Negende Hoofdstuk.

 

Wet van Gelijkheid.

 

 

Natuurlijke gelijkheid. Ongelijkheid van aanleg. Maatschappelijke ongelijkheid. Ongelijkheid van de rijkdommen. Beproevingen door rijkdom en door gebrek. Gelijkheid van de rechten van man en vrouw. Gelijkheid voor het graf.

 

 

Natuurlijke gelijkheid.

 

 

803. Zijn alle mensen voor God gelijk?

“Ja, allen trachten naar hetzelfde doel, en God heeft zijn wetten voor alle mensen gemaakt. Gij zegt dikwijls: de zon schijnt voor allen, en dan uit gij een grotere en een meer algemene waarheid, dan gij wel denkt.”

 

 

Alle mensen zijn aan dezelfde natuurwetten onderworpen; allen worden even zwak geboren, zijn aan dezelfde smarten onderhevig, en het lichaam van de rijke vergaat even goed als dat van de arme. God heeft dus aan niemand, noch door geboorte, nog door de dood enige natuurlijke meerderheid geschonken: voor Hem zijn allen gelijk.

 

 

Ongelijkheid van aanleg.

 

 

804. Waarom heeft God niet aan alle mensen dezelfde aanleg gegeven?

"God heeft alle Geesten gelijk geschapen, maar, ieder van hen heeft langer of korter geleefd, en heeft daardoor meer of minder opgedaan, het onderscheid is gelegen in het verschil van hun ondervinding en in hun wil, die de vrije wil is: daardoor volmaken zich de enen sneller, waardoor zij verschillenden aanleg verkrijgen. De verscheidenheid in de aanleg is noodzakelijk, opdat iedereen tot de vervulling van Gods inzichten, binnen de grens van ontwikkeling van zijn fysische en intellectuele krachten zou kunnen medewerken; wat de een niet doet, doet de andere; en op die wijze vervult iedereen een nuttige rol. Daarbij, alle werelden voor elkaar solidair zijnde, moeten de bewoners van de verschillende werelden, die merendeels voor de uwe geschapen zijn, wel daarop hun verblijf komen houden om u tot voorbeeld te kunnen strekken.” (Zie 361)

 

805. Behoudt de Geest, van ene verhevene op een mindere wereld overgaande, zijn aanleg onverminderd?

“Ja, dit hebben wij reeds gezegd, de Geest, welke vorderingen gemaakt heeft, valt niet meer terug; hij kan als Geest een meer belemmerend omhulsel, of een meer afhankelijke betrekking dan die welke hij bekleed heeft, uitkiezen, maar alles dient om hem tot lering te strekken en hem te helpen vooruitgaan.” (Zie 180)

 

 

Dientengevolge hangt het verschil in aanleg hij de mensen niet van de intieme natuur van zijn schepping af, maar van de graad van volmaaktheid, die de in hem geïncarneerde Geest bereikt heeft. God heeft dus niet de ongelijkheid in de aanleg geschapen, maar Hij heeft het toegestaan, dat de verschillende trappen van ontwikkeling met elkaar in aanraking zouden komen, opdat de meest gevorderden de meest achterlijken in hun vooruitgang zouden kunnen behulpzaam zijn, en ook opdat de mensen, elkaar nodig hebbende de wet van liefde, die hem allen moet verenigen, zouden begrijpen.

 

 

Maatschappelijke ongelijkheid.

 

 

806. Is de ongelijkheid in de maatschappelijke standen een wet van de natuur?

“Nee, zij is het werk van de mens en niet van God.”

- Zal deze ongelijkheid eens ophouden?

“Gods wetten alleen, zijn eeuwig. Ziet gij die ongelijkheid niet met de dag verminderen? Zij zal met de heersenden invloed van de boogmoed en van het egoïsme verdwijnen; en niets dan de ongelijkheid in verdienste zal blijven bestaan.

