Achtste Hoofdstuk.
Wet van de Vooruitgang.
Natuurstaat. Loop van de vooruitgang. Ontaarde volken. Beschaving.
Vooruitgang van de menselijke wetgeving. Invloed van het spiritisme op de
vooruitgang.
776. Is de natuurstaat en de wet van de natuur hetzelfde?
“Nee, de natuurstaat is de primitieve staat. Beschaving is met
de natuurstaat onverenigbaar, terwijl de wet van de natuur tot de vooruitgang
van het mensdom medewerkt.”
De natuurstaat is de kindsheid van het mensdom en het aanvangspunt van zijn intellectuele en zedelijke ontwikkeling. De mens voor volmaking vatbaar zijnde, en de kiem van zijn volmaking in zichzelf bezittende, is niet bestemd om ten eeuwigen dage in de natuurstaat te blijven leven, evenmin als hij bestemd is om altijd in de kindsheid te blijven; de natuurstaat is een staat van overgang waaruit de mens door vooruitgang en beschaving geraakt. De wet van de natuur daarentegen beheerst het gehele mensdom, en de mens wordt beter, naarmate hij die wet beter begrijpt en opvolgt.
777. De mens in de natuurstaat, minder behoeften gevoelende,
ondervindt niet al de wederwaardigheden, die hij zichzelf in meer gevorderde
staat op de hals haalt, hoe moeten wij het gevoelen beschouwen van hen, die
dezen staat als die van het volmaaktste geluk op aarde beschouwen?
“Wat zal ik u zeggen! Het is het geluk van het redeloze dier; er
zijn mensen, die geen ander geluk begrijpen Het is gelukkig zijn, zoals de dieren dat
zijn. Ook de kinderen zijn gelukkiger dan de volwassenen.”
778. Kan de mens tot de natuurstaat terugkeren?
“Nee, de mens moet altijd voorwaarts gaan, en kan niet tot de
kindsheid terugkeren. Indien hij vorderingen maakt is het, omdat God het wil;
te geloven dat hij tot zijn oorspronkelijke staat zou kunnen terugkeren, zou de
wet van de vooruitgang loochenen zijn.”
779. Put de mensen uit zichzelf de steeds vooruitgaande kracht,
of is de vooruitgang slechts het product van onderwijs?
“De mens ontwikkelt zichzelf op een natuurlijke wijze; maar allen
gaan niet tegelijk, noch op dezelfde wijze vooruit; het is dan dat de meer
gevorderden de anderen, door de aanraking in het maatschappelijke leven, in
hun vooruitgang te hulp komen.”
780. Volgt de zedelijke verbetering altijd
op de intellectuele ontwikkeling?
“Zij is er het gevolg van, maar volgt er niet altijd onmiddellijk
op.” (Zie 192
en 365)
- Hoe
kan de intellectuele ontwikkeling tot zedelijke verbetering leiden?
“Door te doen begrijpen wat goed en wat kwaad is: de mens is dan
in staat een keuze te doen. De ontwikkeling van de vrij wil volgt op die van
de intelligentie en op de vermeerderde verantwoordelijkheid voor alle daden.”
- Hoe komt het dan, dat de meest verlichte volken dikwijls de meest
verdorven zijn?
“Volmaakte vooruitgang is het doel, naar de volken bereiken die
evenals de individuen, slechts voet voor voet. Zij kunnen zelfs, zolang de
zedelijke zin niet bij hen ontwikkeld is, hun intelligentie aanwenden om het
kwade te doen. De zedelijkheid en de intelligentie zijn twee krachten, die eerst
mettertijd, met elkaar in evenwicht komen.”
781. Is het de mens gegeven de loop van de vooruitgang te stuiten?
“Nee, maar wel om die soms belemmeringen in de weg te leggen.”
- Wat moeten wij van hen denken, die trachten de vooruitgang te
belemmeren en het mensdom achteruit te doen gaan?
“Arme wezens, welke God straffen zal; zij zullen door de stroom,
die zij tegen willen houden, omvergeworpen worden.”
