Tiende Hoofdstuk.
Wet van de Vrijheid.
Natuurlijke vrijheid. Slavernij. Vrijheid van denken. Vrijheid
van geweten. Vrije wil. Noodlot. Kennis van de toekomst. Theoretisch overzicht
van de drijfveren van de menselijke handelingen.
825. Bestaat er een betrekking in de wereld, waarin de mens zich
vleien kan geheel vrij te zijn?
“Nee, want gij hebt allen elkaar nodig, zowel kleinen als
groten.”
826. In welke betrekking zou de mens algehele vrijheid kunnen
genieten?
“Als kluizenaar in een woestijn. Zodra er twee mensen
bij elkaar zijn, hebben zij rechten te eerbiedigen, en zijn dientengevolge
niet meer geheel vrij.”
827. Ontneemt de verplichting om de rechten van anderen te eerbiedigen
aan de mens het recht om zichzelf toebehoren?
“In geen deel, want het is een recht hem door de natuur
geschonken.”
828. Hoe kunnen wij de vrijzinnige zienswijze van sommige mensen
overeenbrengen met de dwingelandij die zij dikwijls zelf, in hun eigen huis
en over hunne ondergeschikten uitoefenen?
“Zij begrijpen de natuurlijke wet, maar deze wordt door
de hoogmoed en baatzucht opgewogen; als hunne beginselen geen
berekend komediespel is, begrijpen zij hoe het wezen moet, maar zij doen het
niet.”
- Zullen in het andere leven, de beginselen die zij hier beleden
hebben, hen toegerekend worden?
“Hoe meer verstand men bezit om een beginsel te begrijpen, des
te minder verschoonbaar is men als men dat zelf niet toepast. In waarheid
zeg ik u, dat de eenvoudige maar oprechte mens, verder op Gods weg gevorderd
is, dan hij, die datgene wat hij niet is, schijnen wil.”
829. Zijn er mensen, die door da natuur aangewezen zijn om het
eigendom van andere mensen te zijn?
“Alle absolute afhankelijkheid van de ene mens van een ander
mens is strijdig met Gods Wet. De slavernij is een misbruik van de kracht; zij
verdwijnt met de vooruitgang, zoals langzamerhand alle misbruiken verdwijnen
zullen.”
De menselijke wet die de slavernij huldigt is een wet tegen de natuur, daar zij de mens met het redeloze dier gelijk stelt en hem zedelijk en lichamelijk vernedert.
830. Wanneer de slavernij tot de zeden van een volk behoort, zijn
dan degenen, die er gebruik van maken, berispelijk, daar zij toch slechts
een gewoonte, die hen natuurlijk toeschijnt opvolgen?
“Kwaad blijft altijd kwaad, en alle uwe drogredenen zullen niet
instaat zijn een slechte daad tot een goede te verheffen; maar de
verantwoordelijkheid voor het kwaad is evenredig aan de middelen, die men bezit
om het te kunnen begrijpen, Hij, die zichzelf door middel van de wetten op de
slavernij, bevoordeelt, maakt zich altijd aan een verkrachting van de wet van
de natuur schuldig, maar in deze, evenals in alles, is de grootte van de schuld
betrekkelijk. De slavernij in de zeden van sommige volken burgerrecht verkregen
hebbende, heeft de mens er ter goeder trouw, als van iets dat hem natuurlijk
toescheen, gebruik van kunnen maken maar zodra zijn meer ontwikkeld, en vooral
door het licht van het Christen, meer verlicht verstand, hem in de slaaf zijn
gelijke voor God heeft leren kennen , kan hij geen verontschuldiging meer
aanvoeren.”
831. Plaatst de ongelijkheid in de vermogens, zekere mensenrassen
niet onder de afhankelijkheid van de meer intelligente rassen?
“Ja, om die opbeuren, maar niet om ze door slavernij nog meer te
doen verdierlijken. Al te lang hebben de mensen zekere rassen als werkdieren
met armen en handen, beschouwd; die zij zich gerechtigd achtten evenals de
lastdieren te verkopen. Zij vermenen van edeler bloed te zijn; dwazen, die
alleen de stof zien! Het is niet het bloed, dat meer of minder zuiver is,
maar wel de Geest.” (Zie 361 en 803)
832. Er zijn mensen, die hunne slaven met menselijkheid behandelen,
die het hen aan niets doen ontbreken, en die geloven dat de vrijheid hen aan
meer ontberingen zoude blootstellen, hoe denkt gij daarover?
“Ik zeg dat deze beter hun eigen belang begrijpen; zij dragen
ook goed zorg voor hunne ossen en paarden, teneinde er op de markt meer winst
van te trekken. Zij zijn niet zo schuldig als degenen die ze mishandelen, maar
door hen het recht om zichzelf toebehoren te ontroven, beschikken zij er niet
te min over, als over een koopwaar.”
833. Bestaat er iets in de mens, dat aan alle dwang ontsnapt, en
waardoor hij een absolute vrijheid geniet?
“In zijn gedachte geniet de mens een onbeperkte vrijheid want
zij kent geen banden. Men kan er de vlucht van tegengaan, maar niet
vernietigen.”
834. Is de mens voor zijn gedachten verantwoordelijk?
“Hij is daarvoor voor God verantwoordelijk: God alleen die
kennende, veroordeelt hem of spreekt hem vrij, volgens zijne rechtvaardigheid.”
835. Is de vrijheid van geweten een gevolg van de vrijheid van
denken?