Er zal een dag komen, waarop de leden van het grote gezin van Gods kinderen, elkaar niet meer zullen beschouwen als van meer of minder edel bloed; de Geest alleen is meer of minder rein, en dit hangt niet van de stand in de maatschappij af.”

 

807. Wat moet men denken van hen, die misbruik van hun stand in de maatschappij maken, om de zwakken tot eigen voordeel te verdrukken?

“Deze verdienen dat het anathema over hen uitgesproken wordt. Wee dezulken! zij zullen op hun beurt onderdrukt worden, en zullen in een leven wedergeboren worden, waarin zij alles zullen te verduren hebben, wat zij anderen hebben doen ondergaan.” (Zie 684)

 

 

Ongelijkheid van de rijkdommen.

 

 

808. Vindt de ongelijkheid van de rijkdommen niet haar oorsprong in de ongelijkheid van vermogens, waardoor de een meer dan de andere in de gelegenheid gesteld wordt om die te verkrijgen?

“Ja en nee; en list en diefstal hoe denkt gij daarover?”

- De erfelijke rijkdom is toch niet de vrucht van slechte hartstochten?

“Wat weet gij daarvan? klimt tot de bron op, en dan zult gij kunnen zien of die altijd zuiver is. Weet gij het, of het bij de aanvang niet de vruchten van spoliatie of onrechtvaardigheid zijn geweest? maar om niet van de oorsprong, die slecht kan zijn, te spreken, gelooft gij dat de begeerte naar rijkdom, zelfs naar die, welke op de beste wijze wordt verkregen, de geheime begeerte, die in u opkomt om die, spoediger te bezitten, een loffelijke gedachte is? Het is die waarnaar God oordeelt, en ik geef u de verzekering dat zijn oordeel strenger is, dan dat van de mensen.”

 

809. Als een fortuin op onbehoorlijke wijze verkregen is, zijn dan degenen, die het later erven, daarvoor verantwoordelijk?

“Zij zijn zonder twijfel niet verantwoordelijk voor het kwaad dat anderen hebben kunnen plegen, des te minder omdat het mogelijk is dat dit hun onbekend is; maar weet wel, dat dikwijls aan iemand een fortuin te beurt valt, alleen om hem in de gelegenheid te stellen een onrechtvaardigheid te herstellen. Gelukkig voor hem, als hij dit begrijpt! indien hij dit uit naam van dengenen die de onrechtvaardigheid gepleegd heeft, doet, zal het heiden toegerekend worden, want het is dikwijls de laatste die ertoe aanspoort.”

 

810. Men kan zonder de wet te schenden, op een meer of minder rechtvaardige wijze over zijn fortuin beschikken. Is men na zijn dood voor de beschikkingen die men gemaakt heeft, verantwoordelijk?

“Elke daad brengt haar vruchten voort; de vruchten van de goede daden zijn zoet; die van de andere altijd wrang, altijd, onthoudt dat goed.”

 

811. Is de gelijkheid in rijkdom mogelijk, en heeft die ooit bestaan?

“Nee, zij is niet mogelijk. Het wordt door verschil in vermogens en karakter belet.”

- Er zijn toch mensen, die geloven dat daarin het geneesmiddel voor de kwalen van de maatschappij te vinden is; welke is daaromtrent uwe gedachte?

“Het zijn stelselzuchtige of naijverig en eerzuchtige mensen; zij begrijpen niet dat de gelijkheid, waarvan zij dromen, weldra door de drang van de omstandigheden zou verbroken zijn. Bestrijdt het egoïsme, dat is de maatschappelijke kwaal, en jaag geen hersenschimmen na.”

 

812. Indien de gelijkheid in rijkdom niet mogelijk is, is het dan evenzo het geval met de welvaart?

“Nee, maar welvaart is betrekkelijk, en iedereen zoude dit kunnen genieten, als men elkaar maar goed verstond... want het ware welzijn bestaat daarin, dat men zijn tijd naar goeddunken en niet aan een arbeid, waarvoor men niet de minste lust voelt, kan besteden; en daar ieder mens een andere aanleg heeft, zoude er geen een nuttig werk zijn, dat onuitgevoerd zou blijven. Het evenwicht bestaat in alles, maar het is de mens, die het zoekt te verstoren.”

