Vierde Boek.

Verwachtingen en Troostgronden.

 

 

Eerste Hoofdstuk.

 

Aardse Lijden en Aardse Genietingen.

 

 

Betrekkelijk geluk en ongeluk. Verlies van geliefde betrekkingen. Teleurstellingen. Ondankbaarheid. Teleurgestelde liefde. Tegenzinwekkende huwelijken. Vrees voor de dood. Afkeer van het leven. Zelfmoord.

 

 

Betrekkelijk geluk en ongeluk.

 

 

920. Kan de mens op aarde een volmaakt geluk deelachtig worden?

“Nee, want het leven is hem tot beproeving of als boetedoening gegeven; maar het hangt van hem af om zijn lijden te verzachten, en zo gelukkig te zijn, als dit op aarde mogelijk is.”

 

921. Men kan begrijpen dat de mens op aarde gelukkig zal zijn, als het mensdom vervormt zal zijn, maar kan iedereen zich in die tussentijd een betrekkelijk geluk verzekeren?

“De mens is meestal de bewerker van zijn eigen leed. Door de opvolging van 'Gods wet bespaart hij zichzelf vele rampen, en bereidt hij zich een zo groot geluk als dit bij zijn ruw bestaan mogelijk is.”

 

 

De mens, die goed van het doel van zijn toekomstige bestemming doordrongen is, beschouwt het lichamelijke leven slechts als een tijdelijk verblijf. Het is voor hem een tijdelijk oponthoud in een slechte herberg; hij getroost zich gemakkelijk de weinige voorbijgaande onaangenaamheden van een reis, die hem, naarmate hij vooruit beter zijne toebereidselen zal gemaakt hebben, in een zoveel betere toestand plaatsen moet.

Wij worden reeds in dit leven voor de inbreuken op de wet, gestraft door de kwalen, welke de gevolgen van die inbreuken en van onze eigen uitspattingen zijn. Indien wij al voortgaande van den een op den ander tot de oorsprong opklommen van hetgeen wij ons aardse ongeluk noemen, zouden wij zien dat dat meestal het gevolg is van een eerste afwijking van de goede weg. Door die afwijking zijn wij op een slechte weg geraakt, en door gevolg op gevolg in het ongeluk gestort.

 

 

922. Het aardse geluk is voor ieder, naarmate zijnen stand, betrekkelijk; wat voldoende voor het geluk van de ene is, is ongeluk voor de andere. Bestaat er evenwel niet een mate van geluk, die voor alle mensen gelijk is?

“Voor het stoffelijke leven is dit: het bezit van het nodige; voor het zedelijke: een goed geweten en vertrouwen op de toekomst.”

 

923. Hetgeen voor de ene overdaad is, wordt dit niet het nodige voor een ander en omgekeerd, naarmate de stand, waarin men geplaatst is?

“Ja, volgens uwe materialistische denkbeelden, vooroordelen, eerzucht en alle uwe belachelijke grillen, over welke de toekomst recht zal spreken als gij de waarheid begrijpen zult. Zeer zeker voelt iemand, die vijftigduizend inkomen heeft en zich tot tien duizend vermindert ziet, zich zeer ongelukkig, omdat hij zulk een grote vertoning niet meer kan maken, omdat hij niet meer zoals hij dit noemt, zijnen rang kan ophouden, geen paarden, lakeien kan aanhouden, niet alle zijne begeerten kan inwilligen enz. Hij denkt dat hij het nodige ontbeert; mar oprecht gezegd, gelooft gij, dat hij zo erg te beklagen is, als er naast hem zijn, die van honger en koude omkomen en geen dak hebben, waaronder zij hun hoofd te ruste kunnen leggen? Ten einde gelukkig te zijn, ziet de wijze altijd naar beneden en nooit naar boven dan om zijne ziel tot het oneindige te verheffen.” (Zie 715)

 

924. Er zijn ongelukken, die onafhankelijk van de wijze van handelen zijn en die de rechtvaardigste mens treffen; bezit hij geen één middel om zich daarvoor te vrijwaren?

“Dan moet hij zich, indien hij vooruit wil gaan, met gelatenheid onderwerpen en ze zonder morren dragen; maar hij vindt altijd troost bij zijn geweten, dat hem de hoop op een betere toekomst schenkt, als hij datgene doet, wat men doen moet om die te verkrijgen.”

 

925. Waarom begunstigt God met de gaven van de rijkdom sommige mensen, welke het ons voorkomt dit niet te hebben verdiend?

“In de ogen van hen, die alleen het tegenwoordige zien komt dit als een gunst voor; maar weet, dat de fortuin ene beproeving is, die dikwijls veel gevaarlijker is dan gebrek.” (Zie 814 en volgende.).

 

926. Is de beschaving, door het doen ontstaan van nieuwe behoeften, geen bron van nieuwe smarten?

“De smarten van deze wereld zijn aan de kunstmatige behoeften, die gij u zelf schept, evenredig. Hij, die zijne wensen weet te beperken en zonder afgunst hen, die boven hem zijn, ziet, bespaart zich vele teleurstellingen in dit leven. De rijkste is hij, die de minste behoeften heeft.

