Tiende Hoofdstuk.

 

Werkkring en Zending van de Geesten.

 

 

 

558. Hebben de Geesten nog iets anders te doen dan zichzelf te verbeteren?

“Zij werken tot de instandhouding van de harmonie van het heelal mede, door den wil van God, wiens dienaren zij zijn, ten uitvoer te brengen. Het Geestenleven bestaat in ene gestadige werkzaamheid, doch waaraan niets moeilijks, zoals dit op aarde het geval is, verbonden is, omdat die werkzaamheid niet met vermoeienis van het lichaam, noch met de angst voor gebrek gepaard gaat.”

 

559. Vervullen de mindere en onvolmaakte Geesten ook een nuttige rol in het Heelal?

“Allen hebben plichten te vervullen. Werkt de geringste metselaar ook niet even goed mede als de bouwmeester om het gebouw op te trekken?” (zie 540)

 

560. Is aan iedere Geest een bijzondere werkkring opgedragen?

“Dat wil zeggen: wij allen moeten overal verblijf houden, en door achtervolgen bij alle delen van het Heelal de leiding te voeren, kennis van alle dingen opdoen. Maar zoals er in de Prediker staat: er is een tijd voor alles; de een vervult tegenwoordig zijne bestemming in dit leven, een ander zal die vervullen of heeft die reeds op een ander tijd vervuld, op aarde in het water, in de lucht, enz.”

 

561. Is de werkkring die aan elke Geest in de wereldorde aangewezen is, voor hen blijvend, en behoort die uitsluitend tot de attributen van zekere klasse?

“Allen moeten de onderscheiden trappen van de ladder beklimmen om zich te volmaken. God, die rechtvaardig is, heeft aan de een niet zonder arbeid, de wetenschap kunnen willen schenken, terwijl anderen die niet dan met veel moeite verkrijgen.”

 

 

Zo is het ook onder de mensen; niemand bereikt de hoogste trap van welke kunst ook, zonder de nodige kennis, zelfs van de geringste onderdelen van de kunst, door oefening verkregen te hebben.

 

 

562. Genieten de Geesten van de hoogste orde, daar zij niets meer te leren hebben, een absolute rust, of hebben deze ook bezigheden?

“Wat zoude gij willen dat zij gedurende alle eeuwigheid zouden doen? Eeuwige lediggang zou een eeuwige kwelling zijn.”

- Van welke aard zijn hun bezigheden?

“Onmiddellijk van God zelve bevelen te ontvangen en die in het Heelal over te brengen en voor de opvolging zorg te dragen.”

 

563. Zijn de Geesten onophoudelijk werkzaam?

“Ja, onophoudelijk, als men daaronder verstaat dat hun gedachte altijd werkzaam is. Maar gij moet de bezigheden van de Geesten, niet met de stoffelijke van den mens gelijkstellen; die bedrijvigheid zelve is voor hen door het bewustzijn dat zij hebben, nuttig te zijn, een genot.”

- Men kan dat, voor zooverre het de goede Geesten betreft, begrijpen, maar is dit ook zo met de mindere Geesten?

“De mindere Geesten hebben een met hun natuur overeenkomstige werkkring. Vertrouwt gij aan den dagloner en aan de onwetende de arbeid van de intelligente mens toe?”

 

564. Zijn er Geesten, die niets doen, of die zich met niets nuttigs bezighouden?

“Ja, maar die toestand is slechts tijdelijk, en afhankelijk van de ontwikkeling van hun verstand. Er zijn er zeker, evenals onder de mensen die alleen voor henzelf leven, maar die lediggang valt hen zwaar, en vroeg of laat doet de zucht om vooruitkomen hen de behoefte aan bezigheden voelen, en dan zijn zij gelukkig als zij van enig nut kunnen zijn. Wij spreken van zoodanige Geesten, die zover gevorderd zijn, dat zij zichzelf en hun eigen vrije wil bewust zijn; want bij hun ontstaan, zijn zij als pas geboren kinderen, die meer ten gevolge van de natuurdrift, dan van een bepaalde wil, handelen.”

 

565. Onderzoeken de Geesten onze werken van kunst en stellen zij er belang in?

“Zij onderzoeken datgene, waaruit de verhevenheid van de Geesten, en hun vooruitgang blijken kan.”

 

566. Stelt een Geest, die op aarde ene specialiteit, bij voorbeeld schilder, bouwkunstenaar geweest is, een bijzonder belang in de werken, voor welke hij bij zijn leven een voorliefde voelde?

