Vijfde Hoofdstuk.

 

Wet van Instandhouding.

 

 

 

Instinkt van instandhouding. Middelen tot instandhouding. Genot van de aardse goederen. Het nodige en het overtollige. Vrijwillige ontberingen. Kastijding van het vlees.

 

 

Instinkt van instandhouding.

 

 

702. Is het instinkt van instandhouding een wet van de natuur?

"Zonder twijfel; zij is aan alle levende wezens gegeven, welke ook de graad van hun intelligentie moge zijn, bij de een is het geheel werktuigelijk, bij de anderen beredeneerd."

 

703. Met welk doel heeft God aan alle levende wezens het instinkt voor hun instandhouding gegeven?

"Omdat allen tot de uitvoering van de besluiten van de Voorzienigheid moeten medewerken; daarom heeft God hen de zucht om te leven geschonken. Daarenboven is het leven voor de volmaking van de wezens nodig; zij voelen dit instinctmatig, zonder er zich rekenschap van te kunnen geven."

 

 

Middelen tot instandhouding.

 

 

704. Heeft God, die aan de mens de zucht om te leven gegeven heeft, hem daartoe altijd de middelen verstrekt?

"Ja, en als hij die niet weet te vinden, komt dit doordien hij ze niet begrijpt. God heeft aan de mens de zucht om te leven niet kunnen geven, zonder hem daartoe de middelen te schenken, daarom doet Hij de aarde al datgene voortbrengen, wat aan hare bewoners het nodige moet verschaffen, want alleen het nodige is nuttig: het overtollige is dat nooit."

 

705. Waarom brengt de aarde niet altijd genoeg op om in het nodige voor de mens te voorzien?

"Dat komt doordien de mens haar verwaarloost, die ondankbare! zij is toch zulk een goede moeder. Dikwijls ook legt hij de natuur datgene ten laste, wat alleen een gevolg is van eigen onkunde of gebrek aan voorzorg. De aarde zou altijd het nodige voortbrengen, indien de mens zich daarmede tevreden wilde stellen. Indien zij niet genoeg voor de bevrediging van elke behoefte opbrengt, komt dit doordien de mens, datgene voor het overtollige uitgeeft wat voor het nodige besteed kon worden. Zie de arabier in de woestijn, hij vindt altijd het een of ander om van te leven, omdat hij zijn behoeften niet kunstmatig opdrijft; maar als de helft van hetgeen voortgebracht wordt aan denkbeeldige behoeften verkwist wordt, moet de mens zich dan verwonderen als hij later niets meer vindt, en heeft hij dan wel enig recht als de tijd van schaarste gekomen is om zich te beklagen dat hem het nodige ontbreekt? In waarheid zeg ik u, niet de natuur is zorgeloos, maar het is de mens, die zijn behoeften niet weet te beperken."

 

706. Moet men onder het goede van de aarde alleen de voortbrengselen van de grond verstaan?

"De grond is de eerste bron, uit welke alle andere hulpmiddelen voortspruiten, want tenslotte zijn alle hulpmiddelen alleen een vervorming van de voortbrengselen van de grond daarom moet men onder het goede van de aarde alles verstaan, waarvan de mens hier op aarde het genot kan hebben."

 

707. Dikwijls ontbreken aan zekere individuen, zelfs te midden van de overvloed die hen omringd, de middelen van bestaan; aan wie moeten zij dat wijten?

"Aan de baatzucht van de mensen, die niet altijd doen, wat zij moesten; verder, en wel meestal, aan henzelf. Zoekt, en gij zult vinden: deze woorden willen niet zeggen, dat het genoeg is, als men de ogen op de grond vestigt om te zien of men daar ook datgene, wat men verlangt, vinden zal, maar dat men met ijver en volharding, en niet met lauwheid moet zoeken, zonder zich door de hinderpalen te laten afschrikken, welke dikwijls slechts middelen zijn, om uwe volharding, geduld en kracht te beproeven." (Zie 534)

 

 

Indien de beschaving meer behoeften doet ontstaan, worden daarentegen ook door haar de hulpbronnen van de arbeid en van de middelen van bestaan vermenigvuldigd; maar men moet erkennen dat haar in dat opzicht nog veel te doen overblijft; zij zal haar werk dan eerst voltooid hebben als niemand zal kunnen zeggen gebrek aan het nodige te hebben, tenzij door eigen schuld. Het ongeluk van velen ligt daarin dat zij een andere weg dan die, welke hen door de natuur aangewezen wordt, inslaan; dan schiet hun verstand tekort om te kunnen slagen. Er is plaats onder de zon voer iedereen, mits ieder de hem aangewezen en niet die van anderen inneemt. De natuur kan niet aansprakelijk zijn voor de gebreken in de maatschappelijke inrichtingen en voor de gevolgen, die de eerzucht en eigenliefde na zich slepen.

