Tweede Hoofdstuk.

 

Wet van Aanbidding.

 

 

Doel van de aanbidding. Uiterlijke aanbidding. Leven van bespiegeling. Het gebed. Polytheïsme. 0fferanden.

 

 

Doel van de aanbidding.

 

 

649. Waarin bestaat de aanbidding?

“Het is de verheffing van de gedachte tot God. Door de aanbidding brengt men zijn ziel nader tot Hem.”

 

650. Is de aanbidding het gevolg van een aangeboren gevoel of van genoten onderwijs?

“Van aangeboren gevoel, zoals dat van de Godheid. Het bewustzijn van zijne zwakheid dringt de mens om zich neer te buigen voor degene, die hem beschermen kan.”

 

651. Zijn er volken, die het geheel aan alle gevoel van aanbidding ontbreekt?

“Nee, want er is nooit een volk geweest geheel uit atheïsten bestaande. Allen begrijpen dat erboven hen een hoger wezen bestaat.”

 

652. Kan men de aanbidding als hare oorsprong in de natuurlijke wet hebbende, beschouwen?

“Zij is in de natuurlijke wet, daar zij het gevolg van een aangeboren gevoel bij de mens is, daarom vindt men die bij alle volken, doch onder verschillende vormen.”

 

 

Uiterlijke aanbidding.

 

 

653. Heeft de aanbidding uiterlijke vormen nodig?

“De ware aanbidding zetelt in het hart. Bedenk bij alle uwe daden altijd dat een Meester u gadeslaat.”

- Is de uiterlijke aanbidding nuttig?

“Ja, als het geen ijdele schijnvertoning is. Het is altijd nuttig een goed voorbeeld te geven, maar degenen die het om vertoning te maken en uit eigenliefde doen, en wiens gedrag hun gewaande vroomheid tot een leugen maakt, geven eerder een slecht dan een goed voorbeeld, en doen meer kwaad dan zij wel denken.”

 

654. Geeft God de voorkeur aan degenen, die Hem op deze of gene wijze aan bidden?

“God geeft aan hen, die hem uit de grond van hun hart en met oprechtheid, door het goede te doen en het kwade te vermijden, aanbidden, de voorkeur boven degenen, die vermenen Hem te vereren door uiterlijke vormen, die hen jegens hun naasten niet beter maken.

Alle mensen zijn broeders en Gods kinderen; hij roept allen die zijne wetten opvolgen, tot zich, welke ook de vorm moge zijn, waarin zij hunne gebeden tot Hem opzenden.

Hij, die slechts het uiterlijke van de vroomheid bezit, is een huichelaar; degene, bij wie de aanbidding slechts vertoning en in tegenspraak met zijn gedrag is, geeft een slecht voorbeeld.

Hij, die betuigt Christus te aanbidden en daarbij hoogmoedig, afgunstig en ijverzuchtig is, die hardvochtig, onverbiddelijk voor anderen, of voor wie de rijkdom van deze wereld het hoogste goed is, heeft, zeg ik u, zijn godsdienst op de lippen maar niet in zijn hart; God die alles ziet, zal zeggen: Hij, die de waarheid kent is door het kwaad, dat hij pleegt, honderdmaal misdadiger dan de onwetende wilde in de wildernis, en zal naar die mate op de dag van de gerechtigde behandeld worden. Indien een blinde u in het voorbijgaan omver loopt, zult gij hem verschonen; indien het een mens is, die goede ogen heeft, zult gij u er over beklagen, en gij zult gelijk hebben.

Vraag dus niet of er een vorm bestaat, die meer of minder geschikt is, want dit zou wezen als of men God wilde vragen of het Hem aangenamer is in deze of in gene taal aangebeden te worden. Ik zeg het u nogmaals: de lofzangen komen niet tot Hem, dan wanneer zij door het hart, tot Hem opgezonden worden.”

 

655. Is het te laken, deel te nemen aan een godsdienst­oefening, aan welke men niet uit de grond van zijn hart gelooft, als men dit uit vrees voor het oordeel van de mensen doet, en om voor andersdenkenden geen voorwerp van ergernis te zijn?

