Zesde Hoofdstuk.
Wet van Vernieling.
Noodzakelijke en niet gewettigde vernieling. Vernielende plagen.
Oorlogen. Moord. Wreedheid. Het tweegevecht. De doodstraf.
Noodzakelijke en
niet gewettigde vernieling.
728. Is de vernieling een wet van de natuur?
“Alles moet vernietigd worden, om wederom geboren te kunnen worden
en zich door vervorming te kunnen verbeteren; want wat gij vernietiging noemt
is slechts een vervorming, die de vernieuwing en verbetering van de levende
wezens tot doel heeft.”
- Zou de zucht tot vernielen aan de levende wezens met een
vorzienend doel gegeven zijn?
“Gods schepselen zijn de werktuigen die Hij gebruikt, om zijn doel
ten uitvoer te brengen. Om zich te voeden, vernielen de levende wezens elkaar,
dit gebeurt met het tweeledig doel om het evenwicht bij de voortbrenging,
die te groot zou kunnen worden, te bewaren, en om de overblijfselen van hun
omhulsel te kunnen benuttigen. Maar het is altijd alleen het omhulsel dat
vernietigd wordt, en dit is slechts bijzaak en niet het hoofdbestanddeel van
het denkende wezen; het voornaamste is bij hem het intelligente beginsel,
hetwelk onvernietigbaar is en door de opvolgende gedaanteverwisselingen welke
het ondergaat, verbeterd wordt.”
729. Indien de vernieling voor de hervorming van de wezens
noodzakelijk is, waarom omringt de natuur hen dan met de middelen tot
instandhouding en onderhoud?
“Opdat de vernieling niet voor de geschikte tijd zou
plaatsvinden. Elke te vroegtijdige vernietiging is een hinderpaal voor de
ontwikkeling van het intelligente beginsel; daarom heeft God aan elk wezen de
zucht tot het leven en tot voortbrenging ingeschapen.”
730. Indien de dood ons tot een beter leven
moet leiden, en hij ons van het lijden van het tegenwoordige leven bevrijdt,
waarom voelt de mens er dan toch een instinctmatige afkeer van, welke hem
die doet vreezen?
“Wij hebben het reeds gezegd, de mens moet er naar streven om zijn
leven te verlengen, teneinde zijne taak te kunnen afwerken; daarom heeft God
hem het instinkt van zelfbehoud geschonken, en dat instinkt ondersteunt hem
bij zijn beproevingen; zonder dat, zou hij zich dikwijls aan moedeloosheid
overgeven. De geheimzinnige stem, die hem tegen de dood doet opzien, zegt
hem dat hij nog iets voor zijn vooruitgang doen kan. Wanneer hij door een
gevaar bedreigd wordt, is het voor hem een waarschuwing om zich het uitstel,
dat God hem nog verleent, ten nutte te maken; maar de ondankbare dankt daarvoor
dikwijls meer zijn gesternte, dan zijn Schepper.”
731. Waarom heeft de natuur naast de middelen tot instandhouding,
tegelijkertijd die tot vernieling geplaatst?
“Het geneesmiddel naast de kwaal; wij hebben dit reeds gezegd,
het is om het evenwicht te bewaren, en om als tegenwicht te dienen.”
732. Is de zucht tot vernielen dezelfde op alle werelden?
“Zij is aan de meest of
minder stoffelijke toestand van de werelden evenredig, en houdt bij een meer
fysiek en zedelijk gezuiverde toestand op. Op de meer verheven werelden dan de
uwe, zijn de voorwaarden van het leven geheel anders.”
733. Zal de noodzakelijkheid om te vernielen altijd bij de mens
op aarde blijven bestaan?
“De behoefte om te vernielen wordt bij de mens, naarmate de Geest
de overhand over de stof verkrijgt, zwakker; daarom ziet gij dat de zedelijke
en intellectuele ontwikkeling door afschuw voor vernieling gevolgd wordt.”
734. Heeft de mens in zijn tegenwoordige staat, een onbeperkt
recht om de dieren te vernielen?
“Dit recht wordt door de behoefte om in zijn voeding en
veiligheid te voorzien, geregeld; misbruik is nooit een recht geweest.”
