Negende Hoofdstuk.

 

Bemiddeling van de Geesten in de Lichamelijke Wereld.

 

 

Het doordringen in onze gedachten door de geesten. Geheime invloed van de geesten op onze gedachten en daden. Bezetenen. Convulsionaires. Toegenegenheid van de geesten voor sommige mensen. Beschermengelen, beschermende, gemeenzame of sympathische geesten. Voorgevoel. Invloed van de geesten op de gebeurtenissen van het leven. Invloed van de geesten op de natuurverschijnselen. De geesten gedurende het gevecht. Verbond met kwade geesten. Geheime macht. Talismans. Tovenaars. Zegeningen en verwensingen.

 

 

Het doordringen in onze gedachten door de Geesten.

 

 

456. Zien de geesten alles wat wij doen?

“Zij kunnen het zien, daar gij er altijd door omringd zijt; maar ieder van hun ziet alleen dat, waarop hij zijn aandacht vestigt, want met die, welke hem onverschillig zijn, bemoeit hij zich niet.”

 

457. Kunnen de geesten onze geheimste gedachten kennen?

“Dikwijls kennen zij datgene, wat gij voor uzelf geheim zoudt wensen te houden; geen handeling noch gedachte kunnen voor hen verborgen worden.”

- Hiernaar te oordelen, komt het ons voor dat het gemakkelijker zoude zijn, iets voor een levend mens te verbergen, dan dit voor dezelfde mens na zijn dood te kunnen doen?

“Zeker, en als gij denkt, dat gij uzelf goed verborgen hebt dan zijt gij dikwijls door een menigte geesten, die u zien, omringd.”

 

458. Wat denken de geesten die ons omringen en ons nagaan omtrent ons?

“Dit hangt er van af. De spotgeesten scheppen vermaak in kleine plagerijen die zij u in de weg leggen, en lachen om uw ongeduld. De ernstige geesten hebben medelijden met u om uw gebreken, en trachten u bij te staan.”

 

 

Geheime invloed van de Geesten op onze gedachten en daden.

 

 

459. Oefenen de geesten ook enige invloed op onze gedachten en daden uit?

“In dit opzicht is hun invloed veel groter dan gij wel denkt, want zeer dikwijls zijn zij het, die u leiden.”

 

460. Hebben wij gedachten, die van onszelf afkomstig zijn, en anderen, die ons ingegeven worden?

“Uw ziel is een denkende geest; het is u niet onbekend dat verschillende denkbeelden tegelijk over hetzelfde onderwerp bij u opkomen en dat die dikwijls zeer uiteenlopend zijn; welnu! hiervan zijn er altijd die van u en van ons zijn, hierdoor raakt gij in twijfel, omdat gij in uzelf twee gedachten hebt, die met elkaar in strijd zijn.”

 

461. Op welke wijze kunnen wij onze eigen gedachten, van de ons ingegeven onderscheiden?

“Wanneer een gedachte u ingegeven wordt, dan is die als een stem, die tot u spreekt. De eigen gedachten zijn gewoonlijk die, welke het eerste bij u opkomen. Trouwens is het voor u van geen groot belang die onderscheiding te kennen, en dikwijls is het goed het niet te weten; de mens handelt dan vrijer; indien hij tot het goede besluit doet hij dit gewilliger, indien hij de slechte weg opgaat, is hij daar alleen verantwoordelijk voor.”

 

462. Putten de intelligente mensen en de grote vernuften altijd hun denkbeelden uit hun eigen brein?

“Soms putten zij hun denkbeelden in henzelf, maar ook dikwijls worden hen die door andere geesten ingegeven die hen in staat oordelen ze te begrijpen, en waardig keuren die te verspreiden. Als zij die niet in henzelf vinden roepen zij de inspiratie te hulp; en dit is een evocatie, die zij onbewust doen.”

 

 

Indien het nuttig ware, duidelijk onze eigen denkbeelden van die, welke ons ingegeven worden, te kunnen onderscheiden, dan zou God ons daartoe het middel geschonken hebben, zoals hij ons dit gegeven heeft, om het verschil tussen dag en nacht te kunnen onderscheiden, als iets onzeker blijft is dit, omdat het voor ons welzijn zo wezen moet.

 

 

 

463. Men zegt soms dat de eerste opwelling altijd goed is; is dat zo?

“Zij kan goed of kwaad zijn na gelang van de natuur van de geďncarneerde geest. Zij is altijd goed bij hem die aan de goede ingevingen gehoor geeft.”

 

464. Hoe kan men weten of een ingegeven gedachte van een goede of van een slechte geest is?

“Overdenk de zaak goed; de goede geesten raden alleen goede dingen aan; gij moet dit zelf beoordelen.”

 

465. Met welk doel, zetten de onvolmaakte geesten ons tot het kwaad aan?

“Om u te doen lijden, zoals zij lijden.”

- Wordt daardoor dan het hunne minder?

“Nee, maar zij doen dit uit jaloezie dat zij andere wezens gelukkiger zien.”

- Welk soort van lijden willen zij u doen ondergaan?

“Dat, wat het gevolg van een ondergeschikten rang en de verwijdering van God is.”

 

466. Waarom laat God het toe dat geesten ons tot het kwaad aanzetten?

“De onvolmaakte geesten zijn de werktuigen bestemd om het geloof en de volharding van de mens in het goede te beproeven. Gij, geest zijnde, moet in de kennis van het oneindige vorderingen maken; en het is daarom gij door de beproeving van het kwaad tot het goede komt. Onze roeping is het, u op de goede weg te brengen, en wanneer kwade invloeden macht over u uitoefenen, komt dit, doordien gij die door uw neiging tot het kwaad aantrekt, want de mindere geesten komen u te hulp in het kwaad, als gij de wil hebt om dit te plegen; zij kunnen u niet, dan alleen wanneer gij lust hebt om kwaad te doen, in het kwaad doen, behulpzaam zijn. Zijt gij tot moorden geneigd, welnu! dan zult gij een zwerm geesten rondom u krijgen, welke deze gedachte bij u levendig zullen houden, maar er zullen er ook anderen zijn, die trachten zullen, invloed ten goede op u uit te oefenen; hierdoor wordt het evenwicht hersteld, en gij blijft meester te handelen zoals gij zelf zult willen.”

 

 

Het is op die wijze dat God aan ons geweten de keuze van de weg, die wij te volgen hebben, overlaat, en ons de vrijheid laat om aan de ene of aan de andere van de tegen elkaar overstaande invloeden, die op ons uitgeoefend worden , toe te geven.

 

 

467. Kan men zich van de invloed van de geesten die ons tot het kwaad aansporen, ontslaan?

“Ja want zij hechten zich slechts aan hen, die hen door hun wensen inroepen, of door hun gedachte aantrekken.”

 

468. Geven de geesten, wiens invloed door de wil afgeweerd wordt, hun pogingen op?

“Wat zouden zij anders kunnen doen? Als zij niets verkrijgen kunnen, geven zij het op; zij blijven evenwel een gunstig ogenblik afwachten, evenals de kat op de muis loert.”

 

469. Door welk middel, kan men de invloed van de slechte geesten tenietdoen?

“Door goed te doen, en al uw vertrouwen op God te vestigen weert gij de invloed van de mindere geesten van u af en vernietigt gij de heerschappij die zij over u wilden voeren. Wacht u, aan de inblazingen van de geesten gehoor te geven die slechte gedachte bij u verwekken, tweedracht onder u aanblazen, en slechte driften bij u aanstoken. Wantrouw vooral dezulken, die u in uw hoogmoed trachten te sterken, want zij tasten u in uw zwak. Daarom laat Jezus u in het gebed des Heren zeggen: Heer, verlaat ons niet in de ver­zoeking, maar verlos ons van de boze.”

 

470. Hebben de geesten, die ons tot het kwade trachten te verlokken, en die zo doende onze volharding in het goede op de proef stellen, daartoe last gekregen, en zo het een opdracht is die zij vervullen, zijn zij er dan aansprakelijk voor?

“Geen geest ontvangt de last om kwaad te doen; en wanneer hij het doet, doet hij het uit eigen vrije wil, en daarom moet hij er de gevolgen van dragen. God kan hem toelaten het kwaad te doen om u te beproeven, maar geeft hem daartoe de last niet, en het is aan u dit af te weren.”

 

471. Wanneer een gevoel van angst, van onverklaarbare onrust of van inwendige zelfvoldoening zonder bekende oorzaak ons bezielt, heeft dit dan alleen een fysieke stemming tot oorzaak?

“Het is bijna altijd een gevolg van de gemeenschap, waarin gij onbewust met de geesten verkeert, of waarin gij gedurende uw slaap met hen verkeerd hebt.”

 

472. Maken de geesten, die ons tot het kwaad willen aanzetten, alleen maar gebruik van de omstandigheden waarin wij verkeren, of kunnen zij die omstandigheden doen ontstaan?

“Zij maken van de omstandigheden gebruik, maar dikwerf doen zij die ontstaan door u zonder dat gij het weet naar het voorwerp van uw begeerlijkheid te drijven; om een voorbeeld te noemen; iemand vindt op de weg een som geld; geloof nu niet dat het de geesten zijn, die dat geld daar gebracht hebben; maar zij kunnen aan de mens de gedachte ingeven het zich toe te eigenen, terwijl anderen hem ingeven het geld aan de eigenaar terug te geven. Hetzelfde heeft plaats bij iedere andere verleiding.”

