Vierde Hoofdstuk.
Wet van Voortplanting.
Bevolking van de aarde. Opvolging en volmaking van de rassen.
Beletselen voor de voortplanting. Huwelijk en celibaat. Polygamie.
686. Is de voortplanting van de levende wezens een wet van de
natuur?
“Dit is duidelijk; zonder de voortplanting zou de lichamelijke
wereld tenietgaan.”
687. Indien de bevolking in dezelfde mate, als nu het geval is,
blijft toenemen, zal er dan niet een ogenblik komen, dat zij voor de aarde
te groot zal zijn?
“Nee; God voorziet hierin, en zorgt altijd dat het evenwicht bewaard
blijft; Hij doet niets onnuts; de mens slechts een gedeelte van het tafereel
ziende, kan niet over de harmonie van het geheel oordelen.”
Opvolging en volmaking van de rassen.
688. Er zijn op dit ogenblik mensenrassen, die zichtbaar aan het
afnemen zijn; zal er een tijd komen dat zij geheel van de aarde verdwenen
zullen zijn?
“Het is waar dat er zulke rassen zijn; maar andere hebben hun plaats
ingenomen, zoals andere ook eens de uwe zullen innemen.”
689. Zijn de tegenwoordige mensen een nieuwe schepping, of de
verbeterde afstammelingen van de eerste wezens?
“Het zijn dezelfde Geesten, die in nieuwe lichamen terug gekomen
zijn, maar die nog ver van de volmaaktheid verwijderd zijn. Zo zal het tegenwoordige
mensenras dat door zijn toenemende aanwas er naar streeft om zich over de
gehele aarde te verspreiden en de rassen, die aan het afnemen zijn, te vervangen,
ook eens een tijd van verval en van ondergang krijgen. Andere meer ontwikkelde
rassen zullen het vervangen, deze zullen van de tegenwoordige afstammen, zoals
de tegenwoordige beschaafde mensen van de ruwe wezens en wilden van de eerste
tijden, afgestamd zijn.”
690. Zijn, uit het zuiver fysische oogpunt beschouwd, de
lichamen van het tegenwoordige ras, een bijzondere schepping, of zijn zij
langs de weg van de voortplanting uit de primitieve lichamen ontstaan?
“De oorsprong van de rassen verliest zich in de nacht der
tijden, maar daar zij allen, welke ook de oorspronkelijke stamvader van ieder,
moge geweest zijn, tot het grote menselijke gezin behoren, hebben zij zich met
elkaar kunnen vermengen en nieuwe typen kunnen voortbrengen.”
691. Welke is, uit het fysieke oogpunt beschouwd, het kenmerkend
en overheersend karakter van de primitieve rassen?
“Ontwikkeling van de ruwe stoffelijke kracht ten koste van de
intellectuele kracht; thans is het juist het tegenovergestelde: de mens doet
meer door zijn verstand dan door lichaamskracht, en toch doet hij honderden
malen meer; omdat hij dé krachten van de natuur weet te gebruiken, hetgeen de
dieren niet doen.”
692. Strijdt, de kunstmatige verbetering van dieren en
plantenrassen, niet tegen de wetten van de natuur? Zoude men meer
overeenkomstig deze wet handelen, als men de dingen hun natuurlijken loop liet
volgen?
“Men moet alles in het werk stellen om de volmaaktheid te
bereiken, en de mens zelf is een werktuig, dat door God gebruikt wordt om Zijn
besluiten te doen uitvoeren. De volmaaktheid het doel zijnde, waarnaar de
gehele wereld streeft, beantwoordt men aan die bedoeling, als men die
begunstigt.”
- Maar de mens wordt gewoonlijk alleen door een persoonlijk gevoel
tot zijn pogingen om de rassen te verbeteren gedwongen, en heeft daarbij geen
ander doel dan zijn genietingen te vermeerderen, vermindert dit zijn verdienstelijkheid
niet?
“Wat doet het er toe of zijn verdienstelijkheid nul is, als de
verbetering slechts plaats vindt? Het is zijn zaak om door het doel, dat hij
ermee beoogt, zijn arbeid verdienstelijk te maken. Buitendien oefent en
ontwikkelt hij door die arbeid zijn verstand, en in dat opzicht heeft hij zelf
er het meeste voordeel van.”
Beletselen voor de
voortplanting.
693. Zijn de menselijke wetten en gebruiken, die tot doel hebben
beletselen tegen de voortplanting op te werpen met de wet van de natuur in
strijd?
Alles wat de natuur in haar loop belemmert, is in strijd met de
algemene wet.”
- Er zijn evenwel soorten van levende wezens zowel onder dieren
als planten, waarvan de onbeperkte vermenigvuldiging schadelijk voor andere
soorten, en waarvan de mens zelf, weldra het slachtoffer zoude worden; begaat
hij een laakbare daad, als hij die voortbrenging tegengaat?
