wijziging;
de oogopslag heeft iets onbestemds; het oog staart zonder te zien, het gehele
gelaat tekent een soort van opgewondenheid. Men ontdekt dan, dat de
gezichtsorganen aan het zien geheel vreemd zijn, want als men de oogleden
sluit, houdt het visioen toch aan.
Dit vermogen komt aan hen die er mede begiftigd zijn, even zo
natuurlijk voor als het gewone zien; het is voor hen iets, aan hun wezen eigen,
dat hen niet als een uitzondering voorkomt, meestal wordt die helderziendheid
door vergetelheid gevolgd, en de herinnering van het geziene wordt hoe langer
hoe onbepaalde, weifelend, en eindigt evenals bij het dromen met geheel te
verdwijnen.
De omvang van het tweede gezicht wisselt af vanaf een
onduidelijk gevoel tot aan het heldere zien van tegenwoordige of verwijderde
dingen. In de rudimentaire toestand, geeft zij aan sommige mensen het fijn
gevoel, het doorzicht, die soort van zekerheid in hun handelingen, die men de
juistheid van de zedelijke blik zou kunnen noemen. Meer ontwikkeld, wekt het
tweede gezicht het voorgevoel op; nog meer ontwikkeld, doet zij de
gebeurtenissen ontwaren, die vervuld zijn, of op het punt zijn vervuld te
worden.
Het natuurlijke en kunstmatige magnetisme, de geestvervoering en
het tweede gezicht, zijn allen slechts verscheidenheden of wijzigingen van
dezelfde oorzaak; die verschijnselen zijn evenals de dromen, in de natuur,
daardoor hebben zij ook ten allen tijde bestaan; de geschiedenis bewijst ons,
dat zij vanaf de vroegste oudheid bekend en geëxploiteerd zijn, en men vindt
er de verklaring door van een massa feiten, die het vooroordeel als bovennatuurlijk
heeft doen beschouwen.