Gij benijdt de genietingen van hen, die gij als de gelukkigen van de wereld beschouwt; maar is het u bekend wat voor hen weggelegd is? Indien zij alleen voor zichzelf genieten, zijn zij baatzuchtig, en dan zal zich de keerzijde vertonen. Beklaag hen veeleer. God laat het soms toe dat het de goddeloze wel gaat, maar zijn geluk is niet benijdenswaardig, want hij zal daarvoor met bittere tranen boeten. Indien de rechtvaardige ongelukkig is, is het een beproeving, die hem toegerekend zal worden, als hij die met moed draagt. Gedenk de woorden van Jezus: Zalig zijn die treuren, want zij zullen getroost worden.”

 

927. Het overtollige is zeker niet onontbeerlijk om gelukkig te zijn, maar hetzelfde kan men niet van het nodige zeggen; is dus het ongeluk van degenen, die het nodige ontberen, niet een wezenlijk ongeluk?

“De mens is slechts wezenlijk ongelukkig als hij lijdt door gebrek aan het nodige dat voor het leven en de gezondheid van het lichaam vereist wordt. Deze ontbering is wellicht een gevolg van eigen schuld, en dan moet hij dit alleen aan zichzelf wijten; indien het de schuld van anderen is, komt de verantwoordelijkheid op hem neer, die er de oorzaak van is.”

 

928. God wijst ons klaarblijkelijk door onzen verschillenden natuurlijken aanleg onze roeping in deze wereld aan. Worden niet vele ongelukken veroorzaakt doordien wij die roeping niet opvolgen?

“Dit is waar, en het zijn dikwijls de ouders, die door hoogmoed of gierigheid, hunne kinderen de weg, die de natuur hen aangewezen had, doen verlaten, en die door deze ver­plaatsing hun geluk in de waagschaal stellen, zij zullen daarvoor verantwoordelijk zijn.”

- Dus zoudt gij het goed vinden dat de zoon van een in de wereld hoog geplaatst persoon bijvoorbeeld klompenmaker werd, indien hij aanleg voor dat vak had?

“Men moet niet in het ongerijmde vervallen, en niets overdrijven; de beschaving heeft hare eisen. Waarom zou de zoon van een zoals gij het noemt hoog geplaatst persoon klompen maken, als hij iets anders doen kan? Hij zal zich altijd naar de mate van zijne kundigheden nuttig kunnen maken, indien die kundigheden niet verkeerd toegepast worden. Zo zal hij in plaats van een slecht advocaat, misschien een heel goede werktuigkundige kunnen worden, enz.”

 

 

De verplaatsing de mensen buiten de sfeer van hunne intellectuele ontwikkeling is zeker een van de menigvuldigste oorzaken van teleurstelling. De ongeschiktheid voor de gekozen werkkring is een onuitputtelijke bron van tegenspoeden; daarbij voegt zich dan de eigenliefde, die de gevallen mens belet om tot een meer nederige werkkring zijn toevlucht te nemen, en hem de zelfmoord als het beste middel aanwijst om datgene te ontgaan, wat hij een vernedering noemt. Indien een zedelijk opvoeding hem boven de dwaze vooroordelen van de hoogmoed verheven had, zoude hij nooit hulpeloos zijn.

 

 

929. Er zijn mensen, die zelfs dan wanneer rondom hen overvloed heerst, van alle hulpmiddelen verstoken zijn, en niet anders dan de dood in 't verschiet hebben; wat moeten deze doen, zich van honger laten omkomen?

“Men moet het nooit in de gedachte hebben, zich van honger te doen sterven; indien de hoogmoed zich niet tussen de behoefte en de arbeid plaatste, zou men altijd middel vinden om zich te voeden. Men zegt dikwijls er bestaat geen zot ambacht; het is niet de stand, die onteerd; men zegt dit voor anderen en niet voor zichzelf.”

 

930. Het is duidelijk dat men, zonder de maatschappelijke vooroordelen, door welke men zich laat beheersen, altijd het een of ander werk zoude vinden, dat ons zoude kunnen doen leven, al moest men ook daardoor in stand verminderen; maar er zijn mensen, die geen vooroordelen hebben, of ze opzij zetten, die door ziekte of andere van hunnen wil onafhankelijke oorzaken in de onmogelijkheid verkeren om in hun onderhoud te voorzien?

“In een naar de wet van Christus ingerichte maatschappij, mag niemand van honger sterven.”

 

 

Bij een wijze en zorgdragende maatschappelijke inrichting, kan de mens alleen door eigen schuld het nodige ontbreken; maar die schuld is dikwijls een gevolg van de omgeving, in welke hij geplaatst is. Wanneer de mens Gods wet zal opvolgen, zal er een maatschappelijke orde bestaan, gegrondvest op rechtvaardigheid en solidariteit en de mens zelf zal ook beter zijn. (Zie 793)

 

 

931. Waarom zijn de lijdende klassen menigvuldiger in de maatschappij dan de gelukkige?

“Niet ene klasse is volmaakt gelukkig, en wat men als geluk beschouwt, verbergt dikwijls grievend verdriet; het lijden bestaat overal. Om evenwel op uwe gedachte te antwoorden zal ik u zeggen dat de klassen, die gij als lijdende beschouwt, menigvuldiger zijn, omdat de aarde een plaats van boetedoening is. Wanneer de mens de aarde tot een verblijf van het goede en van goede Geesten gemaakt zal hebben, zal hij er niet meer ongelukkig en zij voor hem het aardse paradijs zijn.”

