Tweede Hoofdstuk.

 

Toekomstige Straffen en Genietingen.

 

 

Het niet. Toekomstig leven. Kennis bij ingeving van de toekomstige straffen en beloningen. Gods tussenkomst bij de straffen en beloningen. Aard van de toekomstige straffen en beloningen. Aardse straffen. Boetedoening en berouw. Duur van de toekomstige straffen. Opstanding van het vlees. Hemel hel en vagevuur.

 

 

Het niet. Toekomstig leven.

 

 

958. Waarom voelt de mens een instinctmatig afgrijzen voor het Niet?

“Omdat het Niet, niet bestaat.”

 

959. Hoe komt de mens aan het instinctmatige besef van het toekomstige leven?

“Wij hebben dit reeds gezegd: de Geest kende voor zijne incarnatie alle deze dingen, en de ziel behoudt een onbestemde herinnering van hetgeen zij weet en van hetgeen zij in haren staat als Geest gezien heeft.” (Zie 393)

 

 

De mens heeft zich te allen tijde met de gedachte van zijn toekomst aan de andere zijde van het graf beziggehouden, en dat is zeer natuurlijk. Hoeveel belang hij ook in dit leven stelt, moet hij toch inzien hoe kort en vooral hoe onzeker dat leven is, daar het ieder ogenblik afgebroken kan worden, en hij nooit rekenen kan op een volgende dag. Wat wordt er van hem na het noodlottige ogenblik? Dit is een ernstige vraag, want er is hier geen sprake van enige jaren, maar van de eeuwigheid. Hij, die vele jaren in een vreemd land moet gaan doorbrengen is bezorgd over de staat, in welke hij daar geplaatst zal worden, zouden wij dan geen zorg hebben over de staat, die ons deel zal wezen, als wij deze wereld verlaten, daar dit voor altijd zijn zal?

De gedachte aan het Niet, is iets waarvan de rede een afkeer heeft. De gedurende zijn leven meest onverschillige mens vraagt, als het uiterste ogenblik daar is, zichzelf af, wat er van hem worden zal, en onwillekeurig hoopt hij.

Aan God te geloven zonder het toekomstige leven aan te nemen zoude onzin zijn. Het besef van een beter leven is in het binnenste van elk mens aanwezig; God heeft het daar niet nutteloos kunnen plaatsen. Uit het toekomstige leven vloeit het behoud van onze persoonlijkheid na de dood voort; welk belang zouden wij er toch bij hebben ons lichaam te overleven, indien ons zedelijk wezen zich in de oceaan van het oneindige moest verliezen? Voor ons zoude het 't zelfde zijn als of wij niet bestonden.

 

 

Kennis bij ingeving van de toekomstige straffen en beloningen.

 

 

960. Van waar komt het geloof aan toekomstige beloningen en straffen, dat men bij alle volken aantreft?

“Het is altijd hetzelfde; voorgevoel aan de mens door de in hem geïncarneerde Geest gebracht; want, weet het, het is niet voor niet dat een inwendige stem tot u spreekt; uwe fout bestaat daarin dat gij niet naar die stem luistert. Indien gij daar dikwijls en goed aan dacht, zoudt gij beter worden.”

 

961. Welk gevoel beheerst de meeste mensen op het ogenblik van sterven, is het twijfel, vrees of hoop?

“Twijfel bij de hardnekkige twijfelaars, vrees bij hen, die zich schuldig voelen, hoop bij de rechtvaardigen.”

 

962. Hoe komt het, dat als de ziel aan de mens het bewustzijn van de geestelijke dingen schenkt, er dan nog twijfelaars bestaan?

“Er zijn er minder dan gij gelooft; velen doen zich gedurende hun leven uit hoogmoed als vrijdenkers voor, maar op het ogenblik van sterven zijn het niet meer zulke snoevers.”

        

 

Een uitvloeisel van het toekomstig leven is verantwoordelijkheid voor onze daden. De rede en de rechtvaardigheid zeggen ons, dat bij de verdeling van het geluk, naar welk elk mens haakt, de goede en de kwade niet hetzelfde deel zullen krijgen. Het kan Gods wil niet zijn dat sommigen zonder inspanning het goede zullen deelachtig worden, hetwelk anderen alléén door inspanning en volharding bereiken.

De gedachte, die God door de wijsheid van zijne wetten, ons van zijne rechtvaardigheid en goedheid geeft, laat ons niet toe te geloven dat de rechtvaardige en de boze in Zijne ogen dezelfde rang zullen bekleden, noch eraan te twijfelen dat zij eenmaal, de eens zijne beloning, de andere zijne straf zal ontvangen voor het goed of kwaad dat zij gedaan zullen hebben; het is daarom dat het aangeboren gevoel, dat wij van de rechtvaardigheid hebben, ons bij ingeving de kennis van de toekomstige straffen en beloningen schenkt.

 

 

Gods tussenkomst bij de straffen en beloningen.

 

 

963. Bemoeit God zelve zich met ieder mens? Is Hij niet te groot en wij te klein, dan dat ieder mens in het bijzonder, van enig belang in Zijne ogen zoude zijn?

“God laat zich aan alle wezens, die hij geschapen heeft, gelegen liggen; niets is voor zijne goedheid te gering.”

 

964. Is het nodig dat God zich aan elk van onze daden gelegen laat liggen om die te belonen of te straffen, en zijn de meeste van deze daden voor hem niet onbeduidend?

“God heeft Zijne wetten waarnaar alle uwe daden geregeld worden; indien gij die schendt, dan is het uwe schuld. Wanneer een mens ene overtreding begaat zal God zeker geen vonnis tegen hem uitspreken om hem bijvoorbeeld te zeggen: Gij zijt gulzig geweest, ik zal u daarvoor straffen, maar Hij heeft een grens gesteld; ziekte en zelfs de dood zijn de gevolgen van onmatigheid, dat is de straf; zij is het gevolg van de schending van de wet. Zo is het met alles.”

 

Al onze daden zijn onderworpen aan Gods wet, er is er niet een hoe onbeduidend die ook moge schijnen, welke niet de overtreding van die wet kan zijn. Indien wij de gevolgen van die overtreding ondergaan, moeten wij dit aan niemand dan aan onszelf wijten, want op die wijze maken wij onszelf tot bewerkers van ons geluk of van ons toekomstig ongeluk.

Deze waarheid wordt duidelijk door de volgende apoloog: “Een vader heeft aan zijn kind opvoeding en onderwijs, dat wil zeggen, de middelen gegeven om te weten hoe zich goed te gedragen. Hij staat hem een land af om dit te bebouwen en zegt hem: ziehier het voorschrift dat gij volgen moet en al de gereedschappen die nodig zijn, om het land vruchtbaar te maken en daardoor uw bestaan te verzekeren. Ik heb u het nodige onderwijs gegeven om die voorschriften te kunnen begrijpen indien gij die opvolgt, zal uw land veel opbrengen en u rust voor uwe oude dag bezorgen; zo niet dan zal het niets opbrengen en gij zult van gebrek omkomen. Dit gezegd hebbende, laat hij hem zijn eigen wil volgen.

Is het nu niet een waarheid dat dit land in evenredigheid van de zorg, die aan de bewerking besteed wordt, zal opbrengen en dat elke nalatigheid in het nadeel van de oogst zal zijn? De zon zal dus op zijn oude dag, gelukkig of ongelukkig wezen, al naarmate hij de gegeven voorschriften van zijn vader opgevolgd of verwaarloosd zal hebben. God zorgt nog meer voor ons, want hij waarschuwt ons telkens of wij goed of kwaad doen; hij zendt ons de Geesten om ons te inspireren, maar wij luisteren niet naar hen. Daarbij bestaat ook nog dit onderscheid, dat God aan de mens altijd door Zijne nieuwe incarnatie een redmiddel schenkt om daarin zijne misdaden van een vroeger leven te vergoelijken, terwijl aan de zon van wie wij spreken geen redmiddel meer overig blijft.

 

 

Aard van de toekomstige straffen en beloningen.

 

 

965. Hebben de straffen en genietingen van de ziel na de dood iets stoffelijke?

“Zij kunnen niet stoffelijk zijn, daar de ziel geen stof is: het gezond verstand zegt het. Die straffen en genietingen hebben niets zinnelijke, en toch zijn zij duizenden malen heviger dan die, welke gij op aarde ondervindt, omdat de Geest ééns vrij zijnde, meer voor elke indruk vatbaar is; zijne gewaarwordingen worden niet meer door de stof verstompt.” (Zie 237 tot 257).

 

966. Hoe komt het, dat de mens zich over de toekomende straffen en genietingen, een zo dikwerf ruw en ongerijmd denkbeeld vormt?

“Verstand, dat nog niet genoeg ontwikkeld is. Begrijpt het kind even goed als de volwassene? Dit hangt buitendien ook af van hetgeen hem geleerd is. Het is hierin dat hervorming nodig is.

Uwe taal is te onvolledig om datgene, wat buiten u is, uitdrukken; men wordt daardoor wel genoodzaakt vergelijkingen te maken, en die beelden hebt gij voor de werkelijkheid aangezien; maar naarmate de mens zich ontwikkelt, begrijpt zijne gedachte, dingen, die hij in zijne taal onmogelijk uitdrukken kan.”

