Elfde Hoofdstuk.

 

De Drie Rijken van de Natuur.

 

 

De delfstoffen en de planten. De dieren en de mens. Zielsverhuizing.

 

 

De delfstoffen en de planten.

 

 

585. Wat is uwe gedachte over de verdeling van de natuur in drie Rijken, of wel in twee klassen: de bewerktuigde en onbewerktuigde wezens? Enigen maken van de mens een vierde klasse. Welke van deze verdelingen is de meest verkieslijke?

“Zij zijn allen even goed; het hangt af van het oogpunt waaruit men die beschouwt. Met betrekking tot de stof zijn er slechts bewerktuigde en onbewerktuigde wezens; vanuit het zedelijk oogpunt beschouwd, bestaan er klaarblijkelijk vier klassen.”

 

 

Deze vier klassen bezitten inderdaad, niet tegenstaande zij in elkaar schijnen overgaan sterk afgebakende kenmerken: de werkeloze of doods stof, waaruit het delfstoflelijk rijk bestaat bezit slechts mechanische kracht; de planten samengesteld uit de dode stof, zijn met levensvermogen voorzien; de dieren ook uit de dode stof samengesteld bezitten daarboven ene soort van beperkte instinctmatig intelligentie met bewustzijn van hun bestaan en van hunne individualiteit; de mens, al datgene wat de planten en dieren eigen is, bezittende, heerst over al de andere klassen door een bijzondere onbeperkte intelligentie, waardoor hij het bewustzijn van zijn toekomst en van buiten de stof bestaande zaken en de kennis van God bezit.

 

 

586. Hebben de planten bewustzijn van hun bestaan?

“Nee, zij denken niet; zij bezitten alleen het organische leven.”

 

587. Hebben de planten gevoel? Lijden zij als men ze verminkt?

“De planten ontvangen fysische indrukken, die op de stof werken, maar zij hebben geen gewaarwordingen; dientengevolge, hebben zij geen gevoel van smart.”

 

588. Is de kracht die de ene plant tot de andere trekt, van hun wil onafhankelijk?

“Ja, want zij denken niet. Het is een werktuigelijke kracht van de stof, die op de stof werkt; zij zouden er zich niet tegen kunnen verzetten.”

 

589. Sommige planten, zoals bijvoorbeeld het kruidje-roer-mij-niet en de dionoea maken bewegingen, die het bezit van een grote gevoeligheid, en in sommige gevallen dat van een soort van wil doen veronderstellen, zoals de laatstgenoemde, van welke zaadlobben de vlieg vastklemmen die zich op haar nederzet om haar sappen op te zuigen, en aan wie zij een valstrik schijnt te spannen, om ze daarna te doen sterven. Kunnen die planten denken? hebben zij een wil, en vormen zij een klasse tussen het planten en het dierenrijk? Vormen zij een overgang van de ene klasse in de andere?

“Alles in de natuur is overgang, door het feit zelf dat niets aan elkaar gelijk is, en toch alles iets van elkaar heeft. De planten denken niet, en hebben daardoor geen gevoel. De oester die zich opent en alle zoophyten, hebben geen gedachten; zij bezitten slechts een blind en natuurlijk instinkt.”

 

 

Het menselijke organisme biedt ons insgelijks voorbeelden aan van beweging zonder medewerking van de wil: zoals bijvoorbeeld de verrichtingen van de spijsvertering en van de omloop van de vochten; de uitgang van de maag trekt zich bij de aanraking van sommige lichamen te samen, en belet zodoende daaraan de doortocht; hetzelfde moet het geval met het kruidje-roer-mij-niet zijn, welk bewegingen volstrekt niet de noodzakelijkheid van gewaarwording en nog minder van een wil in zich sluiten.

 

590. Bestaat er bij de planten niet evenals bij de dieren een soort van instinkt van zelfbehoud, dat hen noopt datgene opzoeken, wat hen van dienst kan zijn, en te ont­vlieden wat hen schaden kan?

“Het is, als men dit zo noemen wil, een soort van instinkt; dit hangt van de betekenis af die men aan dat woord geeft, maar het is geheel werktuigelijk. Wanneer gij bij scheikundige bewerking twee lichamen zich met elkaar ziet verbinden, dan komt dit omdat zij bij elkaar passen, dat wil zeggen, omdat er tussen hen affiniteit bestaat, dit noemt gij immers niet instinkt.”