 

 

Bezetenen.

 

 

473. Kan een geest het omhulsel van een in leven zijnde mens tijdelijk tot het zijne maken, met andere woorden, kan hij in een bezield lichaam dringen, en in de plaats en voor de geest, die in dat lichaam geďncarneerd is, handelen?

“De geest treedt niet in een lichaam binnen, zoals gij in uwe woning; hij vereenzelvigt zich met een geďncarneerde geest, die dezelfde ondeugden en dezelfde eigenschappen bezit, om zodoende gezamenlijk te handelen; maar het is altijd de geďncarneerde geest, die volgens zijn eigen wil, op de stof waarmede hij omhuld is, blijft werken. Een geest kan zich niet in de plaats van de geďncarneerde geest stellen, want de geest en het lichaam blijven, tot aan de tijd voor het stoffelijk leven vastgesteld, met elkaar verbonden.”

 

474. Indien er dus geen eigenlijk gezegde bezetenheid, dat wil zeggen, samenwoning van twee geesten in een lichaam plaats vindt, kan dan de ziel zo afhankelijk van een andere geest zijn, dat deze haar in die mate overheersen of beheersen kan, dat haar wil als 't ware er door verlamd wordt?

“Ja, en dit zijn de ware bezetenen: maar weet dat deze overheersing nooit plaats kan hebben, zo degene, die haar ondergaat, het niet in de hand werkt, hetzij door zwakheid, hetzij door zijn wil. Dikwijls heeft men mensen door vallende ziekte gekweld, die meer behoefte aan een geneesheer dan aan bezweringsformulieren hadden, voor bezetenen of krankzinnigen aangezien.”

 

Het woord bezetene, zoals dit gewoonlijk gebruikt wordt, veronderstelt het bestaan van duivels, dat wil zeggen van wezens van een slechte natuur, en de samenwoning van een van deze met de ziel, in het lichaam van een mens. Daar er in die zin geen duivels bestaan, en twee geesten niet tegelijkertijd hetzelfde lichaam kunnen bewonen, zo volgt daaruit dat er geen bezetenen in die betekenis van het woord, zijn. Het woord bezetene, moet dan ook alleen verstaan worden als de absolute afhankelijkheid uitdrukkende, waaronder de ziel zich tegenover de onvolmaakte geesten, die haar beheersen, kan bevinden.

 

 

475. Kan men zelf de slechte geesten verwijderen, en zich van hun overheersing bevrijden?

“Men kan altijd een juk afwerpen, als men daartoe de vaste wil heeft.”

 

476. Kan het niet gebeuren dat de verblinding die door de slechte geest veroorzaakt wordt, zo groot is, dat de persoon die beheerst wordt, die beheersing niet opmerkt; kan in zo’n geval een derde, die onderwerping niet doen ophouden, en zo ja, hoe moet hij dit dan aanleggen?

“Indien het een braaf mens is, kan zijn wil hem hierin, door de medewerking van de goede geesten in te roepen, behulpzaam zijn, want, hoe braver mens, hoe groter de macht over onvolmaakte geesten is om die te verwijderen, en over de goede om die tot zich te trekken. Hij zou evenwel toch onmachtig blijven, indien de beheerste hiertoe niet medewerkt; er zijn mensen, die zich in een afhankelijkheid die hun smaak en neigingen streelt, behaaglijk voelen. In ieder geval, kan degene wiens hart niet rein is, niet de minste invloed uitoefenen; hij wordt door de goede geesten veracht, en de slechten vrezen hem niet.”

 

477. Oefenen de bezweringsformulieren enige uitwerking op de slechte geesten uit?

“Nee, als die geesten zien dat men het ernstig opneemt, lachen zij er om en blijven halsstarrig volhouden.”

 

478. Er zijn mensen, die met goede voornemens bezield zijn, en die nochtans beheerst worden; wat is het beste middel om zich van geesten, die ons beheersen willen, te bevrijden?

“Hun geduld uit te putten, geen acht op hun inblazingen slaan, hen tonen dat zij hun tijd verliezen; dan zullen zij, ziende dat zij niets kunnen uitrichten, zich verwijderen.”

 

479. Is het gebed een krachtig middel om van de beheersing genezen te worden.

“Het gebed is in alles een machtig hulpmiddel; maar geloof niet dat het genoeg is enige woorden te prevelen om datgene wat men verlangt, te verkrijgen. God helpt hen, die handelen, en niet degenen die er zich bij bepalen te vragen. De beheerste moet dus van zijn kant al het mogelijke doen om, in zich, de oorzaak die de slechte geesten aantrekt, te vernietigen.”

 

480. Wat moet men denken van de uitwering van de duivelen, waarvan het Evangelie spreekt?

“Dit hangt van de zin af die men er aan hecht. Indien gij een slechte geest, die een individu beheerst, duivel noemt, zal deze, wanneer zijn invloed verbroken zal zijn, wezenlijk uitgeworpen zijn. Indien gij een ziekte aan de duivel toeschrijft, zult gij, als gij die ziekte geneest ook zeggen dat gij de duivel uitgeworpen hebt. Dezelfde zaak kan, al naar de zin die men aan de woorden hecht waar of vals zijn. De grootste waarheden kunnen ongerijmd schijnen, als men aan de vorm blijft hangen, en als men de zinnebeeldige voorstelling voor de werkelijkheid aanziet. Tracht dit goed te begrijpen en te onthouden, want het kan op alles toegepast worden.”

 

 

Convulsionaires.

 

 

481. Vervullen de geesten ook een rol bij de verschijnselen, die door de individuen, welke men convulsionaires noemt, worden voortgebracht?

“Ja, een zeer grote, evenals het magnetisme dat er de eerste bron van is maar de kwakzalverij heeft dikwerf die verschijnselen geëxploiteerd en overdreven, waardoor zij aan de bespotting zijn prijs gegeven.”

- Van welke aard zijn in het algemeen de geesten, die hun medewerking tot zodanige verschijnselen verlenen?

“Weinig verhevene; zoudt gij denken dat verhevene geesten zich met zoiets vermaken?”

 

482. Hoe kan de abnormale toestand waarin convulsionaires en gemagnetiseerde verkeren, zich plotseling over een gehele bevolking uitstrekken?

“Gevolg van de sympathie; de zedelijke aanleg wordt in sommige gevallen zeer gemakkelijk overgedragen; de uitwerkselen van het magnetisme zijn u genoeg bekend om dit en het aandeel te kunnen begrijpen, welke sommige geesten er uit sympathie voor hen, die deze verschijnselen uitlokken, aannemen.”

 

 

Onder de zonderlinge eigenschappen, die men bij de convulsionaires opmerkt, herkent men er zonder moeite verschillende, van welke ook het somnambulisme en het magnetisme vele voorbeelden opleveren; onder deze behoren onder anderen de fysieke ongevoeligheid, het kennen van de gedachte, de simpathetische mededeling van pijn enz. Men kan het dus niet in twijfel trekken dat deze in crisis zijnde personen zich in een soort van wakend somnambulisme bevinden, dat door de invloed welke zij wederkerig op elkaar uitoefenen voortgebracht wordt. Zij zijn zonder het te weten magnetiseur en gemagnetiseerde tevens.

 

 

483. Welk is de oorzaak van de fysieke ongevoeligheid, die men bij sommige convulsionaires of bij andere mensen, die men de afschuwelijkste pijnigingen heeft doen ondergaan, ontmoet?

“Bij enigen is het een uitsluitend magnetische invloed, die op dezelfde wijze als sommige bestanddelen dit doen, op het zenuwgestel werkt. Bij anderen wordt het gevoel door overspanning van de gedachte verstompt, doordien het leven het lichaam schijnt verlaten te hebben, om dit op de geest over te brengen. Weet gij niet dat als de geest zich ingespannen met iets bezig houdt het lichaam dan niet voelt, ziet of hoort?”

 

 

De dweepzuchtige opgewondenheid en de geestdrift bieden ons dikwijls, bij het ondergaan van de grootste folteringen, voorbeelden aan van een kalmte en koelbloedigheid, die geen doordringend lijden te boven zou kunnen komen, indien men niet aannam dat de gevoeligheid door een pijnstillende oorzaak opgeheven wordt. Het is bekend dat men dikwijls in het vuur van het gevecht een ernstige wonde niet gewaar wordt, terwijl een schram onder gewone omstandigheden ons doet huiveren.

Daar deze verschijnselen van een fysiek oorzaak en van de inwerking door zekere geesten afhankelijk is, kan men zich afvragen, hoe het dan mogelijk is geweest dat de bevoegde macht die verschijnselen op eenmaal heeft kunnen doen ophouden. De oorzaak hiervan is zeer eenvoudig. De werking van de geesten is hier slechts een bijkomende; zij maken slechts van een natuurlijke aanleg gebruik. De overheid heeft die aanleg niet vernietigd, maar wel de aanleidend oorzaak, door welke die aanleg onderhouden en verhoogd werd, uit de weg geruimd; van actief heeft zij die latent gemaakt; en zij heeft gelijk gehad zo te handelen, omdat er misbruik van gemaakt en schandaal door veroorzaakt werd. Men weet trouwens dat, als de invloed van de geesten onmiddellijk en uit zichzelf aangewend wordt, dusdanige tussenkomst dan onmachtig blijft.