735. Wat moeten wij denken van de vernieling, die de grenzen van
de behoeften te buiten gaan, b v. van de jacht als die alleen het genoegen om
zonder nut te vernielen, ten doel heeft?
“Heerschappij van de dierlijkheid over de geestelijke natuur.
Elke vernieling, die de grenzen van de behoeften overschrijdt is een schending
van Gods wet. De dieren vernielen alleen om in hun behoeften te voorzien; maar
de mens, die een vrije wil heeft, vernielt zonder noodzakelijkheid; hij zal van
het misbruik dat hij van de vrijheid, die hem geschonken werd, gemaakt heeft,
rekenschap moeten geven, want hij geeft dan toe aan zijn slechte neigingen.”
736. Maken de volken, die tot in het overdreven met een
angstvallige bezorgdheid vermijden een dier te doden, zich daardoor bijzonder
verdienstelijk?
“Het is overdrijving van een op zichzelf lofwaardig gevoel, maar
dat in een misbruik ontaard, en waarvan de verdienste door vele misbruiken van
geheel andere aard vernietigd wordt. Er bestaat bij hen meer bijgelovige vrees
dan wezenlijke goedhartigheid.”
737. Met welk doel bezoekt God het mensdom door vernielende plagen?
“Om het spoediger vorderingen te doen maken. Hebben wij niet gezegd
dat de vernieling noodzakelijk is tot zedelijke vervorming van de Geesten,
die in elk nieuw bestaan een nieuwe graad van volmaaktheid bereiken? Men moet
het einde zien om er de gevolgen van te kunnen op prijs stellen. Gij beoordeelt
ze alleen uit uw persoonlijk standpunt, en gij noemt het plagen, om de schade
die zij u berokkenen; maar die verwoestingen zijn dikwijls nodig om spoedig
en in weinige jaren een betere staat van zaken te doen geboren worden; waartoe
anders eeuwen nodig zouden geweest zijn.” (Zie 744)
738. Kon God voor de verbetering van het mensdom geen andere middelen
dan die van de vernielende plagen aanwenden?
“Ja, en Hij gebruikt die dagelijks, daar hij immers aan iedereen
de middelen geschonken heeft, om door de kennis van goed en kwaad vorderingen
te maken. Het is de mens, die er geen gebruik van maakt; men moet hem wel in
zijn hoogmoed straffen en hem zijn zwakheid doen voelen.”
- Maar bij die plagen komen de deugdzame mensen even goed als de
slechten om, is dat rechtvaardig?
“Gedurende het leven beschouwt de mens alles in verband tot zijn
lichaam, maar na de dood denkt hij anders, en zoals wij reeds gezegd hebben:
het leven van het lichaam is van weinig betekenis, een eeuw van uwe wereld
is in de eeuwigheid als een bliksemstraal; zo ook is het lijden gedurende
hetgeen gij enige maanden of dagen noemt, niets; het is een lering voor u,
die u in de toekomst van dienst zal zijn. De Geesten, ziedaar de wezenlijke
wereld, die voor alles bestaan heeft en alles overleeft (zie 85);
dit zijn Gods kinderen en de voorwerpen van zijn tederste zorgen; de lichamen
zijn slechts vermommingen, waaronder zij hun verschijning op aarde maken.
Bij grote rampen, waardoor het mensdom weggerukt wordt, is dit als een leger
in oorlogstijd, dat zijn klederen versleten, verscheurd of verloren heeft.
De bevelhebber laat zich meer aan zijn manschappen dan aan hun klederen gelegen
liggen.”
- Maar de slachtoffers van die plagen blijven niettemin
slachtoffers?
“Indien men het leven, zoals het werkelijk is, beschouwde, en bedacht
hoe onbeduidend dit in vergelijking met de eeuwigheid is, zou men er minder
gewicht aan hechten. Die slachtoffers zullen in een ander bestaan voor hun
lijden, als zij dit zonder morren weten te dragen, een grote vergoeding ontvangen.”
Het zij de dood door een algemene ramp, dan wel door een gewone
oorzaak plaats vindt, moet men, als het uur voor het vertrek slaat, sterven:
het enige waarin onderscheid bestaat is, dat er in zulk een geval een groter
aantal tegelijk vertrekken.