“Het geweten is een innige gedachte, die evenals alle andere
gedachte aan de mens toebehoort.”
836. Heeft de mens het recht de vrijheid van geweten aan banden
te leggen?
“Even min als de vrijheid van denken, want God alleen heeft het
recht om over het geweten te oordelen. Indien de mensen door hunne wetten, de
betrekkingen regelen die van mens tot mens bestaan, zo regelt God door de
wetten van de natuur de betrekkingen die tussen de mens en God bestaan.”
837. Welke zijn de gevolgen als men de vrijheid van geweten aan
banden legt?
“De mensen te dwingen anders te handelen dan zij denken, en er
dus huichelaars van maken. De gewetensvrijheid is een van de kenmerken van
de ware beschaving en vooruitgang.”
838. Is ieder geloof eerbiedwaardig, al ware het ook
klaarblijkelijk vals?
“Elk geloof is eerbiedwaardig, als het oprecht is, en tot betrachting
van het goede leidt; het geloof is laakbaar, als het tot kwaaddoen leidt.”
839. Is het berispelijk als men andersdenkenden ten opzichte van
hun geloof reden tot ergernis geeft?
“Het is gebrek aan Christelijke liefde, en zijne vrijheid van
denken aanranden.”
840. Randt men de gewetensvrijheid aan als men een geloof, dat
de rust van de maatschappij kan verstoren, beletselen in de weg legt?
“Men kan wel de daden bedwingen, maar het innerlijke geloof is
ongenaakbaar.”
Als de uiterlijke handelingen van een geloof een nadeel van
welke aard ook aan anderen berokkenen, dan is het tegengaan van deze handelingen
geen aanslag op de vrijheid van geweten, want het laat het geloof in het volle
bezit van zijne vrijheid.
841. Moet men uit eerbied voor de gewetensvrijheid toelaten dat
verderfelijke leerstellingen verspreid worden, of mag men, zonder die vrijheid
aanranden, trachten hen, die door deze verkeerde beginselen afgedwaald zijn,
op de weg van de waarheid terug te brengen?
“Zeker, niet alleen mag men dat doen, maar men is er ook verplicht;
maar onderwijs, naar het voorbeeld van Jezus, door zachtheid en overreding,
en niet door geweld, want dit zoude erger wezen dan het geloof van hen
die men zou willen overtuigen. Indien er iets bestaat dat men iemand mag opleggen,
dan is het zeker het goede en de broederlijke liefde, maar wij geloven niet
dat het middel om deze ingang te doen vinden, is, met geweld te handelen:
de overtuiging laat zich niet opdringen.”
842. Alle godsdiensten matigen zich aan, de enige uitdrukking van
de waarheid te zijn; aan welke tekenen kunnen wij dan die Godsdienst herkennen,
die het recht heeft zich als zodanig voor te stellen?
“Dit zal die godsdienst zijn, die de meeste brave mensen en de
minste huichelaars vormt; dat wil zeggen, die de wet van de liefde in hare
grootste reinheid en ruimste zin toepast. Aan dit teken zult gij herkennen dat
ene leer goed is, want elke leer, die het zaaien van onenigheid en het stellen
van afscheidingen tussen Gods kinderen onderling ten gevolge heeft, kan niet
anders dan vals en verderfelijk zijn.”
843. Heeft de mens een vrije wil in zijne handelingen?
“Daar hij vrijheid om te
denken bezit, zo bezit hij ook die om te handelen. Zonder vrije wil zou de
mens een werktuig zijn.”
844. Is de mens vanaf zijn geboorte in het genot van de vrije
wil?
Er bestaat vrijheid van handelen, zodra de wil om te handelen
aanwezig is. In de eerste tijd van het leven is de vrijheid bijna nul; zij
ontwikkelt zich en verandert van voorwerp met de vermogens. De gedachten van
het kind in verband met de behoefte van zijn leeftijd zijnde, oefent hij zijn
vrije wil uit op de dingen, die hij nodig heeft.”
845. Is de instinctmatige aanleg, welke de mens bij zijn
geboorte meebrengt, geen beletsel voor de uitoefening van de vrijen wil?
“De instinctmatige aanleg, is die, welke de Geest voor zijn incarnatie
bezat; naarmate hij meer of minder gevorderd is, kan deze hem tot laakbare
handelingen aanzetten, en hierin zal hij door de Geesten, welke niet deze
aanleg sympathiseren bijgestaan worden; maar er bestaat geen onweerstaanbare
wegslepende kracht voor hem, die de wil bezit om wederstand te bieden. Herinner
u, dat willen kunnen is.” (Zie 361)
846. Heeft het organisme geen invloed op de handelingen van het
leven, en zo het invloed uitoefent, geschiedt dit dan ten koste van de vrijen
wil?
“De Geest wordt zeker door de stof, welke hem in zijne uitingen
kan belemmeren, geďnfluenceerd, dat is de rede, dat zich de vermogens meer
vrij ontwikkelen op de werelden, waar de lichamen minder stoffelijk dan op
aarde zijn, maar het is niet het werktuig, dat de vermogens geeft. Men moet
bovendien in dezen, de zedelijke van de intellectuele vermogens onderscheiden;
indien een man het instinkt tot moord bezit, dan is het zeker zijn eigen Geest,
maar niet zijne organen, die dat instinkt bezitten en het hem mededelen. Degene,
die zijn denkvermogen opheft, om zich alleen met het stoffelijke bezig te
houden, wordt aan het redeloze vee gelijk, en nog erger, want hij denkt er
niet meer aan om zich tegen het kwaad te wapenen, en daar hij dit uit eigen
vrijen wil doet, ligt daarin zijn tekortkoming.”