- Is het mogelijk om elkaar daaromtrent goed te verstaan?

“De mensen zullen elkaar verstaan, zodra zij de wet van rechtvaardigheid zullen opvolgen.”

 

813. Er zijn mensen, die door eigen schuld tot verval en gebrek raken; daarvoor kan de maatschappij toch niet verantwoordelijk zijn?

“Ja wel, wij hebben dit reeds gezegd, zij is dikwijls de eerste oorzaak van die kwalen; en bovendien, is zij niet verplicht voor hun zedelijke opleiding te zorgen? Het is dikwijls de slechte opvoeding, die hun oordeel bedorven heeft in plaats van bij hen de slechte neigingen uitroeien.” (Zie 685)

 

 

Beproevingen door rijkdom en door gebrek.

 

 

814. Waarom heeft God aan sommigen, rijkdom en macht, en aan anderen gebrek gegeven?

“Om ze beiden, op verschillende wijze te beproeven. Gij weet het bovendien, dat de Geesten zelf hun beproevingen gekozen hebben, en er dikwijls onder bezwijken.”

 

815. Welke van die twee beproevingen is het meest voor de mens te duchten, die door het ongeluk of door de rijkdom?

“De ene is zulks zowel als de andere. Door gebrek wordt men tot morren tegen de Voorzienigheid opgewekt; de rijkdom zet ons tot het bedrijven van allerlei buitensporigheden aan.”

 

816. Indien de rijke meer verleiding ondervindt, bezit hij dan daarentegen niet meer middelen om goed te doen?

“Dit is juist hetgeen wat hij niet altijd doet; hij wordt baatzuchtig, hoogmoedig en onverzadelijk; zijn behoeften nemen met zijn fortuin toe, en hij vermeent nooit genoeg voor hem alleen te hebben.”

 

 

De verheffing in deze wereld; en de macht over zijn natuurgenoten zijn beproevingen die even groot en even gevaarlijk zijn als het ongeluk; want hoe rijker en machtiger men is, des te meer verplichtingen men te vervullen heeft en des te groter de middelend zijn om goed of kwaad te doen. God beproeft de arme door gelatenheid, en de rijke door,het gebruik dat hij van zijn bezittingen en macht maakt.

Rijkdom en macht doen alle hartstochten geboren worden, die ons aan de stof doen hechten en die ons van de geestelijke volmaaktheid verwijderen; het is daarom dat Jezus gezegd heeft: "in waarheid zegge ik u, dat het lichter is dat een kemel ga door het oog van een naald, dan dat een rijke inga in het Koningrijk Gods." (Zie 266)

        

 

Gelijkheid van de rechten van man en vrouw.

 

 

817. Zijn man en vrouw voor God gelijk, en hebben zij dezelfde rechten?

“Heeft God niet aan beide de kennis van goed en kwaad en het vermogen om vorderingen te maken, geschonken?”

 

818. Wat is de oorzaak van de zedelijke minderheid van de vrouw in sommige landen?

“De onrechtvaardige en wrede heerschappij, welke de man zich over haar, aangematigd heeft. Het is een gevolg van de maatschappelijke instellingen en van het misbruik maken van de kracht over de zwakheid. Bij de, uit het zedelijke oogpunt beschouwd, weinig ontwikkelde mensen, is kracht, recht.”

 

819. Met welk doel is de vrouw lichamelijk zwakker dan de man?

“Als een aanwijzing dat aan haar een bijzondere werkkring is opgedragen. De man, als zijnde de sterkste is voor zware, de vrouw voor meer lichter arbeid bestemd; en beiden om bij het doorstaan van de beproevingen, die een leven vol bezwaren oplevert, elkaar te helpen.”