 

967. Waarin bestaat het geluk van de goede Geesten?

“In alles te kennen; geen haat, jaloersheid, wangunst, eerzucht, noch enige andere van de hartstochten te bezitten, die de mens ongelukkig maken. De liefde die hen verenigt is voor hen de bron van de hoogste gelukzaligheid. Zij kennen geen behoeften, geen lijden, noch de zorgen van het stoffelijk leven; zij zijn gelukkig door het goede dat zij doen; het geluk van de Geesten is buitendien altijd evenredig aan hunnen trap van verhevenheid. Weliswaar genieten alleen de Zuivere Geesten de hoogste gelukzaligheid, maar al de anderen zijn niet ongelukkig; tussen de kwade en de volmaakte bestaan er een oneindig aantal trappen, bij welke de genietingen aan de zedelijke toestand evenredig zijn. Zij die genoeg gevorderd zijn, begrijpen het geluk van hen, die er eerder dan zij gekomen zijn; zij streven ernaar; maar dit dient hen tot aanmoediging, en is geen rede voor naijver, zij weten dat het van hen afhangt om dat geluk ook te bereiken, en zij arbeiden met dat doel, maar met de kalmte die een goed geweten hen schenkt, en zij voelen zich gelukkig dat zij datgene, wat de kwaden lijden moeten, niet behoeven te ondergaan.”

 

968. Onder de voorwaarden voor het geluk van de Geesten, noemt gij ook de afwezigheid van stoffelijke behoeften; maar is de bevrediging van die behoeften niet een bron van genot voor de mens?

“Ja, het genot van het dier, en als gij die behoeften niet kunt bevredigen, dan is het een marteling.”

 

969. Als men zegt dat de Zuivere Geesten, in de boezem van God verenigd zijn, en daar hunne lofzangen zingen, hoe moet men dat dan verstaan?

“Dit is een zinnebeeldige voorstelling, waardoor het begrip, dat zij van Gods volmaaktheid hebben, afgeschilderd wordt, omdat zij Hem zien en begrijpen, maar men moet dit evenmin als zo vele andere dingen letterlijk opvatten. Alles in de natuur vanaf de zandkorrel zingt de lof, dat wil zeggen verkondigt de Almacht, Wijsheid en Goedheid van God; maar denk daarom niet dat de gelukzalige Geesten in ene eeuwigdurende aanschouwing zijn; dit zoude een dom en eentonig geluk, het geluk van de egoïst zijn; want hun bestaan zou een eindeloze nutteloosheid zijn. Zij ondervinden niet meer de wederwaardigheden van het lichamelijk leven; dit alleen is reeds een genot; en daarbij, zoals wij reeds gezegd hebben, kennen en weten zij alles; zij gebruiken het verstand, dat zij verkregen hebben, om daarmede andere Geesten in hunnen vooruitgang behulpzaam te zijn; dat is hunne werkkring en een genot tevens.”

 

970. Waarin bestaat het lijden van de mindere Geesten?

“Dit is zo verschillend, als de oorzaken die dat lijden hebben doen ontstaan, en is aan hunne graad van minderheid evenredig, zoals de genietingen aan die van de verhevenheid van de Geesten evenredig zijn; zij kunnen als volgt samengevat worden: Alles aan anderen te misgunnen, wat aan hun geluk ontbreekt en voor hen onbereikbaar is; het geluk te zien en niet te kunnen bereiken, nijd, naijver, woede, wanhoop over datgene, wat hen belet gelukkig te zijn; wroeging, onbeschrijfelijke zedelijke angst. Zij hebben de zucht naar alle genietingen, en kunnen die niet bevredigen, en dat pijnigt hen.”

 

971. Is de invloed, die de Geesten op elkaar uitoefenen, altijd goed?

“Altijd goed van de kant van de goede Geesten, dit spreekt vanzelf; maar de verdorven Geesten, trachten degenen van het pad van de deugd en van het berouw afbrengen, die zij vatbaar achten om daartoe overgehaald te worden, en die zij dikwijls gedurende het leven tot het kwaad meegesleept hebben.”

- Dus bevrijdt de dood ons niet van de verzoeking?

“Nee, maar de invloed van de slechte Geesten op de andere Geesten is veel minder dan op de mens, omdat zij de hartstochten van de stof niet tot bondgenoot hebben.” (Zie 996)

 

972. Hoe leggen de kwade Geesten het aan om de andere Geesten te verleiden; daar zij daartoe de medehulp van de hartstochten missen?

“Zo al niet de hartstochten stoffelijk aanwezig zijn, bestaan zij toch bij de achterlijke geesten in gedachte; de slechten onderhouden die gedachten door hunne slachtoffers naar die plaatsen meeslepen, waar zij het gezicht van die hartstochten en al wat die kunnen opwekken, voor ogen hebben.”

- Maar waartoe dienen die hartstochten, daar zij in werkelijkheid geen doel meer hebben?

“Hierin bestaat juist hunne kwelling: de gierigaard ziet goud, dat niet in zijn bezit kan komen; de wellusteling, zwelgerijen waaraan hij geen deel kan nemen; de hoogmoedige, eerbewijzen, die hij benijdt en niet genieten kan.”

 

973. Welke is de grootste pijniging, die de kwade Geesten te verduren hebben?

“Het is onmogelijk de zedelijke martelingen te beschrijven die de straf van sommige misdaden zijn; zelfs hij, die ze ondergaat, zou moeite hebben er een denkbeeld van te geven; maar de verschrikkelijkste is zeker de gedachte dat hij voor altijd veroordeeld is.”

 

 

Naar gelang van zijn verstand vormt de mens zich van de straffen en genietingen van de ziel na de dood een meer of minder verheven denkbeeld. Hoe meer hij zich ontwikkelt, wordt dat denkbeeld des te zuiverder en vrij van de stof; hij beschouwt de dingen uit een meer redelijk oogpunt, en vat de schilderingen van een zinnebeeldige taal niet meer letterlijk op. Daar de meer verlichte rede ons leert dat de ziel een geheel geestelijk wezen is, zegt zij ons daardoor tevens dat zij geen indruk kan ondervinden van datgene, wat alleen op de stof invloed uitoefent maar daaruit vloeit daarom niet voort, dat zij vrij van lijden is, noch dat zij voor haar fouten geen straf ondergaat. (Zie 237)

Door de spiritist mededelingen wordt ons de toestand van de ziel in het toekomende leven, niet meer als een theorie voorgesteld maar wordt voor ons een werkelijkheid; zij stellen ons alle toestanden van het leven aan gene zijde van het graf voor ogen; maar wijzen ons die tegelijkertijd aan als het volstrekt logische gevolg van het aardse leven, en, al zijn die vrij van het fantastische toestel, dat de menselijke verbeelding er aan heeft toegevoegd, zijn zij daarom voor hen, die van hunne vermogens een slecht gebruik gemaakt hebben, niet minder zwaar. De verscheidenheid in die gevolgen is oneindig, maar in het algemeen kan men zeggen: dat ieder gestraft wordt door datgene, waarin hij gezondigd heeft; zo worden sommige gestraft door altijd het kwaad, dat zij bedreven hebben, voor ogen te hebben; anderen door spijt, vrees, schaamte, twijfel, eenzaamheid, duisternis, scheiding van de wezens die hen dierbaar zijn, enz.

 

 

974. Hoe is de leer van het eeuwige vuur ontstaan?

“Het is een beeld, dat men zoals zo vele andere dingen als werkelijkheid beschouwd heeft.”

- Maar kan de vrees ervoor niet een goede uitwerking hebben?

“Ga zelf na of er velen gevonden worden, zelfs onder degenen, die het verkondigen, die daardoor van het kwaad terug gehouden worden. Als gij iets leert wat later door de rede verworpen wordt, zult gij een indruk teweeg brengen, die noch duurzaam noch heilzaam wezen zal.”

 

 

De mens, in zijne taal de aard van dat lijden niet kunnende beschrijven, heeft geen krachtiger vergelijking kunnen vinden dan het vuur, want voor hem is dit de type van het hevigste lijden, en het zinnebeeld van de krachtigste werking; het is daardoor dat men het geloof aan het eeuwig vuur in de oudste tijden terugvindt; de nieuwere volken hebben dit van de ouderen overgeërfd, daarom zegt men ook in beeldspraak: het vuur der hartstochten; van liefde blaken; van jaloersheid verteerd worden, enz.

 

 

975. Begrijpen de mindere Geesten het geluk van de rechtvaardigen?

“Ja, en dat is juist voor hen een straf; want zij begrijpen dat zij daarvan door eigen schuld verstoken zijn; en het is daardoor dat de Geest, als hij van de stof bevrijd is, naar een nieuw lichamelijk leven verlangt, omdat elk bestaan, als dit goed besteed wordt, de duur van die straf kan bekorten. Het is dan, dat hij een keus van beproevingen doet, door middel van welke hij voor zijne fouten zal kunnen boeten; want weet, dat de Geest lijdt door al het kwaad dat hij gedaan heeft, of waarvan hij de vrijwillige oorzaak geweest is, door al het goede dat hij had kunnen doen, en niet gedaan heeft, en door al het kwaad, dat veroorzaakt is, door het goede dat hij niet gedaan heeft.

Voor de omdolende Geest, is niets meer achter een sluier verborgen; hij bevindt zich als uit de nevel tredende en ziet wat hem van het geluk verwijderd houdt; hierdoor is zijn lijden groter, want hij begrijpt hoe misdadig hij geweest is. Voor hem bestaan er geen illusies meer; hij ziet de dingen, zoals zij werkelijk zijn.”

