Elfde Hoofdstuk.
Wet van Rechtvaardigheid,
Liefde en Weldadigheid.
Rechtvaardigheid en natuurlijke rechten. Recht van eigendom.
Diefstal. Weldadigheid en liefde tot de naaste. Moederliefde en kinderliefde.
Rechtvaardigheid en natuurlijke rechten.
873. Bestaat het gevoel van rechtvaardigheid in de natuur, of is
het een gevolg van aangeleerde denkbeelden?
“Het bestaat zozeer in de natuur, dat uw gevoel bij de gedachte
aan een onrechtvaardigheid in opstand raakt. Door zedelijke vooruitgang wordt
dit gevoel ontegenzeggelijk ontwikkeld, maar niet geschonken: God heeft het in
het mensen hart gegrift; en dit is de rede, waarom gij dikwijls bij eenvoudige
en onontwikkelde mensen juister denkbeelden omtrent rechtvaardigheid vindt, dan
bij hen, die zeer vele kundigheden bezitten.”
874. Indien rechtvaardigheid een wet van de natuur is, hoe komt
het dan, dat de mensen die wet op zulk een verschillende wijze begrijpen, en
dat de ene rechtvaardig vindt wat aan de andere als onrechtvaardig voorkomt?
“Dit komt, omdat er dikwijls hartstochten onder gemengd zijn,
die dit gevoel, evenals elk ander natuurlijk gevoel, doen ontaarden en de
dingen uit een verkeerd oogpunt doen beschouwen.”
875. Welke omschrijving kan men van de rechtvaardigheid geven?
“De rechtvaardigheid bestaat in het eerbiedigen van ieders
rechten”.
- Waardoor worden deze rechten bepaald?
“Door twee dingen: door de menselijke, en door de natuurlijke
wet. De mensen de wetten in overeenstemming met hunne zeden en met hun karakter
gemaakt hebbende, hebben bij deze wetten rechten vastgesteld, die bij de
vooruitgang in verlichting, hebben kunnen veranderen. Zie of uwe hedendaagse
wetten, zonder volmaakt te zijn, dezelfde rechten als in de middeleeuwen
huldigen; die verouderde rechten, die u monsterachtig voorkomen, vond men in
die tijd rechtvaardig en natuurlijk. Het recht door de mensen vastgesteld komt
dus niet altijd met de rechtvaardigheid overeen; door dit recht worden trouwens
alleen slechts enige maatschappelijke verhoudingen geregeld, terwijl er in het
bijzondere leven een menigte handelingen zijn, die alleen voor de rechtbank van
het geweten te recht staan.”
876. Op welke grondslag, behalve op het recht dat door de
menselijke wet gehuldigd wordt, steunt de rechtvaardigheid die op de
natuurlijke wet gegrond is?
“Christus heeft het u gezegd: voor de anderen willen, wat gij
voor uzelf wensen zoudt. God heeft in het mensen hart de regel van ware
rechtvaardigheid gegrift, door de wens die iedereen heeft, zijne rechten
geëerbiedigd te zien. In het onzekere wat hij jegens zijne gelijken onder
gegeven omstandigheden doen moet, moet de mens zichzelf afvragen, hoe hij zou
wensen dat anderen onder dezelfde omstandigheden met hem zouden handelen: God
kon hem geen zekerder leidsman dan zijn eigen geweten gegeven hebben.”
Het criterium van de ware rechtvaardigheid is inderdaad, datgene
voor anderen te willen, wat men voor zichzelf wensen zou, en niet om datgene
voor zich te willen, wat men voor anderen zou willen, hetgeen in het geheel
niet hetzelfde is. Daar het niet natuurlijk is zichzelf kwaad toewensen, zal
men, als men zijn persoonlijke wens voor type of als punt van uitgang neemt, er
zeker van zijn, nooit iets anders dan goed voor zijnen naasten te zullen
verlangen. Te allen tijde, en met elk geloof, heeft de mens er altijd naar
getracht, zijn persoonlijk recht boven te doen
drijven; het verhevene van Christelijke godsdienst is geweest het persoonlijke
recht tot maatstaf voor het recht van de naast gesteld te hebben.
877. Doet de noodzakelijkheid, waarin de mens zich bevindt om
een gezellig leven te leiden, voor hem bijzondere verplichtingen
ontstaan?
