Twaalfde Hoofdstuk.

 

Zedelijk Volmaking.

 

 

De deugden en ondeugden. De hartstochten. Het egoïsme. Karakter van de deugdzame mens. Zelfkennis.

 

 

De deugden en ondeugden.

 

 

893. Welke is de meest verdienstelijke van alle deugden?

“Alle deugden hebben hare verdiensten, omdat allen een bewijs van gemaakte vorderingen op de weg van het goede zijn. Er bestaat deugd, telkens als er vrijwillige tegenstand aan de wegslepende verleiding van de kwade neigingen geboden wordt; maar het verhevene van de deugd, bestaat daarin: zijn eigen belang voor het welzijn van anderen, zonder nevenbedoelingen opofferen; de meest verdienstelijke deugd, is die, welke in de meest onbaatzuchtige liefde hare grond vindt.”

 

894. Er zijn mensen, die het goede ten gevolge van een plotselinge opwelling doen, zonder nodig te hebben enig daarmede strijdig gevoel te bestrijden; zijn deze even verdienstelijk als zij, die tegen hunne natuur moeten worstelen, en deze overwinnen?

“Bij hen, die niet te worstelen hebben, komt dit, doordien bij hen de vooruitgang reeds gemaakt is; zij hebben vroeger geworsteld en hebben overwonnen; daardoor vorderen bij hen de goede gevoelens niet de minste inspanning, en komen hunne handelingen hen als zeer natuurlijk voor; het goed doen, is voor hen een gewoonte geworden. Men moet hen dus eren als oude strijders, die hunnen rang veroverd hebben.

Daar gij nog verre van de volmaaktheid verwijderd zijt, baren die voorbeelden u verwondering door de tegenstelling, en gij bewonderd ze des te meer naarmate die zeldzamer voorkomen; maar weet, dat in de meer gevorderde werelden dan de uwe, regel is, wat bij u een uitzondering is. Het gevoel van het goede is daar altijd natuurlijk, omdat zij alleen door goede Geesten bevolkt zijn, en ene enkele slechte bedoeling zoude er een monsterachtige uitzondering zijn. Daarom zijn er de mensen gelukkig; zo zal het ook op aarde worden, als het mensdom zich vervormd zal hebben, en de liefde in hare ware betekenis zal begrijpen en toepassen.”

 

895. Wat is, de gebreken en ondeugden omtrent welke niemand zich kan vergissen, daargelaten, het meest karakteristieke kenteken van de onvolmaaktheid?

“De baatzucht. De zedelijke eigenschappen zijn dikwijls als het verguldsel dat men op een voorwerp van koper aanbrengt, en dat de beproeving met de toetsteen niet weerstaat. Een mens kan wezenlijke hoedanigheden bezitten, die hem voor de wereld een braaf mens doen schijnen; maar die hoedanigheden, ofschoon zij een vooruitgang bewijzen, kunnen niet altijd sommige proeven doorstaan en het is dikwerf alleen nodig om de naar van het eigenbelang aan te roeren, om de bodem van de gedachte bloot te leggen. De ware belangeloosheid is zelfs zo zeldzaam op aarde, dat men die, als zij voorkomt, bewondert alsof het een wonder ware.

De gehechtheid aan stoffelijke zaken is een zeker bewijs van minderheid, omdat, hoe meer de mens aan de goederen van deze aarde hecht, hij des te minder zijne bestemming begrijpt; door belangeloosheid daarentegen, bewijst hij, dat hij de toekomst uit een meer verheven standpunt beschouwt.”

 

896. Er zijn belangeloze mensen zonder doorzicht, die hetgeen zij bezitten bij gebrek van een beredeneerd gebruik, zonder wezenlijk nut wegschenken; maken deze zich daardoor in enig opzicht, verdienstelijk?

“Zij hebben de verdienste van de belangeloosheid, maar zij hebben niet die van het goede, dat zij zouden kunnen doen. Indien belangeloosheid een deugd is, is de onberedeneerde vrijgevigheid altijd ten minste een gebrek aan oordeel. Het fortuin wordt evenmin aan de ene geschonken om het weg te werpen, als aan de andere om het in zijne geldkisten weg te sluiten; het is een in bewaring gegeven pand, waarover zij verantwoording zullen moeten doen, want zij zullen aansprakelijk zijn voor al het goede, dat in hunne macht was om te doen, en dat zij niet gedaan zullen hebben; voor alle tranen, die zij met hun geld hadden kunnen drogen, en dat zij aan hen, die het niet nodig hadden, gegeven hebben.”

