Zevende Hoofdstuk.
Wet van de Samenleving.
Noodzakelijkheid van het maatschappelijk leven. Leven van
afzondering. Gelofte van stilzwijgendheid. Familiebanden.
Noodzakelijkheid
van het maatschappelijk leven.
766. Is het maatschappelijk leven in de natuur?
“Zeker; God heeft de mens geschapen om in gemeenschap te leven.
God heeft niet voor niets aan de mens de spraak en de andere vermogens,
die voor het maatschappelijke leven nodig zijn, geschonken.”
767. Is de algehele afzondering, met de wet van de natuur in
strijd?
“Ja, aangezien de mensen uit natuurdrift de gezelligheid zoeken,
en zij allen door wederkerige hulp tot de vooruitgang moeten medewerken.”
768. Gehoorzaamt de mens door de gezelligheid te zoeken, alleen
aan een persoonlijk gevoel of is er aan dat gevoel een meer algemeen voorzienig
doel verbonden?
“De mens moet voorwaarts streven; hij kan dat niet alleen doen,
omdat hij niet alle vermogens in zich verenigt; hij moet zich in betrekking met
andere mensen stellen. Door afzondering verdierlijkt en verwelkt hij.”
Niemand bezit alle vermogens; door vereniging in maatschappijen wordt hetgeen aan de een ontbreekt door de andere aangevuld, ten einde zodoende voor allen welzijn te bevorderen en vooruit te komen, daarom is het, dat de een de ander nodig hebbende, zij geschapen zijn om gezellig en niet om in afzondering te kunnen leven.
Leven van afzondering.
Gelofte van stilzwijgendheid.
769. Men kan als algemeen beginsel zeer goed begrijpen dat het
gezellig leven in de natuur is; maar daar alle smaken eveneens in de natuur
zijn waarom zou dan die van afzondering, afkeuring verdienen, als de mens
er genoegen in vindt?
“Genoegen van de egoïst. Er zijn ook mensen, die er genoegen in
scheppen om zich te bedrinken; keurt gij dit goed? Een leven, waarbij men
zichzelf veroordeelt om voor niemand van nut te zijn, kan aan God niet
welgevallig zijn.”
770. Hoe moet men de mensen beschouwen die in volstrekte
afzondering leven om de verderfelijke aanraking van de wereld te ontvlieden?
“Dubbel egoïsme.”
- Maar indien die afzondering door de oplegging van een
moeilijke onthouding, een boetedoening tot doel heeft, is zij dan niet
verdienstelijk?
“Meer goed te doen, dan men kwaad gedaan heeft, is de beste boetedoening.
Door het één kwaad te willen vermijden, vervalt hij in een ander; daar hij
de wet van liefde en weldadigheid vergeet.”
771. Hoe moet men hen beschouwen, die de wereld ontvlieden om
zich aan de ondersteuning van ongelukkige te wijden?
“Door zich te vernederen, verheffen dezen zich. Zij hebben de dubbele
verdienste van zich boven de stoffelijke genietingen te verheffen, en door opvolging van de
wet van de arbeid, goed te doen.”
- En zij, die in de afzondering, de stilte zoeken, die voor
sommige arbeid nodige is?
“Dit is niet de absolute afzondering van de egoïst; zij zonderen
zich niet van de maatschappij af, daar zij voor haar arbeiden.”
772. Wat te denken van de gelofte van stilzwijgendheid, welke
door enige sekten, reeds in de vroegste tijden voor geschreven werd?
“Vraag liever uzelf af, of de spraak in de natuur is, en waartoe God die gegeven
heeft. God veroordeelt het misbruik, en niet het gebruik van de vermogens,
die hij geschonken heeft. Stilzwijgendheid is evenwel nuttig; want in de stille
afzondering overdenkt gij, wordt uw geest vrijer, en kan dan met ons in gemeenschap komen; maar gelofte van
stilzwijgendheid is een dwaasheid. Waarschijnlijk hebben degenen, die deze
vrijwillige ontberingen als deugden beschouwen, een goed doel voor ogen, maar
zij vergissen zich, doordien zij Gods wezenlijke wetten niet genoegzaam kennen.”
De gelofte van algehele stilzwijgendheid, evenals van afzondering, berooft de mens van die gezellige omgang, waardoor hij in de gelegenheid kan gesteld worden, goed te doen en de wet van vooruitgang op te volgen.
773. Waarom herkennen, bij de dieren, de ouders en de kinderen
elkaar niet meer, zodra de laatste geen verzorging meer nodig hebben?
“De dieren leven alleen het stoffelijke en niet het zedelijke
leven. De liefde van de moeder voor haar jongen heeft het instinkt van
instandhouding van de wezens, die zij het leven geschonken heeft, tot beginsel;
als deze voor zichzelf kunnen zorgen, is haar taak volbracht, de natuur vergt
niets meer van haar; daarom verlaat zij hen om zich weder met de nieuw aangekomene
bezig te houden.”
774. Er zijn mensen, die, uit het verlaten van de jongen door hun
ouders, opmaken, dat bij de mens de banden van bloedverwantschap slechts het
gevolg van de maatschappelijke zeden en niet een wet van de natuur zijn, wat
moeten wij daarvan denken?
“De mens heeft een andere bestemming dan het dier; waarom wilt
gij hem altijd daarmede gelijk stellen? Bij hem bestaan er andere dan alleen
stoffelijke behoeften; voor hem bestaat de noodzakelijkheid van vooruitgang;
de maatschappelijke banden zijn voor die vooruitgang nodig, en de banden van
het gezin versterken de maatschappelijke; daarom zijn familiebanden een wet
van de natuur. God heeft gewild dat de mensen op die wijze zouden leren elkaar
lief te hebben als broeders.” (Zie 205)
775. Wat zou het gevolg voor de maatschappij zijn, indien de
familiebanden losser werden?
“Toename van het egoïsme.”