“Ja, en de eerste van allen is de rechten van zijne
natuurgenoten te eerbiedigen; hij, die deze rechten eerbiedigt zal altijd
rechtvaardig zijn. In uwe wereld, waar zo vele mensen gevonden worden, die de
wet van de rechtvaardigheid niet opvolgen, vergeldt ieder met gelijke munt, en
dat is de oorzaak van al de wanorde en onrust van uwe maatschappij. Het
maatschappelijk leven geeft wederkerige rechten, en legt wederkerige
verplichtingen op.”
878. De mens kan zich omtrent de uitgebreidheid van zijn rechten
een verkeerd denkbeeld vormen, wat kan hem daarvan de grens aanwijzen?
“De grens van het recht dat hij onder dezelfde omstandigheden,
aan een ander ten zijnen opzichte, en aan elkaar onderling zou toekennen.”
- Maar als iedereen voor zichzelf de rechten van zijne gelijken
eist, wat wordt er dan van de ondergeschiktheid jegens meerderen? Is dat niet
bandeloosheid tegenover alle gezag?
“De natuurlijke rechten zijn, voor alle mensen, van de kleinste
tot de grootste, dezelfde; God heeft de ene niet van een meer zuivere klei dan
de andere gevormd, en voor Hem zijn allen gelijk. Die rechten zijn eeuwig; die,
welke de mens gevestigd heeft, vergaan met de instellingen. Buitendien voelt
wel iedereen zijne kracht of zwakheid, en zal wel iedereen een soort van
inschikkelijkheid betonen voor hem, die zulks om zijne deugd en wijsheid
verdient. Het is van belang dit hier voorop te stellen, opdat zij, die zich
boven anderen verheven achten, hunne plichten, waardoor zij die
inschikkelijkheid waardig kunnen worden, mogen leren kennen. Als het gezag aan
de wijsheid gegeven zal worden, zal de ondergeschiktheid er niet door in gevaar
gebracht worden.”
879. Wat zou het karakter wezen van de mens, die de
rechtvaardigheid in haar gehele reinheid betrachte ?
“Die Van de waarachtig rechtvaardige, naar het voorbeeld van
Jezus, want hij zou ook de liefde tot de naaste en de liefdadigheid,
zonder welke er geen ware rechtvaardigheid bestaat, uitoefenen.”
880. Welke is de eerste van alle natuurlijke rechten voor de
mens?
“Te leven; daarom heeft niemand het recht het op het leven van
zijn gelijke aanleggen, noch iets te doen, waardoor zijn lichamelijk bestaan in
gevaar gebracht kan worden.”
881. Geeft het recht om te leven, ook het recht aan de mens om
zoveel te vergaren dat men, niet meer werken kunnende, genoeg heeft om van te
leven en te kunnen rusten?
“Ja, maar hij moet dit doen zoals de bijen, in het gezin en door
een eerlijke arbeid en niet door als een egoïst opstapelen. Zelfs enige dieren
geven hem het voorbeeld van voorzorg.”
882. Heeft de mens het recht om datgene, wat hij door zijne
arbeid opgegaard heeft, te verdedigen?
“Heeft God niet gezegd: Gij zult niet stelen; en heeft Jezus
niet gezegd: Men moet aan de keizer geven wat van de Keizer is?”
Wat de mens door eerlijk arbeid vergaart, wordt een rechtmatig
eigendom, dat hij het recht heeft te verdedigen, want eigendom, dat de vrucht
van arbeid is, is een natuurlijk recht, evenzo heilig als dat om te arbeiden en
te leven.
883. Is de begeerte om te bezitten in de natuur?
“Ja, maar als het voor zichzelf alleen is en om zijne eigene
lusten te bevredigen, is het egoïsme.
- Is evenwel de begeerte om te bezitten niet rechtmatig, daar
degene, die het nodige heeft om van te leven, niemand tot last is?
“Er zijn mensen, die onverzadelijk zijn en die zonder nut voor
wie dan ook, of om hunne eigene lusten te bevredigen, opstapelen. Gelooft gij
dat God dat met een goed oog ziet? Hij daarentegen, die met het voornemen om
zijne natuurgenoten te hulp te komen, door zijn arbeid vergaart, brengt de wet
van de liefde en liefdadigheid in praktijk, en zijn arbeid wordt door God
gezegend.”
884. Welk is het kenmerk van rechtmatig bezit?
Er bestaat geen rechtmatig bezit, dan dat, hetwelk zonder schade
aan anderen te berokkenen, verkregen is.” (Zie 808).