 

932. Waarom hebben de bozen door hunnen invloed in de wereld, de overhand over de goeden?

“Door de zwakheid van de goeden; de bozen zijn geslepen en stoutmoedig, de goede beschroomd; wanneer deze het zullen willen, zullen zij de overhand hebben.”

 

933. Zo de mens dikwijls zelve de bewerker van zijn materieel lijden is, is hij dit dan ook van zijn zedelijk lijden?

“Nog meer; want het materieel lijden is dikwijls van zijnen wil onafhankelijk; maar gekwetste hoogmoed, bedrogen eerzucht, de angstige zorgen van de gierigheid, wangunst, jaloersheid, in een woord alle driften zijn martelingen voor de ziel.

Wangunst en jaloezie! Gelukkig zij, die deze twee knagende wormen niet kennen! Met wangunst en jaloezie, is voor hem, die door deze kwalen is aangetast, geen kalmte, geen rust mogelijk; de voorwerpen van zijne begeerlijkheid, van zijn haat en spijt, doemen voor hem op als spoken, die hem geen rust laten en hem zelfs in zijn slaap vervolgen. De wangunstige en jaloerse verkeert in een onophoudelijke koorts. Is nu dit een benijdenswaardige toestand, en begrijpt gij niet, dat de mens zich door zijne driften vrijwillig martelingen schept, en dat de aarde voor hem een ware hel wordt?”

 

 

Verscheidene uitdrukkingen schilderen op een treffende wijze de gevolgen van zekere driften; men zegt: bersten van hoogmoed, van nijd vergaan, van nijd of jaloezie uitdrogen, lust tot eten of drinken er door verliezen, enz.; dit tafereel is maar al te waar. Dikwijls heeft de jaloezie geen bepaald voorwerp tot doel. Er zijn mensen die van natuur jaloers zijn op alles wat zich verheft, op alles wat boven de gewone loop der dingen gaat, zelfs dan wanneer zij er persoonlijk niet het minste belang bij hebben, maar alleen omdat zij er zelve niet bij kunnen reiken; alles wat hen als hoven de horizont zich verheffende voorkomt, hindert hen, en indien zij de meerderheid in de maatschappij hadden, zouden zij alles tot hun standpunt willen terugbrengen. Het is jaloezie gevoegd bij middelmatigheid.

De mens is dikwijls alleen ongelukkig omdat hij zoveel gewicht aan de dingen hier beneden hecht; teleurgestelde ijdelheid, eerzucht en begeerlijkheid maken hem ongelukkig. Indien hij zich hoven de engte kring van het stoffelijk leven plaatste, indien hij zijne gedachte tot de oneindigheid, die zijne toekomst is verheft, komen hem de menselijke wederwaardigheden nietig en kinderachtig voor, evenals het verdriet van een kind, dat bedroefd is over het verlies van een stuk speelgoed, waarin het zijn grootste geluk stelde.

Hij, die slechts al wat tot voldoening van hoogmoed en van grove lusten kun strekken, als geluk beschouwt, is ongelukkig als hij die behoeften niet kan bevredigen, terwijl degene, die niets overdadigs vraagt, gelukkig is onder omstandigheden, die anderen als grote ongelukken beschouwen.

Wij spreken van de beschaafde mens, want de wilde heeft meer beperkte behoeften en heeft dus niet dezelfde rede voor begeerlijkheid en angst; zijne wijze van beschouwen van alles is geheel verschillend. In de beschaafde stand, beredeneert en ontleedt de mens zijn ongeluk; daarom wordt hij er meer door aangedaan maar hij kan ook de troostgronden beredeneren en ontleden. Deze troostgronden put hij in het Christelijke gevoel, dat hem de hoop op een betere toekomst, en in het spiritisme, dat hem de zekerheid van die toekomst geeft.

 

 

Verlies van geliefde betrekkingen.

 

 

934. Is het verlies van hen, die ons lief zijn, niet een van die verliezen, die bij ons een des te rechtmatiger droefheid veroorzaken, doordien het onherstelbaar en van onzen wil onafhankelijk is?

“Deze oorzaak van verdriet, treft de rijke zowel als de arme; het is of een beproeving, of een boete, en een wet voor allen; maar het is een troost om met uwe vrienden door de middelen, die gij bezit, in gemeenschap te kunnen zijn, in afwachting dat gij er een meer rechtstreekse en meer door uwe zinnen waarneembare zult hebben.

 

935. Wat moeten wij denken omtrent de bewering van hen, die de mededelingen van gene zijde van het graf als heiligschennis beschouwen?

“Er kan geen heiligschennis bestaan als het met innige overpeinzing plaats vindt, en als de oproeping eerbiedig en met betamelijkheid gedaan wordt; dit wordt bewezen doordien de Geesten die u liefhebben, dan gaarne komen; zij zijn gelukkig door uw aandenken en door zich met u te onderhouden indien men het lichtvaardig deed, zou het heiligschennis wezen.”

 

 

De mogelijkheid om met de Geesten in gemeenschap te komen is een zoete troost, daar zij ons het middel schenkt om ons met onze bloedverwanten en vrienden die vroeger dan wij de aarde verlieten, te kunnen onderhouden. Door de oproeping trekken wij hen nader tot ons, zij zijn naast ons, horen en antwoorden ons er bestaat als 't ware tussen hen en ons geen scheiding meer. Zij staan ons bij met hunnen raad, en betuigen ons hunne toegenegenheid en tevredenheid, die zij door onze herinnering aan hen, voelen. Voor ons is het ene voldoening hen gelukkig te weten, door henzelf de bijzonderheden van hun nieuw leven te vernemen, en de zekerheid te verkrijgen, dat wij op onze beurt ons met hen zullen herenigen.