 

 

Toegenegenheid van de Geesten voor sommige mensen.

 

 

484. Voelen de geesten bij voorkeur genegenheid voor sommige mensen?

“De goede geesten sympathiseren met de goede mensen, of met die, welke vatbaar zijn, het te worden; de mindere geesten sympathiseren met de slechte mensen of met hen die neiging hebben dit te worden, vandaar hun gehechtheid, een gevolg van de overeenstemming in gewaarwordingen.”

 

485. Is de toegenegenheid van de geesten voor sommige mensen uitsluitend zedelijk?

“De ware toegenegenheid heeft niets zinnelijks, maar als een geest zich aan iemand hecht, is dit niet altijd een gevolg van toegenegenheid, en er kan een herinnering aan mensgelijke neigingen bijkomen.”

 

486. Stellen de geesten belang in onze wederwaardigheden en voorspoed? Bedroeven degenen die het goede met ons voor hebben, zich over de rampen, die ons gedurende het leven treffen?

“De goede geesten doen zoveel goed als mogelijk is, en voelen zich gelukkig als gij u verheugt. Zij bedroeven zich over de rampen, die gij niet met onderwerping draagt, omdat deze dan zonder vrucht voor u blijven; want dan zijt gij de zieke gelijk, die de bittere drank afwijst die hem moet genezen.”

 

487. Over welk kwaad bedroeven zij zich het meest voor ons, over het fysieke of over het zedelijk kwaad?

“Over uw baatzucht en hardvochtigheid; want daaruit komt alles voort; zij spotten met alle die denkbeeldige rampen, die hun oorsprong in hoogmoed en eerzucht vinden, zij verheugen zich over die, welke tot doel hebben, uw tijd van beproeving te bekorten.”

 

 

De geesten, wetende dat het lichamelijk leven slechts een leven van overgang is, en dat de wederwaardigheden, die daarmede vergezeld gaan, middelen zijn om een betere staat te bereiken, bedroeven zich meer over de zedelijke oorzaken die ons daarvan verwijderen dan over de stoffelijke rampen die slechts voorbijgaande zijn.

De geesten bekommeren zich even weinig over de ongelukken die alleen onze wereldse belangen kunnen treffen, als wij ons over de kinderachtige oorzaken van verdriet der jeugd bekommeren. De geest, in de wederwaardigheden van het leven een middel tot vooruitgang voor ons ziende, beschouwt die als de voorbijgaande crisis, die de zieke redden moet. Hij neemt deel in ons lijden, zoals wij in dat van een vriend deel nemen; maar de dingen uit een juister oogpunt beschouwende, hecht hij er een andere waarde aan dan wij; en terwijl de goede geesten onze moed in het belang van onze toekomst, aanwakkeren; trachten de andere ons tot wanhoop te vervoeren met het doel om ons geluk in gevaar te brengen.

 

 

488. Hebben onze bloedverwanten en vrienden, die ons in het andere leven zijn voorgegaan meer sympathie voor ons, dan de ons vreemde geesten?

“Ongetwijfeld, en dikwijls beschermen zij u als geest, naar mate van hun macht.”

- Zijn zij gevoelig voor de toegenegenheid, die wij voor hen blijven koesteren?

“Zeer gevoelig, maar zij vergeten degenen, die hen vergeten.”

 

 

Beschermengelen, beschermende, gemeenzame of sympathische geesten.

 

 

489. Zijn er geesten, die zich aan een individu meer in het bijzonder hechten om die te beschermen?

“Ja de broedergeest, welke gij goede geest of goede genius noemt.”

 

490. Wat moet men door beschermengel verstaan?

“De beschermgeest van een verheven orde.”

 

491. Welke is de roeping van de beschermende geest?

“Die van een vader voor zijn kinderen; hem, die hij beschermt, op de goeden weg te brengen, met zijn raad bij te staan, in zijn droefheid te troosten, zijn moed bij de beproevingen van het leven te ondersteunen.”

 

492. Is de beschermgeest vanaf de geboorte van het individu aan deze verbonden?

“Van diens geboorte af tot aan zijn dood toe en somwijlen volgt hij hem ook in het geestenleven en zelfs nog in vele lichamelijke levens, want die levens zijn, vergeleken bij dat van de geest, zeer korte, elkaar afwisselende toestanden.”

 

493. Is de zending van de beschermgeest vrijwillig door deze op zich genomen of was hij daartoe verplicht?

“De geest is verplicht over u te waken, omdat hij die taak op zich genomen heeft, maar hij kan een keuze doen uit de wezens voor welke hij sympathie voelt. Voor sommigen is het een genoegen, voor anderen een zending of een plicht.”

- Doet de geest, door zich aan iemand te hechten, afstand van de bescherming van andere individuen?

“Nee, maar hij doet dit dan minder uitsluitend.”

 

494. Is de beschermgeest aan het wezen dat aan zijn zorg wordt toevertrouwd, onherroepelijk verbonden?

“Het gebeurt dikwijls dat sommige geesten hun betrekking verlaten om andere zendingen te vervullen, maar dan komt een ander zijn plaats innemen.”

 

495. Laat de beschermgeest zijn beschermeling wel eens aan zijn lot over, als deze zich tegen zijn raadgevingen verzet?

“Hij verwijdert zich, wanneer hij bemerkt dat zijn raad nutteloos, en de neiging om zich onder de invloed van mindere geesten te stellen, sterker is; maar hij laat hem niet geheel aan zijn lot over, en doet zich toch altijd nog horen; maar dan is het de mens, die zijn oren sluit. De beschermgeest komt evenwel altijd, zodra men hem roept.

Er bestaat een leer, die de ongelovigste door haar liefelijkheid en zachtheid tot bekering moest brengen: de leer van de beschermengelen. Te denken dat men te allen tijde wezens, die ver boven ons verheven zijn, bij zich heeft, dat die altijd daar zijn om ons te raden, te ondersteunen, behulpzaam te zijn om de steilte, die tot het goede leidt, te beklimmen, die trouwer en toegenegener vrienden zijn dan die, welke de nauwste vriendschapsbetrekkingen op aarde geven kunnen; is dit niet een hoogst troostrijke gedachte? Deze wezens zijn daar op Gods bevel; Hij is het, die ze daar bij u geplaatst heeft, zij zijn daar uit liefde tot Hem, en zij vervullen bij u een schone doch moeilijke zending. Ja, waar gij ook zijn mocht, daar zal hij met u zijn: de kerker, het hospitaal, plaatsen der ontucht, eenzaamheid, niets scheidt u van die vriend, die voor u onzichtbaar is, maar wiens zachte aansporing en wijze raadgevingen door uw ziel gevoeld worden.

Mocht gij die waarheid beter kennen! Hoe menigmaal zou zij u dan in ogenblikken van spanning ondersteunen; hoe menigmaal zou zij u van de slechte geesten bevrijden. Maar op de grote dag zal die engel van het goede, dikwijls tot u moeten zeggen: “Heb ik u dat niet gezegd? En toch hebt gij het niet gedaan; heb ik u de afgrond niet aangewezen, en gij hebt er u zelf toch in geworpen; heb ik u niet door uw geweten de stem van de waarheid doen horen en hebt gij evenwel niet de raadgevingen van de stem van de leugen opgevolgd?”. Ach raadpleeg toch uw beschermengelen; laat tussen u en hen die innige vertrouwelijkheid als tussen beste vrienden bestaan. Denk er niet aan iets voor hen verborgen te houden, want zij bezitten Gods oog, en gij kunt hen niet bedriegen. Denk aan de toekomst; tracht in dit leven vorderingen te maken, uw beproevingen zullen er door bekort, uw bestaan er gelukkiger door worden. Op, mensen schept moed! Werpt nu en voor altijd, vooroordelen en nevenbedoelingen van u af; betreedt de nieuwe weg die voor u ligt; voorwaarts, voorwaarts, gij hebt leidslieden, volgt die: het doel van uw bestemming zal u niet ontgaan, want dat doel is God zelf.

Hen die zouden kunnen denken dat wezenlijk verheven geesten zich onmogelijk tot zo’n moeilijke en onafgebroken taak zouden kunnen verbinden, zeggen wij, dat wij invloed op uw ziel uitoefenen, al mochten wij miljoenen uren van u verwijderd zijn; de afstanden zijn voor ons als niets, en terwijl wij op een andere wereld leven, blijven onze geesten in betrekking met de uwe. Wij bezitten eigenschappen, die ver boven uw begrip verheven zijn, maar wees verzekerd dat God ons geen taak boven onze krachten opgelegd heeft, en dat Hij u niet eenzaam zonder vriend of steun aan uw lot op aarde overgelaten heeft. Elke beschermengel heeft zijn beschermeling, over welke hij als een vader over zijn kind waakt; hij is gelukkig als hij deze op de goede weg ziet; hij treurt als zijn raadgevingen in de wind geslagen worden.