Daar vooruitgang tot het wezen van de menselijke natuur behoort, zo is niemand in staat die te stuiten. Het is een levende kracht, welke door slechte wetten wel belemmerd maar niet vernietigd kan worden. Wanneer die wetten, met de vooruitgang niet meer gelijk tred houden, verbrijzelt zij deze met al degenen, die ze in stand trachten te houden, en zo zal het zijn, totdat de mens zijn wetten in overeenstemming met de Goddelijke rechtvaardigheid gebracht zal hebben, die het goede voor allen, maar geen wetten wil, die in het belang van de sterken, ten nadeel van de zwakken gemaakt zijn.
782. Zijn er niet mensen, die ter goedertrouw de vooruitgang
tegenwerken, terwijl zij geloven die te bevorderen, omdat zij de vooruitgang
alleen uit hun oogpunt beschouwen, en die dikwijls, waar hij niet is, vermenen
te zien?
“Kleine steen onder het rad van een zwaar voertuig gelegd, die
het niet zal beletten vooruit te gaan.”
783. Volgt de volmaking van de mensheid altijd een langzaam
vooruitgaande beweging?
“Er vindt geregelde en langzame vooruitgang als een gevolg van
de drang van de omstandigheden plaats; maar als een volk niet spoedig genoeg
vorderingen maakt, doet God van tijd tot tijd een fysische of zedelijke schok
ontstaan, waardoor het vervormd wordt.”
De mens kan niet eeuwig onwetend blijven omdat hij het einddoel,
door de Voorzienigheid bepaald, moet bereiken: hij wordt door de drang van
de omstandigheden verlicht. De zedelijke zowel als de maatschappelijke omwentelingen,
dringen langzamerhand in de denkbeelden door; zij kiemen gedurende eeuwen,
om eensklaps los te breken en het vermolmde gebouw van het verleden, dat niet
meer in overeenstemming met de nieuwe behoeften en verwachtingen is, te doen
instorten.
De mens ziet dikwijls in die omwentelingen alleen de tijdelijke
wanorde en verwarring, die zijn stoffelijke belangen treffen; hij, die zijn
gedachten boven de persoonlijkheid weet te verheffen bewondert Gods bestiering
die uit het kwaad, het goede doet voortkomen. Het zijn de stormen en de onweer,
die de lucht zuiveren na die eerst beroerd te hebben.
784. De verdorvenheid van de mens is zeer
groot, en schijnt het niet, tenminste uit het oogpunt van de zedelijkheid
beschouwd, als of hij meer achteruit dan vooruit gaat?
“Hierin bedriegt gij u; sla het geheel goed gade, en gij zult
ontwaren dat hij vooruit gaat, daar hij beter begrijpt wat kwaad is en
dagelijks misbruiken verbetert. Er moet overmaat van kwaad zijn, om de
noodzakelijkheid van het goede en van verbetering te kunnen doen inzien.”
785. Wat is de grootste hinderpaal voor de
vooruitgang?
“Hoogmoed en egoïsme; ik
spreek van de zedelijke vooruitgang, want de intellectuele ontwikkeling blijft
steeds voortgaan; op het eerste gezicht schijnt het zelfs dat zij, bij die
ondeugden,
een verdubbeling van bedrijvigheid doet ontstaan door de eer en geldzucht
te ontwikkelen, die op haar beurt de mens noopt nasporingen tot verlichting
van zijn geest in het werk te stellen. Zo is alles zowel in de zedelijke als
in de stoffelijke wereld aaneenverbonden, en kan zelfs uit het kwade, het
goede voorkomen; maar deze toestand zal slechts gedurende een tijd aanhouden,
en zal veranderen naarmate de mens beter zal begrijpen, dat er boven het genot
van de aardse goederen een oneindig groter en duurzamer geluk bestaat.” (Zie
Het
egoïsme, 12e.
hoofdstuk.)
Er bestaan twee soorten van vooruitgang, die elkaar wederkerig
steunen en toch geen gelijk tred houden, dit is de intellectuele en de zedelijke
vooruitgang. Bij de beschaafde volken ontvangt de eerste, in deze eeuw, alle
mogelijke aanmoediging; ook heeft zij eens tot voor de huidige dag ongekende
hoogte bereikt. Het is er verre vanaf dat de tweede op dezelfde hoogte staat,
en toch, als men de maatschappelijke zeden van enige eeuwen met elkaar vergelijkt,
zou men blind moeten zijn, indien men daarin de vooruitgang wilde loochenen.