 

 

936. Hoe worden de Geesten, die het voorwerp van onze droefheid zijn, door de radeloze droefheid van de achterblijvende aangedaan?

“De Geest is gevoelig voor ons aandenken en voor het leedwezen van hen, die hem lief gehad hebben, maar een eindeloze en onverstandige droefheid doet hem verdrietig aan, omdat hij in die overdreven droefheid gebrek aan geloof in de toekomst en aan vertrouwen op God, en dientengevolge een beletsel tot vooruitgang en wellicht tot wederzien, ziet.”

 

 

De Geest gelukkiger zijnde dan op aarde, wordt, hem terug te wensen: betreuren dat hij gelukkig is. Twee vrienden zijn van hunne vrijheid beroofd en in dezelfde gevangenis opgesloten: beiden moeten zij eens in vrijheid gesteld worden, maar de een verkrijgt zijne vrijheid voor de andere. Zou het nu van de achterblijvende liefderijk zijn, boos te zijn dat aan zijn vriend voor hem de vrijheid gegeven wordt? Zoude het van zijne kant niet veeleer egoïsme dan toegenegenheid zijn, als hij verlangde dat hij zijne gevangenis en zijn lijden zo lang als hij zelfs dit ondergaan moet, met hem zou delen? Zo is het ook met twee wezens, die elkaar op aarde liefhebben; degene, die het eerste vertrekt, is het eerste verlost en wij moeten hem daarmede gelukwensen, en met geduld het ogenblik afwachten, waarop wij het ook op onze beurt zullen zijn.

Wij zullen hier nog een ander voorbeeld bijvoegen: Gij bezit een vriend, die bij u, in zeer moeilijke omstandigheden verkeert; zijne gezondheid of wel zijn belang eist dat hij naar een ander land trekt, waar hij het in alle opzichten beter zal hebben. Hij zal voor een tijd niet meer bij u zijn, maar gij zult altijd briefwisseling met hem kunnen voeren, de scheiding zal slechts lichamelijk zijn. Zoudt gij, nu het voor zijn welzijn is, boos over zijn vertrek zijn?

Door de duidelijkste bewijzen, die zij ons geeft van een toekomstig leven, van de tegenwoordigheid rondom ons van hen, die ons lief gehad hebben, van de voortduring van hunne toegenegenheid en zorg, door ons in staat te stellen ons met hen te onderhouden, biedt ons de leer van het spiritisme bij een van de oorzaken van de meest gerechtvaardigde droefheid de meest verhevene troost aan. Met het spiritisme, bestaat er geen eenzaamheid meer, geen verlaten toestand; de meest eenzaam levende mens, is altijd omringd door vrienden, met wie hij zich kan onderhouden.

Wij dragen de wederwaardigheden van het leven met ongeduld; zij komen ons zo ondragelijk voor dat wij ons niet kunnen voorstellen die te zullen kunnen doorstaan; en toch, wanneer wij die met moed gedragen hebben, indien wij aan ons gemor het stilzwijgen hebben weten opleggen, zuilen wij later als wij deze aardse gevangenis zullen verlaten hebben, onszelf gelukwensen, zoals de kranke hij zijne genezing zichzelf geluk wenst, zich aan een pijnlijke behandeling te hebben onderworpen.

 

 

Teleurstellingen. Ondankbaarheid. Teleurgestelde liefde.

 

 

937. Zijn de teleurstellingen, welke men ten gevolge van de ondankbaarheid en door de broosheid van de vriendschapsbanden ondervindt, voor de gevoelige mens ook niet een bron van hartzeer?

“Ja; maar wij leren u, ondankbare en trouweloze vrienden te beklagen; zij zullen ongelukkiger zijn dan gij. Ondankbaarheid is de dochter van het egoïsme, en de egoïst zal later ongevoelige harten, zoals hij zelf er een geweest is, vinden. Denk aan allen die meer goed gedaan hebben dan gij en die met ondankbaarheid beloond zijn. Bedenk dat zelfs Jezus bij zijn leven bespot en veracht is, voor een bedrieger en volksverleider is uitgemaakt, en verwonder u dan niet dat men ook zo ten uwen opzichte handelt. Laat het goede, dat gij hebt kunnen doen, uwe beloning in deze wereld zijn, en let niet op hetgeen zij, die uwe weldaden ontvangen hebben, er van zeggen. De ondankbaarheid is een beproeving voor uwe volharding in goed doen; het zal u toegerekend worden, en zij die u miskend hebben, zullen naarmate hunne ondankbaarheid groter geweest is, er des te zwaarder voor gestraft worden.”

 

938. Zijn de teleurstellingen, die door ondankbaarheid veroorzaakt worden, niet geschikt om ons hart te verharden en gevoelloos te maken?

“Dat zou verkeerd zijn; want de gevoelige mens, zoals gij hem noemt, voelt zich altijd gelukkig door het goede, dat hij doet. Hij weet dat als men zich dit niet in dit leven herinnert, men het zich in een ander leven herinneren zal, en dat de ondankbare er schaamte en wroeging over voelen zal.”

- Deze gedachte belet toch niet, dat zijn hart gekrenkt wordt; kan dit bij hem de gedachte ook niet doen ontstaan, dat het beter zou zijn, niet zo gevoelig te wezen?