Vrees niet ons door uw vragen lastig te vallen; onderhoud integendeel altijd de gemeenschap met ons, gij zult er sterker en gelukkiger door zijn. Het is door die gemeenschap van ieder mens met zijn gemeenzame geest dat alle mensen mediums zijn, tot heden nog onbewuste mediums, maar die zich later zullen openbaren, en zich als een onmetelijke zee over de aarde zullen uitspreiden, om ongeloof en onwetendheid terug te dringen. Gij mannen van kunde, onderwijst. Gij mannen van talent voedt uw broeders op. Gij weet niet welk werk gij zodoende zult volbrengen; het is het werk van Christus, het is het werk dat God u oplegt. Waartoe zou God u verstand en kunde geschonken hebben, zo het niet ware om dit aan uw broederen meedelen, zo het niet ware om hen op de weg die tot geluk en eeuwige gelukzaligheid leidt vooruit te doen komen.”

H. Lodewijk, H. Augustinus.

 

 

 

De leer van de beschermengelen, die niettegenstaande de afstand, welke de werelden van elkaar scheidt, hun beschermelingen bewaken, bevat niets waarover wij ons behoeven te verwonderen; zij is integendeel verheven en groot. Zien wij ook niet op aarde een vader ofschoon ver van zijn kind verwijderd, over dat kind waken, en het door briefwisseling met goede raad bijstaan? Waarom moet het dan meer verwondering baren, dat de geesten vanuit de ene wereld, hun beschermeling op een andere zouden kunnen leiden, daar voor hen, de afstanden die de werelden van elkaar scheiden, minder zijn dan die, welke op aarde het een vaste land van het andere scheidt? Hebben zij bovendien niet het universele fluďdum ter hunner beschikking, dat alle werelden tezamen verbindt en voor elkaar solidair maakt, dit oneindige vervoermiddel voor de overbrenging van de gedachte, zoals de lucht dit voor de overbrenging van het geluid is?

 

 

496. Kan de geest, die zijn beschermeling aan zijn lot overlaat, en dus deze geen goed meer doet hem ook kwaad doen?

“Goede geesten doen nooit kwaad; zij laten dit aan degenen die hun plaats innemen, over; dan wijt gij uw ongelukken aan het noodlot, terwijl het de gevolgen van uw eigen schuld zijn.”

 

497. Kan de beschermgeest zijn beschermeling ten prooi van een hem kwaadgezinde geest overlaten?

“Er bestaat samenwerking onder de kwade geesten om de invloed van de goeden te neutraliseren, maar als de beschermde zulks wil, zal alle kracht aan de zijde van zijn goede geest verblijven. Wellicht vindt de goede geest elders iemand van een goede wil te ondersteunen; en maakt hij, in afwachting van de terugkeer van zijn beschermeling, daarvan intussen gebruik.”

 

498. Als de beschermgeest zijn beschermeling een verkeerde weg laat volgen, is dit dan ten gevolge van zijne onmacht om tegen kwaadgezinde geesten te worstelen?

“Het is niet omdat hij niet kan, maar omdat hij niet wil; zijn beschermeling, treedt uit die beproeving volmaakter en bekwamer tevoorschijn; door ingeving van goede gedachten staat hij deze met zijn raad bij; maar die worden ongelukkigerwijze niet altijd opgevolgd. Het is alleen door de zwakheid, onverschilligheid of hoogmoed van de mens, dat de slechte geesten enige macht over hen verkrijgen; hun macht op u ontstaat alleen daardoor, doordien gij hen geen tegenstand biedt.”

 

499. Is de beschermgeest onafgebroken bij zijn beschermeling? Bestaan er geen omstandigheden in welke hij hem, zonder hem te verlaten, uit het oog verliest?

“Er zijn omstandigheden, in welke de tegenwoordigheid van de beschermgeest voor de beschermde niet nodig is.”

 

500. Komt er een ogenblik dat de geest geen bescherm­engel meer nodig heeft?

“Ja, als hij de hoogte bereikt heeft waarop hij zichzelf zal kunnen besturen, zoals er een tijd komt, waarop de leerling de onderwijzer niet meer nodig heeft; maar het zal niet op deze aarde zijn.”

 

501. Waarom is de invloed die de geesten op ons leven uitoefenen geheim en waarom als zij ons beschermen, doen zij dit dan niet op een merkbare wijze?

“Indien gij op hun hulp rekende, zoudt gij niet zelf handelen, en zoude uw geest geen vorderingen maken. Om te kunnen vorderen, moet hij ondervinding opdoen, en die moet hij dikwijls ten zijnen koste verkrijgen; hij moet zijn krachten ontwikkelen, anders zou hij als een kind zijn, dat men niet alleen laat lopen. De handelingen van de geesten die het goede met u voorhebben, is altijd op zodanige wijze geregeld, dat uw vrije wil daardoor niet aan banden wordt gelegd, want indien gij niet verantwoordelijk waart, zoudt gij geen vorderingen op de weg, die u tot God geleiden moet, kunnen maken. De mens, degene die hem steunt, niet ziende, gebruikt zijn eigen krachten; doch zijn leidsman blijft over hem waken, en roept hem van tijd tot tijd toe: het gevaar te wantrouwen.”

 

502. Vloeit er voor de beschermgeest, aan wie het gelukt is zijn beschermeling op de goede weg te brengen, ook enig goed daaruit voort?

“Het is een verdienste, die hem, hetzij tot zijn eigen vooruitgang of tot zijn geluk zal toegerekend worden. Hij voelt zich gelukkig, als hij zijn zorgen door welslagen bekroond ziet; hij zegeviert, zoals een leermeester over de vorderingen van zijn leerling zegeviert.”

- Indien het hem niet gelukt, is hij dan daarvoor verantwoordelijk?

“Nee, daar hij gedaan heeft wat van hem af hing.”

 

503. Bedroeft het de beschermgeest, als hij, niettegenstaande zijn goede raadgevingen, zijn beschermeling de slechte weg op ziet gaan en vermindert dit zijn gelukzaligheid niet?

“Hij betreurt zijn dwalingen, en beklaagt hem, maar die droefheid gaat niet gepaard met die angstvalligheid van de aardse vader, omdat hij weet dat er een middel tegen de kwaal bestaat, en dat wat heden niet geschiedt, morgen gebeuren zal.”

 

504. Kunnen wij altijd de naam van onze beschermenden geest of beschermengel kennen?

“Hoe wilt gij namen kennen, die voor u niet bestaan? Gelooft gij dat er onder de geesten geen anderen zijn, dan die, welke u bekend zijn?”

- Hoe kan men hen dan aanroepen, als men hen niet kent?

“Geef hen de naam die gij wilt, die van een verheven geest voor welke gij sympathie of eerbied voelt en uw beschermgeest zal tot u komen, want alle goede geesten zijn broeders en staan elkaar bij.”

 

505. Zijn de beschermende geesten, die bekende namen aannemen, altijd werkelijk die van de personen die deze naam gedragen hebben?

“Nee, maar die van hen toegenegen geesten, en die dikwijls op hun last komen. Hebt gij een naam nodig dan zullen zij er een, die u vertrouwen inboezemt aannemen. Wanneer gij een zending niet in persoon kunt ten uitvoer brengen, dan zendt gij immers een ander in uw plaats, die uit uw naam handelen kan?”

 

506. Wanneer wij het geestenleven ingetreden zullen zijn, zullen wij dan onze beschermgeest herkennen?

“Ja, want dikwijls kende gij hem reeds, voor dat gij geďncarneerd waart.”

 

507. Behoren de beschermgeesten altijd tot de klasse van de verhevene geesten? Kunnen er ook van een middenklasse onder zijn? Kan bijvoorbeeld een vader de beschermgeest van zijn kind worden?

“Dat kan hij, maar de bescherming doet een zekere graad van verhevenheid en een macht of deugd meer, door God geschonken, veronderstellen. De vader, die zijn kind beschermt kan zelf door een meer verheven geest geholpen worden.”

 

508. Kunnen die geesten, welke de aarde in goede toestand verlaten hebben, altijd degenen die zij liefhebben en die hen overleven, beschermen?

“Hun macht is min of meer beperkt; de toestand, waarin zij verkeren, laat hen niet altijd gehele vrijheid van handelen toe.”

 

509. Heeft de mens, die zich nog in de staat van wilde of van zedelijke minderheid bevindt, eveneens een bescherm­geest; en is deze in dat geval dan ook zo verheven als die van vergevorderde mensen?

“Ieder mens heeft een geest, die over hem waakt, maar de zendingen zijn evenredig aan het doel. Gij geeft een kind geen hoogleraar in de wijsbegeerte om hem te leren lezen. De vooruitgang van de gemeenzame geest volgt die van de geschermwordende geest. Terwijl gij zelf een verheven geest hebt, die over u waakt, kunt gij op uw beurt de beschermer van een anderen geest, die minder is dan gij, worden, en dan zullen de vorderingen, die gij hem helpt maken, ook voor uw vooruitgang bevorderlijk zijn.”

 

510. Wanneer de vader, die over zijn kind waakt wederom geďncarneerd wordt waakt hij dan nog steeds over hem?

“Dit is moeilijker, maar dan verzoekt hij, in een van die ogenblikken, waarin hij vrij is, aan een hem toegenegen geest om hem in die zending bij te staan. Bovendien nemen de geesten alleen die zending op zich, die zij ten einde toe kunnen volbrengen.