Indien wij ons in gedachte zo hoog konden verheffen, dat wij het
gehele mensdom beheerscheen en geheel overzien konden, dan zouden die
verschrikkelijke plagen ons slechts als voorbijgaande stormen in de
lotswisseling van het leven voorkomen.
739. Hebben die vernielen de plagen, niettegenstaande de rampen
die zij veroorzaken, uit een fysiek oogpunt beschouwd, ook enig nut?
“Ja, zij veranderen dikwijls de toestand van een land; doch het
goede, dat eruit voortvloeit, wordt dikwijls eerst door de volgende geslachten
ondervonden.”
740. Zouden die plagen ook niet zedelijke beproevingen voor de
mens zijn, welke hem in de noodzakelijkheid plaatsen te leren strijden tegen de
grootste moeilijkheden?
“De plagen zijn beproevingen, die de mens in de gelegenheid stellen
om: zijn verstand te scherpen, zijn geduld en onderwerping aan Gods wil te
tonnen, en hem in staat te stellen, als hij niet door egoďsme beheerst wordt,
van zijn gevoel van zelfverloochening, belangeloosheid en liefde tot de naaste,
blijken te geven.”
741. Is het de mens gegeven de plagen, door welke hij bezocht
wordt, af te wenden?
“Ja, gedeeltelijk, doch niet in de zin, die er gewoonlijk aan gehecht
wordt. Vele plagen zijn een gevolg van zijn onbedachtzaamheid; naarmate hij
meer kennis en ondervinding opdoet, kan hij ze afwenden, dat wil zeggen, ze
voorkomen als hij er de oorzaak van weet op te sporen. Maar onder de plagen,
waarmede het mensdom bezocht wordt, zijn er algemene, die in Gods besluit
liggen, en waarvan ieder individu min of meer de terugstoot voelt; aan die
plagen kan de mens alleen onderwerping aan Gods wil tegenoverstellen; en dikwijls
nog worden zij door zijn onverschilligheid erger.”
Onder de natuurlijke en van de mens niet afhankelijke vernielend
plagen, moet men in de eerste plaats, pest, hongersnood, overstromingen, de
voor de voortbrengselen van de aarde nadelige afwisseling van het weder, stellen.
Maar bezit de mens niet in da wetenschap, in de kunstwerken, in de verbetering
van de landbouw, in de afwisselende bebouwing van de gewassen, in besproeiing,
in de bestudering van de voorwaarden voor de algemene gezondheid, de middelen
om die rampen te neutraliseren of althans veel te verzachten? Zijn sommige
landen, die vroeger door verschillende plagen geteisterd werden, er thans
niet van bevrijd? Wat zal de mens dan niet tot bevordering van zijn stoffelijk
welzijn in staat zijn te doen, als hij al de hulpbronnen, die zijn verstand
hem aan de band doet, aanwendt, en de zorg voor zijn persoonlijke instandhouding
met ware liefde voor zijn natuurgenoten gepaard doet gaan? (Zie 707)
742. Door welke oorzaak wordt de mens tot oorlog voeren
gedreven?
“Heerschappij van de dierlijke op de Geestelijke natuur en
botvieren van zijn driften. In de staat van barbaarsheid, kennen de volken
alleen het recht van de sterkste; daarom is voor hen de oorlog een normale
toestand. Naarmate de mens vooruitgaat worden de oorlogen zeldzamer, omdat men
er door de vooruitgang de aanleiding van weet te verminderen en als de oorlog
noodzakelijk is menselijkheid er mede weet te verenigen.”
743. Zal de oorlog eens van de aarde verdwijnen?
“Ja, als de mensen de rechtvaardigheid zullen begrijpen; en Gods
wet opvolgen; dan zullen alle volken broeders zijn.”
744. Voor welk doel heeft de Voorzienigheid
de oorlog noodzakelijk gemaakt?
“Voor vrijheid en ontwikkeling.”
- Indien men door oorlogen tot de vrijheid moet raken, hoe komt
het dan dat zij dikwijls slavernij tot doel en tot uitkomst hebben?