“God heeft aan de mens een macht over alle levende wezens gegeven,
welke hij ten goede gebruiken, maar niet misbruiken moet. Hij kan de voortbrenging
naar zijn behoeften regelen; hij moet die, zonder nut, geen beletselen in
de weg leggen. De intellectuele handeling van de mens is een tegenwicht door
God daar gesteld om het evenwicht tussen de krachten van de natuur te herstellen,
en dit is wederom iets, waardoor de mens zich van het dier onderscheidt, dat
hij dit met kennis van zaken doet; maar ook de dieren werken tot behoud van
dit evenwicht mede, want het instinkt van vernieling, dat hen gegeven is,
wordt oorzaak dat zij, zorgende voor hun eigen instandhouding, tegelijk de
te grote en wellicht gevaarlijke ontwikkeling tegengaan van de dieren en planten,
waarmede zij zich voeden.”
694. Wat moet men denken van die gebruiken, welke onderdrukking
van de voortbrenging ten doel hebben alleen om aan de zinnelijke neigingen te
kunnen voldoen?
“Dit bewijst de heerschappij van het lichaam over de ziel, en
hoe diep de mens nog in de stof verzonken is.”
695. Is het huwelijk, dat wil zeggen, de onafgebroken verbinding
tussen twee wezens, met de wet van de natuur in strijd?
“Het is een vooruitgang op de weg van het mensdom.”
696. Welke gevolgen zou de afschaffing van het huwelijk op de
menselijke samenleving hebben?
“Terugkeer tot het leven van de dieren.”
De vrije en toevallige vereniging van de geslachten is de natuurstaat. Het huwelijk is een van de eerste daden van vooruitgang in de maatschappij, omdat dit de broederlijke solidariteit doet geboren worden, en wordt bij alle volken, ofschoon onder verschillende vormen, gevonden. De afschaffing van het huwelijk zou dus de terugkeer tot de kindsheid van het mensdom zijn, en de mens beneden sommige dieren plaatsen, die hem het voorbeeld aan bestendige verbintenissen geven.
697. Staat de volstrekte onontbindbaarheid van het huwelijk in
de wet van de natuur of alleen in de menselijke wet voorgeschreven?
“Het is een menselijke wet, die geheel in strijd met die van de
natuur is. Maar mensen kunnen hun wetten veranderen, die van de natuur alleen,
zijn onveranderlijk.”
698. Is het vrijwillige celibaat een staat van verdienstelijkheid
en volmaaktheid in Gods ogen?
“Nee, en zij, die op die wijze uit baatzucht leven, mishagen aan
God en bedriegen de mensen.”
699. Is het celibaat voor enige mensen niet een opoffering, die
zij zich getroosten, teneinde zich meer uitsluitend aan de dienst van het
mensdom te kunnen wijden?
“Dit is geheel iets anders; ik heb gezegd: uit baatzucht. Iedere
zelfopoffering is verdienstelijk, wanneer het voor het goede gedaan wordt; hoe
groter het offer, des te groter zal de verdienste zijn.”
God kan niet met zichzelf in tegenspraak zijn, noch slecht vinden wat Hij zelve gedaan heeft; Hij kan het dus niet verdienstelijk vinden dat men Zijne wet schendt; maar indien het celibaat door zichzelf, geen verdienstelijke staat is wordt dit anders als het door afstand te doen van de genoegens van het huisgezin een offer ten behoeve van het mensdom wordt. Iedere zelfopoffering met het doel om goed te doen en daarbij vrij van baatzuchtige bijbedoelingen, verheft dn mens hoven zijn stoffelijke natuur.
700. Is de gelijkheid, op weinig na, van het getal van de
individuen van de beide geslachten, een aanwijzing van de verhouding volgens
welke zij zich met elkaar moeten verenigen?
“Ja, want alles in de natuur heeft een doel.”
701. Welke van de twee, polygamie (veelwijverij) of monogamie (huwelijk
met één) is meer overeenkomstig met de wet van de natuur?
“De polygamie is een menselijke wet, waarvan de afschaffing een
bewijs van maatschappelijke vooruitgang is. Het huwelijk zoals het door God
ingesteld is, moet gegrond zijn op de toegenegenheid van de wezens, die zich
met elkaar verenigen. Bij de polygamie bestaat er geen ware toegenegenheid;
maar alleen zinnelijkheid.”
Indien de polygamie de wet van de natuur ware, zou zij algemeen
moeten opgevolgd kunnen worden, en dit is door het gelijke getal van de
individuen van beide geslachten, materieel onmogelijk.
De polygamie moet als een gebruik of als een bijzondere wetgeving voor sommige zeden ingericht, beschouwd worden, welke door de maatschappelijke vooruitgang gaandeweg verdwijnen zal.