 

 

 

In de staat van omdoling omvat de Geest aan de ene kant alle zijne vroegere levens, en aan de andere ziet hij de beloofde toekomst en begrijpt wat hem ontbreekt om die te bereiken. Zo ziet een reiziger op de top van een berg aangekomen, de weg, die hij afgelegd heeft, en die welke hij nog af moet leggen om zijne bestemming te bereiken.

 

 

976. Is het gezicht van de lijdende Geesten geen bron van verdriet voor de goede, en indien zulks het geval is, wat wordt er dan van hun geluk, als dit daardoor verstoord wordt?

“Het is geen verdriet, want zij weten dat dit leed eens een einde zal hebben; zij helpen de anderen om zich te verbeteren en reiken hen de hand; dat is hunnen werkkring, en voor hen een genot, indien zij daarin slagen.”

- Voor zover het vreemde of hen onverschillige Geesten betreft, kunnen wij dit begrijpen, maar wordt hun geluk niet verstoord door het gezicht van het verdriet en het lijden van hen, die zij op aarde hebben liefgehad?

“Indien dat lijden niet door hen gezien werd, zou dit komen doordien zij vreemdelingen voor u geworden zouden zijn; en de godsdienst leert u dat de zielen u zien; maar zij beschouwen uw verdriet uit een geheel ander oogpunt; zij weten dat uw lijden, als gij dit met onderwerping draagt, voor uwen vooruitgang nuttig is; zij betreuren dus meer uw gebrek aan moed, waardoor gij ten achteren blijft, dan het lijden op zichzelf, dat slechts voorbijgaande is.”

 

977. Daar de Geesten hunne gedachten voor elkaar niet kunnen verbergen, en al de handelingen van het leven bekend zijn, zou daaruit voortvloeien dat de schuldige altijd zijn slachtoffer voor zich ziet?

“Het kan niet anders zijn, het gezond verstand zegt het u.”

- Is die onthulling van alle onze laakbare daden, en de gestadige tegenwoordigheid van hen die er de slachtoffers van geweest zijn, ene straf voor de schuldigen?

“Een grotere straf dan men wel denkt, maar alleen totdat hij voor zijne misslagen hetzij als Geest, of wel als mens in een nieuw lichamelijk leven, geboet zal hebben.”

 

 

Wanneer wij zelve in de Geestenwereld zullen zijn, zal ons verleden geheel bloot liggende, het goed en het kwaad dat wij gedaan hebben, ook bekend zijn. Hij die kwaad gedaan heeft, zal dan vruchteloos trachten het gezicht van zijne slachtoffers te ontwijken; hunne onvermijdelijke tegenwoordigheid zal voor hem een straf en een gewetenswroeging zonder einde zijn, totdat hij voor zijne misdaden zal geboet hebben; terwijl daarentegen de rechtvaardige, overal alleen de aanblik van vriendschap en welwillendheid zal ontmoeten.

Er bestaat op aarde voor de misdadiger geen groter kwelling dan de tegenwoordigheid van zijne slachtoffers; daarom tracht hij die altijd te ontwijken. Wat zal het dan zijn als de illusies van de hartstochten verdwenen zijnde, hij het kwaad zal begrijpen dat hij gepleegd heeft en zijne geheime daden aan het licht gebracht zullen zijn, als zijne huichelarij ontmaskerd zal wezen, en hij zich niet aan het gezicht van zijne slachtoffers zal kunnen onttrekken? Terwijl de ziel van de verdorven mens aan schaamte, wroeging en berouw overgegeven zal zijn, zal die van de rechtvaardige een volmaakte kalmte genieten.

 

 

978. Wordt het geluk van de ziel, zelfs nadat zij zich gelouterd zal hebben, niet verstoord door de herinnering aan de misslagen, die zij begaan heeft?

“Nee, omdat zij zich van die misslagen vrij gekocht heeft, en zij in de beproevingen, waaraan zij zich met dat doel onderworpen had, de overwinning behaald heeft.”

 

979. Zijn de beproevingen, die de ziel nog moet ondergaan om hare reiniging te voleinden, voor haar niet een bron van groot bezorgdheid, die haar geluk verstoort?

“Voor de ziel, die nog besmet is, ja; daarom kan volkomen geluk haar deel niet zijn, dan nadat zij geheel gereinigd zal wezen; maar voor de reeds verhevene ziel, heeft de gedachte aan de beproevingen die zij nog moet ondergaan, niets pijnlijks.”

 

 

De ziel, welke reeds een zekere graad van reinheid bereikt heeft, smaakt reeds gelukzaligheid; een gevoel van aangename zelfvoldoening doordringt haar; zij is gelukkig door alles wat zij ziet, door alles wat haar omringt; voor haar wordt de sluier van alle geheimen en wonderen van de schepping opgeheven en de Goddelijk volmaaktheden worden door haar in al haren luister aanschouwd.

 

 

980. Is de band, die de Geesten van dezelfde rang te zaaien verenigt voor hen een bron van gelukzaligheid?

“De eendracht van de Geesten, die met elkaar eenstemmig het goede willen, is voor hen een van de grootste genietingen, want zij vreezen niet dat die door egoïsme verstoord zal worden. Zij vormen in die geheel geestelijke wereld gezinnen, bezield met hetzelfde gevoel, en hierin bestaat het geestelijk geluk, evenals gij u op uwe wereld in categorieën verdeelt, en een zeker genoegen smaakt, wanneer gij met elkaar verenigd zijt De reine en oprechte toegenegenheid, die zij anderen toedragen, en die zij zelf ondervinden, is voor hen een bron van gelukzaligheid, want daar zijn geen valse vrienden noch huichelaars.”

 

 

De mens geniet reeds op aarde de voorsmaak van dat geluk, als hij zielen ontmoet, met welke hij zich in reine en heilige gemeenschap van gedachten, verenigen kan. In een meer gelouterd leven , zal dat genot onuitsprekelijk en grenzeloos zijn, omdat hij niets dan sympathiserende zielen zal ontmoeten, die niet door egoïsme zullen verkoelen; want alles in de natuur is liefde; het is het egoïsme, dat de liefde doodt.

 

 

981. Bestaat er in de toekomstige toestand van de Geest een verschil voor hem, die bij zijn leven de dood vreesde en voor hem, die hem met onverschilligheid en zelfs met blijdschap tegemoet gaat?

“Het verschil kan zeer groot zijn evenwel wordt het door de oorzaken, welke die vrees of dat verlangen doen ontstaan, dikwijls uitgewist. Hetzij dat men de dood vreest, hetzij men die wenst, kan men door verschillende gevoelens daartoe gedreven worden, en het zijn die gevoelens, welke invloed op de toestand van de Geest uitoefenen. Het is bijvoorbeeld duidelijk, dat het bij hem, die alleen de dood wenst, omdat hij daarin het einde van zijne ongelukken ziet, een soort van morren is tegen de Voorzienigheid en tegen de beproevingen, die hij ondergaan moet.”

 

982. Is het noodzakelijk het spiritisme te belijden en aan de manifestaties te geloven om zeker van ons lot in het toekomstige leven te zijn?

“Indien dit het geval ware, dan zoude daaruit voortvloeien dat allen die niet geloven of die niet in de gelegenheid geweest zijn om ingelicht te worden, onterfden zouden zijn, hetgeen een ongerijmdheid zoude wezen. Het is door het goede dat men zijn toekomstig lot verzekert en wat goed is, blijft goed, door welke weg men er ook toe geleid moge worden.” (Zie 165 en 799)

        

 

Het geloof aan het spiritisme helpt ons om ons te verbeteren, door onze gedachte omtrent zekere dingen in de toekomst te vestigen; het bespoedigt de vooruitgang van de individuen en van de massa's, omdat het ons de gelegenheid geeft rekenschap te geven van hetgeen wij eenmaal zijn zullen; het is een steunpunt, een licht, dat ons tot gids dient. Het spiritisme leert de beproevingen met geduld en onderwerping dragen; het houdt ons van daden terug, die ons toekomstig geluk zouden kunnen vertragen; op die wijze bevordert het dat geluk, maar dat wil niet zeggen, dat men zonder dat geloof dat geluk niet zou kunnen bereiken.

 

 

Aardse straffen.

 

 

983. Ondergaat de Geest, die zijne fouten in een nieuw leven boet, geen stoffelijk lijden, en is het dan wel juist te zeggen dat de ziel na de dood, alleen zedelijk te lijden heeft?

“Het is wel waar dat als de ziel gereïncarneerd is, de wederwaardigheden van het leven, voor haar een lijden is, maar alleen het lichaam lijdt stoffelijk.

Gij zegt dikwijls van degene, die sterft, dat hij uit zijn lijden is, doch dit is niet altijd waar. Als Geest lijdt hij geen fysische pijnen meer; maar naar gelang van de misslagen, die hij begaan heeft, kan hij een meer hevig zedelijk lijden ondergaan, en in een nieuw bestaan nog ongelukkiger zijn. De slechte rijkaard zal daar bedelen en aan alle ontberingen van de armoede ten prooi zijn; de hoogmoedige aan elke vernedering; hij, die van zijn gezag misbruik zal gemaakt hebben en zijne ondergeschikten met verachting en hardheid zal behandeld hebben, zal er genoodzaakt worden te gehoorzamen aan een nog hartvochtiger meester, dan hij zelf geweest is. Al de kwellingen en wederwaardigheden van het leven zijn, als zij niet de gevolgen zijn van misslagen in dit leven gepleegd, een boetedoening voor die van een vorig leven. Wanneer gij van hier zult zijn, zult gij dat begrijpen.” (Zie 273, 393 en 399)

De mens, die vermeent op aarde gelukkig te zijn, omdat hij al zijne driften bevredigen kan, is degene, die de minste moeite doet, zich te beteren. Hij boet reeds dikwijls in dit leven voor dat kortstondig genot, maar zeker zal hij er in een volgend even stoffelijk bestaan, voor boeten.”