(Zie 367 en volgende - Invloed van het
organisme).
847. Ontneemt de afdwaling van het verstand aan de mens zijn
vrije wil?
“Hij wiens verstand door de een of andere oorzaak geschokt is,
is geen meester meer van zijne gedachten, en bezit van dat ogenblik af geen
vrijheid meer. Deze afdwaling van het verstand is dikwijls een straf voor
de Geest, welke in een ander leven ijdel en hoogmoedig kan geweest zijn en
een slecht gebruik van zijne vermogens kan gemaakt hebben. Hij kan in het
lichaam van een idioot herleven zoals de despoot in dat van een slaaf, de
slechte rijke in dat van een bedelaar herleven kan; maar door die dwang, waarvan
hij ten volle bewust is, lijdt de Geest, dit is de werking van de stof.”
(Zie 371
en volgende.)
848. Is de afdwaling van de intellectuele vermogens door
dronkenschap, een verontschuldiging voor laakbare handelingen?
“Nee, want de dronkaard heeft zich vrijwillig van zijn verstand
beroofd om zijne vuige lusten bot te vieren; in plaats van een, begaat hij twee
misslagen.”
849. Wat is bij den mens in de wilde staat, het meest overheersende
vermogen: het instinkt of de vrije wil?
“Het instinkt; hetgeen hem evenwel niet belet om in enige dingen
met algehele vrijheid te handelen; maar evenals een kind, gebruikt hij die
vrijheid tot bevrediging van zijne behoeften, en zij ontwikkelt zich met de
intelligentie; bijgevolg, zijt gij, die meer verlicht zijt dan een wilde,
meer dan een wilde, voor hetgeen gij doet verantwoordelijk.”
850. Zijn de maatschappelijke betrekkingen soms niet een
hinderpaal voor de volkomen vrijheid van handelen?
“De wereld heeft gewis hare eisen; God is rechtvaardig; Hij neemt
alles in aanmerking, maar laat de verantwoordelijkheid van de weinige pogingen,
die gij aanwendt om de beletselen te overwinnen, op u rusten.”
Noodlot.
851. Bestaat er een noodlot voor de gebeurtenissen van het
leven, in de zin, die men aan dat woord hecht; dat wil zeggen, zijn alle
gebeurtenissen vooraf bepaald, en zo ja wat wordt er dan van de vrijen wil?
“Het noodlot bestaat alleen daarin, dat de Geest bij zijne incarnatie
het ondergaan van deze of gene beproeving zelf heeft uitgekozen; door die
te kiezen, schept hij zich een zekere toekomst, die het gevolg van de toestand
zelf is, waarin hij geplaatst wordt; ik spreek van de fysische beproevingen,
want wat de zedelijke beproevingen en verleidingen betreft, blijft de Geest,
zijn vrije wil van goed en kwaad behoudende, altijd meester om toe te geven
of tegenstand te bieden. Een goede Geest kan wanneer hij hem ziet verflauwen,
te hulp komen, maar kan niet zodanige invloed op hen uitoefenen, dat hij zich
van zijn wil zou kunnen meester maken. Een slechte, dat wil zeggen, mindere
Geest, kan, door hem een natuurlijk gevaar aanwijzen en dit te overdrijven,
hem aan het wankelen brengen en schrik aanjagen; maar de wil van de geďncarneerde
Geest blijft desniettemin vrij van alle banden.”
852. Er zijn mensen, die het noodlot wat zij ook doen mogen,
schijnt te vervolgen; ligt ongelukkig te zijn niet in hunne bestemming?
“Het zijn misschien beproevingen, die zij moeten ondergaan, en
die zij uitgekozen hebben: maar ik herhaal, gij stelt op rekening van het
noodlot wat dikwijls niet anders dan de gevolgen van uwe eigen misslagen zijn.
Tracht, dat bij de rampen, die gij ondergaan moet, uw geweten zuiver blijven,
en gij zult reeds half getroost zijn.”
853. Sommige mensen ontsnappen niet aan een dodelijk gevaar dan
om in een ander te vervallen; het schijnt alsof zij de dood niet konden
ontlopen. Is dit geen noodlot?
“Noodlot bestaat in de ware zin van het woord alleen voor het ogenblik
van de dood; als dat ogenblik daar is, hetzij door welk middel ook, dan kunt
gij er u niet aan onttrekken.”
- Dus, welk gevaar ons ook moge bedreigen, zullen wij niet
sterven als ons uur nog niet geslagen is?
“Nee, gij zult niet sterven en hiervan zijn u duizenden voorbeelden
bekend; maar als uw uur van vertrek geslagen is, dan kan niets u daarvan
onttrekken. God weet vooruit, door welk soort van dood gij van hier zult gaan,
en dikwerf weet uwe Geest het ook want dit wordt hem geopenbaard als hij
het ene of het andere leven uitkiest.”
854. Volgt er uit de zekerheid van het stervensuur niet voort,
dat alle voorzorgen, die men neemt om de dood te ontgaan, nutteloos zijn?
“Nee, want de voorzorgen, die gij neemt, worden u ingegeven met
het doel om de dood, die u bedreigt, afwenden; zij zijn een van de middelen
door welke belet wordt dat hij plaats vindt.”