De geďncarneerde geest is, vooral op die werelden, waar het leven stoffelijk is, teveel onder de macht van zijn lichaam, om zich geheel te kunnen toewijden, dat wil zeggen om zelf persoonlijk te kunnen helpen; daarom worden degenen, die zelf niet verheven genoeg zijn, door andere, boven hen verhevene geesten bijgestaan; op die wijze wordt in hetgeen, waarin de een mocht tekortschieten door een ander voorzien.”

 

511. Is er aan ieder mens behalve de beschermgeest nog een slechte geest verbonden om hem tot het kwaad uit te lokken en hem zodoende gelegenheid te geven de strijd tussen goed en kwaad te voeren?

“Verbonden, is het woord niet. Het is waar dat de slechte geesten, als zij daartoe gelegenheid vinden, hun best doen om de mens van de goede weg af te brengen; maar als een van deze zich aan een individu hecht, dan doet hij dat uit zichzelf, omdat hij hoop heeft dat er naar hem geluisterd zal worden; dan ontstaat er strijd tussen de goede en de kwade geest, en die geest, aan welke de mens toelaat over hem te heersen, zal dan zegevieren.”

 

512. Kunnen wij verschillende beschermgeesten hebben?

“Ieder mens heeft altijd meer of min verheven hem toegenegen geesten, die hem lief hebben en belang in hem stellen, zoals hij er ook heeft, die hem in het kwaaddoen behulpzaam zijn.”

 

513. Handelen de ons toegenegen geesten, ten gevolge van een opdracht?

“Soms kan het een tijdelijke zending zijn, maar meestal worden zij daartoe door gelijkvormigheid van gedachten en gevoelens, zowel wat het kwade als het goede aangaat, gedrongen.”

- Men schijnt hieruit te mogen afleiden, dat sympathische geesten zowel goed als slecht kunnen zijn.”

“Ja, de mens vindt, welk ook zijn karakter moge zijn, altijd geesten, die met hem sympathiseren.”

 

514. Zijn de gemeenzame geesten dezelfde als de sympathiserende of beschermgeesten?

“Er zijn vele schakeringen van bescherming en sympathie; geef hen de naam die gij wilt. De gemeenzame geest is meer een huisvriend.”

 

 

Uit de hierboven gegeven verklaring en opmerkingen over de natuur van de geesten, die zich aan de mens hechten, kan men het volgende afleiden:

De beschermende geest, beschermengel of goede genius, is die geest, aan wie het opgedragen is, de mens in het leven te volgen en hem te helpen vooruitgaan. Deze geest is altijd, bij zijn beschermeling vergeleken, van een meer verhevene natuur.

De gemeenzame geesten hechten zich door meer of minder duurzame banden aan sommige mensen met het doel hen van dienst te zijn, voor zoverre hun dikwijls vrij beperkte macht hen dit toelaat; zij zijn goed, maar somwijlen weinig ontwikkeld en zelfs een weinig licht van aard; zij laten zich gaarne met de kleine bijzonderheden van het intieme leven in, en handelen alleen op bevel of met toestemming van de beschermgeesten.

De sympathische geesten zijn dezulken, welke door onze bijzondere toegenegenheid en een zekere gelijkvormigheid in smaak en gevoel zowel voor het goede als het kwade, door ons aangetrokken worden. De duur van hun gemeenschap met ons, hangt meestal van omstandigheden af.

De kwade genius is een onvolmaakte of verdorven geest, die zich aan de mensen hecht met het doel om hem van het goede af te brengen maar hij doet dit uit eigen beweging en niet ten gevolge van een zending. Zijn vasthoudendheid is evenredig aan de meer of minder gemakkelijke toegang, die gij hem tot u geeft. De mens blijft altijd vrij om zijn stem aan te horen of af te wijzen.

 

 

515. Wat moet men van die mensen denken, die sommige individuen schijnen te vervolgen, hetzij om ze op een noodlottige wijze in het verderf te storten, hetzij om ze op de goede weg te brengen?

“Sommige mensen oefenen inderdaad een soort van fascinatie, die onweerstaanbaar schijnt, op anderen uit. Als dit ten kwade is, zijn het slechte geesten, die door andere slechte geesten gebruikt worden, om beter te kunnen overheersen. God kan dit toelaten om u te beproeven.”

 

516. Zoude onze goede en onze kwade genius zich kunnen incarneren, om ons op een meer directe wijze in het leven te vergezellen?

“Dit gebeurt soms; maar ook dikwijls belasten zij andere hen toegenegen geďncarneerde geesten met die zending.”

 

517. Zijn er geesten, die zich aan een gehele familie hechten om die te kunnen beschermen?

“Sommige geesten hechten zich, aan de leden van dezelfde familie die tezamen leven en door toegenegenheid aan elkaar verbonden zijn, maar geloof vrij dat er geen bescherm­geesten zijn, die de trotsheid van de rassen onder hun bescherming nemen.”

 

518. De geesten worden uit sympathie door de individuen aangetrokken, worden zij dit ook om bijzondere redenen door verenigingen van individuen?

“De geesten komen bij voorkeur daar, waar hun gelijken zijn; zij voelen zich daar meer op hun gemak, en zijn er meer zeker van, gehoor te zullen verkrijgen. De mens trekt de geesten door zijn neigingen aan, hetzij hij alleen is of wel een collectief geheel, zoals een gezelschap, een stad of, een volk vormt. Er zijn dus verenigingen, steden en volken, die naar gelang van hun karakter en van de hartstochten, die er de overhand hebben, door meer of minder verheven geesten worden bijgestaan. De onvolmaakte geesten verwijderen zich van degenen die hen afwijzen; waarvan het gevolg is, dat de zedelijke vooruitgang van het collectieve geheel, evenals die van de individuen, ertoe leidt om de slechte geesten te verwijderen, en de goede aan te trekken; deze laatste wekken het gevoel voor het goede bij de massa's op en onderhouden dit, zoals andere geesten slechte hartstochten kunnen inblazen.”

 

519. Hebben de verenigingen van individuen, zoals vergaderingen, steden, volken, hun bijzondere beschermers?

“Ja, want die verenigingen vormen een geheel, die tot een gemeenschappelijk doel samenwerken en een hogere leiding nodig hebben.”

 

520. Zijn de beschermgeesten van de massa's, van een meer verhevene natuur dan die, welke zich aan individuen hechten?

“Alles is in verhouding met de trap van vooruitgang van de massa's zowel als met die van de individuen.”

 

521. Kunnen sommige geesten door hen, die er zich aan toewijden, te beschermen, de vooruitgang van kunsten en wetenschappen bevorderen?

“Er bestaan bijzondere beschermers, welke degenen die hen aanroepen, als zij hen daartoe waardig keuren, bijstaan; maar wat wilt gij dat zij met degenen doen zullen, die wanen te zijn, wat zij niet zijn? Zij kunnen noch de blinden doen zien, noch de doven doen horen.”

 

 

De ouden hadden er bijzondere goden van gemaakt; de muzen waren niets anders dan de allegorische personificatie van de bescherm­geesten van kunsten en wetenschappen, zoals zij met de naam van Laren en Penaten de beschermgeesten van de families aanduidden. Tegenwoordig hebben de kunsten, de verschillende takken van nijverheid, de steden, de landen, ook hun patroons als beschermers, die onder een anderen naam niets anders zijn dan verhevene geesten.

Ieder mens, zijne hem toegenegen geesten hebbende, vloeit daaruit voort: dat bij elk collectief geheel de som van de toegenegen geesten aan het algemeen van de individuen evenredig is; dat vreemde geesten door gelijkvormigheid van neigingen en gedachten er naar toe getrokken worden; in een woord, dat deze verenigingen, zowel als de individuen, min of meer goed door geesten omringd en ondersteund worden, en onder hun invloed staan, naar gelang van de aard van de gedachten die bij hen de overhand hebben.

Bij de volken moet men de oorzaak waardoor de geesten aangetrokken worden, zoeken: in de zeden, gewoonten, in het heersende karakter en vooral in de wetten, omdat de wetten van een volk de afspiegeling van zijn karakter zijn. De mensen, onder welke rechtvaardigheid wet is, bestrijden de invloed van de kwade geesten. Overal waar de wetten onrechtvaardigheden en niet de menselijkheid strijdige dingen wettigen, zijn de goede geesten in de minderheid, en de menigte slechte, die van alle kanten toevloeien, onderhouden de verkeerde denkbeelden bij het volk en verlammen de gedeeltelijk goede invloed, die onder de menigte verloren gaat als een enkele korenaar vermengd onder doornen en struiken; als men dus de zeden der volken of van elke vereniging van mensen aandachtig gadeslaat, zal men zich van de onzichtbare bevolking, die zich in hun gedachten en daden mengen, een denkbeeld kunnen vormen.

 

 

Voorgevoel.

 

 

522. Is het voorgevoel altijd een waarschuwing van de beschermende geest?

“Het voorgevoel is de innige en geheime raadgeving van een geest, die het goede met u voor heeft. Het is ook de intuďtie van de keuze, die men gedaan heeft; het is de stem van het instinkt. De geest kent voordat hij zich incarneert de voornaamste afwisselende toestanden van zijn aanstaand leven; dat wij zeggen, dat hij de aard van de beproevingen in welke hij zich begeeft, kent; als die nu van een treffende aard zijn, behoudt hij van die wetenschap in zijn binnenste een soort van indruk, en die indruk, welke de stem van het instinkt is, bij het naderende ogenblik van de vervulling ontwakende, wordt voorgevoel.”