 

984. Zijn de wederwaardigheden van het leven altijd een straf voor de tegenwoordige misslagen?

“Nee, wij hebben dit reeds gezegd, het zijn beproevingen door God opgelegd, of door uzelf uitgekozen toen gij Geest waart, en vóór uwe reïncarnatie, om voor de fouten in een vorig leven gepleegd, te boeten; want de schending van Gods wetten, en vooral van de wet van de rechtvaardigheid, blijft nooit ongestraft; indien het niet in dit leven is, zal het noodwendig in een volgend zijn; dat is de rede dat dikwijls iemand, die in uwe ogen rechtvaardig is, voor zijn verleden getroffen wordt.” (Zie 393).

 

985. Is de reïncarnatie van de ziel op een minder ruwe wereld, een beloning?

“Het is het gevolg van hare loutering; want naarmate de Geesten zich louteren, incarneren zij zich op meer en meer volmaakte werelden, totdat zij zich van alle stof ontdaan en van alle hunne smetten gereinigd zullen hebben, om eeuwig de gelukzaligheid van de Zuivere Geesten in Gods schoot te genieten.”

 

 

Op de werelden waar het leven minder stoffelijk is dan hier op aarde, zijn de behoeften minder grof, en is alle lichamelijk lijden minder sterk. De mens kent daar de slechte hartstochten niet, die op de mindere werelden hen tot elkanders vijanden maken. Geen reden tot haat of wangunst hebbende, leven zij met elkaar in vrede, omdat zij de wet van de rechtvaardigheid, liefde en weldadigheid nakomen; verveling en zorgen, de gevolgen van wangunst, hoogmoed en egoïsme, die plagen van ons aards leven, zijn hij hen onbekend. (Zie 172 en 182).

 

 

986. Kan de Geest, die in zijn aards leven vorderingen gemaakt heeft, soms weder in dezelfde wereld gereïncarneerd worden?

“Ja als hij zijne zending niet heeft kunnen volbrengen, en hij zelve, kan vragen, om die in een nieuw leven te voleindigen; maar dan is het voor hem niet meer een boetedoening.” (Zie 173)

 

987. Wat wordt er van de mens, die, zonder kwaad te doen, niets doet om de invloed van de stof afschudden?

“Daar hij geen stap tot bereiking van vooruitgang doet, moet hij een leven, gelijk aan dat wat hij verlaten heeft, hervatten; hij blijft stilstaan en op die wijze kan hij het lijden dat hij door de beproevingen ondergaat, van langer duur maken.”

 

988. Er zijn mensen van wie het leven volmaakt kalm verloopt; die, niet verplicht zijnde iets door henzelf tot stand te brengen, daardoor vrij van zorgen zijn. Is dit gelukkige leven een bewijs dat zij niets voor een vroeger leven te boeten hebben?

“Kent gij er zo velen? Indien gij dit denkt dan vergist gij u; dikwijls is die kalmte slechts schijnbaar, maar als zij het leven vaarwel zeggen, bemerken zij, dat het hen niet gediend heeft om vorderingen te maken; en aan de luiaards gelijk, betreuren zij dan de verloren tijd. Weet wel dat de Geest geen kundigheden verkrijgt, noch zich verheffen kan, dan door arbeid; als hij in zijne onverschilligheid indommelt, gaat hij niet vooruit. Hij is gelijk aan hem, die (volgens uwe gebruiken) genoodzaakt is te werken, en die met het voornemen om niets te doen, gaat wandelen of slapen. Weet ook dat een iegelijk over de vrijwillige nutteloosheid van zijn leven rekenschap zal moeten geven; deze nutteloosheid is altijd verderfelijk voor het toekomstig geluk. De som van het toekomstige geluk staat gelijk aan de som van het goede, dat men gedaan zal hebben; die van het lijden aan die van het kwaad dat men gedaan heeft, en van de ongelukken waarvan men de oorzaak is.”

 

989. Er zijn mensen, die zonder bepaald slecht te zijn, door hun karakter, allen die hen omringen, ongelukkig maken, wat is voor hen daarvan het gevolg?

“Die mensen zijn bepaald niet goed, en zij zullen er voor boeten door het gezicht van hen, die zij ongelukkig gemaakt hebben, en dit zal voor hen een wroeging zijn; en zij zullen in een nieuw leven, hetzelfde ondergaan, wat zij anderen hebben doen lijden.”

 

 

Boetedoening en berouw.

 

 

990. Heeft het berouw in lichamelijke of in geestelijke toestand plaats?

“Als Geest; maar het kan ook in de lichamelijke toestand zijn, als gij goed het onderscheid tussen goed en kwaad begrijpt.”

 

991. Wat is het gevolg van het berouw in de geestelijke toestand?

“Het verlangen naar een nieuwe incarnatie om zich te reinigen. De Geest begrijpt de gebreken, die hem beletten gelukkig te zijn, daarom haakt hij naar een nieuw leven, waarin hij voor zijne misslagen zal kunnen boeten.” (Zie 332 en 975).

 

992. Wat zijn de gevolgen van het berouw in de lichamelijke toestand?

Reeds in dit leven vooruit te gaan, zo men de tijd heeft om zijne fouten te herstellen. Als het geweten een verwijt doet horen en op een onvolmaaktheid wijst, kan men zich altijd beteren.”

 

993. Zijn er geen mensen, die alleen aandrift tot het kwaad voelen, en voor berouw onvatbaar zijn?

“Ik heb u gezegd dat men zonder ophouden vorderingen maken moet. Hij, die in dit leven alleen de aandrift tot het kwade voelt, zal in een ander leven die van het goede hebben, en het is om die reden dat hij herhaaldelijk wedergeboren wordt; want allen moeten vooruitgaan en het einddoel bereiken, maar sommigen in een korte, anderen na een langere tijd, naar gelang van hun verlangen; hij, die alleen de aandrift tot het goede bezit, is reeds gereinigd, want hij heeft de aandrift tot het kwaad in een vroeger leven kunnen hebben.” (Zie 804)

 

994. Erkent de bedorven mens, die bij zijn leven dit niet heeft willen doen, na zijnen dood altijd zijne misdrijven?

“Ja, hij erkent die altijd, en lijdt dan nog meer, want hij voelt al het kwaad, dat hij gedaan heeft, of waarvan hij de vrijwillige oorzaak geweest is. Het berouw komt evenwel niet altijd dadelijk; er zijn Geesten die niettegenstaande hun lijden, in het kwade volharden, maar vroeg of laat zullen zij de verkeerde weg die zij volgen, inzien, en zal het berouw komen. Hen inlichten is het werk van de goede Geesten, en waartoe gij ook kunt meewerken.”

 

995. Zijn er Geesten, die, zonder slecht te wezen, omtrent hun lot onverschillig zijn?

“Er zijn Geesten, die zich met niets nuttigs bezig houden; zij blijven afwachten; maar in dat geval lijden zij in verhouding nog meer; en daar er in alles vooruitgang moet zijn, openbaart zich die vooruitgang door leedwezen.”

- Bestaat bij dezen het verlangen niet om hun lijden te bekorten?

“O, zeer zeker hebben zij dat verlangen, maar zij hebben geen geestkracht genoeg om datgene te willen, wat hen verlichting zou kunnen bezorgen. Hoe velen zijn er niet onder u die liever van gebrek omkomen, dan werken?”

 

996. Daar de Geesten het kwaad zien dat uit hunne ge­breken voortvloeit, hoe komt het dan, dat er zijn, die hunnen toestand verergeren en hunnen staat van minderheid verlengen, door als Geest kwaad te doen en de mensen van de goede weg afbrengen?

“Zij die zo handelen, zijn dezulken, wiens berouw laat komt. De berouwhebbende Geest kan later zich weder opnieuw door andere Geesten op de weg van het kwaad laten meeslepen.” (Zie 971)

 

997. Er zijn Geesten, die klaarblijkelijk tot een mindere klasse behoren, en toch voor goede indrukken vatbaar en gevoelig zijn voor de gebeden, die men voor hen opzendt. Hoe komt het, dat andere Geesten, die men zou denken meer verlicht te zijn, ene verstoktheid en schaamteloosheid aan de dag leggen, die door niets kan overwonnen worden?

“Het gebed baat niet, dan voor de Geest, die berouw voelt; voor degene, die door hoogmoed gedreven, tegen God in opstand komt, en in zijne dwalingen volhardt door die nog te overdrijven, zoals de ongelukkige Geesten doen, kan het gebed niets teweeg brengen, en zal dit niet kunnen, dan wanneer de dag zal aanbreken, waarop een begin van berouw zich bij hen zal openbaren.” (Zie 664)

 

 

Men moet niet uit het oog verliezen, dat de Geest na de dood van het lichaam, niet op eenmaal verandert; indien zijn leven berispelijk is geweest, komt dit omdat hij onvolmaakt was, en door de dood wordt men niet onmiddellijk volmaakt; hij kan in zijne dwalingen, in zijne verkeerde denkbeelden en vooroordelen volharden, totdat hij door onderwijs, nadenken en lijden verlicht zal zijn.