855. Welke is het doel
van de Voorzienigheid, wanneer zij ons gevaren doet ondervinden, welke geen
gevolgen moeten hebben?
“Wanneer uw leven in gevaar gebracht wordt, is dit een waarschuwing,
die gij zelf verlangd hebt, om u van het kwaad af te brengen en u beter te
maken. Als gij aan dat gevaar ontsnapt, denkt gij, nog onder de indruk van
het gevaar dat gij gelopen hebt, al narmate de meerdere of mindere invloed,
die goede Geesten op u uitoefenen, er meer of minder ernstig aan, om beter
te worden. De slechte geest (ik zeg slechte, daarmede het kwaad, dat nog in
hem is, bedoelende), mengt er zich in, en gij gelooft dat gij even goed aan
andere gevaren zult ontsnappen, en gij geeft wederom aan uwe driften de vrije
teugel. Door de gevaren, welke gij loopt, herinnert God u aan uwe zwakheid
en aan de broosheid Van het leven. Indien men de oorzaak en de aard van het
gevaar onderzoekt,
zal men meestal inzien, dat de gevolgen een straf voor een begane misslag
of voor een verzuimde plicht zoude geweest zijn. God waarschuwt u op
die wijze om in uzelf te keren en u te verbeteren.” (Zie 526
en 532)
856. Weet de Geest vooruit, door welke soort van dood bij
bezwijken zal?
“Hij weet dat de aard van het leven, dat hij uitgekozen heeft,
hem blootstelt om eerder op deze dan op gene wijze om te komen; maar hij kent
tevens de worstelingen, die hij om de dood te ontwijken, zal moeten doorstaan,
en dat hij, als het Gods wil is, niet bezwijken zal.”
857. Er zijn mensen, die de gevaren van het oorlogsveld
trotseren met de overtuiging dat hun uur nog niet geslagen is, hoeft dit vertrouwen enige grond?
“Heel dikwijls heeft de mens een voorgevoel van zijn einde, zoals
hij ook een voorgevoel hebben kan, dat hij nog niet zal sterven. Dit voorgevoel
ontvangt hij door zijne Beschermgeesten, die hem willen waarschuwen om zich
tot vertrekken gereed te maken, of die zijnen moed aanwakkeren in ogenblikken,
waarin hij die het meeste nodig heeft. Dat vertrouwen kan hem ook geworden
door intuďtie van het bestaan, dat hij gekozen heeft, of van de zending, die hij op zich genomen heeft
en die hij weet dat hij vervullen moet.” (Zie 441
en 522)
858. Hoe komt het dat de mensen, die een voorgevoel van hun dood
hebben, er gewoonlijk minder dan anderen tegen opzien?
“Het is de mens en niet de Geest, die tegen de dood opziet; hij,
die een voorgevoel van zijn dood heeft denkt meer als Geest dan als mens: hij
begrijpt zijne verlossing, en wacht die af.”
859. Indien de dood, wanneer die plaatst moet vinden, riet
ontweken kan worden, is dit dan ook eveneens het geval met alle andere
ongelukken, die ons in de loop van het leven overkomen?
“Het zijn nog al dikwijls zulke kleine dingen, dat wij in staat
zijn er u voor te kunnen waarschuwen, en dikwijs door uwe gedachten te leiden u
dezelve kunnen doen ontwijken, want wij houden niet van materieel lijden; maar
dit is voor het leven dat gij gekozen hebt van weinig aanbelang. Het noodlot
bestaat wezenlijk alleen voor het uur, waarop gij hier beneden verschijnen en
weder vertrekken moet.”
- Zijn er dingen, die noodwendig gebeuren moeten en die door de
wil van de Geesten niet afgewend kunnen worden?
“Ja, maar toen gij Geest waart, hebt gij, toen gij uwe keus deed,
die vooruitgezien en er een voorgevoel van gehad. Geloof evenwel niet dat
al wat gebeurt, zoals men zegt: geschreven stond; een gebeurtenis is dikwijls
het gevolg van ene handeling, die gij uit eigen vrije wil bedreven
hebt, in de manier dat indien gij die handeling niet gedaan had, de gebeurtenis
niet zou plaats gevonden hebben. Als gij u de vinger brandt, dan is dat niets;
het is het gevolg van een onvoorzichtigheid en van de stof afhankelijk; alleen
zijn het, de grote lijden, de belangrijke gebeurtenissen en die welke op de
zedelijkheid invloed kunnen uitoefenen, die door God voorzien zijn, omdat
zij voor uwe veredeling en lering nuttig zijn.”
860. Kan de mens door zijn wil en door zijne handelingen maken
dat gebeurtenissen, die zouden hebben moeten gebeuren, niet plaats vinden
en omgekeerd?
“Hij kan dit, indien deze schijnbare afwijking, in het leven dat
hij zich uitgekozen heeft, een plaats kan vinden. Vervolgens kan hij om goed te
doen, zoals men moet en dat het enigste doel van het leven is, kwaad beletten,
vooral dat kwaad, dat tot nog grotere aanleiding zou kunnen geven.”
861. Weet de man, die een moord begaat, bij het uitkiezen van
zijn leven, dat hij een moordenaar worden zal?