“Tijdelijke onderdrukking om de volken het moede te doen worden,
en ze des te spoediger te doen vooruitgaan.”
745. Wat moet men denken van degene die oorlog verwekt, om zichzelf
te bevoordelen?
“Deze is de wezenlijk schuldige, en er zullen vele levens voor
hem moeten voorbijgaan, om voor de moorden, waarvan hij de oorzaak zal geweest
zijn te boeten, want hij zal voor elk mens, wiens dood hij tot bevrediging van
zijn eerzucht zal veroorzaakt hebben, verantwoordelijk zijn.”
746. Is moord een misdaad in Gods ogen?
“Ja, en een grote misdaad, want degene, die het leven aan een natuurgenoot
ontneemt, snijdt een leven van boetedoening of van zending af; en
daarin is het kwaad gelegen.”
747. Is moord altijd even misdadig?
“Wij hebben het reeds gezegd, God is rechtvaardig; hij oordeelt
meer de bedoeling dan de daad.”
748. Verschoont God de moord bij wettige zelfverdediging?
“De noodzakelijkheid alleen, kan een verschoning wezen; maar als
men zijn eigen leven redden kan, zonder dat van zijn aanvaller te vernietigen,
dan moet men dat doen.”
749. Is de mens voor de moorden, die hij in de oorlog begaat,
verantwoordelijk?
“Nee, zo hij daartoe gedwongen wordt, maar hij is misdadig, indien
hij wreedheden pleegt, en zijn menselijkheid zal hem toegerekend worden.”
750. Wie is, in Gods ogen meer misdadig; de vader of de
kindermoorder?
“Beiden zijn even misdadig; want elke misdaad is misdaad.”
751. Hoe komt het, dat de kindermoord bij
sommige reeds zeer intellectueel ontwikkelde volken, in hun zeden ligt en
door de wetgeving gewettigd wordt?
“De ontwikkeling van het verstand brengt niet noodzakelijk de
vooruitgang in het goede mede; de intellectueel verheven Geest, kan slecht
zijn; het is er een die lang geleefd heeft zonder zich te verbeteren: hij weet
veel.”
752. Kan men het gevoel van wreedheid aan het instinkt van
vernieling toeschrijven?
“Het is het instinkt van vernieling in zijn meest slechte
uiting, want al moge de vernieling soms noodzakelijk zijn, de wreedheid is dit
nooit; het is het uitvloeisel van een verdorven natuur.”
753. Hoe komt het dat wreedheid een van de hoofdtrekken van de
primitieve volken is ?
“Omdat bij de volken, die gij primitieve noemt, de stof over de
Geest heerst, zij geven zich aan de neigingen van het dier over, en, daar
zij geen andere behoefte dan die van het lichaam kennen, denken zij aan niets
anders dan aan hun eigen instandhouding, en dat maakt hen gewoonlijk wreed.
Daarbij zijn de volken van wie de ontwikkeling nog onvolkomen is, onder de
heerschappij van even onvolmaakte Geesten die met hen sympathiseren, totdat,
meer gevorderde volken die invloed komen vernietigen of verzwakken.”
754. Is wreedheid, niet een gevolg van het ontbreken van de
zedelijkheidszin?
“Zeg liever dat de zedelijkheidszin niet ontwikkeld is, maar zeg
niet dat die ontbreekt, want deze bestaat in beginsel bij alle mensen; het
is die zedelijkheidszin door welke zij later goede en menslievende mensen
worden. Hij bestaat dus bij de wilde, maar op dezelfde wijze, waarop het beginsel
van een geur in de kiem van een bloem, voordat die ontloken is, aanwezig is.”
Alle vermogens van de mens, zijn hij hem in rudimentaire of latente toestand aanwezig, en ontwikkelen zich naar gelang de omstandigheden daartoe meer of minder gunstig zijn. De te groot ontwikkeling van het een houdt die van de anderen tegen of neutraliseert die. Door overprikkeling van de stoffelijke neigingen, wordt als het ware de zedelijkheidszin verstikt, evenals door de ontwikkeling van de zedelijkheidszin de zuiver dierlijke vermogens langzamerhand verzwakt worden.
755. Hoe komt het dat men te midden van de meest gevorderde beschaving,
wezens vindt, die even wreed zijn als de wilde?