 

897. Is hij, die het goede betracht, niet met het doel om op aarde beloond te worden, maar in de hoop, dat het hem in het andere leven toegerekend zal worden, en dat zijn toestand er daar des te beter door zal wezen, berispelijk, en is die gedachte niet nadelig voor zijne vooruitgang?

“Men moet het goede uit liefde, dat wil zeggen, belangeloos doen.”

- Ja, maar toch vormt iederéén de natuurlijke wens om vooruitgaan ten einde uit de moeilijke toestand van dit leven te raken: de Geesten zelf leren ons met dit doel het goede te doen; is het dan een kwaad, te denken dat men door goed te doen iets beter dan op aarde verwachten kan?

“Nee, zeker niet; maar hij, die zonder bijoogmerken, en alleen uit zucht om God, en zijn lijdende natuurgenoot gevallig te zijn het goede doet, heeft reeds een zekere graad van vooruitgang bereikt, waardoor hij vroeger het geluk zal bereiken, dan zijn broeder, die, meer positief, het goede alleen uit berekening doet, en niet daartoe door de natuurlijke warmte van zijn hart gedrongen wordt.” (Zie 894)

- Moet men hier geen onderscheid maken tussen het goede dat men aan zijne naasten kan doen en de moeite, welke men aan wendt, om zich van zijne gebreken te ontdoen? Wij begrijpen, dat het goede te doen niet de gedachte dat ons dit in een volgend leven toegerekend zal worden, weinig verdienstelijk is; maar zich te beteren, zijne driften te overwinnen, zijn karakter te verbeteren met het doel om tot de goede Geesten te naderen en zichzelf te verheffen, is dit eveneens een teken van minderheid?

“Nee, nee; door goed te doen, bedoelen wij liefderijk te zijn. Hij, die berekent wat elke goede daad hem zowel in het volgend als in het aardse leven zal kunnen opbrengen, handelt als een egoïst, maar het is volstrekt geen egoïsme zich te beteren met het oog om tot God te naderen, daar dit het doel is naar welk een ieder streven moet.”

 

898. Is het nuttig, daar het lichamelijk leven slechts een tijdelijk verblijf hier op aarde is, en onze aandacht het meest op onze toekomst moet gevestigd zijn, zich te beijveren wetenschappelijke kundigheden, die alleen stoffelijke zaken en behoeften betreffen, te vergaren?

“Zonder twijfel; ten eerste stelt u dat in staat om het leed van uwe broederen te verzachten; vervolgens zal uw Geest spoediger opklimmen, indien hij reeds in verstand is vooruitgegaan; in de tijd, die tussen de incarnaties verloopt, zult gij in een uur datgene leren, waartoe gij op aarde jaren nodig zoudt hebben. Geen ene kennis is nutteloos; allen dragen min of meer tot vooruitgang bij, omdat de volmaakte Geest alles kennen moet, en daar de volmaking in alle opzichten moet bereikt worden, zo dragen daartoe alle verkregen denkbeelden tot de ontwikkeling van de Geest bij.”

 

899. Van twee rijke mensen, is de ene in rijkdom geboren en heeft nooit gebrek gekend; de andere is zijn fortuin aan zijnen arbeid verschuldigd; beiden gebruiken het uitsluitend tot bevrediging van hunne eigene genoegens; welke van deze twee is de meest schuldige?

“Hij, die het lijden gekend heeft; hij weet wat lijden is; de smart die hij kent, verlicht hij niet, maar al te dikwijls voor hem, herinnert hij zich die zelfs niet meer.”

 

900. Vindt degene, die zonder iemand goed te doen, altijd rijkdom opstapelt, een deugdelijke verschoning in het denkbeeld dat hij vergaart om des te meer aan zijne erfgenamen te kunnen nalaten?

“Het is een schikking die hij met zijn slecht geweten aangaat.”

 

901. Van twee gierigaards, ontzegt zich de eerste het nodige en sterft van gebrek naast zijne schatten; de tweede is alleen voor anderen gierig, voor zichzelf is hij verkwistend; terwijl hij om een dienst te bewijzen of iets nuttige tot stand te brengen voor de geringste opoffering terugdeinst, is niets hem te kostbaar om aan zijn eigen smaak en lusten te voldoen. Vraagt men van hem een dienst, dan heeft hij altijd geldgebrek; wil hij aan de ene of andere van zijne invallende lusten voor zichzelf voldoen, dan heeft hij daarvoor altijd genoeg. Welke is nu de meest schuldige, en welke van deze twee zal de minste plaats in de geestenwereld innemen?