“Nee; hij weet, een leven vol strijd kiezende, dat er kans voor
hem bestaat een van zijn natuurgenoten te doden, maar hij weet niet of hij
het doen zal, want er heeft bij hem voor het plegen van de misdaad meestal
nadenken plaats, en degene, die over iets nadenkt, behoudt altijd de vrijheid
het te doen of niet te doen. Indien de Geest vooraf wist dat hij als mens
een moord moet plegen, dan zou hij hiertoe voorbeschikt zijn. Weet, dat niemand
tot het plegen van een misdaad voorbeschikt is, en dat elke misdaad en elke
handeling welke ook, vrijwillig en uit eigen vrije wil gepleegd wordt.
Buitendien verwart gij altijd twee zeer verschillende dingen met
elkaar; de voorvallen van het materiële en de handelingen van het zedelijke
leven. Indien er somwijlen noodlot bestaat, dan is het voor die materiële
voorvallen, waarvan de oorzaken buiten u gelegen zijn, en die van uwe wil
onafhankelijk zijn. Wat de handelingen van het zedelijke leven aangaat, deze
komen altijd uit de mens zelf voort, die dus altijd de vrije keuze heeft;
voor die handelingen bestaat er dus nooit een noodlot.”
862. Er zijn mensen, aan wie niets gelukt, en die bij alles wat
zij ondernemen, door een kwade genius schijnen vervolgd te worden; kan men dat
niet noodlot noemen?
“Het is wel een noodlot, als gij er die naam aan geven wilt, maar
het is het gevolg van de aard van het leven, dat men uitgekozen heeft, omdat
die mensen door een leven vol teleurstellingen wilden beproefd worden, teneinde
zich in geduld en onderwerping te kunnen oefenen. Gelooft evenwel niet dat
het noodlottige absoluut is; het is dikwijls een gevolg van de verkeerde weg,
welke zij opgegaan zijn, en die niet aan hun aanleg noch verstand evenredig
was. Hij, die zonder te kunnen zwemmen, een rivier wil overzwemmen, loopt
grote kans van te zullen verdrinken; en zo is het met de meeste voorvallen
in het leven. Indien de mens niets anders, dan hetgeen met zijnen aanleg overeenkomt,
ondernam, zou hij bijna altijd slagen; maar wat hem in het verderf stort,
is zijn eigenliefde en zijn eerzucht, die hem zijn eigen weg doen verlaten
en hem de begeerte om zekere neigingen in te willigen als een roeping doet
beschouwen. Hij mislukt en het is zijn eigen schuld; maar in plaats van het
aan zichzelf te wijten vindt hij het gemakkelijker er zijn kwaad gesternte
mede te beschuldigen. Menigeen zoude een goede ambachtsman geweest zijn en
op eerlijke wijze zijn brood verdiend hebben, die een slecht dichter zal zijn
en van honger sterven zal. Er zoude voor iedereen plaats zijn, indien iedereen
de zijne wilde innemen.”
863. Leggen de maatschappelijke zeden iemand niet dikwijls de verplichting
op om liever de ene dan de andere weg op te gaan, en is hij in de keuze van
zijn werkkring niet aan het oordeel van de openbare mening onderworpen? Is
wat men vrees voor de wereld noemt, geen hinderpaal voor de uitoefening van
onze vrije wil?
“Het zijn de mensen, die de maatschappelijke zeden doen ontstaan
en niet God; indien zij er zich aan onderwerpen, is dit omdat die zeden hen
aanstaan, en dit is wederom een handeling van hun vrije wil, want indien zij
wilden, zouden zij er zich aan kunnen onttrekken; waarom beklagen zij er zich
dan over? Zij moesten niet de maatschappelijke zeden, maar wel hunne dwaze
eigenliefde beschuldigen, die hen doet verkiezen liever van honger te sterven
dan iets van hun aanzien opofferen. Niemand is hen voor dit offer aan de openbare
mening gebracht, erkentelijk, terwijl God hen de opoffering van hunne ijdelheid
zal toerekenen. Dat wil niet zeggen dat gij die openbare mening zonder noodzakelijkheid
moet trotseren, zoals vele mensen doen, die meer zonderlingen dan wijsgeren
zijn; het is even onverstandig zich als een vreemd dier met de vinger te doen
nawijzen, als dat het verstandig is om uit eigen wil en zonder morren afdalen,
als men zich boven op de ladder niet kan staande houden.”
864. Evenals er mensen zijn, die het noodlot altijd tegen is, zo
zijn er weer anderen, die bevoorrecht schijnen, want dezen gelukt alles; waar
ligt dit aan?
“Dikwijls daaraan, dat zij het beter weten aanleggen, maar het
kan evengoed een beproeving zijn; de voorspoed bedwelmt hen; zij rekenen op hun
geluk, en zij moeten dikwijls later diezelfde voorspoed door bittere
teleurstellingen boeten die zij door voorzichtig te handelen hadden kunnen
ontgaan.”
865. Welke verklaring kan men geven van het geluk dat sommige
mensen bij dingen hebben, waar noch wil noch intelligentie iets toe bij kunnen
dragen, bij voorbeeld bij het spel?
“Sommige Geesten hebben tevoren zeker soort van vermaak uitgekozen;
het geluk, dat hen gunstig is, is een verleiding. Hij die als mens wint, verliest
als Geest: Het is een beproeving voor zijn hoogmoed en hebzucht.”
866. Het noodlot, dat bij de materiële voorvallen van ons leven
schijnt voor te zitten, schijnt dus ook een gevolg van onzen vrije wil te zijn?