“Ja, indien hij aan het geluk van de egoïst de voorkeur geeft; en dat is een akelig geluk! Hij wete dan, dat ondankbare vrienden die hem verlaten, zijne vriendschap niet waardig zijn, en dat hij zich te hunnen opzichte bedrogen heeft; en dan moet hij ze niet betreuren. Later zal hij er andere vinden, die hem beter zullen begrijpen. Beklaag hen die zich slechte handelingen jegens u veroorloven die gij niet verdiend hebt, want er zal voor hen een droevige ommekeer komen; maar laat het u niet krenken: dit is de enige wijze om u boven hen te verheffen.”

 

 

De natuur heeft aan de mens de behoefte gegeven om lief te hebben en geliefd te worden. Harten te vinden die met 't zijne sympathiseren is een van de grootste genietingen, die hem op aarde gegund is; op die wijze schenkt zij hem de eerstelingen van het geluk dat voor hem in de wereld van de volmaakte Geesten waar alles liefde en welwillendheid is, weggelegd is; dit is een genot dat aan de egoïst ontzegd is.

 

 

Tegenzinwekkende huwelijken.

 

 

939. Daar de sympathiserende Geesten geneigd zijn, zich met elkaar te verenigen, hoe komt het dan, dat dikwijls de liefde bij geïncarneerde Geesten slechts van ene kant beantwoord wordt, en de vurigste liefde, die twee wezens elkaar toedragen, in tegenzin en soms in haat kan veranderen?

“Gij begrijpt dus niet dat dit, doch slechts tijdelijk, een straf is. Hoe velen zijn er bovendien niet, die geloven hartstochtelijk te beminnen, omdat zij slechts op de schijn afgaande, als zij verplicht zijn met de personen te leven, spoedig bemerken dat het slechts een materialistische vooringenomenheid was! Het is niet voldoende ingenomen te zijn met iemand, die u bevalt en aan wie gij goede eigenschappen toeschrijft; het is door werkelijk met hem om te gaan dat gij hem zult kunnen waarderen. Hoe vele huwelijken zijn er daarentegen niet, die op het eerste gezicht nooit simpathetisch schijnen te zullen zijn, en die wanneer de een de ander heeft leren kennen en na elkaar goed bestudeerd te hebben, met een duurzame en innige liefde eindigt, omdat die liefde op achting gegrond is. Gij moet niet vergeten dat het de Geest is en niet het lichaam, die lief heeft; en als de illusies van het stoffelijke voorbij zijn, ziet de Geest de werkelijkheid.

Er bestaan twee soorten van liefde, die van het lichaam en die van de ziel, en men neemt dikwijls de ene voor de andere. De liefde van de ziel is duurzaam als zij rein en simpathetisch is, die van het lichaam is onbestendig; dat is de reden waardoor dikwijls zij, die geloven met een eeuwige liefde te beminnen, elkaar haten zodra de illusies verdwenen zijn.”

 

940. Is het gebrek aan sympathie tussen wezens, die bestemd zijn met elkaar te leven, ook niet een bron van lijden, dat des te groter is, omdat het een geheel leven verbittert?

“Zeer zeker; maar het is een van die ongelukken, waarvan gij zelf de eerste oorzaak zijt; vooreerst zijn uwe wetten verkeerd, want gelooft gij dat God u dwingt te blijven met hen die u tegenstaan? Verder beoogt gij met die huwelijken meer de bevrediging van uwen hoogmoed en eerzucht, dan het geluk hetwelk men door een wederkerige genegenheid geniet, gij draagt slechts de gevolgen van uwe vooroordelen.”

- Maar is er in zulk een geval niet meestal een onschuldig slachtoffer?

“Ja, en voor die is het een zware boetedoening; maar de verantwoordelijkheid voor zijn ongeluk zal op hen, die er de oorzaak van zijn geweest, neerkomen. Indien het licht der waarheid zijne ziel doordrongen heeft, zal hij zijn troost in zijn vertrouwen in de toekomst putten. Naarmate de vooroordelen verminderen, zullen trouwens ook de oorzaken van die huiselijke ongelukken verdwijnen.”

 

 

Vrees voor de dood.

 

 

941. De vrees voor de dood is voor velen een bron van grote ongerustheid, van waar die vrees, daar zij de toekomst in 't verschiet hebben?

“Zij zijn ten onrechte bevreesd; maar wat zal ik u zeggen! men tracht hen in hunne jeugd diets te maken dat er een hel en een hemel is, maar dat het waarschijnlijker is dat zij naar de hel zullen gaan, omdat men hen vertelt dat, wat in de natuur is, een doodzonde voor de ziel is; als zij dan volwassen zijn en een weinig gezond verstand bezitten, kunnen zij dit niet meer geloven, en worden dan godloochenaars of materialisten; op die wijze brengt men hen er toe te geloven dat er na dit leven, niets meer is. De anderen, die in het geloof van hunne kindsheid volhard hebben, verkeren in angst voor dat eeuwige vuur, dat hen branden moet zonder hen te verteren.

