Inleiding tot de Studie van
de Spiritistische Leer.
I.
Voor nieuwe zaken heeft men nieuwe woorden nodig, dit is
noodzakelijk voor duidelijkheid van de taal, om verwarring te voorkomen, die niet
te vermijden is, wanneer dezelfde uitdrukkingen voor verschillende uitleggingen
vatbaar zijn. De woorden spiritueel, spiritualist, spiritualisme hebben ieder
een bepaalde betekenis; hen een nieuwe te geven om ze op de leer van de geesten
toe te passen zou slechts de reeds zo menigvuldige oorzaken van
dubbelzinnigheid vermeerderen.
Inderdaad is
spiritualisme het tegenoverstelde van materialisme; ieder die gelooft iets meer
inzicht te bevatten dan de stof, is spiritualist, maar daaruit volgt nog niet
dat hij aan het bestaan van geesten of aan hun gemeenschap met de zichtbare
wereld gelooft. In plaats van de woorden spiritualist, spiritualisme, gebruiken
wij, om het laatste geloof aan te duiden de woorden spiritistisch en
spiritisme, waarvan de vorm aan de oorsprong en de grondgedachte herinnert, en
die daarom het voordeel hebben volkomen duidelijk te zijn, terwijl wij aan het
woord spiritualisme zijn eigen betekenis laten. Wij zeggen dus dat de
spiritistische leer of het spiritisme, de betrekking ten grondslaag heeft, die
tussen de stoffelijke wereld en de geesten of wezens van de onzichtbare wereld
bestaat. De volgelingen van het Spiritisme noemen wij spiritisten.
Het Boek der Geesten bevat in het bijzonder de leer van het
spiritisme; in het algemeen sluit het aan bij de spiritualistische leer,
waarvan het spiritisme een van de fasen is. Om die rede voert het boven de
titel de woorden: Spiritualistische Filosofie.
Er bestaat nog een ander woord, waaromtrent het ook van belang
is elkaar goed te verstaan, omdat het een van de hoofdpunten van elke
zedenkundige leer is, en door gebrek aan een bepaalde betekenis een onderwerp
van veel twist is: het woord ziel. De uiteenlopende meningen omtrent het wezen
van de ziel, ontstaan door de bijzondere uitleg die iedereen aan dat woord
geeft. Een volmaakte taal, in welke iedere gedachte door een afzonderlijk,
eigen woord wordt uitgedrukt, zou veel twisten voorkomen; met een eigen woord
voor elke zaak, zou men elkaar goed verstaan.
Volgens sommigen is de ziel het beginsel van het stoffelijk
organische leven, dat geen eigen bestaan heeft, en met het leven eindigt: dit
is het zuivere materialisme. In die zin zeggen zij vergelijkenderwijs van een
gebarsten muziekinstrument dat geen geluid meer geeft, dat het geen ziel meer
heeft. Volgens deze mening zou de ziel een gevolg en niet een oorzaak zijn.
Anderen denken, dat de ziel het beginsel is van de
intelligentie, die algemeen werkende kracht, waarvan ieder wezen een gedeelte
tot zicht neemt. Volgens hen bestaat er voor het heelal slechts één ziel, die
aan verschillende intelligente wezens gedurende hun leven vonken afstaat; na de
dood van die wezens keert ieder van die vonken tot de algemene bron terug, waar
zij zich met het geheel vermengt, zoals de beken en rivieren terugkeren tot de
zee, waaruit zij ontstaan zijn. Deze mening verschilt met de vorige daarin, dat
bij deze veronderstelling in de mens iets meer dan de stof bestaat, en dat er
iets na de dood overblijft; maar het is nagenoeg alsof er niets overbleef,
aangezien dat iets, geen persoonlijkheid bezittende, wij geen bewustzijn van
onszelf zouden hebben. Volgens deze mening, zou de algemene ziel God, en ieder
wezen een deel van de Godheid zijn; Het is een van de verscheidenheden van het
pantheïsme.
Volgens anderen uiteindelijk, is de ziel een zedelijk wezen,
afgescheiden en onafhankelijk van de stof, en dat na de dood zijn
persoonlijkheid behoudt. Deze mening is ontegenzeglijk het meest verspreid,
omdat deze onder die ene of andere naam, als instinctmatig geloof en onafhankelijk
van elk onderwijs, bij alle volken gevonden wordt, welke ook de trap waar hun
beschaving moge zijn. Deze leer, volgens welke de ziel oorzaak en niet
uitwerksel is, is die van de spiritualisten.
Zonder over de waarde van
die meningen te twisten, en alleen de taalkundige zijde van de zaak
beschouwende, zeggen wij, dat deze drie toepassingen van het woord ziel, drie
geheel verschillend bepaalde gedachten uitdrukken, welke ieder een afzonderlijk
woord zouden vereisen. Dit woord heeft dus een driedubbele betekenis, en ieder
heeft van het standpunt, waaruit hij dat woord gebruikt, gelijk; de fout zit in
de taal, die slechts een woord bezit om drie verschillende gedachten uit te
drukken. Ter voorkoming van alle dubbelzinnigheid zou men overeen moeten komen,
slechts voor één van deze drie denkbeelden het woord ziel te gebruiken; de
keuze voor welk is onverschillig, het komt er slechts op aan, dit onder elkaar
ééns te worden; het is een zaak van overeenkomst. Wij voor ons menen, dat het
meer logisch is, dit woord in zijn meest algemeen aangenomen betekenis te
gebruiken; en daarom zullen wij het onstoffelijke en individuele wezen, dat in
ons zetelt en dat ons lichaam overleeft, ZIEL noemen. Al bestond dit wezen
slechts als het product van onze verbeelding, dan nog zou men een woord moeten
hebben, om het uit te drukken.