Men zou evenwel blind moeten zijn, als men de vooruitgang, welke in dat opzicht bij de meest ontwikkelde volken gemaakt zijn, niet zou willen erkennen. Dank zij de loffelijke pogingen, welke mensenliefde in vereniging met de wetenschap niet ophoudt voor de stoffelijke welvaart van de mens aan te wenden, wordt, niettegenstaande de toenemende vermeerdering van bevolking, het ongenoegzame van de productie althans grotendeels verholpen; en zijn de ongunstigste jaren niet meer te vergelijken met hetgeen zij vroeger waren de algemene gezondheidsleer, dat voorname element voor kracht en gezondheid, dat aan onze vaderen onbekend was, is het voorwerp van een verlichte zorg; de ongelukkige en lijdenden vinden toevluchtsoorden, overal wordt de wetenschap cynsbaar gemaakt om het algemeen welzijn te bevorderen. Wil dat zeggen dat men de volmaaktheid bereikt heeft? Nee, zeker niet, maar hetgeen reeds gedaan is, is voor ons de maatstaf, van hetgeen men door volharding doen kan, wanneer de mens wijs genoeg is, om zijn geluk in stellige en ernstige dingen te zoeken en niet in utopieën, die hem eerder achteruit dan vooruit doen gaan.

 

 

708. Zijn er geen toestanden, waarin het vinden van middelen van bestaan in het geheel niet van de wil van de mens afhangt, en in welke de ontbering van het gebiedend nodige een gevolg van de drang van de omstandigheden is?

"Het is dikwijls een harde beproeving welke hij moet ondergaan, en aan welke hij wist dat hij blootgesteld zou worden; wat deze beproeving voor hem verdienstelijk maakt is zijn onderwerping aan Gods wil voor het geval dat zijn intelligentie hem geen middel mocht doen vinden om zich uit de nood te redden. Indien de dood zijn deel moet zijn, moet hij die zonder morren afwachten, en denken dat het uur voor zijn wezenlijke verlossing aangebroken is en dat de wanhoop in het laatste ogenblik hem al de vruchten van zijne gelatenheid kan doen verliezen."

 

709. Hebben degenen, die in moeilijke omstandigheden genoodzaakt waren hun natuurgenoten op te offeren om er zichzelf mede te voeden, een misdaad begaan; en indien dit een misdaad was, wordt deze dan door de zucht naar het leven, welke het instinkt van het zelfbehoud hen geeft, niet vergeeflijk?

"Ik heb hierop reeds geantwoord toen ik zei, dat het verdienstelijker is alle beproevingen van het leven met moed en zelfverloochening te dragen. Het is moord, en misdaad tegen de natuur, een misdaad die dubbel gestraft moet worden."

 

710. Hebben de wezens, welke op de werelden leven van wie de organisatie meer gelouterd is, voedsel nodig?

"Ja, maar hun voedsel is evenredig aan hun natuur. Hun spijzen zouden voor uwe grove magen niet krachtig genoeg zijn; daarentegen zouden zij de uwe niet kunnen verteren."

 

 

Genot van de aardse goederen.

 

 

711. Is het genot der aardse goederen een recht voor alle mensen?

"Dit recht is een uitvloeisel van de noodzakelijkheid om te moeten leven. God kan geen plicht opgelegd hebben zonder de middelen om die te vervullen er aan toe te voegen."

 

712. Met welk doel heeft God aan het genot van de stoffelijke goederen een gevoel van genoegen verbonden?

"Met het doel de mens tot de vervulling van zijn zending aan te sporen, en ook om hem door de verleiding te beproeven."

- Wat is het doel van die verleiding?

"Zijn verstand, dat hem voor uitspattingen moet behoeden, te ontwikkelen."

 

 

Indien de mens alleen met het oog op het nut, tot het genieten van de aardse goederen génoopt ware, zoude zijne onverschilligheid stoornis in de harmonie van het heelal hebben kunnen veroorzaken; God heeft er daarom het aanlokkelijke van het gevoel van genoegen aan verbonden, waardoor hij aangespoord wordt om de bedoelingen van de Voorzienigheid te vervullen. Maar door deze aanlokkelijkheid zelve, heeft God daarenboven door de verleiding om van dat genoegen misbruik te kunnen maken, de mens willen beproeven, en tegen deze verleiding moet zijn verstand hem behoeden.