“Het is de bedoeling waar het in dezen evenals in vele andere dingen op aan komt. Hij die daarmede alleen bedoelt het geloof van anderen te eerbiedigen doet geen kwaad; hij doet beter dan zij, die ze bespottelijk zouden trachten te maken, want dezen doen daardoor aan de liefde te kort; maar hij, die de godsdienstoefeningen alleen tot bevordering van eigenbelang of uit eerzucht bijwoont, is verachtelijk zowel in Gods oog als in dat van de mensen. Degenen, die alleen om de goedkeuring van de mensen te verwerven het uiterlijk aannemen alsof zij zich voor God vernederen, kunnen aan God niet welgevallig zijn.”

 

656. Is de gemeenschappelijke aanbidding te verkiezen boven de individuele?

“De mensen die door gemeenschap van gedachten en gevoelens tezamen verenigd zijn, hebben meer kracht om de goede Geesten tot zich te roepen. Hetzelfde is het geval als zij zich verenigen om God te aanbidden. Maar geloof daarom niet dat de bijzondere aanbidding daarom minder goed is, want iedereen kan God aanbidden door aan Hem te denken.”

 

 

Leven van bespiegeling.

 

 

657. Hebben de mensen die zich aan een in bespiegelingen verdiepte levenswijze wijden, geen kwaad doen en alleen aan God denken, enige verdienste in Gods ogen?

“Nee; want zo zij al geen kwaad doen, doen zij ook geen goed en zijn daardoor onnut: bovendien is, geen goed te doen, reeds een kwaad. God wil dat men aan Hem zal denken, maar Hij wil niet dat men dit alleen aan Hem zal doen, daar hij immers aan de mensen, plichten op aarde te vervullen heeft opgelegd. Degene, die zijn leven in bespiegelingen doorbrengt, doet niets dat enige verdienste in Gods ogen heeft, omdat hij, geheel voor zichzelf levende, zonder nut voor de mensheid is, en God zal rekenschap van hem vorderen van het goede, dat hij niet gedaan zal hebben.” (Zie 640)

 

 

Het gebed.

 

 

658. Is het gebed aan God welgevallig?

“Als het uit het hart voorkomt is het gebed God altijd welgevallig, want de bedoeling is voor Hem alles, en het gebed, dat uit het hart vloeit, is te verkiezen boven dat, wat gij lezen kunt, hoe schoon dit ook wezen moge, als gij het meer met de lippen dan met het hart uitspreekt. Het gebed is God welgevallig als het met geloof, innigheid en oprechtheid gedaan wordt; maar gelooft niet dat Hij zal getroffen worden door dat van de ijdele hoogmoedige en baatzuchtige mens, tenzij het van dezen werkelijk een daad van oprecht berouw en waarachtige nederigheid zij.”


659. Welk is in het algemeen het karakter van het gebed?

 “Het gebed is een daad van aanbidding. Tot God te bidden, is aan God denken het is tot Hem naderen; het is zich in gemeenschap met Hem stellen. Men kan door bidden drie dingen bedoelen: loven, vragen en danken.”

 

660. Maakt het gebed de mensen beter?

“Ja, want degene, die met innigheid en vertrouwen bidt is sterker tegen de verleiding van het kwaad, en God zendt Goede Geesten tot hem om hem bij te staan. Deze bede wordt nooit afgewezen als het met oprechtheid gevraagd wordt.”

- Hoe komt het dat sommige mensen die veel bidden, niettemin een slechten inborst hebben en jaloers, afgunstig, twistziek zijn; gebrek aan welwillendheid en toegevendheid bezitten, en soms zelfs slecht zijn?

“Het voornaamste is niet om veel, maar wel om goed te bidden. Die mensen geloven dat de gehele verdienste in de lengte van het gebed bestaat en sluiten de ogen voor hunne eigen gebreken. Het gebed is voor hen een bezigheid, een tijdverdrijf, maar niet een onderzoek van henzelf. Het is hier niet het middel maar de wijze, waarop het aangewend wordt, dat krachteloos is.”