Waarom zou er tussen de negentiende en de vierentwintigste eeuw niet even veel verschil kunnen bestaan als tussen de veertiende
en de negentiende? Dit in twijfel te trekken staat gelijk met te beweren dat
de mens thans de hoogste trap van volmaaktheid bereikt heeft hetgeen eens
ongerijmdheid is of dat hij voor geen zedelijke volmaking vatbaar is hetgeen
door de ondervinding wordt gelogenstraft.
786. De geschiedenis doet ons een menigte volken kennen die na
de schokken, die hen ten onderstboven gekeerd hebben, tot de staat van barbaarsheid
teruggekeerd zijn; waar is in dat geval de vooruitgang?
“Als uw huis dreigt ineenstorten, breekt gij het af om er een
sterker en gemakkelijker voor in de plaats te kunnen zetten; maar tot dat het
weder opgebouwd zal zijn, heerst er verwarring en onrust in uwe woning.
Begrijp ook dit nog: Gij waart arm en woondet in een vervallen
woning; gij wordt rijk en gij verlaat die woning om een paleis te betrekken.
Dan komt een arme drommel zoals gij zelve geweest zijt, uwe plaats in het krot
innemen, en Is er nog zeer tevreden mede, want voor die tijd had hij geen
onderkomen. Welnu! weet dan, dat de Geesten die bij dat ontaarde volk
geïncarneerd zijn, niet dezelfde zijn, waaruit het in de tijd van zijn luister
bestond; de Geesten van die tijd vorderingen gemaakt hebbende, zijn volmaakter
woningen gaan betrekken en zijn vooruitgegaan, terwijl andere minder
ontwikkelden hun plaats ingenomen hebben, die zij ook op hun beurt zullen
verlaten.”
787. Zijn er geen rassen, die uit hun aard aan de vooruitgang
weerspannig zijn?
“Ja, maar deze sterven dagelijks lichamelijk uit.”
- Welk zal het toekomstig lot zijn van de zielen die deze rassen
bezielen?
“Zij zullen evenals alle anderen, door andere levens te
doorlopen, de volmaaktheid bereiken. God onterft niemand.”
- Dus kunnen de beschaafdste mensen, wilden en menseneters
geweest zijn?
“Gij zelve zijt dit meer dan eens geweest, voor dat gij waart
wat gij nu zijt.”
788. Volken zijn collectieve individualiteiten, die evenals de
individuen zelf, de kindsheid, de rijpere leeftijd en de tijd van verval
doorlopen; kan deze waarheid, die door de geschiedenis bevestigd wordt, niet
tot de veronderstelling leiden, dat de in deze eeuw meest gevorderde natiën,
hun verval en hun einde, evenals de volken uit de oudheid, tegemoet gaan?
“De volken die alleen het leven van het lichaam leven, zij, bij
wie grootheid alleen op hun macht en uitgebreidheid van grondgebied gevestigd
is, ontstaan, groeien en sterven, omdat de kracht van een volk evenals die
van een mens uitgeput raakt; zij van wie baatzuchtige wetten met de vooruitgang
in verlichting en liefde in strijd zijn, sterven, omdat de verlichting de
duisternis, en de liefde het egoïsme doodt; maar evenals voor de individuen,
bestaat er voor de volken het zielenleven; zij van wie de wetten met de eeuwige
wetten van de Schepper harmoniëren, zullen leven, en zullen de fakkels voor
andere volken zijn.”
789. Zullen door de vooruitgang alle volken
van de aarde eenmaal tot een volk verenigd worden?
“Nee, niet tot één volk, dat is onmogelijk, want door het
verschil van klimaat ontstaat verschil in zeden en behoeften, waardoor de
verschillende nationaliteiten ontstaan; daarom zullen zij altijd wetten moeten
hebben die met hun zeden en behoeften in overeenstemming zijn; maar de liefde
kent geen luchtstreek en maakt geen onderscheid tussen de kleur van de mensen.
Als Gods wet overal de grondslag van de menselijke wet zal zijn, zullen de
volken de liefde jegens elkaar betrachten, zoals nu de individuen dit van mens
tot mens doen dan zullen zij gelukkig en in vrede leven, omdat niemand trachten
zal zijn naaste te benadelen noch te zijn koste te leven.”