De dood boezemt de rechtvaardige geen vrees in, omdat hij door het geloof de zekerheid van de toekomst heeft; de hoop doet hem een beter leven afwachten, en de liefde, van wie de wet hij opvolgt, schenkt hem de zekerheid dat hij in de andere wereld, die hij gaat binnentreden, niemand zal ontmoeten, wiens aanblik hij te duchten zal hebben.” (Zie 730)

 

 

De zinnelijke mens, meer aan het lichaam dan aan het geestelijke leven gehecht, vindt op aarde stoffelijke wederwaardigheden en genietingen; hij zoekt zijn geluk in het kortstondig genoegen, dat de bevrediging van alle zijne wensen schenkt; zijne ziel altijd bezig met en aangedaan door de wederwaardigheden van het leven, ondergaat een eeuwigdurende angst en marteling. Hij is voor de dood bevreesd, omdat hij aan zijne toekomst twijfelt en alles op aarde achter laat wat hem lief is en waarop hij zijn hoop gevestigd heeft.

De zedelijke mens, die zich boven de door harstochten kunstmatig opgewekte behoeften weet te verheffen, geniet reeds op aarde genoegens, die aan de zinnelijke mens onbekend zijn. De gematigdheid van zijne wensen geeft kalmte en rust aan zijn Geest. Gelukkig door het goede dat hij gedaan heeft, bestaan er voor hem geen teleurstellingen, en de belemmeringen die hem in de weg staan, maken geen indruk op zijn ziel en laten geen pijnlijke sporen achter.

 

 

942. Zullen sommige mensen deze raad om op aarde gelukkig te zijn, niet een weinig banaal vinden; zullen zij ze niet als afgesleten gezegden, als dikwijls herhaalde waarheden beschouwen; en ten slotte zeggen dat het geheim om gelukkig te zijn eenvoudig daarin bestaat, zijn ongeluk te weten dragen?

“Er zullen er en zelfs velen, zijn, die dat zeggen, maar het gaat met hen als met vele zieken, aan wie de geneesheer matigheid voorschrijft; zij zouden gaarne zonder medicijnen willen genezen, doch tevens voortgaan met zich te overeten.”

 

 

Afkeer van het leven. Zelfmoord.

 

 

943. Waardoor ontstaat de afkeer van het leven, die zich zonder gegronde rede van sommige mensen meester maakt?

“Gevolg van lediggang, gebrek aan geloof en dikwijls ook gevolg van oververzadiging.

Voor degene, die zijne vermogens tot een nuttig doel en volgens zijne natuurlijke aanleg gebruikt, heeft de arbeid niets dors, en gaat het leven spoedig om; hij draagt de tegenspoeden met des te meer geduld en gelatenheid naarmate hij handelt met het vooruitzicht voor ogen dat hem een hechter en meer duurzaam geluk wacht."

 

944. Staat het de mens vrij over zijn eigen leven te beschikken?

“Nee, God alleen heeft dat recht. Vrijwillige zelfmoord is een overtreding van die wet.”

- Is zelfmoord niet altijd vrijwillig?

“De krankzinnige, die zich van het leven beroofd, weet niet wat hij doet.”

 

945. Hoe moeten wij zelfmoord, gepleegd uit afkeer voor het leven beschouwen?

“Dwazen! waarom hebben zij niet gearbeid? Dan zou hen het leven niet tot last geworden zijn!”

 

946. Hoe moeten wij denken over de zelfmoord gepleegd om aan de ellende en teleurstellingen van deze wereld te ontkomen?

“Arme Geesten, die de moed niet hebben om de ellende van het leven te dragen! God helpt hen die lijden, maar niet hen, die kracht noch moed bezitten. De wederwaardigheden van het leven zijn beproevingen of boeten; gelukkig zij, die ze zonder morren dragen, want zij zullen er voor beloond worden! Wee daarentegen hen, die hunne redding wachten van hetgeen zij in hunne goddeloosheid, toeval of geluk noemen! Het toeval of het geluk, om hunne taal te gebruiken kan hen, weliswaar, tijdelijk gunstig zijn, maar het is om hen later en met meer gestrengheid de zinledigheid van die woorden te doen voelen.”

- Zullen degenen, die de ongelukkige ertoe gebracht hebben deze wanhopige daad te plegen er de gevolgen van dragen?

“0! wat hen aangaat. Wee hen! want zij zullen zich daarover, als over een moord moeten verantwoorden.”

 

947. Wanneer iemand, die met gebrek te kampen heeft, zich uit wanhoop laat sterven, kan men dit dan als het plegen van zelfmoord beschouwen?

“Het is zelfmoord, maar zij, die er de oorzaak van zijn, of die het hadden kunnen voorkomen, zijn schuldiger dan hij, en hem staat toegevendheid te wachten. Geloof evenwel niet dat hij geheel en al vrijgesproken zal worden, als het hem aan vastheid en volharding ontbroken heeft, en als hij zijn verstand niet gebruikt heeft om zich uit de nood te redden. Wee hem! vooral, als zijn wanhoop uit hoogmoed voortkomt; ik wil zeggen, als hij ene van die mensen is, hij bij wie de hoogmoed de hulpmiddelen, die het verstand ons geeft, verlamt, die zich schamen zouden om door middel van handenarbeid in hun onderhoud te voorzien en liever van honger zouden sterven dan van hun maatschappelijk standpunt zoals zij dat noemen, afdalen ! Is het niet honderd malen grootser en waardiger tegen het ongeluk te kampen, en het oordeel van een beuzelachtige en baatzuchtige wereld te trotseren, die slechts hen, dien het aan niets ontbreekt, genegen is, en u de rug toekeert als gij haar nodig hebt? Zijn leven voor de achting, die ons die wereld toedraagt, opofferen, is dwaasheid, want zij dankt er u niet in 't minste voor.”