 

661. Kan men met vrucht God bidden ons onze misslagen te vergeven?

“God weet het goede van het kwaad te onderscheiden: het gebed bedekt de misslagen niet. Hij die aan God vergeving van zonden vraagt, verkrijgt die niet dan wanneer hij zijn gedrag verandert. Goede daden Zijn de beste gebeden, want daden hebben meer waarde dan woorden.”

 

662. Kan men met vrucht voor anderen bidden?

“De Geest van degene, die bidt, handelt door zijn wil om het goede te doen. Door het gebed trekt hij de goede Geesten tot zich welke dan tot het goede dat hij doen wil, meewerken.”

 

 

Wij bezitten door gedachten en wil, in onszelf, een vermogenskracht die zich veel verder dan onze lichamelijke sfeer uittrekt. Het gebed voor anderen is een handeling van die wil. Indien dit gebed vurig en oprecht is, kan het de goede Geesten te hulp doen snellen, teneinde degene voor wie men bidt, goede gedachten in te boezemen en de nodige kracht naar ziel en lichaam te geven. Maar ook hier is het gebed dat uit het hart voortkomt, alles; dat van de lippen niets.

 

 

663. Kunnen de gebeden die wij voor onszelf doen, de aard en de loop van onze beproevingen doen veranderen?

“Uwe beproevingen zijn in Gods hand, en er zijn er, die tot het einde toe moeten ondergaan worden, maar God neemt op dat moment de gelatenheid waarmede die gedragen worden, in aanmerking. Door het gebed roept gij de goede Geesten tot u die de kracht geven om uwe beproevingen met gelatenheid te dragen, en dan komen zij u minder zwaar voor. Wij hebben het gezegd, als het goed gedaan wordt, is het gebed nooit onnut omdat het kracht geeft, en dat is reeds een belangrijke uitwerking. Help u zelf en God zal u helpen, dat weet gij. God kan bovendien de orde van de natuur niet naar ieders wens veranderen, want wat u op uw kleingeestig standpunt en in uw kortstondig leven als een groot kwaad voorkomt, is dikwijls in de algemene wereldorde een groot goed: en hoeveel rampen zijn er buitendien niet, waarvan de mens door zijne onbedachtzaamheid of door zijne misslagen, zelve de bewerker is! Hij wordt gestraft door datgene, waarin hij gezondigd heeft. Evenwel worden de redelijke wensen veel meer verhoord dan gij wel denkt; gij gelooft dat God niet naar u gehoord heeft omdat Hij in uw belang geen wonder gedaan heeft, terwijl hij u door zulke natuurlijke middelen helpt, dat zij u als toeval of als het gevolg van de drang van de omstandigheden toeschijnen; dikwijls ook en zelfs meestal, doet Hij bij u de nodige denkbeelden ontstaan om u zelf uit moeilijkheden te redden.”

 

664. Is het nuttig om voor de doden en voor lijdende Geesten te bidden, en zo ja, op welke wijze kunnen onze gebeden hen dan verlichting en bekorting van lijden verschaffen; bezitten onze gebeden de macht om Gods gerechtigheid te verbidden?

“Het gebed kan niet tot uitwerking hebben Gods besluiten te veranderen, maar de ziel, waarvoor men bidt, voelt daardoor verlichting, omdat het een bewijs van deelneming is dat men hem schenkt, en de ongelukkige voelt zich altijd verlicht als hij liefderijke wezens vindt, die in zijn lijden deelnemen. Van de anderen kant wekt men door het gebed bij hem het berouw op, en de zucht om datgene te doen, waardoor hij gelukkig kan worden, en het is in die zin dat men, indien hij van zijn kant daartoe medewerkt, zijn lijden kan bekorten. Die zucht naar verbetering trekt bij deze lijdende Geest betere Geesten aan, die hem komen onderwijzen, troosten, en hem hoop inboezemen. Jezus bad voor de verdoolde schapen; hij toont u daardoor dat gij misdadig zou zijn, indien gij dit niet voor hen deed, die er de grootste behoefte aan hebben.”

 

665. Wat moet men denken van het gevoelen dat het gebed voor de doden verwerpt, omdat het niet in het Evangelie voorgeschreven is?