Het mensdom gaat vooruit door de individuen, die langzamerhand
beter en verlichter worden; wanneer deze dan in de meerderheid zijn, verkrijgen
zij het overwicht en voeren de anderen met zich mede. Van tijd tot
tijd staan er dan eens onder hen mensen van genie op, die de vooruitgang een
stoot geven, dan eens mensen met gezag bekleed, werktuigen in Gods hand, die
het in weinige jaren vele eeuwen vooruit doen gaan.
De vooruitgang van de volken doet de rechtvaardigheid van de incarnatie
duidelijk uitkomen. De deugdzame stellen loffelijke pogingen in het werk om
een natie zedelijk en intellectueel vooruit te doen gaan; de verbeterde natie
zal zowel in dit als in een volgend leven gelukkiger zijn; goed, maar terwijl
die langzame tocht gedurende eeuwen wordt afgelegd, sterven er alle dagen
duizenden; wat is het lot van al diegenen, die op de reis sterven? Zal hun
betrekkelijke achterlijkheid hen van het geluk, dat voor de laatst aangekomen
bewaard gebleven is, beroven? Of zal hun geluk betrekkelijk zijn? De goddelijke
rechtvaardigheid kan zulke onrecht niet gedogen. Door het herhaaldelijk leven,
is de aanspraak op het geluk, voor allen dezelfde, want niemand is van de
vooruitgang uitgesloten; zij die in tijden van barbaarsheid geleefd hebben,
kunnen in de tijd van de beschaving bij hetzelfde of bij een ander volk terugkomen,
waarvan het gevolg is, dat allen door de vooruitgaande beweging gebaat worden.
Maar het systeem van eenmaal leven levert hier nog een ander bezwaar
op. Bij dat stelsel wordt de ziel op het ogenblik van de geboorte geschapen;
indien dus de ene mens meer gevorderd is dan de andere, komt dit, doordien
God voor die mens een meer gevorderde ziel geschapen heeft. Waarom dat voorrecht?
Welke verdienste heeft hij, die niet langer ja dikwijls korter dan een ander
geleefd heeft, om met eens voortreffelijke ziel begiftigd te worden? Maar
ook hierin bestaat het voornaamste bezwaar niet. Een volk gaat in duizend
jaar van de barbaarsheid tot de beschaving over. Indien de mensen duizend
jaren oud werden, zou men zich kunnen voorstellen dat zij in die tussentijd,
de tijd gehad hebben om vorderingen te maken; maar er sterven er alle dagen
in elken ouderdom; zij worden onophoudelijk aangevuld, zodat men er alle dagen
ziet verschijnen en heengaan. Na het einde van de duizend jaren, vindt men
geen spoor meer van de vroegere bewoners; de natie is van barbaars als zij
was, beschaafd geworden; wie is er nu vooruitgegaan? Zijn het de vroegere
barbaarse individuen? maar die zijn immers reeds lang dood; zijn het de nieuw
aangekomene? Maar indien hun ziel op het ogenblik van hun geboorte geschapen
is, dan bestonden die in de tijden van de barbaarsheid nog niet, en men zou
dan moeten aannemen, dat de poging, die men aanmoendt om een vlok te beschaven,
de macht hebben, niet om onvolmaakte zielen beter te maken, maar, om door
God volmaakter zielen te doen scheppen.
Laat ons deze theorie van de vooruitgang, met die welke de Geesten
gegeven hebben, vergelijken. De zielen, die gedurende de tijd van de beschaving
gekomen zijn, hebben evenals alle anderen hun kindsheid gehad, maar zij hebben
reeds geleefd, en zijn door vroeger verkregen vorderingen verbeterd ter wereld
gekomen; zij komen daartoe aangetrokken door een omgeving, voor welke zij
genegenheid voelen, en die met hun tegenwoordige staat overeenstemt zodat
de zorgen die men aan de beschaving van een volk besteedt, niet de uitwerking
hebben om voor de toekomst volmaakter zielen te doen scheppen, maar om degenen,
die reeds vorderingen gemaakt hebben, hetzij dat deze reeds bij datzelfde
volkin de tijd van zijn barbaarsheid geleefd hebben , hetzij dat zij van elders
komen, tot zich te trekken. Dit geeft ons ook nog de sleutel van de vooruitgang
van het gehele mensdom; als alle volken op dezelfde hoogte wat het gevoel
voor het goede aangaat zullen staan, dan zal de aarde de plaats van bijeenkomst,
alleen voor goede Geesten zijn, die met elkaar als broeders verenigde zullen
leven; en de slechten zich daar afgewezen en misplaats vindende, zullen op
mindere werelden de omgeving, die met hen overeenkomt gaan zoeken, tot dat
zij waardig zullen zijn om op onze vervormde wereld te komen. De gewone theorie
leidt ook nog tot deze gevolgtrekking, dat door de arbeid tot maatschappelijke
verbetering alleen de tegenwoordige en toekomstige geslachten bevoordeeld
worden , en dat hun uitwerking nul is voor de vroegere geslachten die het
gebrek gehad hebben te vroeg op de wereld te komen, en die beladen als zij
zijn met de barbaarse daden in de tijd van hun barbaarsheid gepleegd, dus
worden wat zij zullen kunnen. Volgens de leer van de Geesten, strekken latere
vorderingen ook ten voordeel van die geslachten die onder betere omstandigheden
herleven; en die zich dus in het brandpunt van de beschaving kunnen
volmaken. (Zie 222)
790. Is de beschaving een vooruitgang of volgens enige
wijsgeren, een teruggang van het mensdom?