 

591. Zijn de planten op een meer verheven wereld, evenals alle andere wezens, van een meer volmaakte natuur?

“Alles is er volmaakter; maar de planten blijven er planten; zoals de dieren er altijd dieren, en de mensen er altijd mensen zijn.”

 

 

De dieren en de mens.

 

 

592. Als wij de mens, wat het verstand betreft, met de dieren vergelijken, dan schijnt de grenslijn, die de ene van de andere scheidt, moeilijk te trekken te zijn, want enige dieren zijn in dat opzicht blijkbaar boven de mens bedeeld. Kan die grens op een juiste wijze bepaald worden?

“Op dit punt zijn uwe geleerden het volstrekt niet met elkaar eens: sommigen willen dat de mens een dier, anderen, dat het dier een mens zij; allen hebben ongelijk; de mens is een geheel afzonderlijk wezen; dat dikwijls zichzelf zeer verlaagt, of zich heel hoog verheffen kan. Voor zover het fysische betreft, is de mens aan het dier gelijk, en veel minder goed verzorgt dan velen onder dezen; de natuur heeft de dieren al datgene gegeven, wat de mens tot bevrediging van zijne behoeften en voor zijne instandhouding verplicht is door Zijne intelligentie uit te vinden; zijn lichaam wordt evenals dat van de dieren vernietigd, dat is waar, maar zijn Geest wacht een bestemming, die hij alleen begrijpen kan, omdat hij alleen, geheel vrij is. Arme mensen, die uzelf beneden het dier verlaagt! Weet gij er u niet van te onderscheiden? Herkent de mens aan zijne gedachte aan God.”

593. Kan men zeggen dat de dieren alleen uit instinkt handelen?

“Dat is wederom een systeem. Het is wel waar dat bij de meeste dieren het instinkt de overhand heeft; maar ziet gij er dan geen, die met een bepaalden wil handelen? Dat is intelligentie, maar eens beperkte.”

 

 

Behalve het instinkt, kan men aan sommige dieren geen ingewikkelde handelingen ontzeggen, die een zekeren wil aantonen om in een bepaalde zin en naar omstandigheden te handelen. Er bestaat dus hij hen een soort van intelligentie, naar waarvan de uitoefening zich meer uitsluitend tot de middelen om in hun fysische behoeften en ja hun instandhouding te voorzien, concentreert. Bij hen geen schepping, geen vooruitgang; hoe groot ook de kunst moge wezen die wij in hun werken bewonderen, doen zij wat zij vroeger deden ook nu nog, niet beter noch slechter, in bepaalde standvastige en onveranderlijke vormen. Het jong, afgezonderd gehouden van de dieren van zijn soort, maakt niettemin zijn nest naar hetzelfde model, zonder dat men hem dit geleerd heeft. Indien enigen vatbaar zijn om een zekere opvoeding te ontvangen, zijn zij hun intellectuele ontwikkeling, die altijd binnen enge grenzen besloten blijft, verschuldigd aan de inwerking van de mens op een buigzame natuur, want er bestaat geen vooruitgang, die van henzelf uitgaat, maar alle vooruitgang is bij hen van voorbijgaande aard en zuiver individueel, want het dier wederom aan zichzelf overgelaten zijnde, keert spoedig terug binnen de grenzen hem door de natuur aangewezen.

 

 

594. Hebben de dieren een taal?

“Indien gij daarmede een taal door woorden en lettergrepen gevormd verstaat, nee; maar bedoelt gij daarmede een middel om zich door elkaar te doen verstaan, ja; zij zeggen elkaar veel meer dan gij veronderstelt; maar hun taal is, evenals hun gedachte, tot hun behoeften beperkt.”

- Er zijn dieren, die geen geluid geven; het schijnt dat deze geen taal hebben?

“Zij begrijpen elkaar door andere middelen. Hebt gij mensen dan niets anders dan de stem, om elkaar iets mededelen? En de doofstomme dan, hoe denkt gij daarover? De gezelliglevende dieren, bezitten de middelen om elkaar te waarschuwen en hun gewaarwordingen mededelen. Denkt gij dat de vissen zich niet onderling verstaan? De mens heeft dus niet uitsluitend het voorrecht een taal te bezitten; maar die van de dieren is instinctmatig en beperkt tot de kring waarin hun behoeften en denkbeelden besloten zijn, terwijl die van de mens voor volmaking vatbaar is en zich voegt naar alle denkbeelden die zijn intelligentie uitdenken kan.”