 

523. Het voorgevoel en de stem van het instinkt, hebben altijd iets onzekers, iets onbepaalds; wat staat ons in die onzekerheid te doen?

“Wanneer gij in onzekerheid verkeert, roept dan uw goede geest aan, of bid God, onzer aller Meester, dat Hij u een van Zijne gezanten, een onzer, tot u zendt.

 

524. Hebben de waarschuwingen van onze beschermende geesten, alleen betrekking op ons zedelijk gedrag, of ook op onze handelingen in het bijzondere leven?

“Op alles; zij trachten u zo goed mogelijk te doen leven maar dikwijls sluit gij uwe oren voor hun goede raadgevingen, en zijt gij door uw eigene schuld ongelukkig.”

 

 

De beschermende geesten helpen ons met hun raad door de stem van ons geweten bij ons op te wekken; maar daar wij daaraan niet altijd het nodige gewicht hechten geven zij ons meer onmiddellijk raad, door daartoe de mensen, die ons omringen te gebruiken. Laat elk de verschillende gelukkige of ongelukkige omstandigheden van zijn leven nagaan, en hij zal ontwaren dat hij bij onderscheiden gelegenheden, goede raad, waarvan hij niet altijd gebruik maakte, ontvangen heeft, welke hem, indien hij ernaar geluisterd had, vele onaangenaamheden zoude bespaard hebben.

 

 

Invloed van de Geesten op de gebeurtenissen van het leven.

 

 

525. Oefenen de geesten enige invloed op de gebeurtenissen van het leven uit?

“Zeer zeker, daar zij u raad geven.”

- Oefenen zij die invloed ook op een andere wijze uit, dan door de denkbeelden, die zij u ingeven; dat wil zeggen, oefenen zij ook een onmiddellijke invloed op de vervulling van de gebeurtenissen uit?

“Ja, maar hun handelingen, gaan de natuurwetten nooit te buiten.”

 

 

Ten onrechte verbeelden wij ons dat de invloed van de geesten zich alleen door buitengewone verschijnselen moet openbaren; wij zouden gaarne zien dat zij ons met wonderen te hulp kwamen, en wij stellen ons de geesten altijd, voorzien van een toverroede, voor. Zo is het niet en daarom komt ons hun tussenkomst als verborgen, en al wat door hun bemiddeling gebeurt als geheel natuurlijk voor. Zo zullen de geesten bijvoorbeeld de samenkomst van twee personen uitlokken, en deze zullen elkaar als bij toeval ontmoeten; zij zullen aan iemand ingeven deze of gene weg in te slaan; zij zullen hem zijn aandacht op het een of ander doen vestigen, indien zij daardoor, wat zij er mede beoogd hebben, kunnen doen gelukken; op die wijze behoudt de mens, denkende dat hij niets dan zijn eigen ingeving volgt, altijd zijn eigen vrije wil.

 

 

526. Kunnen de geesten daar zij invloed op de stof uit­oefenen, sommige verschijnselen met het doel om iets te doen gebeuren, doen ontstaan? Een man bijvoorbeeld, moet omkomen, hij klimt op een ladder, de ladder breekt en de man wordt gedood; zijn het dan de geesten, die de ladder hebben doen breken, om het noodlot van die man te vervullen?

“Het is waar dat de geesten invloed op de stof uitoefenen, doch zij doen dit alleen om de wetten van de natuur te vervullen, en niet om door daarvan af te wijken op een gegeven ogenblik een onvoorzien en met die wetten strijdig voorval te doen ontstaan. In het door u aangehaalde voorbeeld, is de ladder gebroken, omdat deze hetzij vermolmd of niet sterk genoeg was om het gewicht van die man te dragen; indien het de bestemming van die man was om op die wijze om te komen, zullen de geesten hem de gedachte ingeven op die ladder te klimmen, die dan onder zijn gewicht zal moeten breken, en zijn dood zal dan ten gevolge van een natuurlijke oorzaak plaatsvinden, zonder dat het nodig zal zijn de toevlucht tot een wonder te moeten nemen.”

 

527. Laat ons een ander voorbeeld nemen, in welke de natuurlijke toestand van de stof niet in aanmerking komt; een mens moet door de bliksem omkomen; hij schuilt onder een boom, de bliksem slaat er in, en doodt hem? Hebben nu de geesten de bliksem kunnen doen ontstaan en op hem kunnen richten?

“Dit blijft altijd hetzelfde. De bliksem is op dat ogenblik in de boom geslagen omdat het volgens de natuurwetten zo wezen moest; hij is niet op de boom gericht geworden omdat die man eronder stond, maar er is de man ingegeven onder die boom, die door de bliksem getroffen moest worden, een schuilplaats te zoeken; want de boom zou toch getroffen geworden zijn, al ware de man er niet onder geweest.”

 

528. Een kwaadwillig mens werpt met een hard voorwerp naar iemand, het gaat hem rakelings voorbij, doch treft hem niet. Kan nu een welwillende geest dit voorwerp afgewend hebben?

“Indien het individu niet getroffen moet worden, kan de welwillende geest hem de gedachte ingeven opzij te wijken, of hij kan het zijn vijand, teneinde hem slecht te doen mikken voor de ogen doen schemeren; want het voorwerp, eens geworpen zijnde, moet de gegeven richting volgen.”

 

529. Wat moet men geloven van betoverde kogels, die altijd het doel treffen, zoals sommige legenden vermelden?

“Niets dan verbeelding; de mens is een liefhebber van het wonderbaarlijke, en de wonderen van de natuur zijn hem niet genoeg.”

- Kunnen de geesten, die de gebeurtenissen van het leven besturen, daarin door geesten die het tegenovergestelde zouden willen, tegengewerkt worden?

“Wat God wil, moet geschieden; en indien iets uitstel of verhindering ontmoet, is dit door Zijn wil.”

 

 530. Kunnen de lichtzinnige en spotgeesten niet die kleine moeilijkheden doen ontstaan, die ons gedurende het leven in de weg gelegd worden, en onze plannen en verwachtingen in duigen doen vallen; met andere woorden zijn zij de bewerkers van hetgeen men gewoonlijk de kleine verdrietelijkheden van het menselijke leven noemt?

“Zij vinden in die plagerijen, welke voor u beproevingen zijn tot oefening van uw geduld genoegen, maar zij geven die op, als zij bemerken dat zij niet slagen. Het zou evenwel noch rechtvaardig noch juist zijn, alle uw teleurstellingen, waarvan gij door uw onbezonnenheid de eerste oorzaak zijt, aan hen toe te schrijven: want wees verzekerd, dat als uw vaatwerk breekt, het dan meer de schuld van uw onhandigheid, dan die van de Geesten is.”

- Handelen de geesten, die kwellingen doen ontstaan, ten gevolge van een persoonlijke wrok, of vallen zij zonder bepaald doel, alleen uit boosheid op de eerste de beste aan?

“Zowel het een als het ander; soms zijn het vijanden, die men zich gedurende dit of in een vorig leven op de hals heeft gehaald, en die u vervolgen; soms bestaan er geen beweegredenen.”

 

531. Neemt de kwaadgezindheid van de wezens, die ons op aarde hebben kwaad gedaan, tegelijk met hun lichamelijk leven een einde?

“Dikwijls zien zij hun onrechtvaardigheid en het kwaad in, dat zij gedaan hebben; maar dikwijls ook vervolgen zij u met hun vijandschap, indien God, om u te beproeven, dit toelaat.”

- Kan men hieraan een einde maken, en door welk middel?

“Ja men kan voor hen bidden, en door hen hun kwaad met goed te vergelden, eindigen zij met hun onrecht in te zien; als men zich buitendien, boven hun aanslagen weet te verheffen houden zij op, als zij zien dat zij er niets bij winnen.”

 

 

De ondervinding bewijst, dat enige geesten hun wraakoefening van het ene leven in het andere voortzetten, en dat men daardoor vroeg of laat boet voor het onrecht dat men hen aangedaan heeft.

 

 

532. Hebben de geesten de macht om van enige mensen ongelukken af te wenden, en voorspoed over hen te doen komen?

“Niet geheel, want er zijn onheilen, die een beschikking van God zijn; maar zij verminderen uw smarten door u geduld en gelatenheid in te boezemen.

Weet ook, dat het dikwijls van uzelf afhangt om die onheilen van u af te wenden of ten minste te verzachten; God heeft u het verstand geschonken, opdat gij daarvan gebruik zoudt maken, en hierin komen de geesten u voornamelijk te hulp, door bij u bevredigende gedachten op te wekken; maar zij komen alleen hen te hulp die zichzelf weten te helpen; dit is de betekenis van de woorden: Zoekt en gij zult vinden; klopt, en u zal open gedaan worden.

Weet ook nog dat hetgeen u als een kwaad voorkomt, dit niet altijd is; dikwijls moet daaruit iets goeds voortvloeien, dat groter dan het kwaad zijn zal, en dat is het, wat gij niet begrijpt, omdat gij alleen aan het tegenwoordige ogenblik en aan uzelf denkt.”

 

533. Kunnen de geesten, als men hen daarom vraagt, ons de gaven van de fortuin bezorgen?

“Soms als beproeving, maar ook dikwerf weigeren zij, zoals men aan een kind weigert dat een onbezonnen wens doet.”