“Degene, die geniet: hij is meer baatzuchtig dan gierig; de andere heeft reeds een deel van zijne straf ondergaan.”

 

902. Is men te berispen als men rijkdommen wenst, uit zucht om goed te doen?

“Het gevoel is zeker loffelijk als het zuiver is; maar is die zucht wel altijd belangeloos, en verbergt ze geen persoonlijk bijoogmerk? Is de eerste persoon, wie men wenst goed te doen, niet dikwijls ons eigen ik?”

 

903. Is men misdadig als men de gebreken van anderen opmerkt?

“Indien het is om ze te hekelen en ze ruchtbaar te maken, dan is men zeer misdadig, want dit is gebrek aan liefde; indien het is om er zelf nut uittrekken, en om ze zelf te vermijden, dan kan dit soms nuttig zijn; maar men moet nooit vergeten dat toegevendheid voor de gebreken van anderen een van de deugden is, welke in de liefde begrepen is. Voordat gij anderen een verwijt over hunne gebreken doet, zie dan eerst zelf of men van u niet hetzelfde zeggen kan. Tracht in het bezit te komen van de goede hoedanigheden die het tegenovergestelde van de gebreken zijn, die ge in anderen gispt, dat is de wijze om zich boven hen te verheffen; indien gij iemand verwijt gierig te zijn, wees gij dan milddadig; indien het hoogmoed is wat gij hem verwijt, wees gij dan nederig en eenvoudig; indien het is hardvochtig te zijn, wees gij dan zachtmoedig; kleingeestig te handelen, wees gij dan grootmoedig in alle uwe handelingen; in een woord, draag zorg dat men de woorden van Jezus niet op u kan toepassen: Hij ziet een splinter in het oog van zijnen broeder, maar ziet de balk, in zijne eigen ogen, niet.”

 

904. Is men strafwaardig als men de wonden van de maatschappij peilt en bekend maakt?

“Dit hangt af van de bedoeling, welke ons er toe noopt om dit te doen; indien de schrijver alleen beoogt ergernis te doen ontstaan, dan is het een persoonlijk genoegen, dat hij zichzelf verschaft door taferelen te schilderen, die dikwijls meer een kwaad dan een goed voorbeeld zijn. De Geest beoordeelt, maar hij kan voor dit soort van vermaak, dat hij er in schept om het kwaad aan de dag te brengen, gestraft worden.”

- Hoe kan men, in zo’n geval, over de zuiverheid van de bedoelingen en over de oprechtheid van de schrijver oordelen?

“Dit is niet altijd nodig; indien hij goede dingen schrijft, doe er dan uw voordeel mede; indien hij slecht handelt, is dit een gewetenszaak, die hem aangaat. Buitendien, indien hij zijne oprechtheid wenst te bewijzen, dan is het zijne zaak om de voorschriften door zijn eigen voorbeeld kracht bij te zetten.”

 

905. Sommige schrijvers hebben zeer schone en zedelijke geschriften uitgegeven die tot vooruitgang van het mensdom strekken, maar hebben zelf er weinig nut uitgetrokken; wordt aan hen als Geest, het goede, dat door hunne werken gesticht is, toegerekend?

“Zedenkunde zonder daden, is het zaad zonder de arbeid. Wat hebt gij aan het zaad als gij dit geen vruchten voor uwe voeding, doet voortbrengen? Deze mensen zijn des te meer schuldig, omdat zij het verstand hadden om te kunnen begrijpen; door de lessen, die zij aan anderen gaven niet zelf opvolgen, hebben zij van het oogsten van de vruchten afstand gedaan.”

 

906. Is degene, die goed doet, berispelijk als hij er zich van bewust voelt en het zichzelf bekent?

“Daar hij van het kwaad dat hij doet, het bewustzijn mag hebben, moet hij dit ook van het goede hebben, ten einde te kunnen weten of hij goed of kwaad handelt. Het is door alle zijne daden in de weegschaal van Gods Wet en vooral in die van de rechtvaardigheid te wegen, dat hij zichzelf ven rekenschap zal kunnen geven, of zij goed of kwaad zijn, of hij die moet goed- of afkeuren. Het kan dus niet berispelijk in hem zijn, bij zichzelf te erkennen dat hij over zijne slechte neigingen gezegevierd heeft en daarover tevreden te zijn, mits hij er niet hoogvaardig door wordt, want dan zou hij daardoor wederom in een ander euvel vervallen.” (Zie 919)

 

 

De hartstochten.