“Gij hebt zelf uwe beproeving uitgekozen; hoe zwaarder die is en
hoe beter gij die draagt, des te meer verheft gij u. Zij, die hun leven
in overvloed en menselijk geluk slijten, zijn lafhartige Geesten, die op dezelfde
hoogte blijven. 0ok is in de wereld het aantal ongelukkige veel groter dan
dat van de gelukkigen, omdat de meeste Geesten, die beproeving zoeken, welke voor
hen het meeste vruchten dragen zal. Zij zien te goed de nietigheid van uwe
grootheid en van uwe genietingen in. Buitendien is het gelukkigste leven toch
altijd onrustig, altijd vol stoornis: al ware het ook alleen door het nooit
geheel ontbreken van smarten.” (Zie 525 en volgende.)
867. Van waar is de uitdrukking: onder een goed gesternte
geboren zijn, afkomstig?
“Oud bijgeloof, dat het lot van ieder mens met de sterren in
verband waande; zinnebeeld, hetwelk enige mensen de dwaasheid hebben,
letterlijk opvatten.”
868. Kan de toekomst aan de mens geopenbaard worden?
“In beginsel is de toekomst voor hem verborgen, en het is
slechts in zeldzame gevallen en bij uitzondering, dat God er de openbaring van
toestaat.”
869. Met welk doel is de toekomst voor de mens verborgen?
“Indien de toekomst aan de mens bekend ware, zou hij het tegenwoordige
veronachtzamen, en zou hij niet met dezelfde vrijheid handelen, omdat hij
door de gedachte beheerst zou worden dat indien iets gebeuren moet, hij er
zich niet mede hoeft te bemoeien, of wel trachten zou tegen te werken. God
heeft niet gewild dat het zo zijn zoude, opdat iedereen tot de vervulling
van de dingen, zelfs van die waartegen hij zich zoude willen verzetten, zoude
medewerken; zo zijt gij het dikwijls, die zonder er bewust van te zijn, de
gebeurtenissen, die in uw leven zullen voorkomen, zelve voorbereidt.”
870. Indien het nuttig is dat de toekomst verborgen blijft,
waarom staat God er dan soms de openbaring van toe?
“Als deze vooraf verkregen kennis de vervulling van iets bevorderen
moet, instede van het tegen te werken, door aansporen anders te handelen dan
men zonder die wetenschap gedaan zou hebben. Buitendien is het ook dikwijls
een beproeving. Het vooruitzicht van een gebeurtenis kan meer of minder goede
denkbeelden doen ontstaan; indien bijvoorbeeld iemand moet
weten dat hij ene erfenis, waarop hij niet rekende, krijgen zal, zal hij er
toe kunnen komen om, gedreven door: hebzucht, door de blijdschap zijne wereldse
genietingen te vermeerderen, door de zucht om vroeger in het bezit er van
te komen, de dood van degene, die hem zijn vermogen moet nalaten, te wensen;
ofwel zal dit vooruitzicht bij hem goede denkbeelden en edelmoedige gevoelens
opwekken. Indien de voorzegging niet vervuld wordt, is dit weder een andere
beproeving: die van de wijze, waarop hij de teleurstelling zal dragen; maar
hij zal desniettemin de verdienste oogsten of de schuld dragen van de goede
of slechte gevoelens, die het geloof aan de vervulling van de gebeurtenis
bij hem heeft doen geboren worden.”
871. Daar God alles weet, zo weet Hij ook of een mens al dan
niet onder een beproeving moet bezwijken; waartoe dient dan die beproeving,
daar zij niets aan God kan doen kennen dat hij al niet reeds ten opzichte van
die mens wist?
“Men zoude met evenveel recht kunnen vragen: waarom God de mens
niet volmaakt en voltooid geschapen heeft, (zie 119)
waarom de mens de tijd van de kindsheid door moet lopen alvorens volwassen
te zijn (zie 379). De beproeving heeft niet ten doel God omtrent de verdiensten
van dien mens inlichten, want God weet volmaakt goed wat deze waard is, maar
om aan die mens de gehele verantwoordelijkheid van zijne daden te laten, daar
hij vrij is die al dan niet uitvoeren. De mens, de keus bezittende tussen
goed en kwaad, zo heeft de beproeving ten doel, hem tegen de verleiding van
het kwaad te doen kampen en hem zelf al de verdienste van zijnen tegenstand
toekennen; en alhoewel God zeer goed vooruit weet of hij al dan niet slagen
zal, kan Hij hem, in zijne rechtvaardigheid noch straffen noch belonen voor
een daad, die niet gepleegd is geworden.” (zie 258)
Hetzelfde heeft plaats bij de mensen. Hoe knap een aspirant ook
zijn moge hoe zeker men ook van zijn goed slagen moge wezen, verleent men
hem toch geen graad zonder een examen afgelegd te hebben; dat wil zeggen,
niet zonder beproeving te ondergaan; evenzo veroordeelt een rechter de beklaagde
alleen voor een gepleegde daad, en niet op het vooruitzicht dat hij de daad
kan of moet plegen.
Hoe meer men over de gevolgen, die er voor de mens uit de kennis
van de toekomst zoude voortvloeien, nadenkt, des te meer men inziet hoe wijs
de Voorzienigheid geweest is, die voor hem geheim te houden. De zekerheid
van ene gelukkige gebeurtenis zoude hem werkeloos die van een ongelukkige,
moedeloos maken; in beide gevallen zouden zijne krachten verlamd worden. Daarom
is de toekomst de mens alleen als een doel aangewezen, dat hij door inspanning
bereiken moet, doch zonder de proef te kennen, die hij zal moeten doorstaan,
om het te kunnen bereiken. De kennis van alle voorvallen die de weg zal opleveren,
zoude hem het initiatief en het gebruik van zijnen vrije wil ontnemen; hij
zon zich op het hellend vlak van de vooraf bepaalde gebeurtenissen laten meeslepen,
zonder van zijne eigen vermogens gebruik te maken. Als de vervulling van iets
zeker is, heeft men er geen zorg meer voor.