- Zijn het de goede of de kwade geesten, die deze gunsten schenken?

“Zowel de een als de andere, dit hangt van de bedoeling af, maar meestal zijn het die geesten die u tot het kwade willen overhalen, en in de genietingen welke de rijkdom aanbiedt, daartoe een gemakkelijk middel vinden.”

 

534. Wanneer hinderpalen onze plannen op een noodlottige wijze schijnen te komen dwarsbomen, zoude dit dan ten gevolge van de invloed van zekere geesten zijn?

“Soms door geesten, andere malen en wel meesttijds doordien gij het verkeert aanlegt. Omstandigheden en karakter oefenen een grote invloed uit. Indien gij hardnekkig een weg, die de uwe niet is, wilt blijven volgen, kunnen de geesten dat niet helpen, gij zijt dan zelf uw kwade genius.”

 

535. Als er ons iets gelukkigs overkomt, moeten wij dan daarvoor onze beschermgeest danken?

“Dank vooral God, zonder wiens toestemming niets gebeurt, daarna de goede geesten, die de uitvoerders van Zijn wil geweest zijn.”

- Wat zoude er gebeuren als men naliet hen te danken?

“Hetgeen, wat er met ondankbaren gebeurt.”

- Er zijn toch mensen, die bidden noch danken, en wie alles toch gelukt?

“Zeker, maar men moet het einde zien; zij zullen dat voorbijgaande onverdiende geluk, duur moeten betalen; want hoe meer zij zullen ontvangen hebben, des te meer zullen zij terug te geven hebben.”

 

 

Invloed van de Geesten op de natuurverschijnselen.

 

 

536. Zijn de grote natuurverschijnselen, welke men als omwentelingen van de elementen beschouwt, het gevolg van toevallige oorzaken, of hebben zij allen een doel dat voorzien is?

“Alles heeft een reden van bestaan, en er gebeurt niets zonder Gods toestemming.”

- Hebben deze verschijnselen altijd het mensdom ten doel?

“Soms heeft hun reden van bestaan onmiddellijk betrekking op het mensdom; maar ook dikwijls bestaat daarvoor geen andere reden dan om het evenwicht en de harmonie van de fysische krachten der natuur te herstellen.”

- Wij kunnen redelijk begrijpen dat Gods wil in deze evenals in alles de eerste oorzaak is; maar daar wij weten dat de geesten invloed op de stof uitoefenen, en dat zij de uitvoerders van Gods wil zijn, vragen wij of enigen onder hen, geen invloed op de elementen uitoefenen, om die in beroering te brengen, te doen bedaren of te besturen?

“Dit is duidelijk; het kan niets anders zijn; God werkt niet onmiddellijk op de stof. Hij heeft daartoe trouwe uitvoerders van zijn wil op elke trap van ontwikkeling van elke wereld.”

 

537. De godenleer der ouden is geheel op spiritistische denkbeelden gegrond, met dit onderscheid alleen, dat zij de geesten als goden beschouwden; daarbij beelden zij ons die goden of geesten met attributen af; zo was aan sommigen het beheer over de winden, aan anderen over de bliksem, nog anderen over de groei van de planten opgedragen, enz. is dit geloof van allen grond ontbloot?

“Dit geloof is zo weinig van grond ontbloot, dat het nog ver beneden van de waarheid gebleven is.”

- Om dezelfde reden zouden er dus geesten kunnen zijn, die het inwendige van de aarde bewonen en daar de leiding van de geologische verschijnselen hebben?

“Deze geesten bewonen niet bepaald de aarde, maar zij leiden en besturen naar gelang van hun aard. Eenmaal zal u de verklaring van al die verschijnselen gegeven worden en dan zult gij ze beter begrijpen.”

 

538. Vormen de geesten, welke de verschijnselen van de natuur besturen een bijzondere categorie in de geestenwereld; zijn het bijzondere wezens of zijn het geesten, die evenals wij geďncarneerd zijn geweest?

“Het zijn geesten die geďncarneerd zullen worden of die het geweest zijn.”

- Behoren die geesten tot de verhevene of tot de mindere rangen die Spiritistische hiërarchie?

“Al naar mate dat hun taak meer of minder stoffelijk of intelligent is; sommige bevelen, anderen voeren uit; zij, die het stoffelijke uitvoeren, zijn altijd van een mindere orde, dit is bij de geesten zoals bij de mensen.”

 

539. Is er bij de voortbrenging van zekere verschijnselen, bijvoorbeeld bij stormen, slechts een geest werkzaam of verenigen zij zich daartoe in massa’s?

“In ontelbare massa’s.”

 

540. Handelen de geesten, die invloed op de natuurverschijnselen uitoefenen, met kennis van zaken, en ten gevolge van hun eigen wil, of worden zij daartoe instinctmatig en zonder nadenken aangedreven?

“Sommigen wel, anderen niet. Ik zal een vergelijking maken: stel u die myriaden diertjes voor, die langzamerhand uit de bodem van de zee, eilanden, en verzamelingen van eilanden doen tevoorschijn komen; gelooft gij niet dat hieraan een voorzorgend doel verbonden is, en dat die vervorming van de oppervlakte van de aardkorst niet voor de algemene harmonie nodig is? En toch zijn het slechts diertjes, die op de laagste trap van ontwikkeling staan, welke dit werk, terwijl zij daardoor in hun eigen behoeften voorzien, uitvoeren, zonder te vermoeden dat zij werktuigen in Gods hand zijn. Wel nu! op dezelfde wijze zijn de meest achterlijke geesten nuttig werkzaam voor het geheel; terwijl deze nog maar beproeven om de eerste trede in het leven af te leggen, en voordat zij het volle bewustzijn van hun handelingen, en voordat zij in het bezit van hun eigen vrije wil zijn, oefenen zij reeds invloed uit op enige verschijnselen, van welke zij onbewust de bewerkers zijn. Eerst voeren zij uit, later wanneer hun intelligentie meer ontwikkeld zal zijn, zullen zij bevelen geven, en zelf de dingen van de stoffelijke wereld besturen. Op die wijze bewijst alles in de natuur diensten, is alles vanaf het primitieve atoom tot aan de aartsengel, die zelf als atoom begonnen is, in de keten van de natuur met elkaar verbonden; bewonderenswaardige wet der harmonie, waarvan uw beperkte geest het geheel nog niet overzien kan.”

 

 

De Geesten gedurende het gevecht.

 

 

541. Zijn er in de gevechten geesten, die de partijen aan weerszijden ondersteunen en bijstaan?

“Ja, en hun moed aanwakkeren.”

 

 

Zoals vroeger de ouden, de goden voorstelden, die voor de een of de ander partij trokken. Deze goden waren niets anders dan geesten, die onder allegorische beelden werden voorgesteld.

 

 

542. In de oorlog is het recht altijd aan een van beide kanten; hoe kunnen dan de geesten, voor degene die ongelijk heeft, partij trekken?

“Gij weet wel dat er geesten zijn, die niets liever dan tweedracht en vernieling zoeken, voor hen is oorlog, oorlog; aan de rechtvaardigheid van de zaak is hen weinig gelegen.”

 

543. Kunnen sommige geesten invloed uitoefenen op de bevelhebber, bij het opmaken van zijn oorlogsplan?

“Ongetwijfeld, kunnen zij hierop evenals bij het maken van ieder ontwerp, invloed uitoefen.”

 

544. Zouden slechte geesten, met het doel om hem in het verderf te storten, verkeerde berekeningen bij hem kunnen opwekken?

“Ja, maar bezit hij niet zijn eigen vrije wil? Indien hij geen verstand genoeg heeft om een verkeerd van een goed denkbeeld te onderscheiden, draagt hij daarvan de gevolgen en zou hij beter doen ondergeschikt te blijven, dan bevel te voeren.”

 

545. Kan de bevelhebber soms door een soort van tweede gezicht, door een intuďtief gezicht, dat hem vooruit de uitkomst van zijn berekeningen doet zien, geleid worden?

“Dit is dikwijls het geval bij uitstekende mensen; dit noemt hij inspiratie, en maakt dat hij met een zekere gewisheid handelt; die inspiratie ontvangt hij van de geesten, die hem leiden en gebruik maken van de vermogens waarmede hij begiftigd is.”

 

546. Wat gebeurt er temidden van het rumoer van het gevecht, met de geesten, welke sneuvelen? Stellen deze er nog na hun dood belang in?

“Sommigen stellen er nog belang in, anderen verwijderen zich.”

 

 

Bij gevechten gebeurt wat er bij elk geval van gewelddadige dood plaats vindt, in het eerste ogenblik is de geest verrast en als bedwelmd, en gelooft niet dat hij dood is; het komt hem voor, alsof hij nog aan het gevecht deel neemt; eerst langzamerhand begrijpt hij de waarheid.

 

 

547. Herkennen de geesten, die terwijl zij in leven waren elkaar bevochten, na hun dood, elkaar nog als vijanden; en zijn zij nog op elkaar verbitterd?

“De geest, is op zo’n ogenblik nooit kalm; op het eerste ogenblik, zal hij zijn vijand nog haat toedragen en zelfs vervolgen, maar zijn denkvermogen terugkerende ziet hij in, dat zijn vijandschap geen reden van bestaan meer heeft; hij kan er evenwel, naar gelang van zijn karakter, nog min of meer sporen van blijven behouden.”