“Alles werkt samen tot een algemeen doel. Indien hij goed is zal hij er voor zoover belang in stellen, als hij daardoor de zielen behulpzaam kan zijn om tot God op te klimmen. Bovendien ziet gij over het hoofd dat een Geest, die in het leven dat gij kent, een kunst heeft uitgeoefend er een ander in een ander leven uitgeoefend kan hebben, want om volmaakt te zijn, moet hij alles kennen; op die wijze; kan er, naarmate van de trap van ontwikkeling, die hij bereikt heeft, ene speciale voor hem bestaan; dit wilde ik u te kennen geven met het gezegde, alles werkt samen tot een algemeen doel. Let ook hierop dat hetgeen u op uwe achterlijke wereld verheven schoon voorkomt, slechts kinderwerk op meer gevorderde werelden is. Hoe zoude gij dan kunnen verlangen dat de Geesten, welke werelden bewonen op welke er voor u ongekende kunsten bestaan, datgene zouden bewonderen dat voor hen het werk van leerlingen is. Ik heb het reeds gezegd: zij onderzoeken datgene, waaruit vooruitgang blijken kan.”

- Wij begrijpen dat dit het geval met vergevorderde Geesten moet zijn; maar wij bedoelen meer alledaagse Geesten, die zich nog niet boven de aardse denkbeelden hebben kunnen verheven?

Voor dezen is het iets anders, hun gezichtspunt is meer bekrompen, en zij kunnen datgene nog bewonderen, wat gij zelve bewondert.”

 

567. Nemen de Geesten wel eens deel aan onze bezigheden of vermaken?

“De alledaagse Geesten, zoals gij ze noemt, ja, deze zijn altijd om en bij u, en nemen dikwijls, al naarmate van hun aard, aan hetgeen gij doet een zeer ijverig deel; en dit moet wel zo zijn om de mensen de verschillende paden van het leven te doen betreden, en hun hartstochten op te wekken of te matigen.”

 

 

De Geesten bemoeien zich met de dingen van deze wereld naarmate van hun verhevenheid of minderheid. De verheven Geesten bezitten ongetwijfeld de gave om die tot in de kleinste bijzonderheden na te gaan, maar zij doen dit alleen voor zover dit voor de vooruitgang nuttig kan zijn; alleen de mindere Geesten hechten er een betrekkelijk gewicht aan , naarmate van de herinneringen , die hen nog voor de Geest zweven en de stoffelijke denkbeelden, die nog niet bij hen uitgedoofd zijn.

 

 

568. Volbrengen de Geesten, welke zendingen te vervullen hebben, die in de staat van omdoling of als geïncarneerde?

“Zij kunnen in beide toestanden zendingen te vervullen hebben; voor enige omdolende Geesten is het een grote bezigheid.”

 

569. Waarin bestaan de zendingen, waarmede de omdolende Geesten belast kunnen worden?

“Deze zijn zo verschillend van aard, dat het onmogelijk is ze te beschrijven; bovendien zijn er zendingen, die gij niet begrijpen kunt. De Geesten volbrengen Gods wil, en het is u niet gegeven zijn doel geheel te doorgronden.”

 

 

De zendingen der Geesten hebben altijd het goede ten doel. Zij zijn hetzij als Geest of als mens, belast om tot de vooruitgang zowel van volken als van individuen in een wijdere of engere kring van gedachten, meer of minder uitsluitend, mede te werken, de weg te banen voor zekere gebeurtenissen, en voor de vervulling van zekere dingen te waken. Enige hebben een meer beperkte en in zekere mate persoonlijke of geheel plaatselijke zending, zoals om zieken, stervenden, bedroefden bij te staan; op hen, wiens leidslieden en beschermers zij worden te waken en door hunne raadgevingen, of door hen goede gedachten in te geven, te leiden. Men kan zeggen dat er zoveel soorten van zendingen zijn als er soorten van belangen, hetzij in de fysische of in de zedelijke wereld te bewaken zijn. De Geest naar gelang de wijze, waarop hij zich van de hem opgedragen taak kwijt, zelf vooruit.

 

 

570. Doorgronden de Geesten altijd het doel van hetgeen hun opgedragen is ten uitvoer te brengen?

“Nee; er zijn er die blinde werktuigen zijn, maar anderen weten zeer goed met welk doel zij handelen.”

 

571. Zijn het alleen verhevene Geesten, welke zendingen volbrengen?

“De belangrijkheid van de zendingen is evenredig aan de kundigheden en de verhevenheid van de Geest. De koerier,die een depêche overbrengt vervult ook een zending maar het is niet die van de veldheer.”

 

572. Wordt de zending van een Geest aan deze opgedragen, of hangt die van zijn eigen wil af?

“Hij vraagt er om, en voelt zich gelukkig die te bekomen.”

- Kan dezelfde zending door meer dan een Geest gevraagd worden?

“Ja, dikwijls bieden zich velen daartoe aan, maar niet alle worden aangenomen.”