“Christus heeft tot de mensen gezegd: Hebt elkaar lief. In dit gebod ligt ook opgesloten, zonder daarom omtrent de wijze waarop dit doel moet bereikt worden, in bijzonderheden te treden, dat men al het mogelijke moet aanwenden om hen van die liefde blijken te geven. Ofschoon het waar is dat niets er de Schepper van kan afbrengen zijn gerechtigheid, waarvan Hij de type is, op alle daden van de Geest toe te passen, blijft het niettemin waar, dat het gebed, dat gij voor degene voor wie gij genegenheid voelt, tot God richt, voor hem een bewijs is dat gij aan hem denkt, hetwelk geen andere uitwerking kan hebben dan zijn lijden te lenigen en hem te troosten. Zodra hij slechts het minste berouw toont, maar ook dan alleen, wordt hij bijgestaan; maar men verbergt nooit voor hem dat een medelijdende ziel zich zijner heeft aangetrokken, en men laat hem het troostende denkbeeld behouden dat de voorbede van deze nuttig voor hem geweest is. Natuurlijk ontstaat hierdoor van zijn kant een gevoel van dankbaarheid en toegevendheid voor degene, die hem dat bewijs van genegenheid of medelijden gegeven heeft; dientengevolge is de liefde, die Christus de mensen gebood , daardoor onder hen toegenomen; zij hebben dus beiden gehoorzaamd aan de wet van liefde en eendracht voor alle wezens, aan die goddelijke wet, die de eenheid, doel en einde voor de Geest, moet doen ontstaan.”

 

666. Kan men tot de Geesten bidden?

“Men kan tot de goede Geesten als zijnde Gods gezanten en de uitvoerders van Zijnen wil bidden; maar hun macht staat in verhouding tot hun verhevenheid en is altijd afhankelijk van de Heer over alles, zonder wiens toestemming niets gebeurt, daarom hebben de gebeden, die men tot hen richt, alleen kracht, als zij door God aangenomen worden.”

 

 

Polytheïsme.

 

 

667. Waardoor; is het polytheïsme, vals zijnde, het oudste en het meest verspreide geloof?

“Het denkbeeld van een enige God kon bij de mens niet dan tengevolge van meerdere ontwikkeling van zijn denkbeelden opkomen. In zijn onwetendheid niet in staat zijnde een onstoffelijk, zonder bepaalden vorm, op de stof werkend wezen, te begrijpen, schreef hij het al de eigenschappen van de lichamelijke natuur, dat wil zeggen, een vorm en een gestalte toe, en alles, wat in zijn ogen de maatstaf van het gewone mensenverstand te boven ging was voor hem een godheid. Al wat de mens niet begreep, moest het werk van een bovennatuurlijke macht zijn, en om van daar tot het geloof aan zoovele afzonderlijke machten als hij uitwerkselen waarnam te geraken, was slechts een stap nodig. Maar te allen tijde zijn er verlichte mannen geweest, die de onmogelijkheid van het bestaan van die menigte machten om de wereld zonder opperste leiding te regeren inziende, zich tot de gedachte van een Enig God hebben weten te verheffen.”

 

668. Hebben de spiritische verschijnselen, die altijd hebben plaats gevonden, en die vanaf de oudste tijden van de wereld bekend waren, niet aanleiding kunnen geven om aan de veelvuldigheid van de Goden te geloven?

“Zonder twijfel, want de mensen alles wat bovenmenselijk was, God noemende, waren de Geesten voor hen goden, en is het daardoor dat wanneer een mens door zijn daden, vernuft, of door een geheime onbegrepen macht, boven alle anderen uitblonk, men er een god van maakte, en na zijn dood, te zijner eer een eredienst instelde.” (Zie 603)

 

 