 

 

998. Vindt de boetedoening in de lichamelijke toestand of in die van Geest plaats?

“De boetedoening vindt gedurende het lichamelijk leven plaats door de beproevingen, aan welke de Geest onderworpen is, en in het Geestenleven door het zedelijk lijden dat aan de lage trap waarop de Geest staat, eigen is.”

 

999. Is een oprecht berouw gedurende het leven voldoende om de fouten uitwissen en bij God vergeving te vinden?

“Het berouw draagt bij tot de verbetering van de Geest, maar er moet voor het verleden geboet worden.”

- Indien een misdadiger dientengevolge zei, dat, daar hij toch in elk geval voor zijn verleden boeten moet, het voor hem niet nodig is, berouw te hebben, wat zou daaruit voor hem voortvloeien?

“Indien hij zich in de gedachte van het kwaad verhardt, zal zijne boetedoening langduriger en zwaarder zijn.”

 

1000. Kunnen wij ons, reeds in dit leven, van onze zonde loskopen?

“Ja, door het kwaad te herstellen; maar denk niet dat gij u kunt bevrijden door enige kinderachtige onthoudingen, of door na uwe dood, als gij zelve niets meer nodig zult hebben, giften te doen. God telt het onvruchtbaar berouw niet, dat altijd gemakkelijk is en geen andere inspanning kost, dan zichzelf op de borst te slaan. Het verlies van een pink om iemand een dienst te bewijzen, wist meer zonde uit dan lichamelijke pijniging gedurende jaren aangewend, zonder ander doel dan zijn eigen ik. (Zie 726)

Het kwaad wordt alleen hersteld door het goede, en de genoegdoening heeft niet de minste verdienste als de mens er noch in zijnen hoogmoed, noch in zijne stoffelijke belangen door getroffen wordt.

Wat helpt het hem tot zijne rechtvaardiging, na zijn dood het slecht verkregen goed terug te geven, nu het hem van geen nut meer kan zijn, en hij er het genot van gehad heeft?

Waartoe dient hem de onthouding van enige onbeduidende genietingen en van iets overtolligs, als het nadeel, dat hij een ander berokkend heeft, onveranderd blijft?

Waartoe dient het eindelijk, zich voor God te vernederen, als hij tegenover de mensen hoogmoedig blijft?” (Zie 720 en 721)

 

1001. Steekt er in ‘t geheel geen verdienste in, om na zijn dood, zodanige beschikkingen te nemen, dat er een nuttig gebruik van de goederen die men bezit, door verzekerd wordt?

“In het geheel geen verdienste, is het woord niet; het is altijd beter dan niets; maar ongelukkigerwijze is degene, die eerst na zijn dood geeft, dikwijls meer baatzuchtig dan milddadig; hij wil de eer van het goede oogsten, zonder de lasten te dragen. Hij, die zich gedurende zijn leven ontberingen oplegt, heeft dubbel voordeel: de verdienste van de op­offering en het genoegen de gelukkigen te zien, die hij gemaakt heeft. Maar het egoïsme is daar en zegt hem: Al wat gij geeft ontrooft gij aan uw eigen genietingen; en daar het egoïsme harder schreeuwt dan de belangeloosheid en de liefde, blijft hij, het zijne behouden, onder het voorwendsel van eigen behoeften en van de verplichtingen, die zijne stand hem opleggen. 0! Beklaag degene, die het genoegen van te geven, niet kent; hij derft wezenlijk een van de reinste en heerlijkste genietingen. God heeft, toen hij de mens onderwierp aan de voor zijne toekomst zo glibberige en gevaarlijke beproeving van de rijkdom, hem tot vergoeding het geluk willen geven dat de edelmoedigheid schenkt, en welk hij reeds hier op aarde genieten kan.” (Zie 814)

 

1002. Wat moet degene doen, die, op het punt van te sterven, zijne misslagen erkent, maar aan wie de tijd niet meer gelaten is om die te herstellen? Is in dat geval, berouw voldoende?

“Het berouw bespoedigt zijne herstelling, doch spreekt hem niet vrij. Heeft hij de toekomst die nooit voor hem afgesloten wordt, niet voor zich?”

 

 

Duur van de toekomstige straffen.

 

 

1003. Is de duur van de straffen van de schuldige in het toekomstige leven, aan willekeur overgelaten, of is die aan de een of andere wet onderworpen?

“God handelt nooit willekeurig, en alles in het heelal wordt naar wetten geregeld die Gods wijsheid en goedheid openbaren.”

 

1004. Welke is de maatstaf van de duur van het lijden van de schuldige?

“De tijd, die er tot zijne verbetering nodig is. Daar de staat van gelukzaligheid en lijden evenredig is aan de graad van reinheid van de Geest, zo hangt de duur en de aard van zijn lijden van de tijd af, die hij nodig heeft, om zich te verbeteren. Naarmate hij vorderingen maakt en zijne gedachten reinigt, vermindert zijn lijden en verandert het van aard.”

 

1005. Komt de lijdende Geest de tijd even lang of korter voor, dan toen hij in leven was?

“De tijd komt hem langer voor; de slaap bestaat voor hem niet. Alleen bij Geesten, die reeds een zekeren trap van verhevenheid bereikt hebben, wordt de tijd om zo te zeggen door de oneindigheid uitgewist.” (Zie 240)

 

1006. Kan het lijden van de Geest eeuwig zijn?

“Ongetwijfeld ja, indien hij eeuwig slecht bleef; dat wil zeggen dat hij, indien hij nooit berouw voelde of zich nooit verbeterde, eeuwig zoude blijven lijden, maar God heeft geen schepselen geschapen met het doel dat zij voor eeuwig tot het kwaad gedoemd zouden zijn; Hij heeft ze allen, eenvoudig en onwetend geschapen, en allen moeten in korter of langer tijd naar gelang van hunnen wil, vooruitgaan. De wil daartoe kan vroeg of laat komen, zoals er kinderen zijn, die meer of minder voorspoedig zijn, doch ontstaat vroeg of laat ten gevolge van de onweerstaanbare behoefte, die de Geest voelt om uit zijnen lage toestand te raken en gelukkig te worden. De wet, volgens welke de duur van de straffen geregeld wordt, is dus bij uitnemendheid wijs en goedgunstig, daar zij de duur van de straf van de inspanning van de Geesten afhankelijk maakt; zij ontneemt hem nimmer zijn vrije wil: indien hij er een slecht gebruik van maakt, draagt hij er de gevolgen van.”

 

1007. Zijn er Geesten, die nooit berouw voelen?

“Er zijn er, wiens berouw zeer laat komt; maar te beweren dat zij zich nooit verbeteren, zou de wet van de vooruitgang loochenen zijn, en gelijk staan met te zeggen, dat het kind geen volwassen mens worden kan.”

 

1008. Hangt de duur van de straf altijd van de wil van de Geest af, en zijn er geen straffen, die hem voor een bepaalde tijd worden opgelegd?

“Ja, er kunnen straffen voor een bepaalde tijd opgelegd worden, maar God, die niets dan het welzijn van zijne schepselen wil, neemt altijd het berouw aan, en de zucht om beter te worden is nooit zonder vrucht.”

 H. Lodewijk

 

1009. Volgens dit, zoude de opgelegde straffen nooit eeuwigdurend zijn?

“Raadpleeg uw gezond verstand, uwe rede, en vraag uzelf af, of eeuwigdurende veroordeling voor enige ogenblikken van dwaling niet de ontkenning van Gods goedheid zoude zijn. En wat is inderdaad de duur van het leven al ware die honderd jaren, in vergelijking met de eeuwigheid? Eeuwigheid, begrijpt gij dat woord goed? Lijden, pijniging zonder einde, zonder hoop, voor enige misslagen! Verwerpt uw verstand zo’n denkbeeld niet? Dat de oude volken de meester van het heelal als een verschrikkelijk jaloers en wraakzuchtig God beschouwd hebben, kan men begrijpen; in hunne onkunde hebben zij aan de Godheid al de hartstochten van de mens toegeschreven; maar dat is niet de God van de Christenen, die liefde, weldadigheid, barmhartigheid, vergeten van de beledigingen, als de voornaamste deugden op de voorgrond plaatst: zou Hij zelve, de deugden niet bezitten, die hij als plichten voorgeschreven heeft? Spreekt men zichzelf niet tegen, als men hem oneindige goedertierenheid en tevens oneindige wraak toeschrijft? Gij zegt dat God boven alles, rechtvaardig is, en dat de mens Zijne gerechtigheid niet begrijpt; maar rechtvaardigheid, sluit toch geen goedheid uit, en God zou niet goed zijn als hij het grootste gedeelte van Zijne schepselen tot verschrikkelijke eeuwigdurende straffen doemde. Zou Hij de rechtvaardigheid aan zijne kinderen als een plicht kunnen opleggen, als hij hem de middelen om die te begrijpen niet geschonken had? Is buitendien, van de inspanning van de veroordeelde om zich te beteren, de duur van de straffen afhankelijk te maken niet het verhevenste denkbeeld van de rechtvaardigheid? Dit is de ware betekenis van de woorden: Aan een iegelijk naar zijne werken.”