Theoretisch overzicht
van de drijfveren van de menselijke handelingen.
872. Het vraagstuk van de vrijen wil, kan als volgt samengevat
worden:
De mens wordt niet door het noodlot tot het kwade gedreven; de
daden die hij pleegt, stonden niet van tevoren “geschreven”; de misdaden, die
hij begaat, zijn niet het gevolg van een door het noodlot geveld vonnis. De
mens kan, als beproeving en als boetedoening een leven kiezen, waarin hij,
hetzij door de omgeving waarin hij geplaatst is, hetzij door bijkomende
omstandigheden aan de wegslepende kracht van de misdaad zal blootgesteld zijn,
maar hij blijft altijd vrij om te handelen of niet te handelen. Dus bestaat er
vrije wil bij hem, in de staat van Geest: in de keuze van het leven en van de
beproeving, en in de lichamelijke toestand: in het vermogen om aan de
verleiding, waaraan wij ons vrijwillig onderworpen hebben, toegeven of
weerstand te bieden. Het is de zaak van de opvoeding om die slechte neigingen
te bestrijden; zij zal dit met vrucht doen, als zij op de volledige studie van
de zedelijke natuur van de mens gegrond zal zijn. Door de kennis van de wetten,
door welke deze zedelijke natuur beheerst wordt, zal men erin slagen die te wijzigen,
zoals men het verstand door onderwijs en het gestel door gezondheidsmaatregelen
wijzigt.
De van de stof bevrijd en in de staat van omdoling verkerende Geest,
kiest zijne toekomstige lichamelijke levens, in overeenstemming met de graad
van volmaking die hij bereikt heeft, en hierin bestaat vooral, zoals wij reeds
gezegd hebben, zijne vrije wil. Die vrijheid wordt niet door de incarnatie
vernietigd; indien hij aan de invloed van de stof toegeeft, komt dit omdat
hij bezwijkt onder de beproevingen die hij zelf uitgekozen heeft, en het is
om hem behulpzaam te zijn om ze te boven te komen, dat hij de bijstand van
God en van de goede Geesten kan inroepen. (Zie 337).
Zonder vrije wil, pleegt de mens geen onrecht door kwaad, en
heeft geen verdienste door goed te doen; en dat wordt zo zeer erkend, dat men
in de wereld de goed of afkeuring, altijd van de bedoeling, dat wil zeggen van
de wil afhankelijk maakt; en daar, waar men van willen spreekt, spreekt men van
vrijheid.
De mens kan dus geen verschoning voor zijne wandaden in zijn organisme
zoeken, zonder afstand van zijn rede en van zijn staat van mens te doen en
zonder zich met het redeloze vee gelijk te stellen. Indien hij dat ten opzichte
van het kwaad kon doen, zou dit ook even eens voor het goede het geval zijn;
maar als de mens goed doet, zorgt hij wel dat men hem er de verdienste van
toekent, en wacht zich wel dat goede aan zijn organisme toeschrijven, hetgeen
een bewijs is dat hij (niettegenstaande het gevoelen van enige systematici)
instinctmatig, van het schoonste voorrecht van zijn geslacht: vrijheid van
denken, geen afstand doet.
Het noodlot zoals dit gewoonlijk bedoeld wordt, veronderstelt de
voorafgegane en onherroepelijke vaststelling van alle gebeurtenissen van het
leven, hoe belangrijk die ook zijn mogen. Indien de loop der dingen zo ware,
dan zou de mens een werktuig zonder wil zijn. Waartoe zou hem zijn verstand
dienen, daar hij altijd in alle zijne handelingen door de macht van het noodlot
zoude beheerst worden? Zodanige leer zoude, indien die waar was, de vernietiging
van alle zedelijke vrijheid zijn; er zou voor de mens geen verantwoordelijkheid
meer bestaan, en dientengevolge noch goed, noch kwaad, noch ondeugden, noch
deugden zijn. God, die de hoogste rechtvaardigheid is, zou zijne schepselen
niet kunnen straffen voor misslagen, welke het niet van hen had afgehangen
niet te plegen, noch ze kunnen belonen voor deugden, waarvan de verdienste
hen niet toekomt. Diergelijke wet zou buitendien de verloochening van de wet
van vooruitgang zijn, want de mens alles van het lot wachtende, zoude zelf
niets aanwenden om zijne toestand te verbeteren, daar dit er toch geen verandering
in zoude kunnen teweegbrengen.