“Zoals er aan een boom, die goede vruchten draagt ook mislukte
vluchten gevonden worden. Het zijn, zo gij wilt, wilden, die van de beschaving
niets dan het kleed dragen, wolven te midden van de lammeren verdwaald. Geesten
van een mindere orde en die nog zeer achterlijk zijn kunnen zich te midden van
vergevorderde mensen incarneren in de hoop zelf vorderingen te zullen maken;
maar indien de beproeving voor hen te zwaar is, herneemt de oorspronkelijke
natuur de overhand.”
756. Zal de maatschappij de deugdzame mensen, eenmaal van de
kwaadwillige wezens gezuiverd worden?
“De mensheid gaat vooruit; de door het instinkt van het kwaad
beheerste mensen, die onder de goede misplaatst zijn, zullen langzamerhand
verdwijnen, zoals het slechte graan van het goede wordt afgezonderd als het
gezift wordt, maar, om met een ander omkleedsel wedergeboren te worden; en daar
zij alsdan meer ondervinding zullen opgedaan hebben, zullen zij beter begrijpen
wat goed en wat kwaad is. Gij bezit daarvan een voorbeeld bij de planten en
dieren, welke het de mens gelukt is, te veredelen, en bij welke hij nieuwe
eigenschappen ontwikkelt. Wel nu! het is eerst na vele geslachten dat de
verbetering volkomen wordt. Dit is het zinnebeeld van de verschillende levens
van de mens.”
757. Kan het tweegevecht als een geval van wettige zelfverdediging
beschouwd worden?
“Nee, het is moord; en een ongerijmde gewoonte, de barbaarse tijden
waardig. Bij meer gevorderde en meer zedelijke beschaving, zal de mens
inzien, dat het tweegevecht even belachelijk is als de gevechten die men vroeger
als een Godsgericht beschouwde.”
758. Kan van de zijde van hem, die zijn eigene zwakheid
kennende, bijna zeker is het slachtoffer te zullen worden, het tweegevecht als
een moord beschouwd worden?
“Het is zelfmoord.”
- En als de kansen gelijk staan, is het dan moord of zelfmoord?
“Beiden.”
In alle gevallen zelf bij die waar de kansen gelijk staan is de duellist misdadig; ten eerste omdat hij in koelen bloede en met voorbedachten rade naar het leven van zijn naasten staat, en ten anderen omdat hij zonder nut en zonder voordeel voor wie dan ook, zijn leven in de waagschaal stelt.
759. Welke waarde moet men hechten aan hetgeen men in zake van
tweegevecht, punt van eer noemt?
“Hoogmoed en ijdelheid: twee plagen van het mensdom,”
- Maar
zijn er dan geen gevallen, waarbij wezenlijk onze eer gemoeid is, en te
weigeren lafhartigheid zou zijn?
“Dit hangt van de zeden en gebruiken af; ieder land en iedere eeuw
heeft daaromtrent een andere zienswijze; wanneer de mensen beter en meer zedelijk
gevorderd zullen zijn, zullen zij inzien dat het ware eergevoel boven de aardse
driften verheven is, en dat men niet door een ander te doden of zichzelf te
doen doden, een gepleegd onrecht herstelt.”
Het is grootmoediger en wezenlijk eervoller, als men ongelijk heeft, zijn schuld te erkennen; en om in elk geval zich de beledigingen, waarboven men verheven is, niet aan te trekken.
760. Zal de doodstraf uit de menselijke wetten verdwijnen?
“De doodstraf zal zonder de minste twijfel verdwijnen en haar
afschaffing zal een tijdperk van vooruitgang van het mensdom aantonen. Wanneer
de mensen meer verlicht zullen zijn, zal de doodstraf over de ganse aarde
geheel afgeschaft worden; de mensen zullen niet meer door mensen gevonnist
behoeven te worden. Ik spreek van een tijd, die nog vrij ver van u verwijderd
is.”