“Onvolmaakte vooruitgang; de mens gaat niet op eenmaal van de kindsheid
tot de mannelijke leeftijd over.”
- Is het redelijk de beschaving te veroordelen?
“Veroordeel hen liever, die er misbruik van maken, en niet Gods
werk.”
791. Zal de beschaving zich eenmaal zodanig veredelen, dat
daardoor de gebreken, die zij heeft doen ontstaan, zullen verdwijnen?
“Ja, als de zedelijkheid even ontwikkeld zal zijn als het
verstand. De vrucht kan niet voor de bloem komen.”
792. Waarom brengt de beschaving niet onmiddellijk al het goede
tot stand, dat zij voort zou kunnen brengen?
“Omdat de mensen noch gereed noch bereid zijn die weldaad te
ontvangen.”
- Zou het ook niet zijn, omdat zij door het doen ontstaan van
nieuwe behoeften, ook te veel tot de bevrediging van nieuwe driften aanspoort?
“Ja, en doordien al de vermogens van de Geest niet tegelijk vorderingen
maken; voor alles is tijd nodig. Gij kunt geen volmaakte vruchten van een
onvolmaakte beschaving verwachten.” (Zie 751 en 780)
793. Aan welke tekenen kan men een volmaakte
beschaving herkennen?
“Gij zult die aan de zedelijke ontwikkeling herkennen. Gij beschouwt
uzelf als zeer ontwikkeld, omdat gij belangrijke ontdekkingen en bewonderenswaardige
uitvindingen gedaan hebt; omdat gij beter gehuisvest en beter gekleed zijt
dan de wilden, maar gij zult wezenlijk dan eerst het recht hebben u beschaafd
te noemen, als gij uit uwe maatschappij de ondeugden, door welke zij onteerd
wordt, gebannen zult hebben, en gij onder elkaar als broeders zult leven,
en de Christelijke liefde zult betrachten; voor die tijd zijt gij slechts
verlichte volken, die nog maar de eerste fase van de beschaving doorlopen
hebben.”
In de beschaving bestaan evenals in alle andere dingen trappen.
Een onvolmaakte beschaving is een staat van overgang, die bijzondere kwalen
doet ontstaan, die in de natuurstaat onbekend waren; maar desniettemin is het
toch een natuurlijke en noodzakelijke vooruitgang, die in zichzelf het
geneesmiddel voor de kwaal, die zij veroorzaakt heeft, medebrengt. Naar gelang
de beschaving toeneemt, doet zij enige van de kwalen, die zij heeft
doen ontstaan, ophouden, en die kwalen zullen met de zedelijke vooruitgang
allen een einde nemen.