 

 

 

713. Zijn er voor het genot, door de natuur grenzen gesteld?

"Ja om u het nodige als grens aan te wijzen; maar door uwe uitspattingen wordt gij oververzadigd, en straft daardoor uzelf."

 

714. Wat moet men van de mens denken, die in uitspattingen van allerlei aard, verhoging van zijne genoegens zoekt?

"Arme ziel, die men beklagen en niet benijden moet, want zo een is zijn dood zeer nabij."

- Is het de fysieke of de zedelijke dood, die hij tegemoet gaat?

"Beiden."

 

 

De mens, die in uitspattingen van allerlei aard verhoging van zijn genoegens zoekt, verlaagt zich beneden het dier, want het dier moet zich met de bevrediging van zijn behoeften tevredenstellen. Hij doet daardoor afstand van de rede, die God hem tot leidsvrouw geschonken heeft, en hoe groter zijn uitspattingen zijn, des te groter is de invloed die hij zijn dierlijke over zijn geestelijke natuur laat nemen. Ziekten, gebreken, ja zelfs de dood, die het gevolg van het misbruiken van de genietingen zijn, zijn tegelijkertijd de straffen op de overtreding van Gods wet gesteld.

 

 

Het nodige en het overtollige.

 

 

715. Hoe kan de mens de grens van het nodige kennen?

"De wijze kent die door intuïtie; velen kennen die te hunne koste door ondervinding."

 

716. Heeft de natuur de grens van onze behoeften niet door ons organisme aangegeven?

"Ja, maar de mens is onverzadelijk. De natuur heeft de grens van zijn behoefte door zijn organisme aangewezen, maar de ondeugden hebben zijn gestel bedorven en voor hem behoeften doen ontstaan, welke geen wezenlijke behoeften zijn."

 

717. Hoe moeten wij hen beschouwen, die om zelf het overtollige te genieten, zich van het goede van de aarde, ten nadeel van anderen, meester maken?

"Zij miskennen Gods wet en zullen zich omtrent de ontberingen, die zij anderen hebben doen ondergaan, moeten verantwoorden."

 

 

De grensscheiding tussen het nodige en het overtollige is niet absoluut. De beschaving heeft behoeften doen ontstaan, die de wilde niet kent, en de Geesten, die deze voorschriften gegeven hebben, willen er niet door te kennen geven dat de beschaafde mens op dezelfde wijze als de wilde leven moet. Alles is betrekkelijk, en de rede moet hierin uitspraak doen. Door de beschaving ontwikkelt de zedelijke zin en tevens het gevoel van liefde, waardoor de mens genoodzaakt wordt elkaar te helpen. Zij, die ten koste van de ontberingen die anderen moeten verduren, leven, exploiteren ten koste van dezen, de weldaden van de beschaving; zij bezitten van die beschaving alleen het vernis, zoals er mensen zijn, die van de godsdienst alleen het masker dragen.

 

 

Vrijwillige ontberingen. Kastijding van het vlees.

 

 

718. Legt de wet van instandhouding de verplichting op om voor de behoeften van het lichaam zorg te dragen?

"Ja, zonder kracht en gezondheid is arbeiden onmogelijk."

 

719. Is de mens laakbaar, als hij zijn eigen welzijn tracht te bevorderen?

"Welzijn te genieten is een natuurlijke begeerte; God verbiedt alleen misbruik, omdat misbruik, ten nadeel van de instandhouding werkt. Hij maakt er geen misdaad van als men zijn eigen welzijn zoekt te bevorderen, als het maar niet ten koste van anderen verkregen wordt, noch uwe eigen zedelijke of lichamelijke krachten verzwakt."

 

720. Zijn vrijwillige ontberingen, met het doel om zichzelf een even zo vrijwillige boetedoening opteleggen, verdienstelijk in Gods ogen?

"Doet goed aan anderen, en gij zult u verdienstelijker maken."

- Zijn er vrijwillige ontberingen, waardoor men zich verdienstelijk maakt?

"Ja, de ontbering van onnutte genietingen; omdat deze de mens van de stof los maakt en zijn ziel verheft. Wat verdienstelijk is, is weerstand te bieden aan de verlokking om overdaad te genieten, zich het genot van nutteloze genietingen te ontzeggen, van het nodige het een of andere af te zonderen, om het aan anderen, die niet genoeg hebben, te kunnen geven. Indien de ontbering, die gij uzelf oplegt, niets dan een ijdele vertoning is, is het een bespotting."