 

573. Waarin bestaat de zending van de geïncarneerde Geesten?

“Het mensdom te onderwijzen; behulpzaam te zijn in zijn vooruitgang; zijn instellingen door onmiddellijke en stoffelijke middelen te verbeteren; maar de zendingen zijn min of meer algemeen, meer of minder gewichtig; hij, die de grond bebouwt, vervult even zo goed een zending als hij, die regeert of onderwijst. Alles in de natuur is met een schakel aan elkaar verbonden; terwijl de Geest zich door de incar­natie reinigt, werkt hij in die toestand tot de volvoering van Gods besluiten mede. Iedereen heeft hier op aarde zijn zending, omdat iedereen tot iets nuttig kan zijn.”

 

574. Wat kan toch wel de zending wezen van hen, die vrijwillig tot niets nuttigs op aarde zijn?

“Men vindt inderdaad mensen, die alleen voor zichzelf leven, en zich voor niets nuttig weten te maken. Het zijn ongelukkige wezens, die men beklagen moet, want zij zullen voor hunne vrijwillige nutteloosheid zwaar te boeten hebben, en hunne straf begint dikwijls door verveling en gevoel van walging voor het leven reeds hier op aarde.”

- Daar zij in hun keuze vrij waren, waarom hebben Zij dan een leven gekozen, dat hen in niets tot nut kan zijn?

“Onder de Geesten zijner ook vadsige, die tegen een werkzaam leven opzien. God laat hen begaan; later zullen zij en ten hunnen koste, de nadelen van hun nutteloosheid inzien, en de eersten zijn om te vragen de verloren tijd te mogen goed maken. Wellicht hebben zij ook wel een nuttiger leven gekozen, maar eens aan de arbeid, deinzen zij er voor terug, en laten zich meeslepen door de inblazingen van de Geesten, die hen in hun lediggang stijven.”

 

575. De alledaagse bezigheden komen ons voor, meer plichten dan eigenlijk gezegde zendingen te zijn. De zending in de gebruikelijke zin, die men aan dat woord hecht, draagt een minder exclusief en vooral minder persoonlijk karakter. Hoe kan men uit dat oogpunt beschouwd, herkennen, of iemand een wezenlijke zending op aarde vervult?

“Aan de grote dingen, die hij volbrengt, aan de vooruitgang die hij zijn natuurgenoten doet maken.”

 

576. Zijn de mensen, aan wie ene belangrijke zending is opgedragen, daartoe reeds voor hun geboorte voorbeschikt, en is hun die bekend?

“Soms wel; maar meestal zijn zij daarvan onkundig. Zij hebben als zij op aarde komen slechts een onbepaald doel voor ogen; hunne zending wordt eerst na hun geboorte en door omstandigheden duidelijker. God drijft hen aan om de weg te betreden op welken zij Zijne besluiten moeten volbrengen.”

 

577. Als iemand iets nuttige doet, gebeurt dit dan altijd ten gevolge van ene vroegere opdracht, waartoe hij voorbeschikt was, of kan hij een niet voorziene zending ontvangen?

“Niet alles wat de mens doet, is het gevolg van een voorbeschikte zending; hij is dikwijls het werktuig, waarvan een Geest gebruik maakt om iets, wat deze nuttig acht, ten uitvoer te doen brengen. Om een voorbeeld op te noemen: een Geest oordeelt dat het goed zou zijn een boek te schrijven, dat hij zelf, indien hij geïncarneerd was schrijven zou; hij zoekt een schrijver op, die het beste in staat is zijn gedachten te begrijpen en weer te geven; hij geeft hem die gedachten in en leidt hem bij de uitvoering. Die mens is dus niet op aarde gekomen met de opdracht om dat werk te schrijven. Hetzelfde is het geval met sommige werken van kunst of met sommige uitvindingen. Men moet hier nog bijvoegen, dat de geïncarneerde geest gedurende zijn slaap onmiddellijk met de omdolende Geesten in gemeenschap treedt, en zij met elkaar de uitvoering overleggen.”

 

578. Kan de Geest door eigen schuld in de volbrenging van zijne zending tekort schieten?

“Ja, als het geen verheven Geest is.”

- Welke zijn daarvan voor hem de gevolgen?

“Hij moet zijn taak overwerken; dat is zijn straf; daarbij zal hij nog de gevolgen van het kwaad, waarvan hij oorzaak zal geweest zijn, dragen.”

 

579. Daar de Geest zijne zending van God ontvangt, hoe kan God dan een gewichtige zending van algemeen belang aan een Geest, die er in tekort kan schieten, opdragen?

“Weet God niet of zijn bevelhebber overwinnen zal of overwonnen zal worden? Hij weet het, wees daar zeker van, en Zijne plannen, als die belangrijk zijn, worden niet aan hen toevertrouwd die hun taak te midden van de arbeid zouden moeten opgeven. De gehele vraag ligt voor u in de kennis van de toekomst, die God bezit, maar die u niet gegeven is.”