De wet van de liefde en van de rechtvaardigheid verbiedende aan
andere te doen wat wij niet zouden wensen dat anderen ons deden, veroordeelt
alleen daardoor, elk middel om iets te verkrijgen, dat met die wet in strijd is.
885. Is het recht van eigendom onbeperkt?
“Het leidt geen twijfel dat alles wat op rechtmatige wijze
verkregen wordt eigendom is, maar, daar zoals wij gezegd hebben de wetten van
de mensen onvolmaakt zijn, huldigen deze dikwijls conventionele rechten, welke
door de natuurlijke rechtvaardigheid veroordeeld worden; daarom veranderen zij
hunne wetten, naarmate de vooruitgang toeneemt en zij beter de rechtvaardigheid
begrijpen. Hetgeen in een eeuw als volmaakt beschouwd wordt, komt in een
volgende barbaars voor.” (Zie 795).
Weldadigheid en liefde tot de naaste.
886. Welke is de wezenlijke betekenis van het woord liefde zoals
Jezus dit begrepen heeft?
“Welwillendheid jegens allen, toegevendheid voor de
onvolmaaktheden van anderen, vergeving van beledigingen.”
De liefde en weldadigheid zijn de aanvulling van de wet van
rechtvaardigheid, want zijn naaste liefhebben, is, hem al het goede te doen,
waartoe wij in staat zijn en dat wij zouden wensen dat anderen ons deden. Dit
is de betekenis van de woorden van Jezus: Heb elkaar als broederen lief.
De weldadigheid is
volgens Jezus niet tot het geven van aalmoezen beperkt; zij omvat elke
verhouding waarin wij tegenover onze naaste geplaatst worden, hetzij deze onze
minderen, onze gelijken, dan wel onze meerderen zijn. Zij schrijft ons toegevendheid
voor omdat wij die zelve nodig hebben; zij verbiedt ons de ongelukkige te
vernederen in strijd met hetgeen zo menigmaal gedaan wordt. Laat een rijk man
zich vertonen; dan heeft men voor hem duizenden voorkomendheden, duizenden
oplettendheden; indien het een arm mens is, dan schijnt het dat men het niet
nodig acht, zich tegenover hem te ontzien. Hoe beklagenswaardiger hij is, des
te meer men moest vreezen om door hem te vernederen, zijn ongeluk te
vermeerderen. De wezenlijk goede mens tracht, door de afstand die tussen hen
bestaat te verminderen, zijne minderen in hunne eigen ogen te verheffen.
887. Jezus heeft ook gezegd; Heb zelfs uwe vijanden lief. Maar
is de liefde voor onze vijanden, niet met onze natuurlijke neigingen in strijd,
en komt de vijandschap niet uit gebrek aan sympathie tussen de Geesten voort?
“Men kan zeker voor zijne vijanden geen tedere of vurige liefde
voelen; dat is ook niet wat hij heeft willen te kennen geven; zijne vijanden
lief te hebben, is hen vergeven en hun kwaad met goed te vergelden, daardoor
verheft men zich boven hen; door wraak plaatst men zich beneden hen.”
888. Wat moeten wij van het aalmoezen geven denken?
“De mens, welke er toe gebracht wordt om te bedelen, verlaagt
zichzelf zowel zedelijk als lichamelijk hij verdierlijkt. In een op Gods wet en
op rechtvaardigheid gevestigde maatschappij, moet men voor het onderhoud van de
zwakke zorgen, zonder die te vernederen. Zij moet van hen die niet
werken kunnen, het bestaan verzekeren, zonder hun leven aan de genade van
het toeval en van de goede wil overlaten.”
- Keurt gij het aalmoes geven af?
“Nee, niet het aalmoes geven is af te keuren, maar de wijze,
waarop dit dikwijls gedaan wordt. De deugdzame mens, die de liefdadigheid
volgens Jezus begrijpt, gaat de ongelukkige tegemoet zonder afwachten dat deze
de hand naar hem uitstrekken.
De ware liefdadigheid is altijd goedhartig en welwillend; zowel
in de wijze van doen als in de daad zelf. Een dienst, die men met kiesheid
bewijst, verdubbeld er de waarde van; indien die met hoogmoed bewezen wordt,
kan de nood ertoe dwingen die aan te nemen, maar het hart wordt er weinig door
getroffen.