Van twee volken, die de hoogste sport van de maatschappelijke
ladder bereikt hebben, kan datgene zich in de ware zin van het woord het meest
beschaafde noemen waarbij men het minste egoïsme, herkent en hoogmoed aantreft;
waarbij de gebruiken meer intellectueel en zedelijk, dan stoffelijk zijn;
waarbij de intelligentie zich met de meeste vrijheid kan ontwikkelen, waarbij
het meeste goedhartigheid, goede trouw, wederzijde welwillendheid en
edelmoedigheid bestaat; waar de vooroordelen van kaste en geboorte het minst
diep geworteld zijn, want die vooroordelen zijn onverenigbaar met de ware
liefde tot de naaste; waarbij de wetten geen voorrechten wettigen, en dezelfde
voor de geringste als voor de voornaamste zijn ; waarbij met de minste
partijdigheid recht gesproken wordt; waarbij de zwakke altijd steun tegen de
sterke vindt; waarbij het leven van de mens, zijn geloof en denkbeelden het
meeste geëerbiedigd worden; waarbij de minste ongelukkige gevonden worden, en
eindelijk het volk waarbij ieder gewillig mens verzekerd is, nimmer aan het
nodige gebrek te zullen lijden.
Vooruitgang van de
menselijke wetgeving.
794. Zou de maatschappij alleen door de wetten van de natuur, zonder
de hulp van menselijke wetten, geregeerd kunnen worden?
“Dit zou kunnen, indien men ze goed begreep, en zij zouden
voldoende zijn, indien de wil bestond om ze op te volgen maar de maatschappij
heeft hare eisen, en heeft bijzondere wetten nodig.”
795. Wat is de oorzaak van de onbestendigheid
van de menselijke wetten?
“In de tijden van barbaarsheid zijn het de sterkste geweest die
de wetten gemaakt hebben, en zij hebben die in hun voordeel gemaakt. Naarmate
de mensen beter de rechtvaardigheid zijn gaan begrijpen, heeft men ze wel
moeten wijzigen. De menselijke wetten worden bestendiger naar gelang zij meer
de ware rechtvaardigheid naderbij komen, dat wil zeggen, naarmate zij voor
allen gemaakt zijn en meer met de natuurlijke wetten overeenkomen.”
De beschaving heeft voor de mens nieuwe behoeften doen geboren worden, en die behoeften hangen van de maatschappelijke toestand, waarin hij zichzelf geplaatst heeft af. Hij heeft de rechten en plichten aan die toestand verbonden door menselijke wetten moeten regelen; maar onder de invloed van zijn hartstochten heeft hij dikwijls denkbeeldige rechten en plichten uitgedacht, die door de natuurlijke wet veroordeeld worden en die de volken naar gelang van hun vooruitgang uit hun wetgeving verwijderen. De natuurlijke Wet is onveranderlijk en voor allen dezelfde; de menselijke wet is veranderlijk en voor vooruitgang vatbaar; deze alleen heeft in de tijden van kindsheid van de maatschappij, het recht van de sterkten kunnen huldigen.
796. Is de gestrengheid van de strafwetten geen noodzakelijkheid
in de tegenwoordige staat van de maatschappij?
“Een bedorven maatschappij heeft zeker gestrenge wetten nodig;
maar ongelukkigerwijze beijvert men zich meer, door deze wetten het kwaad als
het gepleegd is, te straffen, dan de oorzaak van het kwaad weg te nemen.
Opvoeding alleen is in staat de mens te hervormen; dan zullen zij geen zo
strenge wetten meer nodig hebben.”
797. Hoe zal de mens er toe gebracht kunnen worden om zijn
wetten te hervormen?
“Dit gebeurt van zelf door de drang van de omstandigheden en door
de invloed van de deugdzame mensen, die hem op de weg der volmaking leiden.
Hij heeft er al vele verbeterd, en zal er nog vele verbeteren. Wacht slechts!”
Invloed van het
spiritisme op de vooruitgang.
798. Zal het spiritisme een algemeen geloof worden, of zal het
slechts het deel van enige mensen blijven?
“Zeker zal het een algemeen geloof worden, en het zal een nieuw
tijdvak in de geschiedenis van het mensdom openen, omdat het in de natuur is,
en dat de tijd gekomen is, dat het zijn plaats onder de menselijke
wetenschappen moet innemen; het zal evenwel een zware strijd, nog meer tegen
het eigenbelang dan tegen de overtuiging te voeren hebben, want men moet het
zich niet verbloemen, dat er mensen zijn die er belang bij hebben het te
bestrijden, de een uit eigenliefde, de andere om geheel stoflelijke redenen;
maar de bestrijders zich meer en meer geïsoleerd vindende, zullen wel gedrongen
worden, willen zij zich niet bespottelijk maken, om te denken, zoals alle mensen
denken.”