H. Augustinus

 

 

“Tracht door alle middelen, die u ten dienste staan , het denkbeeld van de eeuwige straffen te bestrijden en uitroeien; dat denkbeeld dat godlasterend voor Gods rechtvaardigheid en goedheid, en de vruchtbaarste bron is voor het ongeloof, het materialisme en van de onverschilligheid die zich van de menigte heeft meester gemaakt vanaf het ogenblik dat hun verstand begon te ontwikkelen. De Geest op het punt van verlicht te worden, ja zelfs nauwelijks ontbolsterd, begrijpt er dadelijk de monsterachtige onrechtvaardigheid van, zijne rede verwerpt het, en dan gebeurt het meestal dat hij de straf die hem tegen de borst stuit, verwerpende, de God, die hij dit vonnis toeschrijft, tegelijkertijd uit zijn hart verbant; dit is de oorzaak van de talloze rampen die u treffen, en voor welke wij u het geneesmiddel komen brengen. De taak, die wij u aanwijzen zal u des te gemakkelijker vallen, omdat zij, wie uitspraken in dezen gezag hebben en wie beslissing door de verdedigers van dit geloof wordt ingeroepen, allen vermeden hebben hieromtrent een bepaalde uitspraak te doen; noch de conciliën, noch de kerkvaders hebben dit gewichtige vraagstuk beslist. Indien Christus volgens het Evangelie en zelfs als men de zinnebeeldige woorden van Christus zelf letterlijk opvat, de schuldigen met een vuur, dat nooit uitgaat, dat eeuwig is, bedreigd heeft, zo is er toch in zijne woorden volstrekt niets, dat bewijzen zou dat hij ze voor eeuwig veroordeeld heeft.

Arme verdoolde schapen, leer de goede herder te zien, die tot u komt, die, wel verre van u voor eeuwig uit zijne tegenwoordigheid te willen bannen, u zelf tegemoet gaat om u naar de schaapskooi terug te brengen. Verloren kinderen, verlaat uwe vrijwillige ballingschap; keer tot het vaderhuis terug: de Vader opent zijne armen voor u en is altijd bereid om uw terugkomst in het gezin, feestelijk te vieren.”

Lamennais.

 

 

“Strijd over woorden! strijd over woorden! hebt gij nog geen bloed genoeg doen vloeien! moeten de brandstapels dan weder opgericht worden? Men twist over de woorden: eeuwigheid van het lijden, eeuwigheid van de straffen; weet gij dan niet dat hetgeen gij thans onder eeuwigheid verstaat, door de ouden anders begrepen werd? Laat de godgeleerde de bronnen raadplegen, en hij zal evenals gij allen ontdekken dat de hebreeuwse tekst, aan het woord dat de Grieken, de Latijnen en de modernen door lijden zonder einde, zonder genade vertaald hebben, niet dezelfde betekenis hecht. De eeuwigheid van de straffen komt overeen met eeuwigheid van het kwaad. Ja, zo lang het kwaad onder de mensen zal heersen, zullen de straffen blijven bestaan; het is in die betrekkelijk zin dat men de gewijde teksten moet verklaren. De eeuwigheid van de straffen is dus betrekkelijk en niet absoluut. Laat de dag aanbreken, waarop alle mensen door berouw het kleed van de onschuld zullen aangegord hebben, en op die dag zal er geen gezucht, geen knarsing van de tanden meer zijn. Uw mensenverstand is weliswaar beperkt, maar zoals het is, toch een geschenk van God, en door deze hulp der rede, is er niet één mens, die te goeder trouw een andere uitlegging aan de eeuwigheid van de straffen zal geven. Eeuwigheid van de straffen! Hoe! Men zou dan moeten aannemen dat het kwaad eeuwig zijn zal. Alleen God is eeuwig, en heeft het eeuwige kwaad niet kunnen voortbrengen, als dit het geval ware, dan zou men Hem de heerlijkste van zijne eigenschappen: de hoogste macht, moeten ontzeggen, want hij, die een voor zijn werk vernietigend element heeft kunnen scheppen is niet oppermachtig. 0, mensheid! 0, mensheid! werp uwe sombere blikken niet meer in de diepten van de aarde om er straffen te zoeken; ween, hoop, doe boete, en zoek uw toevlucht in de gedachte aan een Algoed, Oppermachtig en volstrekt Rechtvaardig God.”

Plato.

 

 

“Tot de goddelijke eenheid opstijgen, is de bestemming van de mensheid; om dit te bereiken zijn drie dingen nodig: Rechtvaardigheid, liefde en kennis; drie dingen staan haar in de weg en zijn haar vijandig; onkunde, haat en onrechtvaardigheid. Wel nu! ik zeg het u in waarheid, gij verloochent die grondbeginselen, als gij de gedachte aan God door een overdreven voorstelling van Zijne gestrengheid in een verkeerd daglicht plaatst; gij doet dit dubbel als gij bij het schepsel de gedachte ingang doet vinden, dat er bij hem meer lankmoedigheid, meer goedaardigheid, meer liefde en wezenlijke rechtvaardigheid bestaat, dan gij aan het oneindige Wezen toeschrijft; gij vernietigt zelfs het denkbeeld van de hel, door het belachelijk en voor uw geloof onaanneembaar te maken, zoals het afzichtelijke schouwspel van de pijnigers, brandstapels en martelingen van de middeleeuwen dit voor uw hart is! Hoe! Is het in een tijd dat de blinde weerwraak voor altijd uit de menselijke wetten gebannen is, dat gij hoopt die in het ideale te kunnen behouden? 0! geloof mij, broeders in God en Jezus Christus, geloof mij, ziet het lijdelijk aan dat alle uwe leerstellingen in uw handen teniet gaan, als gij er geen verandering in brengen wilt, of geef hen een nieuw leven door ze voor de weldadige invloed, welke er de Goede in dezen tijd over uitstorten, toegankelijk te maken. Het denkbeeld van de hel met hare gloeiende ovens en kokende ketels, kon in een ijzeren eeuw geduld worden, dat wil zeggen, te vergeven zijn; maar in de negentiende eeuw, is het niets meer dan een ijdel spooksel, ternauwernood instaat om kleine kinderen schrik aan te jagen, en waaraan zij niet meer geloven als zij groot zijn. Door die schrikverwekende fabelen vol te houden, doet gij het ongeloof, de bron van alle maatschappelijke verstoringen, geboren worden: en ik sidder als ik de gehele maatschappelijke instelling door gebrek aan een billijke strafvordering op hare grondzuilen zie waggelen en dreigen ineen te storten. Mannen met een vurig en levendig geloof! Voorhoede voor de dag des lichts, aan de arbeid! niet om verouderde fabelen, die voortaan zonder invloed zijn, instaand te houden, maar om het denkbeeld van een wezenlijk billijke strafvordering opwekken en te doen herleven onder vormen, die met uwe zeden, gevoel, en met de verlichting van uwe eeuw overeenkomen.

Wat is eigenlijk een schuldige? Hij, die door ene afdwaling, door ene verkeerde gemoedsbeweging van de ziel, van het doel van de schepping afwijkt dat in de harmonische verering van het schone en goede bestaat, dat door het toonbeeld voor het menselijke, door de Godmens Jezus Christus geïdealiseerd is.

Wat is straf? Het natuurlijk gevolg dat uit die verkeerde beweging voortvloeit; een som van lijden noodzakelijk om de mens door het ondergaan van smart, van zijne mismaaktheid afkerig te doen worden. Straf is de prikkel die door het bittere, de ziel aanspoort in zichzelf te keren en naar de veilige oever terug te keren. Het doel van de straf is geen ander dan herstelling, vrijmaking. Te verlangen dat de straf eeuwig zij voor ene fout, die dit niet is, is alle reden van bestaan voor die straf loochenen.

0! In waarheid zeg ik u, laat af, vergelijk niet langer in hunne eeuwigheid het Goede, dat wezen van de Schepper, met het kwaad het wezen van het schepsel; het zoude een niet te rechtvaardigen straf in het leven roepen, zijn. Beaamt daarentegen de trapsgewijze uitdelging van de straffen en smarten door overgang op andere werelden, en gij zult door de rede verenigd met het gevoel, de goddelijke éénheid, huldigen.”

Paulus, apostel.

 

 

Men wil de mens door het lokaas van beloningen en door de vrees voor straf tot het goede aansporen maar indien die straffen zodanig worden voorgesteld dat het gezond verstand weigeren moet het te geloven, zullen zij niet de minste invloed uitoefenen; de mens zal integendeel, alles, zowel de vorm als het wezen, verwerpen. Draagt men hem daarentegen de toekomst op een logische wijze voor, dan zal hij die niet verwerpen. Het spiritisme geeft hem zulk een voorstelling.

De leer van de eeuwigheid van de straffen, in de volstrekte zin opgevat, maakt van het Opperwezen een onverzoenlijk God. Zou het logisch wezen van een vorst te zeggen dat hij heel goed, heel welwillend, heel toegeeflijk is, dat hij niets anders wil dan het geluk van allen, die hem omringen, maar dat hij tevens naijverig, wraakgierig onverbiddelijk in zijne gestrengheid is, en dat hij drie vierden van zijne onderdanen voor een belediging of om een overtreding van zijne wetten, met de dood straft, ja zelfs hen die gedwaald hebben doordien zij die wetten niet kenden? Zou het ene niet met het andere in tegenspraak zijn? En kan God dan minder goed zijn dan een mens?