 

948. Is zelfmoord, gepleegd met het doel om zich aan de schande, die op een slechte daad volgt, te onttrekken, even berispelijk als die, welke uit wanhoop gepleegd wordt?

“Zelfmoord wist geen misdaad uit, integendeel, er zijn er nu twee in plaats van een gepleegd. Als men de moed gehad heeft kwaad te doen, moet men ook die hebben om er de gevolgen van te dragen. God oordeelt, en kan naar gelang van de oorzaak, die ertoe geleid heeft, zijne gestrengheid verzachten.”

 

949. Is zelfmoord verschoonhaar als hij tot doel heeft om voorkomen dat schande over kinderen of bloedverwanten komt?

“Hij, die het met dat oogmerk doet, handelt niet goed, doch denkt goed te handelen, en God zal het hem toerekenen, want het is ene boetedoening, die hij zichzelf oplegt. Door de bedoeling, die hij er mede heeft, vermindert hij zijne fout, maar hij pleegt er niettemin een. Doch neem de misbruiken uit uwe maatschappij weg en ontdoe u van uwe vooroordelen, en er zullen geen zelfmoorden meer plaats vinden.”

 

 

Degene, die om aan de schande te ontkomen, zichzelf het leven beneemt, bewijst dat hij zich meer aan de achting van de mensen dan die van God laat gelegen liggen, want hij zal met zijne ongerechtigheden beladen in de Geestenwereld terugkomen, en hij heeft zichzelf van het middel beroofd om die gedurende zijn leven te herstellen. God is dikwijls minder onverbiddelijk dan de mens, hij vergeeft aan het oprecht berouw, en rekent er ons de herstelling van toe; door zelfmoord wordt niets hersteld.

 

 

950. Hoe moet men de mens beschouwen, die zichzelf het leven beneemt om des te spoediger een beter leven deelachtig te worden?

“Dit is weer een andere dwaasheid! laat hij goed doen en hij zal er zekerder komen; want hij vertraagt zijne komst in een betere wereld en hij zal er zelve om vragen dat leven dat hij afgesneden heeft te komen beëindigen. Het heiligdom der uitverkorenen wordt nooit door een fout geopend, welke die ook zijn moge.”

 

951. Is de opoffering van eigen leven niet dikwijls verdienstelijk, als zij ten doel heeft om dat van anderen te redden, of voor anderen nuttig te zijn?

“Dat is verheven door het doel, en de opoffering van het leven is dan geen zelfmoord; maar God veroordeelt een nutteloze opoffering, en deze kan Hem niet welgevallig zijn, als zij door hoogmoed bezoedeld is. Een opoffering heeft alleen waarde door belangeloosheid, en degene, die het offer brengt, heeft soms bijoogmerken, die er in Gods ogen de waarde van verminderen.”

 

 

Iedere opoffering ten koste van eigen geluk gedaan, is, in Gods ogen een in de hoogste graad verdienstelijke handeling, want het is de toepassing van de wet van liefde. En daar het leven het hoogste goed is, waarop de mens op aarde prijs stelt, begaat degene, die daarvan voor het welzijn van zijne natuurgenoten afstand doet, geen misdaad: het is een offer, dat hij brengt. Maar voordat hij dit volvoert, moet hij overwegen of zijn leven niet nuttiger kan zijn dan zijn dood.

 

 

952. Begaat een mens zelfmoord, als hij sterft ten gevolge van het misbruik maken van zijne hartstochten, welke hij wist dat zijn leven moesten verkorten, maar waaraan hij geen weerstand heeft weten te bieden, omdat de gewoonte er voor hem wezenlijk natuurlijke behoeften van gemaakt heeft?

“Het is een zedelijke zelfmoord. Begrijpt gij niet dat de mens in die zin, dubbel strafwaardig is? Er bestaat bij hem gebrek aan moed, en verdierlijking, en daarenboven vergeet hij God.”

- Is hij schuldiger of minder schuldig dan hij, die zich het leven uit wanhoop beneemt?

“Hij is schuldiger, omdat hij de tijd heeft om zijn zelfmoord te beredeneren; bij hem, die het ogenblikkelijk doet, bestaat er soms een soort van zinsverbijstering, die de krankzinnigheid nabij komt; de andere zal veel strenger gestraft worden; want de straf is altijd evenredig aan het besef, dat men van zijne gepleegde fouten heeft.”

 

953. Als iemand een niet te vermijden, verschrikkelijke dood voor ogen heeft, is hij dan misdadig, als hij zijn lijden door een vrijwillige dood enige ogenblikken bekort ?

“Men is altijd misdadig als men de tijd door God bepaald niet afwacht. Is men er buitendien zo zeker van, al schijnt ons dat zo, dat die tijd daar is, en kan men niet op het laatste ogenblik een onverwachte hulp krijgen?”

- Men begrijpt dat in gewone omstandigheden, zelfmoord berispelijk is, maar wij stellen het geval waarbij de dood onvermijdelijk is, en in welke men het leven slechts weinige ogenblikken verkort?

“Het blijft altijd gebrek aan gelatenheid en aan onderwerping aan de wil van de Schepper.”

- Welke zijn, in dit geval, de gevolgen van die daad?