 

 

De vissen moeten inderdaad evenals de zwaluwen, die in massa verhuizen en aan de gids die hen geleidt gehoorzamen, een middel bezitten om elkaar te kunnen waarschuwen, begrijpen en met elkaar te kunnen overleggen. Misschien is het door een scherper gezicht, dat hen veroorlooft de tekenen die zij elkaar geven, te zien misschien ook is het water de overbrenger van zekere trillingen. Hoe het ook zij, het is ontegenzeggelijk dat zij even goed als alle andere dieren zonder stem, die gemeenschappelijk enige arbeid verrichten, een middel bezitten waardoor zij elkaar verstaan. Dit wetende, moet men zich dan verwonderen dat de Geesten zich onderling mededelingen kunnen doen zonder daartoe een taal van woorden en lettergrepen nodig te hebben. (zie 282).

 

 

595. Hebben de dieren bij hun handelingen een vrije wil?

“Het zijn niet enkel werktuigen, zoals gij denkt, maar hun vrijheid van handelen bepaalt zich tot hun behoeften, en kan niet met die van de mens vergeleken worden. Ver beneden de mens staande, hebben zij niet dezelfde plichten te vervullen. Hun vrijheid is beperkt tot de handelingen van het stoffelijk leven.”

 

596. Vanwaar komt die aanleg van sommige dieren om de taal van de mens te kunnen nabootsen, en hoe komt het dat men die aanleg het meeste bij de vogels en niet bij voorbeeld bij de apen vindt, wier bouw het meest met die van de mens overeenkomt?

“Bijzondere inrichting van de geluidsorganen welke door het instinkt van nabootsing begunstigd wordt; de apen bootsen de gebaren, enige vogels de stem na.”

 

597. Daar de dieren een intelligentie bezitten, die hen een zekere vrijheid van handelen geeft, bestaat er dan ook bij hen een van de stof onafhankelijk beginsel?

“Ja, en die het lichaam overleeft.”

- Is dit beginsel een ziel als die van de mens?

“Het is ook een ziel, als gij wilt; dit hangt af van de zin die men aan dat woord hecht; maar zij is een mindere dan die van de mens. Tussen de ziel van het dier en die van de mens bestaat er een even grote afstand, als tussen de ziel van de mens en God.”

 

598. Behoudt de ziel van het dier na zijn dood zijne indi­vidualiteit en zijn zelfbewustzijn?

“Zijne individualiteit, wel; maar niet het bewustzijn van zijn eigen ik. Het intelligente leven blijft in latente toestand.”

 

599. Heeft de ziel van het dier de keuze om zich bij voorkeur in het een of in het ander dier te incarneren?

“Nee, zij heeft geen eigen vrij wil.”

 

600. Verkeert de ziel van het dier, het lichaam overlevende, evenals die van de mens, in een staat van omdoling?

“Het is een soort van omdoling, aangezien zij niet met een lichaam verenigd is, maar het is geen omdolende Geest. De omdolende Geest is een denkend wezen, denkende en handelende naar eigen vrije wil; de ziel van het dier bezit dit vermogen niet; het is het zelfbewustzijn dat de voornaamste eigenschap van de Geest is. De Geest van het dier wordt na zijn dood door de Geesten, aan wie dat aangaat, geclassificeerd, en bijna onmiddellijk weer benuttigd; hij heeft geen gelegenheid om in aanraking met andere schepselen te komen.”

 

601. Volgen de dieren evenals de mens een steeds vooruitgaande wet?

“Ja, daarom zijn de dieren op de verhevene werelden waar de mensen ook meer gevorderd zijn, dit ook, zij hebben daar meer ontwikkelde middelen van gemeenschap met elkaar, maar zij zijn er altijd minder dan de mensen en aan dezen ondergeschikt; zij zijn daar voor de mens, dienaren met intelligentie begaafd.”

 

 

Dit is niet vreemd; veronderstellen wij dat onze meest intelligente dieren, bijvoorbeeld de hond, de olifant, het paard, ingericht waren om handenarbeid te kunnen verrichten, wat zouden zij dan niet onder de leiding van den mens kunnen verrichten?