Een andere tegenstrijdigheid doet zich hier voor. Daar God alles weet, zo wist Hij ook toen hij een ziel schiep, dat zij zou dwalen; zij is dus vanaf hare schepping gedoemd geworden om eeuwig ongelukkig te zijn; is dat mogelijk, rationeel? Met de leer van de betrekkelijke straffen, wordt alles gerechtvaardigd. Ongetwijfeld wist God, dat zij dwalen zoude, maar Hij geeft haar de middelen om zich door eigen ondervinding, ja zelfs door hare misslagen te bekwamen; het is nodig dat zij voor hare dwalingen boet, om vaster in het goede staan, maar de hoop wordt haar niet voor eeuwig ontnomen, en God maakt het ogenblik van hare verlossing, afhankelijk, van de moeite, die zij aanwendt om die te bereiken. Dit kan iedereen begrijpen, dit kan de meest schroomvallige logica aannemen. Indien de toekomstige straffen uit dat gezichtspunt werden voorgesteld, zouden er veel minder twijfelaars gevonden worden.

Het woord eeuwig wordt dikwijls in de gewone spreekwijze als beeld gebruikt, om iets van lange duur, waarvan men het einde niet kan voorzien aanduiden, hoewel men zeer goed weet, dat dat einde komen zal. Zo zeggen wij bijvoorbeeld het eeuwige ijs van de hoge bergen, van de polen, ofschoon wij, ten eerste weten, dat de stoffelijke wereld een einde kan hebben, en ten andere, dat de toestand ven die landstreek door de natuurlijke verplaatsing van de as van de aarde of door een omwenteling in de natuur, kan veranderen. Het woord eeuwig, wil dus hier niet zeggen, altijd, tot in het oneindige voortdurend. Wanneer wij door een langdurige ziekte lijden, zeggen wij dat er aan ons lijden geen einde is, moet men er zich dan zo over verwonderen, dat Geesten, die sinds jaren, eeuwen, ja zelfs sinds duizenden jaren lijden, dit ook zeggen? Laat ons vooral niet over het hoofd zien, dat hunne geringe ontwikkeling hen niet veroorlooft het einde van de weg te zien, en zij daardoor in de waan verkeren, altijd te zullen moeten lijden, en dat dit voor hen een straf is.

De leer van het materiële vuur, van ovens en pijnigingen, die aan de heidense Tartarus ontleend zijn, heeft de hogere godgeleerdheid thans geheel laten varen, en het is alleen in de scholen dat deze angst verwekkende zinnebeeldige taferelen nog als bepaalde waarheid, door enige mensen, die meer ijver dan verstand bezitten, worden voorgesteld; en wel ten onrechte, want die jonge hersenen, eens van hunne vrees genezen, kunnen het getal van de ongelovigen vermeerderen. De godgeleerden erkennen thans, dat het woord vuur een beeldspraak is, en men daaronder een zedelijk vuur moet verstaan. (Zie 974). Zij die evenals wij de verschillende omstandigheden van het leven en van het lijden aan gene zijde van het graf door de spiritische mededelingen hebben nagegaan, hebben zich kunnen overtuigen, dat al moge die straffen in 't geheel niet stoffelijk zijn, zij daarom niet minder hevig zijn. Zelfs omtrent de duur van de straffen beginnen enige godgeleerden dit reeds in de beperkte zin, zoals wij hiervoor aangehaald hebben aan te nemen, en te geloven dat het woord eeuwig inderdaad alleen op de straffen zelf, als gevolg van een onveranderlijke wet; en niet op elk individu toepasselijk is. De dag waarop de godsdienst deze uitlegging, zo mede enige andere, die eveneens het gevolg van de vooruitgang in verstandsontwikkeling zijn, zal aannemen, zal zij vele verdoolde schapen tot zich terug doen keren.

 

 

Opstanding van het vlees.

 

 

1010. Is de leer van de opstanding van het vlees, de bevestiging van de reïncarnatie, die door de Geesten onderwezen wordt?

“Hoe zoude het anders kunnen zijn? Het is met deze woor­den evenals met zo vele anderen, die in het oog van sommigen onverstandig schijnen, alleen omdat men ze letterlijk opvat, en daardoor tot ongeloof gebracht wordt maar geef daaraan een logische uitlegging, en al degenen, die gij vrij geesten noemt zullen ze zonder bezwaar aannemen, juist omdat zij nadenken; want vergist u hierin niet, die vrijgeesten verlangen niets liever dan te geloven; zij dorsten, ja wellicht meer dan anderen naar een toekomst, maar zij kunnen datgene, wat door de wetenschap gelogenstraft wordt, niet aannemen. De leer van het herhaaldelijk leven stemt overeen met Gods rechtvaardigheid; die leer alleen, kan verklaring geven van hetgeen zonder haar, onverklaarbaar is; hoe zoudt gij dan willen dat het beginsel ervan niet in de godsdienst zelve aanwezig ware.”

 

1011. Dus leert de kerk zelve, door het dogma van de opstanding van het vlees, de leer van de reïncarnatie?

“Dit is duidelijk; die leer is buitendien het uitvloeisel van veel, dat men onopgemerkt heeft gelaten, en wat men eerlang in die zin zal opvatten; het zal niet lang meer duren of men zal erkennen dat het spiritisme te bewijzen is door de teksten van de heilige schriften. De Geesten komen dan ook de godsdienst niet omverwerpen, zoals sommigen beweren; zij komen die integendeel bevestigen, en door onwraakbare bewijzen bekrachtigen; maar daar de tijd gekomen is om geen zinnebeeldige taal meer te gebruiken, drukken zij zich uit zonder allegorieën te gebruiken, en geven aan de dingen een duidelijke en bepaalde zin, die geen aanleiding meer tot verkeerde uitlegging geven kan. Over enige tijd, zult gij daardoor meer oprecht godsdienstige en gelovige mensen vinden, dan nu het geval is.”

H. Lodewijk.

 

 

Door de wetenschap wordt inderdaad de onmogelijkheid bewezen van de opstanding, zoals men die gemeenlijk opvat. Indien de overblijfselen van het menselijke lichaam homogeen bleven, al waren zij dan ook verstrooid en tot stof vergaan, zoude men nog kunnen begrijpen, dat zij in een gegeven tijd zich weder zouden kunnen verenigen; maar op die wijze gaat het niet. Het lichaam bestaat uit verschillende bestanddelen: zuurstof, waterstof, stikstof, koolstof, enz. door de ontbinding worden deze grondstoffen verstrooid maar om tot vorming van andere lichamen te dienen; zodat bijvoorbeeld dezelfde molecule koolstof tot de samenstelling van vele duizenden verschillende lichamen zal behoord hebben (wij spreken hier, nog maar alleen van de menselijke lichamen, zonder die van alle dieren in aanmerking te nemen) en een gegeven individu zal wellicht in zijn lichaam moleculen bevatten die aan mensen van de eerste tijden toebehoord hebben; en diezelfde organische moleculen, die gij door middel van uw voedsel, in uw lichaam opneemt, zijn wellicht afkomstig van een ander individu, dat gij gekend hebt, en zo vervolgens, tot in het oneindige. Daar de stof slechts in bepaalde hoeveelheid aanwezig is, en hare vervorming onbeperkt in aantal is, hoe zou dan elk van die lichamen zich uit diezelfde elementen kunnen reconstrueren? Hiertegen bestaat een materiële onmogelijkheid. Men kan dus redelijkerwijze de opstanding van het vlees, niet anders, dan als een symbolische voorstelling van de reïncarnatie aannemen, en dan bevat dit niets, wat aan het verstand aanstoot geeft, niets, wat met de ge­gevens van de wetenschap in strijd is.

Het is waar dat volgens de kerkleer, die opstandig eerst na het einde der dagen moet plaats vinden, terwijl volgens de leer van het spiritisme, dit alle dagen gebeurt, maar blijft dit tafereel van het laatste oordeel dan nog niet een groot en schoon beeld bevatten, dat onder de sluier van de allegorie, een van die onveranderlijke waarheden verbergt, welke geen ongelovige meer zal ontmoeten, als zij tot bars ware betekenis zal zijn teruggebracht? Laat men de theorie van het spiritisme over de toekomst van de zielen, en over hun lot ten gevolge van de verschillende beproevingen, die zij ondergaan moeten, rijpelijk over­wegen, en men zal ontwaren, dat niet uitzondering van de gelijktijdigheid, het vonnis dat hen veroordeelt of vrijspreekt, geen fictie is, zoals de ongelovigen denken. Merken wij daarbij tevens op dat het, het natuurlijk gevolg van de menigvuldigheid van de werelden is, welke thans voor goed erkend is, terwijl volgens de leer van het laatste oordeel, verondersteld wordt, dat de aarde alleen, bewoond is.

 

 

Hemel, hel en vagevuur.

 

 

1012. Bestaat er ergens in het heelal een begrensde plaats, die, naar gelang van hunne verdiensten, tot straf of beloning van de Geesten bestemd is?

“Wij hebben deze vraag reeds beantwoord. De straffen en genietingen zijn onafscheidelijk aan de graad van volmaking van de Geesten verbonden; ieder hunner put in zichzelf het beginsel van eigen geluk of ongeluk; en daar de Geesten overal zijn, zo bestaat er zo min voor het een als voor het andere een daarvoor begrensde of afgesloten plaats. Wat de geïncarneerde Geesten betreft, deze zijn meer of minder gelukkig, al naarmate de wereld, die zij bewonen, meer of minder gevorderd is.”

- Dus bestaan hel en hemel niet, zoals de mens zich die voorstelt?

“Het zijn slechts beelden; er zijn overal gelukkige en ongelukkige Geesten. Evenwel verenigen die van dezelfde orde zich met elkaar uit sympathie; maar als zij volmaakt zijn, kunnen zij zich verenigen waar zij willen.”