Het woord god had bij de ouden een zeer ruime betekenis; het was niet zoals nu een personificatie van de Heer van de Natuur, maar een generieke benaming, die men aan elk wezen gaf, dat buiten de gewone menselijke toestanden geplaatst was; en de spiritische verschijnselen hen het bestaan van onlichamelijke wezens, die als krachten van de natuur werkzaam waren, geopenbaard hebbende, hebben zij dezen goden genoemd, zoals wij ze Geesten noemen; het is alleen het verschil in een woord, met dit onderscheid dat zij in hun onwetendheid (die door hen die er belang bij hadden, opzettelijk werd onderhouden) hen zeer winstgevende tempels en altaren oprichtten, terwijl het voor ons, eenvoudig min of meer volmaakte schepselen zijn zoals wij, maar die hun aardse omhulsel afgelegd hebben. Indien men met aandacht de verschillende eigenschappen van de heidense goden nagaat, zal men er zonder moeite al die van onze Geesten op elke trap van de spiritische ladder staande, hun fysische toestand in de verhevene werelden, al de eigenschappen van het perispirit, en de rol die zij in de dingen van de aarde vervullen in ontdekken.

Het Christendom door zijn goddelijk licht de wereld komende verlichten heeft iets wat in de natuur is, niet kunnen vernietigen, maar heeft de aanbidding tot Hem, aan wie deze toekomt, teruggevoerd. En wat nu de Geesten betreft, de herinnering aan dezen, is onder verschillende namen, naar de aard van ieder volk bij hen vereeuwigd, en hun manifestaties die nooit opgehouden hebben, zijn op verschillende wijze verklaard, en dikwijls onder het gezag van de geheimhouding geëxploiteerd geworden; terwijl de godsdiensten, die, als wonderen beschouwden, hebben de ongelovigen er bedriegerij in gezien. Dank zij eens meer ernstige, in het openbaar gedane studie, komt heden ten dage het spiritisme, ontdaan van de bijgelovige denkbeelden, die het gedurende eeuwen verduisterd hebben, ons eens de grootste en verhevenste beginselen van de natuur openbaren.

 

 

0fferanden.

 

 

669. Het gebruik van mensenofferanden vindt men in de oudste tijden terug. Hoe kan de mens er toe gekomen zijn, te geloven, dat zoiets aan God welgevallig kon zijn?

“Vooreerst, omdat de mens niet begreep, dat God de bron is van al wat goed is; bij de primitieve volken, heeft de stof de overhand over de geest; zij geven zich aan de driften van het dier over, dientengevolge zijn zij meestal wreed, omdat de zedelijkheidszin nog niet bij hen ontwikkeld is. Daarbij moesten de eerste mensen natuurlijk denken dat een bezield wezen in Gods ogen meer waarde had dan een onbezield voorwerp. Dit heeft hen er toe gebracht eerst om dieren, later om mensen te offeren, daar zij volgens hun valse denkbeelden geloofden dat de verdienste van de offerande aan de gewichtigheid van het offer evenredig was. Indien gij in het materiële leven dat gij gewoonlijk leidt, iemand een geschenk geeft, kiest gij gewoonlijk naarmate gij de persoon meer genegenheid en achting toedraagt daartoe een van grotere waarde uit. Hetzelfde moest toen met de onwetende mensen, met betrekking tot God het geval zijn.”

- Dus zijn de offeranden van dieren de mensenoffers voorafgegaan?

“Hieraan valt niet te twijfelen.”

- Volgens deze verklaring zouden dus de mensenoffers niet hun oorsprong in wreedheid hebben?

 “Nee, maar in een verkeerd begrip om God welgevallig te zijn. Zie Abraham. Later hebben de mensen er misbruik van gemaakt door hun vijanden, zelfs hun persoonlijke vijanden te offeren. God heeft trouwens nooit offeranden zomin die van dieren als mensen geëist. Hij kan niet door de nodeloze verdelging van Zijn eigen schepsel geëerd worden.”

 

670. Zouden mensenoffers, die met een vroom doel gedaan worden, God soms niet welgevallig kunnen zijn?

“Nee, nooit; maar God let op de bedoeling. De mensen onwetend zijnde, konden geloven dat zij iets loffelijks deden; als zij een van hun natuurgenoten offerden in dat geval lette God alleen op de bedoeling en niet op de daad. De mensen beter wordende, moesten hun dwaling inzien, en die offeranden, die niet in de gedachte van verlichte Geesten moesten opkomen, afkeuren; ik zeg verlichte Geesten, omdat de Geesten toen door de stoffelijke sluier bedekt waren; maar door de vrije wil konden zij een inzicht in hun oorsprong en in hun einde hebben, en velen begrepen reeds bij intuïtie het kwaad dat zij deden, maar pleegden dit evenwel om hun hartstochten te bevredigen.”