 

 

907. Daar het beginsel van de hartstochten in de natuur ligt, is dit dan in zichzelf slecht?

“Nee, de hartstocht ligt in de overdrijving gevoegd bij de wil, want het beginsel ervan is aan de mens ten goede gegeven en kan hem grote dingen doen ten uitvoer brengen; het kwaad wordt veroorzaakt door het misbruik, dat hij ervan maakt.”

 

908. Hoe kan men de grens bepalen, waar de hartstochten ophouden goed of kwaad te zijn?

“De hartstochten zijn gelijk aan het paard daar men dienst van heeft als men het in toom houdt, en dat gevaarlijk wordt als het de ruiter beheerst. Erken dus dat een hartstocht schadelijk wordt zodra gij de macht verliest om die te beheersen, en dit het ene of andere nadeel voor u zelf of voor anderen ten gevolge heeft.”

 

 

De hartstochten zijn de hefbomen, waardoor de krachten van de mens vertienvoudigd worden, en die hem behulpzaam zijn in de vervulling van, Gods bedoelingen, maar als de mens in plaats van die te besturen, zich door hen laat beheersen, vervalt hij tot uitersten, en dezelfde kracht, die in zijne handen het goede kon teweegbrengen, valt op hem terug en verplettert hem.

Alle hartstochten vinden hunnen oorsprong, in een gevoel of in een behoefte van de natuur. Het beginsel van de hartstochten is dus geen kwaad, daar het op een van de voorzienende voorwaarden voor ons bestaan gegrond is. De eigenlijk gezegde drift, is de overdrijving van een behoefte of van een gevoel, zij is gelegen in de overdrijving en niet in de oorzaak en die overdrijving wordt een kwaad, wanneer ze het een of ander kwaad ten gevolge heeft.

Elke drift, die de mens nader tot het dier brengt, doet hem van de geestelijke natuur afwijken.

Elk gevoel dat de mens boven de dierlijke natuur verheft, bewijst het overwicht van de Geest over de stof en doet hem tot de volmaaktheid naderen.

 

 

909. Zou de mens door eigen inspanning, zijne slechte neigingen altijd kunnen overwinnen?

 “Ja, en dikwijls met zeer weinig moeite; het ontbreekt hem helaas aan de wil. Hoe weinigen onder u, doen daartoe enige moeite?”

 

910. Kan de mens bij de Geesten ene krachtige hulp vinden, om zijne driften te boven te komen?

“Indien hij God en zijne goede geniussen met oprechtheid er om bidt, zullen de goede Geesten zeker heen te hulp komen, want dit is hunne roeping.” (Zie 459)

 

911. Bestaan er niet zulke hevige en onweerstaanbare driften, dat de wil onmachtig is, die te overwinnen?

“Er zijn vele mensen, welke zeggen: ik wil, maar die wil hebben zij slechts op hunne lippen; zij willen, en zijn zeer blijde als het niet gebeurt. Als men gelooft dat men zijne driften niet kan beteugelen, komt dit omdat de Geest door de lage trap, waarop hij staat, daarin genoegen vindt. Hij, die zijne driften tracht te beteugelen, begrijpt zijne geestelijke natuur; voor hem is zijne driften te overwinnen: een zegepraal van de Geest over de stof.”

 

912. Welke is het beste middel om de overheersing van de lichamelijke natuur te bestrijden?

“Zich zelve te verloochenen.”

 

 

Het egoïsme.

 

 

913. Welke is onder de ondeugden, degene, die men als grondondeugd kan beschouwen?

“Wij hebben dit meermalen gezegd, het is het Egoïsme; daaruit komt alle kwaad voort. Ga al de ondeugden na, en gij zult zien dat allen hun grond in het egoïsme hebben gij kunt ze bestrijden zoveel gij wilt, het zal u nooit lukken ze uitroeien zolang gij de oorzaak van het kwaad niet uitgeroeid zult hebben. Laat alle uwe pogingen dus daarop gericht zijn, want dat is de ware gesel van de maatschappij. Hij, die reeds in dit leven de zedelijke volkomenheid wil naderen, moet alle gevoel van egoïsme uit zijn hart uitroeien, want het egoïsme is onbestaanbaar met rechtvaardigheid: het neutraliseert alle andere goede hoedanigheden.”