 

 

De beperking van de oorden voor straf en beloning tot een bepaalde plaats bestaat alleen in ‘s mensen verbeelding; en is een gevolg van zijne neiging om alles waarvan hij het oneindige niet kan begrijpen te materialiseren en te omschrijven.

 

 

1013. Wat moet men verstaan door het vagevuur?

“Fysieke en zedelijke smarten: de tijd der boetedoening. Het is bijna altijd op aarde dat uw vagevuur is, en dat God u voor uwe zonden doet boeten.”

 

 

Wat de mens vagevuur noemt is eveneens een zinnebeeld, waar­onder men niet een bepaalde plaats, welke dan ook, moet verstaan maar de staat van de onvolmaakte Geesten, die, totdat zij geheel gelouterd zijn, boeten, waardoor zij tot de staat van gelukzalige Geesten moeten opklimmen. Deze loutering vindt plaats in de verschillende incarnaties, het vagevuur bestaat in de beproevingen van het lichamelijke leven.

 

 

1014. Hoe komt het dat Geesten die door hunne taal tonen verheven geesten te zijn, de vragen omtrent de hel en het vagevuur, door zeer ernstige mensen gedaan, in de geest van het denkbeeld, dat men er algemeen aan hecht, beantwoord hebben?

“Zij spreken de taal, die door degenen die hen ondervragen, begrepen wordt; als die personen te veel van sommige denkbeelden doordrongen zijn, willen zij die niet opeens voor het hoofd stoten, ten einde hunne overtuiging geen geweld aan te doen. Indien een Geest zonder enige oratorische behoedzaamheid aan een muzelman ging zeggen, dat Mahomet geen profeet is, dan zou hij door dezen slecht ontvangen worden.”

- Het is te begrijpen dat dit het geval is van de kant van de Geesten, die ons onderwijzen willen; maar hoe komt het, dat Geesten, die men over hunnen toestand ondervraagd heeft, geantwoord hebben dat zij de pijnen van de hel of van het vagevuur leden?

“Als het mindere Geesten zijn, die nog niet geheel gedematerialiseerd zijn, behouden zij gedeeltelijk hunne aardse denkbeelden, en beschrijven zij de indrukken die zij ondervinden, door uitdrukkingen, die hen eigen zijn. Zij bevinden zich te midden van een omgeving, die hen slechts ten halve toelaat de toekomst te peilen, dat is de reden dat omdolende of kortelings vrijgeworden geesten, spreken zoals zij bij hun leven gesproken zouden hebben. Hel kan vertaald worden door een leven vol van uiterst zware beproevingen gevoegd bij de onzekerheid omtrent een beter leven; vagevuur, door een leven van beproeving, maar met het bewustzijn van een betere toekomst. Als gij zware pijnen lijdt, zegt gij dan ook niet dat gij helse pijnen lijdt? Het zijn slechts woorden, en altijd zinnebeeldige woorden.”

 

1015. Wat moet men door een ziel in nood, verstaan?

“Een omdolende en lijdende ziel, die onzeker omtrent hare toekomst is, en die gij verlichting kunt bezorgen, waar zij dikwijls, door zich aan u te openbaren, dringend om verzoekt.” (Zie 664)

 

1016. In welke zin moet men het woord hemel verstaan?

“Gelooft gij dat het ene plaats is zoals de Elyseese velden van de ouden, waar alle goede Geesten met elkaar verzameld waren, zonder ander verlangen te hebben dan gedurende de eeuwigheid een lijdelijk geluk te genieten? Nee, het is de universele ruimte, het zijn de planeten, sterren, en al de verheven werelden, waar de Geesten het genot van alle hunne vermogens bezitten, zonder de wederwaardigheden van het materiële leven noch de angsten aan de mindere toestand eigen, te verduren te hebben.”

 

1017. Er is door Geesten gezegd dat zij de 4e, 5e hemel enz, bewonen; wat bedoelden zij daarmede?

“Gij vraagt hen, welke hemel zij bewonen, omdat gij denkt dat er vele hemelen zijn, die evenals de verdiepingen van een huis, boven elkaar geplaatst zijn; dan antwoorden zij u in dezelfde taal; maar bij hen betekenen de woorden 4e of 5e hemel verschillende trappen van reinheid en dientengevolge van geluk. Het is hetzelfde als wanneer men aan een geest vraagt of hij in de hel is indien hij ongelukkig is, zal hij, ja, zeggen, omdat voor hem, hel, synoniem met lijden is, maar hij weet zeer goed dat het geen gloeiende oven is. Een heiden zou gezegd hebben, dat hij zich in de Tartarus bevond.”

 

 

Hetzelfde geldt voor andere soortgelijke uitdrukkingen, zoals stad der bloemen, der uitverkorenen, eerste, tweede of derde sfeer , enz. welke slecht, allegorieën zijn, die door sommige Geesten, hetzij als beeld, hetzij uit onwetendheid omtrent de werkelijkheid van de dingen en bij gemis zelfs van de eenvoudigste wetenschappelijke begrippen, gebruikt worden.

Volgens de bekrompen denkbeelden, die men zich vroeger van de oorden bestemd tot straf en beloning maakten vooral volgens het denkbeeld dat de aarde het middelpunt van het heelal was, dat de hemel een gewelf was, en dat er een sterrensfeer bestond, plaatste men de Hemel boven en de hel beneden; vandaar de uitdrukking: ten hemel opvaren, in de hoogste hemelen zijn, in de hel geworpen worden. Heden ten dage, dat de wetenschap aangetoond heeft dat de aarde slechts een van de kleinste werelden onder zo vele miljoenen anderen, en niet van bijzonder belang is; nadat de wetenschap de geschiedenis van haar vorming geschetst, en hare samenstelling beschreven heeft, nadat zij bewezen heeft dat de ruimte oneindig is, dat er geen boven of beneden in het heelal bestaat, heeft men het wel moeten opgeven om de hemel boven de wolken en de hel in de diepte van onderaardse gewesten te plaatsen. Voor het vagevuur had men geen bepaalde plaats aangewezen. Het bleef aan het spiritisme voorbehouden over alle deze dingen de, voor het mensdom meest redelijke, grootse en tegelijkertijd meest troostrijke uitlegging te geven. Men kan dus zeggen, dat wij in onszelf onze hel en onze hemel met ons omdragen; dat wij ons vagevuur in onze incarnatie, in onze lichamelijke of fysische levens, vinden.

 

 

1018. In welke zin moeten wij de woorden van Christus verstaan: Mijn rijk is niet van deze wereld?

“Dit zeggende: sprak Christus in een figuurlijke zin. Hij wilde zeggen dat hij alleen over reine en onbaatzuchtige harten regeert. Hij is overal, waar liefde tot het goede heerst, maar de naar de dingen van deze wereld begerige en aan de aardse goederen gehechte mensen, zijn niet met hem.”

 

1019. Zal het rijk van het goede, ooit op aarde kunnen gevestigd worden?

“Het goede zal op aarde heersen, wanneer onder de Geesten die haar komen bewonen, de goeden de meerderheid over de kwaden zullen hebben; dan zullen zij er liefde en rechtvaardigheid die de bronnen van het goede en van het geluk zijn, doen heersen. Het is door zedelijke vooruitgang en door de opvolging van Gods wetten, dat de mens de goede Geesten tot de aarde zal trekken en de slechten ervan zal verwijderen, maar de slechten zullen de aarde niet verlaten dan nadat de mensen er de hoogmoed en baatzucht uitverbannen zullen hebben.

De hervorming van het mensdom is voorspeld, en gij nadert thans dit ogenblik dat door alle mensen, die aan de vooruitgang medewerken, bespoedigd wordt; zij zal door de incarnatie van betere Geesten, die op aarde een nieuw geslacht zal vormen, volbracht worden; dan zullen de Geesten van de bozen, welke door de dood dagelijks weggemaaid worden, en allen die zich tegen de loop der dingen trachten te verzetten, vandaar gebannen worden, want deze zouden onder de goeden, van wie het geluk zij zouden verstoren, misplaatst zijn. Zij zullen, op nieuwe minder ontwikkelde werelden, moeilijke zendingen gaan vervullen, waar zij voor hunnen eigenen vooruitgang en tegelijkertijd voor de vooruitgang van hunne nog meer achterlijke broederen, zullen kunnen arbeiden.

Herkent gij niet aan die buitensluiting uit die vervormde aarde, het verheven beeld van het verloren Paradijs en in de mens in zodanige toestand op aarde gekomen, en in zichzelf de kiem van zijne hartstochten en de sporen van zijne oorspronkelijke minderheid medebrengende, het niet minder verheven beeld van de erfzonde. De erfzonde uit dat oogpunt beschouwd is eigen aan de nog onvolmaakte natuur van de mens, die op die wijze alleen voor zichzelf en voor zijne eigene misslagen en niet voor die van zijne voorouders verantwoordelijk is.

Gij allen, met goede wil bezielde, gelovige mannen, arbeidt dus met ijver en moed aan het grote werk van de herschepping, want gij zult het zaad, dat gij uitgestrooid zult hebben, weer honderdvoudig oogsten. Wee! dengenen, die de ogen voor het licht sluiten, want zij bereiden zichzelf vele eeuwen van duisternis en teleurstelling; wee dengenen die in de goederen van deze wereld al hunne vreugde stellen; want zij zullen meer ontberingen te verduren hebben, dan zij vreugde zullen genoten hebben. Wee! vooral de baatzuchtige, want zij zullen niemand vinden, die hen behulpzaam zal zijn in het dragen van de last van hunne ellende.”

H. Lodewijk.

(vorige)						(volgende)