 

 

602. Gaan de dieren, evenals de mensen, vooruit ten gevolge van hun wil, of door de kracht van de dingen?

“Door de kracht van de dingen; daarom bestaat er voor hen geen boetedoening.”

 

603. Kennen de dieren op de verhevene werelden God?

“Nee, de mens is voor hen een God, zoals vroeger de Geesten voor de mensen goden geweest zijn.”

 

604. Aangezien de dieren, zelfs in de verbeterde toestand, in welke zij zich op de verheven werelden bevinden, nog altijd beneden de mens blijven, zou daaruit voortvloeien, dat God intellectuele wezens geschapen heeft, gedoemd, om eeuwig in die lagen stand te verblijven, en dit schijnt met de eenheid van inzicht en vooruitgang, die men in alle Zijne werken opmerkt, in tegenspraak te zijn?

“Alles in de natuur is aan elkaar verbonden door banden, die gij nog niet vatten kunt, en de schijnbaar meest onverenigbare dingen, hebben punten van aanraking, welke de mens in zijn tegenwoordige staat nooit zal kunnen begrijpen. Hij kan ze door inspanning van zijne intelligentie vermoeden, maar niet voor dat deze intelligentie geheel ontwikkeld en geheel van de vooroordelen van de hoogmoed en onwetendheid zal bevrijd zijn, zal het hem mogelijk worden duidelijk Gods werk te kunnen inzien; tot zolang zullen zijne beperkte denkbeelden hem de dingen uit een bekrompen en kleingeestig oogpunt doen beschouwen. Weet, dat God niet met zichzelf in tegenspraak kan komen, en dat alles in de natuur in overeenstemming is met de algemene wetten, die nooit van de verheven Wijsheid van de Schepper afwijken.”

- De intelligentie is dus een algemeen eigendom, een punt van aanraking tussen de zielen van de dieren en die van de mens?

“Ja, maar de dieren bezitten alleen de intelligentie van het stoffelijke leven; bij de mens schenkt de intelligentie het zedelijke leven.”

 

605. Als men al de punten van aanraking, die er tussen de mens en de dieren bestaan, nagaat, zou men dan niet gerechtigd zijn te geloven dat de mens twee zielen heeft de dierlijke en de geestelijke, en dat indien hij de laatste niet had, hij zou kunnen leven, maar slechts als het dier; met andere woorden, dat het dier een wezen is in alles gelijk aan de mens, min de geestelijke ziel? Waaruit dan zoude voortvloeien dat de goede en slechte neigingen van de mens het gevolg zijn van de overmacht, die een van de twee zielen uitoefent?

“Nee, de mens heeft geen twee zielen; maar het lichaam bezit natuurdriften, die het gevolg van de gewaarwordingen van de organen zijn. Er bestaat in hem slechts een dubbele natuur: de dierlijke en de geestelijke; door zijn lichaam deelt hij in de natuur van de dieren en in hun neigingen; door zijne ziel in die van de Geesten.”

- Zodat de mens boven en behalve de onvolmaaktheden, die de Geest afleggen moet, ook nog tegen de invloed van de stof te kampen heeft?

“Ja, hoe lager hij staat, des te nauwer zijn de banden die de Geest met het lichaam verbinden, aangehaald; merkt gij dit niet op? Nee, de mens bezit geen twee zielen; de ziel is bij ieder wezen altijd enig. De ziel van het dier en die van de mens zijn geheel verschillend, zodat de ziel van de ene het lichaam dat voor de andere geschapen is, niet bezielen kan. Maar zo al de mens geen dierlijke ziel bezit, die hem door hare hartstochten met de dieren gelijk stelt zo bezit hij toch een lichaam, dat hem dikwijls tot de dieren verlaagt, want zijn lichaam is een wezen met vitaliteit begiftigd, dat neigingen bezit, die niet intelligent, en tot de zorg van zijne instandhouding beperkt zijn.”