 

914. Het egoïsme op het persoonlijk belang gegrond zijnde, moet het zeer moeilijk zijn om het geheel in 's mensen hart uitroeien; zal dit eens lukken?

“Naar mate de mensen meer verlicht in het geestelijke worden, stellen zij minder prijs op stoffelijke zaken; daarbij moet men de menselijke instellingen, welke het egoïsme onderhouden en aanwakkeren hervormen. Dit hangt van de opvoeding af.”

 

915. Daar het egoïsme, aan het menselijk geslacht eigen is, zal het dan niet altijd een hinderpaal blijven voor de heerschappij van het absoluut goede op aarde?

“Het is zeker dat het egoïsme uw grootste kwaad is, maar dit ligt aan de mindere ontwikkeling van de op aarde geïncarneerde geesten, en niet aan de mensheid zelve en de Geesten verliezen door opvolgende incarnaties het egoïsme, zoals zij alle andere onreinheden verliezen. Vindt gij dan op aarde niet een mens, die vrij van egoïsme is en die de weldadigheid betracht? Er zijn er meer dan gij denkt, maar gij kent ze niet, omdat de deugd niet in de heldere dag zoekt te pronken; indien er zo één is, waarom zouden er dan geen tien; indien er tien zijn, waarom zouden er dan geen duizend en zo vervolgens, zijn?”

 

916. Wel verre dat het egoïsme afneemt, neemt het met de beschaving toe, die het schijnt aanwakkeren en te onderhouden; hoe zal dan de oorzaak het uitwerksel kunnen uitroeien?

“Hoe groter de kwaal, hoe afzichtelijker; het was nodig dat door het egoïsme veel kwaads gesticht werd, teneinde de noodzakelijkheid van de uitroeiing ervan te doen inzien. Wanneer de mensen het egoïsme, dat hen beheerst, afgelegd, zullen hebben, zullen zij als broeders met elkaar levende, elkaar geen kwaad berokkenen maar de een de ander ten gevolge van het wederkerig gevoel van solidariteit, helpen, dan zal de sterke de steun en niet de onderdrukker van de zwakke zijn en zal men niemand meer het nodige zien ontberen, omdat allen de wet van de rechtvaardigheid zullen opvolgen. Het is de heerschappij van het goede, die de Geesten opgedragen is voor te bereiden.” (Zie 784)

 

917. Door welk middel kan men het egoïsme uitroeien?

“Van alle menselijke onvolmaaktheden is het egoïsme het moeilijkste uit te roeien omdat het een gevolg is van de invloed van de stof, van welke de mens, nog te dicht bij zijnen oorsprong, zich nog niet heeft kunnen bevrijden, en alles: zijne wetten, maatschappelijke instellingen, opvoeding, draagt het zijne bij om die invloed te onderhouden. Het egoïsme zal verminderen door de heerschappij van het zedelijke op het stoffelijke leven en vooral door het begrip, dat het spiritisme u geeft over uwen wezenlijke toekomstige toestand niet door allegorische ficties verwrongen; het goed begrepen spiritisme, als het zich met de zeden en het geloof vereenzelvigd zal hebben, zal de gebruiken, gewoonten en maatschappelijke toestanden, vervormen. Het egoïsme is gegrond op het gewicht, dat men aan de persoonlijkheid hecht; en het goed begrepen spiritisme, ik herhaal het, doet de dingen vanuit zulk een hoog standpunt beschouwen, dat het gevoel van persoonlijkheid als 't ware voor de oneindigheid verdwijnt. Door het gewicht dat men aan de persoonlijkheid hecht uitroeien of ten minste te doen kennen, zoals het wezenlijk is, wordt noodwendig het egoïsme bestreden.

Het is door de krenking, welke de mens door het egoïsme van anderen ondervindt, dat hij dikwijls zelve een egoïst wordt, omdat hij behoefte voelt om op tegenweer bedacht te zijn. Bemerkende dat anderen aan zichzelf en niet aan hem denken, wordt hij er toe gebracht zich meer met zichzelf dan met anderen bezig te houden. Laat het beginsel van de liefde en broederschap de grondslag van de maatschappelijke instellingen, van de wettelijke betrekkingen van volk tot volk en van mens tot mens zijn, dan zal de mens gewaar wordende dat anderen aan hem gedacht hebben, minder aan zijn eigen ik denken; hij zal de goede zeden bevorderende invloed van het voorbeeld en van de aanraking met anderen ondervinden. Bij die algemeenheid van het egoïsme is er ware deugd toe nodig om van zijne persoonlijkheid, ten nutte van anderen, die er u zelden dank voor wijten, afstand te doen; het is vooral voor hen, die deze deugd bezitten, dat het rijk der hemelen geopend is; vooral voor dezen is het geluk van de uitverkorenen weggelegd, want in waarheid zegge ik u dat op de dag der gerechtigheid degene, die alleen aan zichzelf gedacht zal hebben, afgezonderd zal worden, en door zijn verlaten toestand lijden zal.” (Zie 785)

Fénélon.