 

721. Streng vrome levenswijze, kastijding van het vlees, was in de oudste tijden en bij verschillende volken in gebruik; zijn die kastijdingen in een of ander opzicht verdienstelijk?

"Vraag u zelf af, voor wie zij enig nut kunnen hebben, en gij zult het antwoord vinden; als die kastijdingen alleen nuttig zijn voor hen, die ze zich aandoen, en deze beletten het goede te doen, dan is het egoïsme, wat ook het voorwendsel moge zijn, waarmede men het tracht te kleuren. Zichzelf ontberingen voor anderen opleggen en voor anderen arbeiden, dat is volgens de Christelijke liefde, de ware kastijding van het vlees."

 

722. Is de onthouding van sommige spijzen, die aan sommige volken voorgeschreven wordt, op het gezond verstand gegrond?

"De mens mag zich met alles wat zijne gezondheid niet benadelen kan, voeden; maar de wetgevers hebben met een nuttig doel het gebruik van enige spijzen kunnen verbieden; en om meer kracht aan hun verbod te geven, hebben zij dit als van God uitgegaan voorgedragen."

 

723. Is het gebruik van dierlijk voedsel door de mens, strijdig met de wet van de natuur?

"In uw fysiek gestel wordt het vlees door vlees gevoed, anders zou de mens in verval geraken. De wet van instandhouding, legt de mens als plicht op, zijn krachten en gezondheid te onderhouden, teneinde in staat te zijn de wet van de arbeid te kunnen opvolgen; de mens moet zich naar de behoeften van zijn organisme voeden."

 

724. Is de onthouding van dierlijk of ander voedsel als boetedoening, verdienstelijk?

"Ja, als men er zich van onthoudt om het aan anderen te geven; maar God kan er geen boetedoening in zien als het geen ernstige en nuttige ontbering is die men zichzelf oplegt; daarom zeggen wij, dat zij, die slechts de schijn van een ontbering te ondergaan aannemen, huichelaars zijn."

 

725. Hoe moet men de verminkingen, die men mensen en dieren doet ondergaan beschouwen?

"Waartoe die vraag? Vraag nogmaals aan uzelf of dit tot iets nuttig is. Al wat onnut is, kan God niet welgevallig zijn, en wat schadelijk is, is Hem altijd ongevallig, want, weet het wel, alleen de gevoelens die de ziel tot Hem verheffen kunnen, zijn God aangenaam; het is door zijne wet op te volgen maar niet door die te schenden dat gij uw aardse stof zult kunnen afschudden."

 

726. Indien het aardse lijden, door de wijze, waarop wij dit dragen, ons verheft, verheffen wij ons dan ook door het lijden, dat wij onszelf opleggen?

"Het enige lijden dat verheft is het natuurlijke lijden, omdat dit ons door God opgelegd wordt; het vrijwillige lijden dient tot niets als er geen nut voor anderen uit voortvloeit. Gelooft gij dat degene, die zoals de bonzen, fakirs en andere dwepers van vele sekten, hun leven door bovenmenselijke pijnigingen verkorten, vorderingen op hun weg maken? Waarom arbeiden zij niet liever tot bevordering van het welzijn van hun natuurgenoten? Laten zij de behoeftige kleden; de bedroefde troosten; voor de gebrekkige werken; laten zij zich ontberingen getroosten, als zij daardoor ongelukkige kunnen bijstaan; dan zal hun leven nuttig en aan God welgevallig zijn. Wanneer men bij het vrijwillige lijden, dat men ondergaat, alleen zichzelf op het oog heeft, is het egoïsme; als men voor anderen lijdt, is het liefde; zo luidt het voorschrift van Christus."

 

727. Indien men zich geen lijden, dat voor anderen zonder nut is, vrijwillig moet opleggen, moet men zich dan voor lijden, dat men voorziet, of waardoor men bedreigd wordt; trachten te behoeden?

"Het instinkt van zelfbehoud is aan ieder wezen geschonken tot bestrijding van gevaren en lijden. Geselt uwe geest, maar niet uw lichaam, kastijdt uwe hoogmoed, smoort uw egoïsme als een slang die aan uw hart knaagt, en gij zult meer voor uwe vooruitgang doen, dan door al die gestrenge kastijdingen, die niet meer tot onze eeuw behoren."

(vorige)						(volgende)