 

 

De Geest zich in het lichaam van den mensen incarnerende, brengt hem het intellectuele en zedelijke beginsel aan, dat hem boven de dieren verheft. De twee naturen van den mensen zijn twee afzonderlijke bronnen voor zijn hartstochten: de enen, die uit de neigingen van de dierlijke natuur, de anderen die uit de onreinheid van de Geest, waarvan hij de incarnatie is, voortkomen, en die min of meer met de grofheid van de dierlijke neigingen sympathiseren. De Geest bevrijdt zich langzamerhand van de invloed van de stof door zich te reinigen; als hij zich onder dien invloed bevindt, nadert hij het redeloze dier; van dien invloed bevrijd, verheft hij zich tot zijne ware bestemming.

 

 

606. Waaruit putten de dieren het intelligent beginsel, dat de afzonderlijke soort van ziel, die hen bezielt, daar stelt?

“Uit het universele intelligente element.”

- De intelligentie van de mens en van het dier vinden dus hun oorsprong in een enig beginsel?

“Ongetwijfeld, maar bij de mens heeft zij een bearbeiding ondergaan, die haar boven die ,welke het dier bezielt, verheft.”

 

607. Er is gezegd dat de ziel van de mens, bij haar ontstaan, in de staat die men bij het lichaam kindsheid noemt, verkeert, dat hare intelligentie ternauwernood ont­loken is, en dat zij beproeft te leven (zie 190 ); waar brengt de ziel deze eerste toestand door?

“In een opvolgende reeks van levens, die het tijdperk, dat gij mensheid noemt, voorafgaan.”

- De ziel schijnt dus het intelligente beginsel van de mindere wezens van de schepping geweest te zijn?

“Hebben wij u niet gezegd dat alles in de natuur aan elkaar verbonden is en naar eenheid tracht? Het is in die wezens, die gij op verre na niet allen kent, dat het intelligente beginsel zich ontwikkelt, zich langzaam individualiseert, en zoals wij dit reeds gezegd hebben, beproeft te leven. Het is in zeker opzichte een voorbereidende arbeid zoals de kieming, ten gevolge van welke het intelligente beginsel een verandering ondergaat en Geest wordt. Dan begint voor deze het tijdperk van de mensheid en met dit het bewustzijn van zijn toekomst, van het onderscheid tussen goed en kwaad en de verantwoordelijkheid voor zijn daden; zoals na het tijdperk van de kindsheid de jongensjaren, daarna de jongelingschap, en eindelijk de rijpe leeftijd aanbreekt. Buitendien is er niets in dien oorsprong wat voor de mens vernederend zoude kunnen zijn. Vinden grote vernuften zich vernederd, omdat zij een vormeloos foetus in de boezem van hun moeder geweest zijn? Als er iets is dat de mens vernederen kan, dan is het zijne minderheid tegenover God, en Zijne onmacht om de diepte van Zijne besluiten en de wijsheid van de wetten te peilen, welke de harmonie in het heelal regelen. Erken de grootheid van God in die bewonderenswaardige harmonie, door welke in de natuur alles solidair is. Te geloven dat God iets zonder doel zou hebben kunnen daarstellen en intelligente wezens zonder toekomst zou hebben kunnen scheppen, zou een godslastering zijn tegen Zijne goedheid die zich over alle zijne schepselen uitstrekt.”

- Begint het tijdperk der mensheid op onze aarde?

“De eerste incarnatie als mens begint niet op deze aarde; het tijdperk van de mensheid begint in het algemeen op nog mindere werelden; dit is evenwel geen vaste regel, en het zou kunnen gebeuren, dat een Geest vanaf het begin van zijne mensheid, in staat ware om op aarde te leven. Dit gebeurt niet dikwijls en is meer een uitzondering.”

 

608. Heeft de Geest van de mens, na de dood, het bewustzijn van de levens, welke voor hem, het tijdstip van de mensheid zijn voorafgegaan?

“Nee, want het is slechts van dat ogenblik af dat voor hem het leven als Geest begonnen is, en hij herinnert zich zelfs ternauwernood zijne eerste levens als mens, evenals de mens zich de eerste tijd van zijn kindsheid en nog veel minder de tijd, die hij in de boezem van zijn moeder doorgebracht heeft, herinnert. Daarom zeggen de Geesten u dat zij niet weten wat hun begin geweest is.” (Zie 78)

 

609. Behoudt de Geest, eens het tijdperk van de mensheid ingetreden zijnde, enige indruk van hetgeen hij voor die tijd was, dat wil zeggen van de staat waarin hij verkeerde, gedurende het tijdstip, dat men het voor menselijke zoude kunnen noemen?