 

 

Er worden ongetwijfeld loffelijke pogingen aangewend om het mensdom vooruit te doen gaan, men moedigt, men drijft het aan, men vereert de goede gevoelens meer dan in enig ander tijdperk, en toch blijft de knagende worm van het egoïsme nog de gesel van de maatschappij. Het is een wezenlijk kwaad dat op iedereen terugkaatst, waarvan iedereen min of meer het slachtoffer is; men moet het dus bestrijden zoals men een besmettelijke ziekte bestrijdt, daarom moeten wij doen zoals de geneesheren: tot de oorzaak van de kwaal opklimmen. Laat men dus in elk deel van de maatschappelijke instellingen, van het gezin tot aan de volken, van de hut tot aan het paleis, alle oorzaken, alle duidelijke of verborgen invloeden die het gevoel van egoïsme aanwakkeren, onderhouden en ontwikkelen, opsporen; eens die oorzaken bekend, zal het geneesmiddel zich van zelve opdoen; het zal er slechts op aankomen die oorzaken, zo al niet allen tegelijk, dan toch bij gedeelten te bestrijden, en langzamerhand zal het venijn vernietigd worden. De genezing zal wellicht langzaam gaan, want de oorzaken zijn menigvuldig, maar zij is niet onmogelijk. Men zal trouwens niet in de genezing slagen dan door het kwaad bij de wortel, dat wil zeggen, door opvoeding aantasten, niet die opvoeding, die ten doel heeft geleerden, maar die, welke er toe leidt, brave mensen te vormen. Een welbegrepen opvoeding is de sleutel tot de zedelijke vooruitgang; wanneer men de kunst zal verstaan het karakter te behandelen zoals men dit het verstand weet te doen, dan zal men dit een goede richting kunnen geven, evenals men dit aan jonge planten geeft, maar die kunst vereist veel tact, veel ondervinding en een diepe geest van opmerking, het is een ernstige dwaling te geloven dat om dit met vrucht te kunnen doen, het voldoende is ene grote mate van kennis te bezitten. Hij die zowel het kind van de rijke als dat van de arme, van het ogenblik van zijne geboorte af aan gadeslaat, en al de nadelige invloeden opmerkt, die op hem werken ten gevolge van de zwakheid zorgeloosheid en onwetendheid, van degene, onder wiens leiding zij geplaatst zijn; hij, die weet hoe dikwijls de middelen, die men gebruikt om hem zede­lijker te maken, verkeerd zijn, kan zich niet verwonderen zoveel verkeerdheden in de wereld te vinden. Laat men voor het zedelijke, zoveel ten koste leggen als voor het intellectuele, en men zal ontwaren, dat al mogen er weerspannige in borsten zijn, er toch velen zijn, die niets dan ene goede opleiding behoeven om goede vruchten voort te kunnen brengen. (Zie 872)

De mens wil gelukkig zijn, dit gevoel is in de natuur; daarom arbeidt hij zonder ophouden aan de verbetering van zijnen toestand hier op aarde; hij spoort de oorzaken van zijne kwalen op, teneinde die te kunnen genezen. Als hij goed begrepen zal hebben dat het egoïsme ene van die oorzaken is, dat door het egoïsme hoogmoed, eerzucht, geldzucht, wangunst, nijd, jaloersheid ontstaat. waardoor hij dikwijls gekrenkt wordt en waardoor onrust in alle maatschappelijke betrekkingen geboren wordt, tweedracht ontstaat, het vertrouwen vernietigd wordt, het altijd noodzakelijk wordt op tegenweer tegenover zijnen naasten bedacht te zijn, dat het egoïsme eindelijk van een vriend een vijand maakt, dan zal hij begrijpen dat die ondeugd onverenigbaar met zijn eigen geluk, wij voegen er zelfs bij met zijn eigen veiligheid is; hoe meer hij er door geleden zal hebben, des te meer hij er de noodzakelijkheid van zal inzien om die te bestrijden, zoals hij de pest, het schadelijke gedierte en alle andere plagen bestrijdt; zijn eigen belang zal hem daartoe aanzetten. (Zie 784)

Het egoïsme is de bron van alle ondeugden, zoals de liefde die van alle deugden is; de ene uitroeien, de andere te ontwikkelen, moet het doel van de pogingen van ieder mens zijn, indien hij zijn geluk wil verzekeren zowel op aarde als hiernamaals.