Vergeet niet dat in Gods oog, alle verdienste van ene weldaad,
door er ophef van te maken, ontnomen wordt. Jezus heeft gezegd: Laat uwe
linkerhand niet weten wat uwe rechterhand geeft; hij leert u daardoor, de
liefdadigheid niet door hoogmoed te bezoedelen.
Men moet tussen het eigenlijk gezegde aalmoezen geven en de
weldadigheid onderscheid maken. Het is niet altijd de behoeftigste die vraagt;
de vrees voor vernedering houdt de ware arme terug, en deze lijdt dikwijls
zonder te klagen; deze is het, die de waarlijk menslievende mens zonder ophef
moet gaan opzoeken.
Heb elkaar lief, dit is de gehele wet; goddelijke wet, door
welke God de werelden bestuurt. De liefde is de wet van aantrekking voor de
levende en bewerktuigde wezens --de aantrekking is de wet van de liefde voor de
onbewerktuigde stof.
Vergeet nooit dat de Geest, welke ook de graad zijner
ontwikkeling zijn moge, in zijn staat hetzij van reïncarnatie of van omdoling, altijd
tussen een meerdere die hem leidt en verbetert, en een mindere te wiens
opzichte hij dezelfde plichten te vervullen heeft, geplaatst is. Wees dus
liefderijk, niet alleen door die weldadigheid, die u dwingt om uit uwe beurs
het geldstuk te nemen om die op een onverschillige wijze aan hem, die aan u
durft te vragen, toe te reiken, maar ga de stille armoede tegemoet. Wees
inschikkelijk met de gebreken van uwe natuurgenoten; in plaats van de onwetende
en de ondeugende te verachten, onderwijst hem en tracht hem zedelijker te
maken; wees zachtzinnig en welwillend voor allen die minder zijn dan gij; wees
dit zelfs tegen het nietigste wezen van de schepping, en gij zult aan Gods wet
gehoorzaamd hebben.
H. Vincentius de Paula.
889. Zijn er geen mensen, die door eigen schuld tot de bedelstaf
vervallen?
“Zeer zeker, maar indien een goede zedelijke opvoeding hen
geleerd had Gods wet opvolgen, zouden zij niet tot die uitspattingen, die de
oorzaak van hun verderf zijn, vervallen zijn; vooral hangt hiervan de
verbetering af, van uwe aardbol.” (Zie 707)
890. Is de moederliefde een deugd, of wel een instinctmatig gevoel
aan mensen en dieren gemeen?
“Het is het een en het ander. De natuur heeft aan de moeder de
liefde voor hare kinderen, in het belang van hunne instandhouding, geschonken;
maar bij het dier blijft deze liefde tot de stoffelijke behoeften beperkt; zij
houdt op, als die zorg nutteloos wordt; bij de mens blijft zij gedurende het
gehele leven bestaan, en is zij voor ene toewijding en ene zelfverloochening
vatbaar welke deugd wordt; zij overleeft zelfs de dood, en volgt het kind naar
gene zijde van het graf; gij ziet dus wel dat in die liefde iets anders is dan
bij het dier.” (Zie 205 en 385)
891. Als de moederliefde in de natuur is, waarom zijn er dan
moeders, die een hekel aan hunne kinderen hebben, en dit wel dikwijls vanaf
hunne geboorte?
“Het is soms een beproeving, die door de Geest van het kind
gevraagd is, of een boetedoening, als hij zelve in een ander leven een slechte
vader, of slechte moeder of slechte zoon geweest is (zie 392).
In elk geval, kan de slechte moeder door niets anders dan door een slechte
geest geïnspireerd zijn, welke hinderpalen aan het kind in de weg tracht te
leggen, opdat deze onder de beproeving die hij gekozen heeft, moge bezwijken;
maar die schending van de wetten van de natuur, zal niet ongestraft blijven, en
de Geest van het kind zal voor het te boven komen van de hinderpalen beloond
worden.”
892. Indien de ouders, kinderen hebben, die hen verdriet
berokkenen, zijn deze dan niet verschoonbaar als zij voor hen niet de liefde
voelen, die zij in het tegenovergestelde geval zoude gehad hebben?
“Nee, want het is een taak die hen opgedragen is, en het is
hunne zending om alles aan te wenden om hen tot het goede terug te brengen (zie
582
en 583 .) Maar die
verdrietelijkheden zijn dikwerf een gevolg van de slechte richting, die zij hen
van hunne wieg af aan, hebben doen nemen; zij maaien dan, wat zij gezaaid
hebben.”
(vorige) (volgende)