“Dit hangt af van de afstand, die de twee tijdperken van elkaar afgescheiden heeft en van de gemaakte vorderingen. Gedurende enige geslachten, kan er nog een meer of minder duidelijke afspiegeling van de primitieve toestand blijven bestaan, want in de natuur gebeurt niets bij plotselinge overgang; er blijven altijd schakels over, die de uiteinden van de keten van de wezens en gebeurtenissen met elkaar verbinden; maar die indrukken worden bij de ontwikkeling van de vrije wil uitgewist. De eerste vorderingen gaan langzaam, omdat zij nog niet door de wil ondersteund worden; naarmate de Geest een meer volmaakt zelfbewustzijn verkrijgt wordt de vooruitgaande beweging sneller.”

 

610. De Geesten, die gezegd hebben dat de mens een afzonderlijk wezen in de scheppingsorde is, hebben dus gedwaald?

“Nee, maar de vraag was niet behoorlijk uiteengezet, er bestaan bovendien dingen, die alleen op hun tijd kunnen komen. De mens is inderdaad een afzonderlijk wezen, want hij bezit vermogens, die hem van alle andere onderscheiden, en hij heeft daarboven een andere bestemming. Het menselijke geslacht, is dat geslacht, dat God heeft uitverkoren voor de incarnatie van wezens, die Hem kunnen kennen.”

 

 

Zielsverhuizing.

 

 

611. Is de gemeenschappelijke oorsprong van het intelligente beginsel van alle levende wezens niet de bevestiging van de leer van de zielsverhuizing?

“Twee dingen kunnen dezelfde oorsprong hebben, en toch later niets op elkaar gelijken. Wie zou de boom, zijne bladeren en vruchten herkennen in de vormeloze kiem, die in de pit, waaruit de boom voortgekomen is, besloten ligt?

Van het ogenblik af dat het intelligente beginsel de vereiste trap van ontwikkeling om Geest te zijn en het tijdperk van de mensheid in te treden, bereikt heeft, staat het in geen betrekking met zijn primitieve leven, en is het niet meer de ziel van de dieren, dan de boom de pit is. In de mens is niets meer van het dier over, dan het lichaam en de driften, die door de invloed van het lichaam en van het instinkt van zelfbehoud aan de stof eigen, ontstaan. Men kan dus niet zeggen dat deze of gene mens de incarnatie van de ziel van dit of dat dier is, en daarom is de zielsverhuizing in de zin, waarin dit verstaan wordt, niet juist.”

 

612. Zou de Geest, die een mens bezield heeft, zich in een dier kunnen incarneren?

“Dit zoude teruggang Zijn, en de Geest gaat niet achteruit. De stroom keert niet tot zijn oorsprong terug.” (Zie 118).

 

613. Hoe verkeerd het denkbeeld, dat men zich van de zielsverhuizing maakt, ook zij, zoude het dan toch niet het gevolg van een ingegeven innerlijk gevoel zijn van de verschillende levens van de mens?

“Dat ingegeven innerlijk gevoel vindt men in dat geloof evenals in vele andere terug, maar de mens heeft dat, evenals de meeste ingegeven denkbeelden, doen ontaarden.”

 

 

De zielsverhuizing zou waar zijn, indien men door dat woord de vooruitgang verstond van de ziel uit ene mindere tot een hoger staat, in welken zij, door zich te ontwikkelen, haar natuur vervormt; maar zij is vals ja de zin van een onmiddellijke verhuizing uit het dier in de mens en omgekeerd, hetwelk de gedachte van teruggang of vermenging zou in zich sluiten; en deze vermenging tussen de wezens van die twee geslachten, niet gedurende het lichamelijk bestaan kunnende plaats vinden, is dit een aanwijzing dat zij beiden niet op een trap staan die met elkaar te verenigen is, en dat dit ook met de Geesten, die hen bezielen, het geval moet zijn. Indien dezelfde Geest ze beurtelings kon bezielen, zou dit een identiteit van natuur aantonen, die zich door de mogelijkheid van de stoffelijke voortplanting zou doen kennen. De reďncarnatie, welke door de Geesten onderwezen wordt, is daarentegen gegrond op de opwaartse strevende natuur en op de vooruitgang van de mens in zijn eigen geslacht, waardoor hem niets van zijn waardigheid ontnomen wordt. Wat de mens verlaagt, is, het slechte gebruik, dat hij maakt van de vermogens die God hem geschonken heeft. Hoe het ook zij, de oudheid en algemeenheid van de leer van de zielsverhuizing, en de voortreffelijkheid van de mannen, welke die leer omhelsd hebben, bewijzen dat het beginsel van de reďncarnatie zijn oorsprong in de natuur zelve heeft; het zijn dus veeleer argumenten in het voor dan in het nadeel van de leer.