 

 

Karakter van de deugdzame mens.

 

 

918. Aan welk teken kan men bij een mens de wezenlijke vooruitgang, die zijn geest in de geestelijke hiërarchie moet doen stijgen, ontdekken?

“De Geest toont zijne verhevenheid als alle de handelingen van zijn lichamelijk leven een opvolging van Gods wet zijn, en als hij bij voorbaat het geestelijke leven begrijpt.“

 

 

De wezenlijk deugdzame mens is degene, die de wet der rechtvaardigheid, liefde en weldadigheid in zijne grootste zuiverheid opvolgt. Indien hij zijn geweten over de door hem gepleegde daden onderzoekt, zal hij zichzelf afvragen of hij die wet niet geschonden heeft; of hij geen kwaad gedaan heeft; of hij al het goede gedaan heeft, dat, in zijn vermogen was; of niemand zich over hem te beklagen heeft en eindelijk of hij aan anderen gedaan heeft, wat hij zou wensen dat anderen hem deden.

De mens, die doordrongen is van het gevoel van weldadigheid en liefde tot de naaste, doet het goede om het goede, zonder hoop op vergelding, en offert zijn eigen belang aan de rechtvaardigheid op.

Hij is goedaardig, menselijk en welwillend voor allen, omdat hij in alle mensen zonder onderscheid van rassen of geloof, broeders ziet.

Indien God hem macht en rijkdommen geschonken heeft, beschouwt hij dit als en PAND, waarvan hij ten goede gebruik moet maken; hij wordt er niet ijdel door, want hij weet dat God, die het hem gegeven heeft, het hem ook weder ontnemen kan.

Indien de maatschappelijke toestanden, mensen van hem afhankelijk gemaakt hebben, behandelt hij deze met goedheid en welwillendheid, omdat zij zijn gelijken voor God zijn; hij maakt van zijn gezag gebruik om hen zedelijk te verheffen, en niet om hen door zijn trots te verpletteren.

Hij is toegevend voor de zwakheden van anderen, omdat hij weet dat hij zelfs zoveel toegevendheid nodig heeft en hij zich de woorden van Christus herinnert: Die van ulieden zonder zonde is, werpe eerst den steen op haar. Hij is niet wraakgierig; het voorbeeld van Jezus volgende vergeeft hij de beledigingen, om zich alleen de weldaden te herinneren want hij weet da hem vergeven zal worden zoals hij aan anderen vergeven zal hebben.

Eindelijk, eerbiedigt hij in zijne natuurgenoten al de rechten, welke de wetten van de natuur geven, zoals hij zoude wensen die ten zijnen opzichte geëerbiedigd te zien.

 

 

Zelfkennis.

 

 

919. Welke is het meest krachtige praktische middel om zich in dit leven te verbeteren, en om aan de verleiding van het kwaad weerstand te bieden?

“Een wijze der oudheid heeft het u gezegd: Ken u zelve.”

- Wij begrijpen de wijsheid van die les maar het is juist zo moeilijk zichzelf te kennen: hoe kan men tot die zelfkennis komen?

“Doe wat ik zelf bij mijn leven op aarde gedaan heb: na geëindigde dag onderzocht ik mijn geweten, ik ging alles na wat ik gedaan had en vroeg mijzelf af: of ik in geen ene plicht tekort was gekomen; of niemand zich over mij te beklagen had gehad, op die wijze ben ik erin geslaagd mijzelf te leren kennen en inzien wat er in mij verbeterd moest worden. Hij, die elke avond zich alle zijne handelingen van de dag voor ogen wilde halen, en God en zijn bescherm­engel biddende hem te willen inlichten, zichzelf wilde vragen wat hij goed of kwaad gedaan had, zou een grote kracht verkrijgen om zich te volmaken, want, geloof mij, God zal hem bijstaan. Stel u zelf dus vragen, en vraag uzelf af wat gij gedaan hebt, en met welk oogmerk gij in gegeven omstandigheden gehandeld hebt; of gij iets gedaan hebt, wat gij in anderen zoudt afkeuren, of gij niets gedaan hebt wat gij niet zoudt durven bekennen. Vraag uzelf ook dit af: Indien het God behaagde mij in dit ogenblik oproepen, zou ik in de Geesten wereld terugkerende, waar niets verborgen is, het gezicht van iemand te duchten hebben? Onderzoek wat gij tegen God, daarna wat gij tegen uwe naaste en eindelijk wat gij tegen u zelf kunt misdaan hebben. De antwoorden zullen rust aan uw geweten schenken, of wel de aanduiding van ene kwaal, die genezen moet worden, voor u zijn.