 

580. Voelt de Geest, die zich incarneert om een zending te vervullen, dezelfde beduchtheid als degene, die het als een beproeving doet?

“Nee, hij bezit de ondervinding.”

 

581. De mannen, die fakkels voor het mensdom zijn, die de wereld door hun genie verlichten, hebben zeker een zending te vervullen; maar er zijn er onder, die zich vergissen en bij grote waarheden grote dwalingen verspreiden. Hoe moet men de zending van dezen beschouwen?

“Als door henzelf verwrongen. Zij zijn niet op de hoogte van de taak die zij ondernomen hebben. Men moet evenwel de omstandigheden in aanmerking nemen, die geniale mensen hebben naar hun tijd moeten spreken, en zeker onderwijs dat in een meer gevorderde als dwaling of kinderachtig voorkomt, kan voor hun eeuw voldoende geweest zijn.”

 

582. Kan men het vaderschap als een zending beschouwen?

“Dit is onbetwistbaar een zending; daarenboven is het een grote plicht, en waardoor hij voor de toekomst een grotere verantwoordelijkheid, dan hij wel denkt, op zich laadt. God heeft het kind onder de voogdij van de ouders gesteld opdat zij het op de weg van het goede zouden leiden, en Hij heeft hen die taak gemakkelijk gemaakt door het kind een zwak en broos organisme te schenken dat het vatbaar voor eiken indruk maakt; maar er zijn er, die zich meer bezig houden met de bomen van hun tuin te leiden en die veel vruchten te doen voortbrengen, dan met de leiding van het karakter van hun kind. Indien dit door hun schuld bezwijkt, zullen zij er de gevolgen van dragen, en het lijden van het kind in het toekomende leven zal op hen terug komen, want zij zullen niet alles gedaan hebben wat van hen afhankelijk was om het op de weg van het goede te doen vooruitgaan.”

 

583. Indien een kind, niet tegenstaande de zorgen daaraan door de ouders besteed, slecht uitvalt, zijn dezen er dan verantwoordelijk voor?

“Nee, maar hoe slechter de aanleg van het kind, hoe zwaarder de taak, en zoveel te groter zal de verdienste zijn als het hen gelukt het van de slecht weg af te brengen.”

- Indien een kind, niet tegenstaande de verwaarlozing door, en de slechte voorbeelden van de ouders, toch een goed mens wordt, zullen deze er dan enige vrucht van plukken?

“God is rechtvaardig.”

 

584. Welke kan de aard van de zending van de ver­overaar zijn, die geen ander doel heeft dan de bevrediging van eigen eerzucht, en die om dat te bereiken, voor geen van de onheilen, die zij na zich sleept, terugdeinst?

“Hij is meestal niets dan een werktuig, waarvan God zich bedient om hetgeen Hij beoogt ten uitvoer te brengen, en deze onheilen zijn dikwijls een middel om een volk spoediger vorderingen te doen maken.”

- Hij, die de bewerker van die voorbijgaande onheilen is, kent het goede niet dat eruit voort kan komen, daar alleen de bevordering van een persoonlijk belang zijn doel was; zal hij desniettemin van dat goede, enig voordeel trekken?

“Een ieder wordt beloond naar zijn werken, naar het goede lat hij heeft willen doen, en naar de oprechtheid van zijn bedoelingen.”

 

 

De geïncarneerde Geesten hebben een werkkring, die aan hun lichamelijk leven eigen is. In de staat van omdoling of van dematerialisatie, is die werkkring in overeenstemming met de graad van hun ontwikkeling.

Sommige Geesten doorlopen de werelden, bekwamen zich, en bereiden zich tot een nieuwe incarnatie.

Andere meer ontwikkelde Geesten houden zich onledig met de vooruitgang te bevorderen door de gebeurtenissen te leiden en goede denkbeelden te doen ontstaan, zij staan de grote vernuften ter zijde, die aan de vooruitgang van het mensdom medewerken.

Anderen incarneren zich met een zending om de vooruitgang te bevorderen.

Wederom anderen, nemen individuen, familie, verenigingen, steden en volken onder hun voogdij, en zijn daarvan de bescherm­engelen, de beschermende genius en gemeenzame Geesten.

Nog anderen eindelijk, besturen die verschijnselen van de natuur, waarvan zij onmiddellijke bewerkers zijn.

De gewone alledaagse Geesten, nemen deel aan onze bezigheden en vermaken.

De onreine of onvolmaakte Geesten wachten onder lijden en angsten het ogenblik af, waarin het God behagen zal hun de middelen om vorderingen te maken te schenken. Indien zij kwaad doen is het uit ergernis over het goede dat zij nog niet genieten kunnen.

 

(vorige)						(volgende)