Derde Hoofdstuk.

 

Wet van de Arbeid.

 

 

Noodzakelijkheid van de arbeid. Grens van de arbeid. Rust.

 

 

Noodzakelijkheid van de arbeid.

 

 

674. Is de noodzakelijkheid van de arbeid een wet van de natuur?

 “De arbeid is een wet van de natuur, doordat hij een noodzakelijkheid is, en de beschaving dwingt de mens tot meerdere arbeid, omdat zij zijn behoeften en genietingen vermeerdert.”

 

675. Moet men door arbeid, alleen materiële bezigheden verstaan?

“Nee; de Geest arbeidt even goed als het lichaam. Iedere nuttige bezigheid is arbeid.”

 

676. Waarom is de arbeid aan de mens opgelegd?

 “Het is een gevolg van zijn lichamelijke toestand. Het is een boete en tevens een middel om zijn verstand te volmaken; daarom is hij voeding, veiligheid en welzijn alleen aan zijn arbeid en aan zijn vlijt verschuldigd. Aan degenen, die te zwak van lichaam zijn, heeft God het verstand daarvoor in de plaats gegeven, maar het blijft altijd arbeid.”

 

677. Waarom voorziet de natuur zelf, in alle behoeften van de dieren?

“Alles in de natuur arbeidt, de dieren arbeiden even goed als gij, maar hun arbeid bepaalt zich evenals hun intelligentie tot de zorg voor hun instandhouding; daarom is er bij hun arbeid geen vooruitgang; terwijl die van de mens een tweeledig doel heeft: de instandhouding van het lichaam en de ontwikkeling van de geest, dat ook een behoefte is en de mens boven zichzelf verheft. Als ik zeg dat de arbeid van de dieren tot de zorg voor hun instandhouding beperkt blijft, dan versta ik daardoor het doel dat zij bij hun arbeid hebben; maar zij zijn zonder het te weten, terwijl zij in hun stoffelijke behoefte voorzien, de werkende krachten, die tot de vervulling van Gods inzichten dienen, en hun arbeid voor henzelf verrichtende, werken zij niettemin aan de vervulling van het einddoel van de natuur mede, ofschoon gij zeer dikwijls de onmiddellijke gevolgen daarvan niet bespeurt.”

 

678. Is de mens op de meer volmaakte werelden, ook aan de noodzakelijkheid van de arbeid onderworpen?

“De aard van de arbeid is evenredig aan de behoeften; hoe minder stoffelijk de behoefte, hoe minder stoffelijk de arbeid is; maar geloof daarom niet dat de mens werkeloos en nutteloos blijft: de lediggang zou een straf in plaats van een weldaad zijn.”

 

679. Is de mens, die voldoende middelen bezit om van zijn bestaan verzekerd te zijn, van de wet van de arbeid ontheven?

“Van de stoffelijke arbeid, wellicht, maar niet van de verplichting om naar de mate van de middelen die tot zijn beschikking staan, nuttig te zijn en zijn verstand en dat van anderen te ontwikkelen, en dat is ook werken. Indien de mens, aan wie God genoegzame rijkdom geschonken heeft om van zijn bestaan verzekerd te zijn, niet genoodzaakt is om in het zweet zijns aanschijns het nodige te verkrijgen, wordt zijn verplichting om zijn natuurgenoten van nut te zijn des te groter, omdat het deel, dat hem vooruit te beurt gevallen is, hem veel meer tijd en gelegenheid laat om goed te doen.”

 

680. Zijn er geen mensen, voor wie het onmogelijk is, aan wat het ook zij te arbeiden, en van wie het bestaan dus nutteloos is?