- Bemerkt hij het krijgsrumoer nog?

“Ja, en zeer duidelijker.”

 

548. Is de geest, die in koelen bloede als toeschouwer bij een veldslag tegenwoordig is, getuige van de scheiding van lichaam en ziel, en hoe doet zich dat verschijnsel aan hem voor?

“Slechts zelden volgt de dood onmiddellijk. Gewoonlijk is de geest, wiens lichaam getroffen wordt, hiervan niet dadelijk bewust; op het ogenblik dat hij tot zichzelf begint te komen, kan men de geest onderscheiden, die zich naast het lijk beweegt; dit schijnt zo natuurlijk, dat het gezicht van het lichaam, volstrekt geen onaangenaam gevoel opwekt; het gehele leven in de geest overgegaan zijnde, trekt deze alleen de aandacht; het is met hem, dat men spreekt, of aan hem, dat men bevelen geeft.”

 

 

Verbond met kwade geesten.

 

 

549. Bestaat er iets waars in het sluiten van een verbond met kwade geesten?

“Nee, er bestaat geen verbond met kwade geesten, maar de mensen van een verdorven natuur sympathiseren met kwade geesten. Gij wilt bijvoorbeeld uw buurman kwellen maar weet niet hoe dit aan te leggen; dan roept gij mindere geesten tot u, die evenals gij tot niets dan tot kwaaddoen geneigd zijn, en daarom voor hun hulp ook verlangen dat gij hen in hun slechte voornemens bij zult staan; maar daaruit volgt nog niet, dat uw buurman zich door een tegenovergestelde samenspanning en door zijn wil, niet hiervan zou kunnen bevrijden. Hij, die een slechte daad wil plegen, roept alleen door dat verlangen, de bijstand van slechte geesten in; hij is dan verplicht hen te dienen, zoals zij dit hem doen, want ook zij hebben hem nodig, voor het kwaad dat zij doen willen. Hierin, en in niets anders, bestaat dit verbond.”

 

 

De afhankelijkheid, waarin de mens zich soms tegenover mindere geesten bevindt, is het gevolg van zijn toegeven aan de slechte gedachten die zij bij hem opwekken, en niet omdat er een verbond tussen hen gesloten is. Het verbond, in de zin die het volk er aan geeft, is een zinnebeeldige voorstelling, die ons de mensen van een slechte natuur, met de kwade geesten sympathiserende, afschildert.

 

 

550. Welke is de betekenis van die fantastische legenden, volgens welke zekere individuen hun ziel aan de duivel verkocht hebben, om daarvoor zekere gunsten te genieten?

“Alle fabelen bevatten een lering en hebben een zedelijke zin; uw fout ligt daarin, dat gij ze altijd letterlijk opvat. Deze, is een allegorische voorstelling, die men volgenderwijs kan verklaren; Hij, die de bijstand van de geesten inroept om er de gaven van de fortuin of enige andere gunst door te verkrijgen, mort tegen de Voorzienigheid, hij ziet van de beproevingen die bij hierbeneden ondergaan moet, af, en hij zal er de gevolgen in een volgend leven van moeten dragen. Dat wil niet zeggen dat zijn ziel eeuwig tot het ongeluk gedoemd zal zijn, maar dat, door zich meer en meer met de stof te vereenzelvigen in plaats van er zich van los te maken, hem datgene, wat hij op aarde genoten zal hebben, in de geestenwereld onthouden zal worden totdat hij dit door nieuwe en wellicht grotere en nog moeilijker beproevingen te ondergaan, teruggekocht zal hebben. Door zijne gehechtheid aan stoffelijke genietingen, maakt hij zich geheel van de onreine geesten afhankelijk; het is tussen hen en hem een stilzwijgend verbond, waardoor hij in het verderf gestort wordt; maar een verbond, dat hem altijd gemakkelijk zal zijn met de bijstand van goede geesten te verbreken, als hij daartoe de vaste wil bezit.”

 

 

Geheime macht. Talismans. Tovenaars.

 

 

551. Kan een slecht mens, met behulp van een hem genegen kwade geest, aan zijn naasten enig kwaad berokkenen?

“Nee, God zoude dit niet toelaten.”

 

552. Wat moet men dan denken van het geloof, dat er sommige mensen zijn, die anderen kunnen betoveren?

“Sommige mensen bezitten een zeer grote magnetische kracht, waarvan zij, als hun eigen geest slecht is, een slecht gebruik kunnen maken, en in dat geval kunnen zij door andere slechte geesten bijgestaan worden; maar geloof toch niet aan die zogenaamde toverkracht, die alleen in het brein van bijgelovige lieden die met de ware natuurwetten onbekend zijn, kan opkomen. De feiten die men tot staving opnoemt, zijn natuurlijke dingen die verkeerd waargenomen en vooral verkeerd begrepen zijn.”

 

553. Welk gevolg kunnen de bezweringen en praktijken hebben, door welke sommige personen voorgeven over de wil van de geesten te kunnen beschikken?

“Geen ander dan hen belachelijk te maken, als zij te goeder trouw handelen, en in het tegenovergestelde geval zijn het bedriegers, die verdienen gestraft te worden. Alle bezwering is kwakzalverij; er bestaan geen sacramentele woorden, geen kabbalistische tekenen, geen talismans, die enig werking, hoe ook genaamd op de geesten uitoefenen, want deze worden alleen door gedachten en niet door stoffelijke dingen aangetrokken.”

- Hebben niet enige geesten zelf, kabbalistische formule voorgeschreven?

“Ja, er zijn geesten, die u, tekenen en zonderlinge woorden opgeven, of u zekere handelingen voorschrijven, door behulp van welke gij, zoals gij dit noemt, bezweringen doet; maar wees verzekerd, dat het geesten zijn, die de spot met u drijven, en van uw lichtgelovigheid misbruik maken.”

 

554. Kan degene, die, hetzij ten rechte of ten onrechte, in hetgeen hij de macht van een talisman noemt, vertrouwen stelt, door dat vertrouwen geen geest tot zich trekken; want dan is het toch de gedachte, welke handelt, en de talisman wordt een uiterlijk teken, waardoor de gedachte bestuurd wordt?

“Dat is waar, maar de aard van de aangetrokken wordende geest hangt van de reinheid van de bedoeling en van het verhevene van de gedachte af; en het is zeldzaam dat iemand, die aan de kracht van een talisman gelooft, niet meer stoffelijke dan zedelijke belangen op het oog heeft; in ieder geval is het een bewijs van bekrompenheid en zwakheid van geest welke aan de onvolmaakte geesten vrij spel geeft.”

 

555. Welke betekenis moet men aan de benaming van tovenaar hechten?

“Zij, die gij tovenaars noemt, zijn mensen, die, als zij te goeder trouw zijn, zekere gaven, zoals het magnetisme of het tweede gezicht bezitten; en dientengevolge het een of ander doende dat niet door u begrepen wordt, door u als met een bovennatuurlijke kracht begiftigd, beschouwd worden. Zijn zelfs uw geleerden niet dikwijls, door onwetende mensen voor tovenaars aangezien?”

 

 

Het spiritisme en het magnetisme geven ons de sleutel van vele verschijnselen, waarop de onwetendheid een menigte fabels, in welke de feiten door de verbeeldingskracht overdreven worden voorgesteld, gebouwd heeft. De verlichte kennis van die twee wetenschappen (die er tezamen slechts een vormen) de werkelijkheid der dingen en hun ware oorzaken aantonende, is het beste behoedmiddel tegen bijgelovige denkbeelden, omdat het aantoont wat mogelijk en wat onmogelijk, wat in de wetten der natuur en wat slechts een belachelijk bijgeloof is.

 

 

556. Bezitten enige mensen werkelijk de gave om enkel door aanraking te genezen?

“De magnetische kracht kan inderdaad zover gaan, als die ondersteund wordt door reinheid van gedachte en een vurig verlangen om het goede te doen, want dan komen de goede geesten te hulp; maar men moet de verhalen van de wijze waarop dit geschiedt, die sommige al te lichtgelovige of al te hartstochtelijke mensen ervan doen, wantrouwen, want die zijn altijd geneigd om in de eenvoudigste en natuurlijkste dingen, wonderen te zien. Men moet eveneens de verhalen van hen wantrouwen, die er belang bij hebben om van de lichtgelovigheid ten hun voordele partij te trekken.”

 

 

Zegeningen en verwensingen.

 

 

557. Kunnen zegeningen en verwensingen, goed of kwaad brengen over degenen, die er het voorwerp van zijn?

“God schenkt aan een onrechtvaardige verwensing geen gehoor, en hij, die dezelfde uitspreekt is misdadig in Zijne ogen. Daar wij de twee tegen elkaar overstaande geniussen, van het goed en het kwaad hebben, kan er een tijdelijke invloed, zelfs op de stof plaats vinden, maar alleen met Gods wil en als verzwaring van beproeving voor hem, die er het voorwerp van is. Buitendien worden meestal alleen de slechten verwenst en de goeden gezegend. Zegeningen noch verwensingen kun­nen de Voorzienigheid ooit van de weg der rechtvaardigheid doen afwijken, zij treft de vervloekte alleen als deze slecht is, en haar bescherming beveiligt alleen hem, die het verdient.”

(vorige)						(volgende)