Het aanvangspunt van de Geest is een van die vragen, die op het beginsel van de dingen betrekking hebben en tot Gods geheimen behoren. Het is de mens niet gegeven die op een absolute wijze te kennen, en hij kan in die opzichte, slechts gissingen wagen en meer of minder waarschijnlijke stellingen bouwen. Het is er verre vanaf dat zelfs de Geesten alles weten; en over hetgeen hen onbekend is, kunnen ook zij een meer of minder verstandige mening koesteren. Zo denken b. v. de Geesten niet allen op dezelfde wijze over de betrekking die tussen de mens en het dier bestaat. Volgens, enigen zou de Geest niet eerder het menselijke tijdperk bereiken, dan na zich in de verschillende rangen van de mindere wezens van de schepping vervormd en geďndividualiseerd te hebben. Volgens anderen, zou de menselijke Geest altijd tot het mensenras, zonder de dierenwereld doorlopen te hebben, behoord hebben. De eerste stelling heeft het voordeel een doel aan het bestaan van de dieren te verbinden, die op deze wijze de eerste schakels van de keten van de denkende wezens zouden vormen; de tweede komt meer met de waardigheid van de mens overeen, en kan als volgt samengevat worden:

De onderscheiden soorten van dieren komen niet intellectueel de een uit de ander door de weg van de vooruitgang voort, zo wordt de geest van de oester niet achtervolgend die van de vis, van de vogel of van het viervoetige of vierhandige dier; iedere soort is zowel fysisch als zedelijk een absolute type, waarvan elk individu naar gelang van de volkomenheid van zijn organen en de arbeid die hij in de verschijnselen van de natuur moet volbrengen, de som van het intellectuele beginsel, dat hij nodig heeft, aan de universele bron put, om die bij zijn dood aan de massa terug te geven. Die van een meer gevorderde wereld dan de uwe (zie nr. 188), zijn eveneens bijzondere rassen, geschikt voor de behoeften van die werelden en voor de trap van ontwikkeling van de mensen die zij tot hulp moeten strekken, maar welke in het geheel niet, in de geestelijke zin, uit die van de aarde voortspruiten. Met de mens is dit anders. Uit het fysische oogpunt beschouwd, vormt deze klaarblijkelijk een schakel tussen de levende wezens; maar uit het zedelijke beschouwd, bestaat er tussen het dier en de mens opheffing van het verband; de mens bezit onverdeeld de geest of ziel, goddelijke vonk, die hem zedelijkheidszin schenkt, en ene intellectuele ontwikkeling in zijn bereik stelt, die aan de dieren ontzegd is; hij is in de mens het voornaamste, eerder dan het lichaam bestaande en dit met behoud van zijn individualiteit overlevende wezen. Welke is de oorsprong van de Geest? Waar zijn aanvangspunt? Vormt hij zich uit het geďndividualiseerde intelligente beginsel? Dit zijn allen geheimen, in welke het nutteloos zou zijn te trachten door te dringen, en op welke men zou als wij reeds gezegd hebben, niets anders dan systemen bouwen kan. Dit blijft vaststaan en is tegelijk het gevolg van redenering en van de verkregen ondervinding: de overleving van het lichaam door de ziel met behoud van haar individualiteit na de dood; haar vermogen tot vooruitgang; haar aan hare vooruitgang op de weg van het goede evenredige staat van geluk of ongeluk, en al de zedelijke waarheden, die een gevolg van dat beginsel zijn. En wat de geheimzinnige betrekkingen die er tussen de mens en het dier bestaan, aangaat, behoren die zoals wij dit reeds gezegd hebben tot de geheimen van God, zoals zovele andere dingen, van wie kennis thans onze vooruitgang weinig zou bevorderen, en waarin het nutteloos zoude zijn zich te verdiepen.

 

(vorige)						(volgende)