“God is rechtvaardig: hij veroordeelt alleen degene, van wie het leven vrijwillig onnut is; want deze leeft ten koste van de arbeid van anderen. God wil dat iedereen zich naar de mate van zijn vermogens nuttig zal maken.” (Zie 643)

 

681. Legt de wet van de natuur aan de kinderen de verplichting op om voor hun ouders te arbeiden?

“Zeer zeker, zoals de ouders voor hun kinderen moeten arbeiden; daarom heeft God van de kinder en ouderliefde een natuurlijk gevoel gemaakt, opdat door die wederkerige liefde, de leden van hetzelfde gezin er toe zouden gedrongen worden elkaar bij te staan, hetgeen in uwe tegenwoordige maatschappij al te dikwijls miskend wordt.” (Zie 205)

 

 

 Grens van de arbeid. Rust.

 

 

682. Is de rust na de arbeid, (een behoefte zijnde) niet een wet van de natuur?

“Zonder twijfel, de rust dient om de krachten van het lichaam te herstellen, en is nodig om een weinig meer vrijheid aan de intelligentie te laten, om zich boven de stof te kunnen verheffen.”

 

683. Welke is de grens van de arbeid?

“De grens van de krachten; overigens laat God de mens vrij.”

 

684. Wat moeten wij van hen denken, die misbruik van hun macht maken om hun ondergeschikten een overmaat van arbeid op te leggen?

“Dit is een van de slechtste handelingen. Ieder mens, die de macht tot bevelen heeft, is verantwoordelijk voor het te zware van de arbeid, die hij zijn ondergeschikten heeft opgelegd, want hij overtreedt Gods wetten.” (Zie 273)

 

685. Heeft de mens op zijn oude dag recht op rust?

“Ja, hij is slechts verplicht te arbeiden zolang als zijne krachten hem dit toelaten.”

- Maar welke uitweg blijft er dan voor de grijsaard over, die om te leven, arbeiden moet, en niet arbeiden kan?

“De sterke moet voor de zwakke arbeiden; bij gebrek aan familie, moet de maatschappij daarvoor in de plaats treden; dit is de wet van weldadigheid en liefde.”

 

 

 

Het is niet voldoende aan de mens te zeggen dat hij arbeiden moet, maar degene, die in zijn onderhoud door werken moet voorzien, moet werk kunnen vinden, en dat is niet altijd het geval. Als gebrek aan werk algemeen wordt, bereikt zij dezelfde hoogte als de gesel van de hongersnood. De staathuishoudkunde zoekt het geneesmiddel in de herstelling van het verbroken evenwicht tussen voortbrenging en behoefte; maar er zullen altijd ogenblikken zijn waarin het evenwicht, gesteld zelfs dat dit bestaanbaar is, tijdelijk verbroken zal worden, en gedurende die tussentijd moet de arbeider toch leven. Er is een element, waarmede men niet genoeg rekening gehouden heeft, en zonder welke de staathuishoudkunde slechts een theorie blijft, en dat is de opvoeding; niet de intellectuele, maar de zedelijke opvoeding; ook niet de zedelijke opvoeding door boeken, maar die, welke bestaat in de kunst om karakters te vormen, die welke hebbelijkheden doet ontstaan: want de opvoeding is de som van alle de verkregen gewoonten en hebbelijkheden. Als men aan de massa individuen denkt, die elke dag zonder beginselen te bezitten, zonder breidel en aan hun eigen hartstochten overgelaten in de stroom van de bevolking geworpen worden, moet men zich dan over de noodlottige gevolgen, die eruit voortvloeien, verwonderen? Als die wetenschap gekend, begrepen en toegepast zal zijn, zal de mens bij zijn komst in de samenleving gewoonten meebrengen van orde en voorzorg voor zichzelf en anderen, van eerbied voor wat eerbiedwaardig is, gewoonten die het hem mogelijk zullen maken, de kwade dagen die niet te vermijden zijn, met minder bezwaar door te komen. Wanorde en zorgeloosheid zijn twee kwalen, welke alleen door een goed begrepen opvoeding kunnen genezen worden; dit is het punt vanwaar men moet uitgaan, het ware element voor het welzijn, het onderpand voor de veiligheid voor allen.

(vorige)						(volgende)