De maatschappelijke vooruitgang laat ongetwijfeld nog veel te wensen over, maar men zou onrechtvaardig jegens de hedendaagse maatschappij zijn, indien men in de beperking van de toepassing van de doodstraf, en van de misdaden waartegen dezelve wordt uitgesproken, bij de meest beschaafde volken ingevoerd, niet een vooruitgang zag. Wanneer men bij dezelfde volken de waarborgen, waarmede de Wet zich beijvert de beklaagde te omringen, en de menslievendheid, waarmede zij hem behandelt, zelfs wanneer hij schuldig verklaard wordt, vergelijkt bij hetgeen men deed in tijden die nog niet ver verwijderd zijn, dan kan men de vooruitgaande beweging van het mensdom niet loochenen.
761. De wet van instandhouding geeft de mens het recht om zijn
eigen leven te beschermen; is het niet van dat recht gebruik maken, als hij een
gevaarlijk lid van de maatschappij afsnijdt?
“Hij bezit andere middelen om zich voor gevaar te behoeden. Men
moet de misdadiger altijd de gelegenheid tot berouw laten en die niet voor hem
afsluiten.”
762. Indien de doodstraf bij de beschaafde maatschappijen kan
afgeschaft worden, is zij dan toch in minder gevorderde tijden niet een
noodzakelijkheid geweest?
“Noodzakelijkheid is het woord niet; de mens gelooft altijd dat
iets noodzakelijk is, als hij niets vindt dat beter is; naarmate hij verlichter
wordt, ziet hij beter in, wat recht of onrecht is, en schaft hij de misbruiken
af, die in tijden van onwetendheid in naam van de gerechtigheid gepleegd worden.”
763. Is de beperking van de gevallen waarbij de doodstraf
toegepast wordt een teken van vooruitgang van de beschaving?
“Zoudt gij daaraan twijfelen? Komt uw geest niet in opstand als
gij die verhalen leest van de slachting, die men vroeger en in naam van de
gerechtigheid en dikwijls ter ere van God onder de mensen aanrichtte; van die
pijnigingen, die men de veroordeelden en zelfs de beschuldigden deed ondergaan,
om hen door de hevigheid van de smarten, de bekentenis van ene misdaad, die zij
dikwijls niet gepleegd hadden af te persen? Welnu, indien gij in dien tijd
geleefd had, zoudt gij dit alles zeer natuurlijk gevonden hebben, en gij zoudt,
rechter geweest zijnde, hetzelfde gedaan hebben. Zo gebeurt het, dat iets wat
op een tijd als rechtvaardig beschouwd werd, op een anderen barbaars
gevonden wordt. Alleen de goddelijke wetten zijn eeuwig; de menselijke
veranderen met de vooruitgang; zij zullen nog meer veranderen, totdat zij in
harmonie met de Goddelijke gebracht zullen zijn.”
764. Jezus heeft gezegd: Die met het zwaard doodt, zal door
het zwaard vergaan, zijn deze woorden niet de wettiging van het recht van
wedervergelding, en is de dood, die men de moordenaar doet ondergaan, niet de
toepassing van de straf?
“Vergis u niet, gij hebt de woorden, evenals die over
zovele andere dingen, verkeerd begrepen. De straf van de wedervergelding
is Gods gerechtigheid; Hij is het, die haar oplegt. Gij allen ondergaat ieder
ogenblik die straf, want gij wordt door datgene, waardoor gij gezondigd hebt,
in dit of in een ander leven, gestraft; hij, die zijn medemensen zal
hebben doen lijden, zal in een toestand geplaatst worden, waarin hij alles
zal te verduren hebben wat hij anderen heeft doen ondergaan, dat is de zin
van de woorden van Jezus; maar heeft hij u ook niet gezegd: Vergeeft aan uwe
vijanden, en heeft hij u niet geleerd om God te bidden om u uwe overtredingen
te vergeven, zoals gij anderen vergeven zult hebben? Begrijpt dat goed.”
765. Wat moet men denken over de doodstraf, die in de naam van
God wordt opgelegd?
“Het is Gods plaats in de Gerechtigheid innemen. Zij, die zo handelen,
bewijzen daardoor hoe ver zij er nog van af zijn God te begrijpen. De doodstraf
is een gruweldaad als die in de naam van God wordt opgelegd, en zij, die haar
toepassen, zullen daarmede als met een moord belast worden.”