Het noodlot is evenwel geen ijdel woord; het bestaat ten opzichte
van de stand, in welke de mens op aarde geplaatst is, en van de betrekking,
die hij er bekleed ten gevolge van het soort van bestaan, dat de Geest als
beproeving, boetedoening of zending, uitgekozen heeft; hij ondergaat
onvermijdelijk alle wederwaardigheden van dat leven en de invloed van alle
goede of kwade neigingen waartoe het aanleiding geeft; maar hier houdt het
noodlot op, want het hangt van zijne wil af om al dan niet die neigingen te
volgen. De bijzonderheden der gebeurtenissen zijn afhankelijk van omstandigheden,
die de mens zelve door zijne handelingen doet ontstaan en waarop de Geesten
door de gedachten, die zij hem ingeven, invloed kunnen uitoefenen. (Zie 459)
Het noodlot bestaat dus voor de gebeurtenissen die zich
voordoen, daar deze het gevolg zijn van de keuze van het leven, door de Geest
zelf gedaan; het is mogelijk dat het niet voor de gevolgen van die
gebeurtenissen bestaat, omdat het van de mens kan afhangen, er door beleid de
loop van te wijzigen; het bestaat nooit voor de handelingen van het
zedelijke leven.
Het is in de dood dat de mens op een absolute wijze aan de
onverbiddelijke wet van het noodlot onderworpen is; want hij kan niet aan het
vonnis, waarbij de duur van zijn leven bepaald is, noch aan de soort van dood,
die er een einde aan moet maken, ontkomen.
Volgens het algemeen heersende denkbeeld, zou de mens alle zijne
neigingen in zich zelf putten; zij zouden voortkomen hetzij uit zijn fysiek
organisme, waarvoor hij niet verantwoordelijk kan zijn, of uit zijne eigene
natuur, in welke hij in zijne eigene ogen ene verschoning kan zoeken, door
te zeggen dat het zijne schuld niet is dat hij zo geschapen is. De leer van
het spiritisme is blijkbaar zedelijker: zij neemt bij de mens de eigen vrijen
wil aan in zijn gehele omvang; en hem zeggende, dat hij kwaad doende, aan
een kwade ingeving toegeeft, laat zij hem er de gehele verantwoordelijkheid
van dragen, want zij kent hem de macht toe om er zich tegen te verzetten,
hetgeen klaarblijkelijk voor hem gemakkelijker is dan indien hij tegen zijne
eigene natuur te kampen had. Dus bestaat er volgens de leer van het spiritisme,
geen onweerstaanbare wegslepen: de mens kan altijd zijne oren sluiten voor
die geheimzinnige stem, die hem in zijn binnenste tot het kwaad aanzet, zoals
hij die voor de materiële stem van iemand, die spreekt, sluiten kan; hij kan
dit door zijn wil, als hij aan God daartoe de nodige kracht vraagt, en de
bijstand van de goede Geesten inroept. Dit leert Jezus ons in het verheven
gebed dat wij 't Gebed des Heren noemen, als hij ons doet zeggen: “Verlaat
ons niet in de verzoeking maar verlos ons van den boze”.
Deze theorie van de opwekkende oorzaak voor onze handelingen,
vloeit duidelijk uit het onderwijs van de Geesten voort; zij is niet alleen
verheven in zedelijkheid, maar wij voegen hierbij dat zij de mens in zijne
eigen ogen verheft; zij toont hem zijne vrijheid om een overheersend juk afwerpen,
gelijk hij vrij is om zijn huis voor onaangename mensen te sluiten; de mens
is niet meer een werktuig dat ten gevolge van een van zijn wil onafhankelijke
aandrift handelt, het is een redelijk wezen, dat luistert, beoordeelt, en
uit twee raadgevingen een keuze doet. Laat ons hier nog bijvoegen, dat niettegenstaande
dit alles, de mens zijn initiatief niet ontnomen wordt; hij handelt desniettemin
uit eigen beweging, daar hij ten slotte niets anders is dan een geďncarneerde
geest, die onder zijn lichamelijk omhulsel, de goede hoedanigheden en gebreken
behoudt die hij als Geest bezat. De misslagen, die wij begaan, vinden dus hun eerste oorsprong in de onvolmaaktheid
van onze eigen Geest, die de zedelijke verhevenheid, welke hij eens bereiken
zal, nog niet bereikt heeft; maar die daarom toch zijn eigen vrij wil bezit;
het lichamelijke leven wordt hem gegeven om zich door de beproevingen, die
hij erin ondergaat, van zijne onvolmaaktheden, te reinigen, en het zijn juist
die onvolmaaktheden welke hem zwakker en meer toegankelijk voor de inblazingen
van de andere onvolmaakte Geesten maken, die er gebruik van maken, om te trachten
hem in de strijd, die hij ondernomen heeft, te doen bezwijken. Als hij als
overwinnaar uit die strijd terugkeert, verheft hij zich; indien hij bezwijkt,
blijft hij wat hij was, niet slechter, niet beter; het is een beproeving die
herhaald moet worden, en op die wijze kan het lang duren. Hoe meer hij zich
loutert, des te meer zal zijn zwakke zijde verminderen, en des te minder zal
hij hen, die hem tot het kwaad willen overhalen, daartoe de gelegenheid geven;
zijne zedelijke kracht neemt naar gelang van zijne zedelijke verhevenheid
toe, en de slechte Geesten verwijderen zich van hem.
Al de meer of minder goede Geesten stellen tezamen, als zij geďncarneerd
zijn, het mensenras daar; en aangezien onze aarde een van de minst gevorderde
werelden is, bevinden er zich daar meer kwade dan goede Geesten. Laat ons
dus alles aanwenden om te maken dat wij er niet na dit verblijf op terugkomen,
en om waardig te worden op een betere wereld te gaan uitrusten, op ene van
die bevoorrechte werelden, waar onverdeeld het goede heerst, en op welke wij
ons onze doortocht hier beneden, slechts als een tijd van ballingschap zullen
herinneren.