 

820. Plaatst de fysieke zwakheid van de vrouw haar niet op een natuurlijke wijze onder de afhankelijkheid van de man?

“God heeft aan de een de kracht geschonken om de zwakke te beschermen, en niet om haar onder het juk te brengen.”

 

 

God heeft het organisme van ieder wezen ingericht naar de verrichtingen die zij geroepen zijn te volbrengen. Zo Hij aan de vrouw minder fysische kracht schonk, zo heeft Hij haar tevens een grotere mate van gevoel geschonken, evenredig aan de tederheid van de moederlijke verrichtingen en aan de zwakheid van de wezens, die aan hare zorg zijn toevertrouwd.

 

 

821. Zijn de verrichtingen, voor welke de vrouw door de natuur bestemd is, van even groot belang als die, welke het deel van de man zijn?

“Ja, en groter; zij toch is het, die het eerste begrip van het leven schenkt.”

 

822. Daar de mensen allen voor Gods wet gelijk zijn, moeten zij dit dan ook niet voor de mensen zijn?

“Het is het hoofdbeginsel van de rechtvaardigheid: Doe niet aan anderen, wat gij niet zoudt willen dat anderen u deden.”

- Volgens dit, moet een wetgeving om rechtvaardig te zijn, de gelijkheid van rechten voor de man en de vrouw huldigen?

“Rechten, ja; verrichtingen, nee; ieder moet zijn eigen plaats innemen; laat de man zich met de belangen buiten, de vrouw met die in huis, ieder overeenkomstig hun aanleg, onledig houden. De menselijke wet, moet om rechtvaardig te zijn, de gelijkheid van de rechten van de man en van de vrouw huldigen; ieder voorrecht aan de ene of aan de andere toegekend is strijdig met de rechtvaardigheid. De emancipatie van de vrouw volgt op de vooruitgang in beschaving; hare verdrukking houdt gelijken tred met de barbaarsheid. Buitendien bestaan de geslachten slechts door het fysisch organisme; want de Geesten kunnen zowel het ene als het andere aannemen, in dat opzicht bestaat er tussen hen geen verschil, en dientengevolge moeten zij dezelfde rechten hebben.”

 

 

Gelijkheid voor het graf.

 

 

823. Van waar komt de zucht om zijn nagedachtenis door gedenktekenen te vereeuwigen?

“Laatste bedrijf van de hoogmoed.”

- Maar is de pracht van de graftomben niet dikwijls meer het werk van de nabestaanden, die de gedachtenis van de overledene in ere willen houden, dan die van de overledene zelf?

“Hoogmoed van de nabestaanden, die zich zelf een eerzuil willen oprichten. 0! zeker, het is niet altijd voor de overledene dat al die demonstraties geschieden; het is uit eigenliefde en voor de wereld, en om met zijn rijkdommen te pronken. Gelooft gij, dat de gedachtenis van een geliefd wezen, in het hart van de arme minder duurzaam is, omdat deze slechts een bloem op zijn graf kan planten? Gelooft gij dat het marmer hen, die op aarde onnut geweest zijn, aan de vergetelheid ontrukt?”

 

824. Keurt gij bepaald alle pracht bij begrafenissen af?

“Nee; wanneer het is om de nagedachtenis van een deugdzaam mens te vereren, dan is het rechtmatig en een goed voorbeeld tot navolging.”

 

 

Het graf is de verzamelplaats voor alle mensen; daar houden zonder genade alle menselijke onderscheidingen op. Vruchteloos wil de rijke zijn nagedachtenis door prachtige monumenten vereeuwigen: de tijd zal die evenals het lichaam vernietigen; zo wil het de natuur. De gedachtenis van zijn goede en slechte daden zal minder vergankelijk zijn dan zijn graftombe; de pracht bij zijn begrafenis tentoon gespreid, zal hem niet van zijn schanddaden schoonwassen, en zal hem niet een trede in de hiërarchie van de geesten doen opklimmen. (Zie 320 en volg.)

(vorige)						(volgende)