De denkbeelden veranderen eerst na verloop van een geruime tijd en nooit eensklaps; van geslacht tot geslacht worden zij zwakker en eindigen met langzamerhand geheel te verdwijnen met degenen, die ze voorstonden, welke door andere individuen worden vervangen , die van de nieuwe denkbeelden doordrongen zijn, evenals dit met de staatskundige denkbeelden het geval is. Zie het heidendom; zeker bestaat er nu geen mens meer die de godsdienstige begrippen van die tijd belijdt, evenwel hebben zij nog vele eeuwen na de komst van het Christendom sporen achtergelaten, welke alleen door de gehele vernieuwing van de rassen is kunnen uitgewist worden. Zo zal het ook met het spiritisme gaan; het maakt grote vorderingen, maar gedurende twee of drie geslachten zal er nog een zuurdesem van ongeloof blijven bestaan, die alleen door de tijd zal weggenomen kunnen worden. Zijn loop zal evenwel sneller dan die van het Christendom zijn, omdat het 't Christendom zelfs is, dat het de weg baant en waarop het steunt. Het Christendom moest afbreken, het spiritisme hoeft slecht verder op te bouwen.
799. Op welke wijze kan het spiritisme tot
vooruitgang medewerken?
“Door het materialisme, dat een van de gesels van de maatschappij
is, uitroeien, doet het de mensen inzien wat hun waar belang is. Het toekomende
leven niet meer door de sluier van de twijfel bedekt zijnde, zal de mens beter
begrijpen dat hij zijn toekomst door het tegenwoordige kan verzekeren. Door
de vooroordelen van sekten, kasten, of kleur uitroeien, leert het de mensen
de grote solidariteit kennen, die hen als broeders tezamen verenigen moet.”
800. Is het niet te vreezen dat het aan het spiritisme niet
mogelijk zal zijn over de onverschilligheid van de mensen en over hun
gehechtheid aan het stoffelijke, te zegevieren?
“Men zoude de mensen al zeer weinig moeten kennen als men dacht
dat zij door welke oorzaak dan ook, als door een toverslag zoude kunnen
vervormd worden. De denkbeelden worden langzamerhand naar gelang van de
individuen gewijzigd, en er moeten geslachten voorbijgaan om de sporen van oude
gebruiken geheel uitwissen. De vervorming kan dus niet anders dan langzamerhand
en trapsgewijze, en van de een op de andere plaats vinden; met elk geslacht
wordt een gedeelte van de sluier opgelicht; het spiritisme komt die geheel
verscheuren; maar indien dit intussen slechts bij een mens ten gevolge had, hem
van slechts een ondeugd te bevrijden, zou dit een stap zijn, die hem goed en
zelfs veel goed zou gedaan hebben, want die eerste schrede, zal de volgende voor
hem gemakkelijker maken.”
801. Waarom hebben de Geesten niet te allen tijde onderwezen,
wat zij nu onderwijzen?
“Gij leert niet aan kinderen wat gij aan volwassenen leert, en
gij geeft aan een pasgeboren kind geen voedsel dat voor hen onverteerbaar
is. Er is een tijd voor alles. Zij hebben vele dingen onderwezen, die de mensen
niet begrepen of wel vervalst hebben, maar die zij nu kunnen begrijpen. Door
hun, zelfs onvolmaakt onderwijs, hebben zij de grond bereid om het zaad te
ontvangen, dat heden ten dage vruchten zal voortbrengen.”
802. Aangezien het spiritisme een tijdperk van vooruitgang voor
het mensdom moet openen, waarom bespoedigen de Geesten die vooruitgang dan
niet, door zulke algemene en duidelijke manifestaties, dat het bij de meest
ongelovige overtuiging zou doen ontstaan?
“Gij verlangt wonderen; maar God strooit ze met kwistige hand voor
uwe voeten uit, en toch zijn er nog mensen, die Hem loochenen. Heeft zelfs
Christus zijn tijdgenoten door de wonderen, die hij gedaan heeft, kunnen overtuigen?
Ziet gij nog niet tegenwoordig mensen, die de duidelijkste feiten, die onder
hun ogen plaats vinden, ontkennen? Zijn er niet die zeggen dat zij niet zouden
geloven, al zagen zij het? Nee, het is niet door wonderen dat God de mensen,
terug wil brengen; Hij wil in zijn goedertierenheid aan hen de verdienste
laten, zich door de rede te doen overtuigen.”