“Zoals altijd, een boetedoening evenredig aan de omstandigheden en de zwaarte van het vergrijp.”

 

954. Is ene onvoorzichtigheid , waardoor zonder nut het leven in gevaar gebracht wordt, berispelijk?

“Er bestaat geen schuld als er geen voornemen of bepaald bewustzijn bestaat dat men kwaad doet.”

 

955. Kunnen de vrouwen, die in sommige landen zich vrijwillig op het lichaam van hunne echtgenoten doen verbranden, beschouwd worden als zelfmoord te begaan, en dragen zij daarvan de gevolgen?

“Zij gehoorzamen aan een vooroordeel, en dikwijls meer aan dwang dan aan hun eigen wil. Zij geloven een plicht te vervullen, en dit karakter draagt de zelfmoord niet. De zedelijke minderheid in welke de meeste van hen verkeren, is hunne verschoning. Deze barbaarse en domme gebruiken verdwijnen met de beschaving.”

 

956. Bereiken zij hun oogmerk, die, het verlies van hun dierbare betrekkingen niet kunnende dragen, zich het leven benemen, in de hoop met hen herenigd te worden?

“De uitkomst is voor dezen, geheel anders dan zij verwacht hadden, en in plaats van met hen, die zij lief hebben, herenigd te worden, verwijderen zij zich van dezen voor een lange tijd, want God kan een lafhartige daad en de hoon Hem aangedaan door aan zijne voorzienigheid te twijfelen, niet belonen. Zij zullen die ogenblikken van dwaasheid door veel groter verdriet dan dat, wat zij vermeenden te doen ophouden, moeten boeten, en zullen ter vergoelijking niet de voldoening smaken, waar zij op gehoopt hadden.” (Zie 934 en volg.)

 

957. Welke zijn in het algemeen voor de Geest, de gevolgen van de zelfmoord?

“De gevolgen van de zelfmoord zijn zeer verschillend; er bestaat geen vaste straf voor en in ieder geval is die afhankelijk van de oorzaak, welke aanleiding tot de daad gegeven heeft; maar een uitwerksel, waaraan de zelfmoord niet kan ontsnappen is teleurstelling. Overigens is het lot van allen niet gelijk; dit hangt van omstandigheden af, sommige boeten onmiddellijk voor hun misdrijf, anderen in een nieuw leven dat erger zal zijn dan dat, waarvan zij de draad afgesneden hebben.”

 

 

De waarneming heeft inderdaad bewezen, dat de gevolgen van zelfmoord niet altijd dezelfde zijn; maar onder deze zijn er, die aan alle gevallen van gewelddadige dood, gemeen, en het gevolg van een plotseling ophouden van het leven zijn. Ten eerste de meer langdurige volharding, en meerdere vasthoudendheid van de band, die de Geest met het lichaam verbindt, daar deze band op het ogenblik, dat die verbroken wordt, gewoonlijk in volle kracht aanwezig is; terwijl bij natuurlijke dood deze trapsgewijze verzwakt, en dikwijls reeds verbroken is. Ten gevolge van die toestand ontstaat de lange duur van de geestelijke bedwelming; en de illusie, die gedurende kortere of langere tijd blijft aanhouden, waarbij de Geest in de waan verkeert, dat hij nog tot de levenden behoort. (Zie 155 en 165)

De affiniteit, die tussen de Geest en het lichaam blijft bestaan, brengt bij sommige zelfmoorden een soort van terugwerking van de toestand van het lichaam op de geest teweeg, welke dan ondanks zichzelf de gevolgen van de ontbinding voelt, en er een gewaarwording vol van afgrijzen en angst door ondervindt; en die toestand kan zolang aanhouden als het leven, dat zij vernietigd hebben, had moeten duren. Dit verschijnsel is niet algemeen, maar in geen geval wordt de zelfmoord pleger van de gevolgen van zijn gebrek aan moed, ontheven; en vroeg of laat moet hij op de ene of andere wijze voor zijn misslag boeten. Op die wijze hebben enige Geesten, die op aarde zeer ongelukkig geweest waren, ons gezegd, dat zij zich in een vorig bestaan van het leven beroofd hadden, en zich vrijwillig weer aan nieuwe beproevingen hadden onderworpen, om te trachten die met meer gelatenheid te dragen. Bij anderen is het wederom een soort van gehechtheid aan de stof, waarvan zij zich tevergeefs trachten te ontdoen, om naar een betere wereld, maar waarvan de toegang hen ontzegd is, opstijgen; bij de meesten is het 't berouw iets onnuts gedaan te hebben, waardoor zij niets dan teleurstelling ondervonden hebben.

De zelfmoord wordt door de godsdienst, door de zedenleer, door alle wijsbegeerte als strijdig met de natuur, veroordeeld; allen zeggen ons in beginsel dat men geen recht heeft om zich vrijwillig het leven te verkorten; maar waarom heeft men dat recht niet? Waarom heeft men geen vrijheid om een einde aan zijn lijden te maken? Aan het spiritisme was het voorbehouden om door voorbeelden van hen, die bezweken zijn, te bewijzen, dat het niet alleen als verkrachting van een zedelijke wet een misdaad is, een overweging, die voor zekere mensen van weinig gewicht is, maar dat het een domme handeling is, daar men niets bij wint, integendeel; het is niet ene theorie die het ons leert, maar het zijn feiten, die het ons voor ogen stelt.

(vorige)						(volgende)