Zelfkennis is dus de sleutel voor de individuele verbetering; maar, zult gij zeggen hoe kan men zichzelf beoordelen? Heeft men niet de illusies van de eigenliefde, die de fouten vermindert en verontschuldigt? De gierigaard vermeent alleen zuinig en voorzichtig te zijn; de hoogmoedige gelooft slechts waardigheid te bezitten. Dit is maar al te waar, maar gij hebt een middel van onderzoek, dat u niet bedriegen kan. Als gij over de waarde van ene van uwe handelingen in het onzekere zijt, vraag u zelf dan af hoe of gij die zoudt kwalificeren als zij door een ander gepleegd was; indien gij die bij anderen afkeurt, kan die voor u niet meer gewettigd zijn, want God meet in zijne rechtvaardigheid niet met twee maten. Tracht ook te weten te komen hoe anderen er over denken en versmaad het oordeel van uwe vijanden niet, want deze hebben er geen belang bij om de waarheid te verbloemen, en God plaatst hen dikwijls bij u als een spiegel om u met meer openhartigheid dan een vriend dit doen zoude, te waarschuwen. Laat dus hij, die de ernstige wil heeft zich te beteren, zijn geweten onderzoeken, om er alle slechte neigingen in uit te roeien, zoals hij het onkruid uit zijn hof uitroeit; laat hij de balans van zijnen zedelijke dag opmaken, zoals de koopman dit van zijne winsten en verliezen doet, en ik geef u de verzekering dat die hem meer dan de andere zal opbrengen. Indien hij tot zich zelf kan zeggen dat de dag goed geweest is, kan hij in vrede zich te ruste leggen, en zonder vrees het ontwaken in een ander leven afwachten.

Stel uzelf bepaalde en duidelijke vragen voor, en vrees niet die te vermenigvuldigen; men kan er wel enige minuten aan geven om een eeuwig geluk te verwerven. Werkt gij niet alle dagen met het doel om uzelf rust voor uwe oude dag te verschaffen? Is die rust niet het voorwerp van alle uwe wensen, het doel dat u vermoeienissen en tijdelijke ontberingen doet verdragen? Welnu! Wat is de rust van enige dagen, die nog gestoord wordt door de kwalen van het lichaam, in vergelijking bij die, welke de deugdzame mens verbeidt? Is die niet enige inspanning waard? Ik weet dat velen zeggen dat het tegenwoordige zeker, en de toekomst onzeker is; en het is juist die gedachte welke het ons opgedragen is, bij u uitroeien; want wij willen u die toekomst zodanig doen begrijpen, dat er daarover in uwe ziel geen onzekerheid meer kan blijven bestaan; daarom hebben wij eerst uwe aandacht door verschijnselen, die u treffen moesten, opgewekt, nu geven wij u lessen, die ieder van uw geroepen is te verspreiden. Het is met dat doel dat wij het boek der Geesten ingegeven hebben.”

H. Augustinus.

 

        

Vele van de door ons begane misslagen, gaan onopgemerkt voor ons voorbij indien wij wezenlijk, zoals H. Augustinus ons de raad geeft, ons geweten meer ondervroegen, zouden wij zien, hoe menigmaal wij misslagen begaan zonder er aan te denken, omdat wij de aard en de drijfveer van onze handelingen niet opsporen. Dit in de vorm van vragen te doen heeft iets meer bepaalds, dan ene les, die men dikwijls niet op zichzelf toepast. Vragen eisen categorische beantwoording door ja en nee, tussen welke een keus moet gedaan worden, het zijn als zovele persoonlijke bewijsgronden, en uit de som van de antwoorden kan men de som van het goede en van het kwaad, dat in ons is, opmaken.

(vorige)						(volgende)