 

671. Wat moeten wij over de zoogenaamde heilige oorlogen denken? Het gevoel, dat de dweepzieke volken er toe brengt, einde God welgevallig te zijn, zoveel mogelijk degenen, die hun geloof niet deelden, te vermoorden, moet dunkt ons uit dezelfde bron die hen in vroegere tijden tot mensenoffers overgaan, voortkomen?

“Zij worden daartoe door de boze Geesten aangedreven, door hun medemensen te beoorlogen handelen zij tegen Gods wil, die gezegd heeft dat men zijn broeders als zichzelf moet liefhebben. Daar alle godsdiensten, of beter gezegd, alle volken, dezelfde God onder dezelfde of onder een andere naam aanbidden, waarom dan een verdelging oorlog tegen hen te voeren, omdat hun godsdienst anders is of de hoogte van die van de beschaafde volken nog niet bereikt heeft? De volken zijn te verschonen, als zij niet aan het woord van hem, die door Gods Geest bezield en door Hem gezonden was, geloofd hebben, vooral als zij hem niet gezien hebben en geen getuigen van zijn handelingen zijn geweest; en hoe zou gij kunnen verlangen dat zij aan die woorden van vrede zullen geloven, als gij hen dit met het zwaard in de vuist komt brengen? Zij moeten verlicht worden, en wij moeten trachten hen zijn leer door overtuiging en door zachtheid en niet door geweld en bloed te doen kennen. De meesten onder u geloven niet aan de gemeenschap, die wij met sommige stervelingen hebben, waarom zou gij verlangen dat vreemden u op uw woord zullen geloven, als gij door uwe handelingen, de leer verloochent die gij verkondigt?”

 

672. Was de offerande van de vruchten van de aarde aan God, verdienstelijker in Zijn ogen dan die van de dieren?

“Ik heb u reeds geantwoord door te zeggen dat God op de bedoeling acht geeft, en de handeling van weinig belang voor hem is. Klaarblijkelijk zijn de vruchten van de aarde God meer gevallig dan het bloed van de offerdieren. Zoals wij u reeds gezegd hebben, en het u gedurig herhalen, het hartgrondig gebed is God honderden malen welgevalliger, dan al de offeranden die gij Hem zou kunnen doen. Ik herhaal, de bedoeling is alles, de daad op zichzelf niets.”

 

673. Zoude er niet een middel bestaan om deze offeranden God meer welgevallig te maken, door ze tot ondersteuning van hen die het nodige ontberen , te doen strekken; en zoude in dat geval het offeren van dieren, met een nuttig doel gedaan, niet verdienstelijk zijn, terwijl het een misbruik was toen het voor niemand enig nut had, of alleen tot voordeel strekte van hen, die aan niets gebrek hadden? Zoude er niet wezenlijk iets vrooms in liggen als men de eerstelingen van het goede dat God ons op aarde schenkt aan de armen wijdde?

“God zegent altijd degenen die goed doen; de armen en de bedrukten te ondersteunen is de beste wijze van Hem te eren. Ik zeg daarom niet dat God uwe kerkelijke gebruiken bij het bidden afkeurt, maar er is veel geld dat beter besteed zou kunnen worden, dan het gedaan wordt. God heeft de eenvoudigheid in alles lief. De mens, die aan het uiterlijke en niet aan het hart hecht is een geest met bekrompen inzichten oordeel nu zelf of God meer aan de vorm, dan aan het wezen van iets moet hechten.”

 

Antwoord gegeven door de Geest van de protestant predikant Monod te Parijs, overleden in April 1856. Het vorige antwoord nr. 664, is van den Geest van dan H. Lodewijk.

(vorige)						(volgende)