Bij gemis van afzonderlijke woorden voor de andere twee
gezichtspunten noemen wij:
Levensbeginsel (principe vitaal), het beginsel van het stoffelijke en
organische leven, wat ook de bron ervan moge zijn, dat alle levende wezens, van
de planten tot aan de mens gemeen hebben. Het leven,
afgescheiden van de gaaf om te denken, kunnende bestaan, is het levensbeginsel
een afgescheiden en onafhankelijk iets. Het woord levensvermogen
(vitaliteit) zou niet hetzelfde denkbeeld weergeven. Volgens sommigen is
het levensbeginsel een eigenschap van de stof, een uitwerksel, dat ontstaat
wanneer de stof zich in zekere gegeven toestanden bevindt; volgens anderen, en
dit is de meest algemene mening, zetelt het in een bijzondere door het heelal
verspreide fluïdum, waarvan ieder wezen gedurende het leven een gedeelte tot
zicht neemt en verwerkt, zoals wij de trage lichamen het licht zien absorberen,
in dit geval zou volgens sommigen het levensgevende fluïdum niet anders zijn
dan het geanimaliseerde, elektrische fluïdum, door anderen ook magnetische- of
zenuwfluïdum genoemd.
Hoe dit ook zij, er is iets, dat niet te loochenen is, want het
is een vrucht van de waarneming, en dat is: dat de organische wezens in zichzelf
een innige kracht bezitten, die zolang als zij bestaat, het verschijnsel dat
men leven noemt, verwekt; dat het stoffelijke leven aan alle organische wezens
gemeen is, en dat dit onafhankelijk van de intelligentie en de gedachte is; dat
de intelligentie en de gedachte eigenschappen zijn, aan enige organische
soorten eigen; en eindelijk: dat onder de organische wezens die verstand en
gedachte bezitten, er nog een soort bestaat, die een afzonderlijke zedelijke
zin bezit, die haar een ontegenzeglijk meerderheid over de andere soorten
geeft, die soort is het menselijke geslacht.
Men begrijpt dat bij zulk ene veelvuldige uitlegging van het
woord, de ziel, noch het materialisme, noch het pantheïsme uitsluit. Zelfs de
spiritualist kan zeer wel het bestaan van de ziel volgens een van de twee
eerste begrippen aannemen, zonder daarom het daarvan onderscheiden onstoffelijk
wezen, waaraan hij in dat geval een andere naam zal geven, te verwerpen. Het
woord vertegenwoordigt dus geen bepaalde mening, het is een Proteus die
iedereen naar eigen welgevallen vervormt, en daardoor de bron van zovele
eindeloze twisten is.
Men zou eveneens alle misverstand kunnen voorkomen, als men bij
het gebruiken van het woord ziel in de drie aangegeven betekenissen, er
een bepaling bijvoegde die het standpunt te kennen gaf waaruit men het bezigt,
of de toepassing, welke men er aangeeft. Het zou dan een geslachtsnaam worden,
die tegelijkertijd het beginsel van het stoffelijke leven, van de
intelligentie, en van de zedelijke zin zoude aangeven, en die men door een
hoedanigheid zou kunnen onderscheiden, zoals men dit bijv. bij de gassen doet
welke men door de woorden waterstof, zuurstof, stikstof - doet voorafgaan. Men
zou dus kunnen zeggen, en wellicht ware dit het beste, de levensgevende ziel
voor het beginsel van het stoffelijke leven; de intellectuele ziel
voor het beginsel van de intelligentie, en de Spiritistische ziel
voor het beginsel voor onze individualiteit na de dood. Dit is alles, zoals men
ziet, slechts een kwestie van woorden, maar om elkaar te kunnen verstaan een
zeer belangrijke kwestie. Hieruit zou volgen, dat de levensgevende ziel
aan alle organische wezens: planten, dieren en de mens gemeen is; de intellectuele
ziel aan de dieren en mensen, en de spiritistische ziel,
alleen aan de mens eigen is.
Wij hebben des temeer gemeend op deze uitlegging te moeten
aandringen, omdat de spiritistische leer uit hare aard steunt op het bestaan in
ons van een wezen, onafhankelijk van de stof, en het lichaam overlevend. Daar
het woord ziel menigmaal in dit werk moet voorkomen, was het nodig de
betekenis, die wij eraan hechten, juist te bepalen, teneinde alle vergissing
daaromtrent te voorkomen.
Laat ons nu tot het voornaamste onderwerp van dit voorbereidend
onderwijs overgaan.
III.
Evenals iedere nieuwe zaak heeft ook de Spiritistische
leer haar aanhangers en bestrijders. Wij zullen trachten enige van de
tegenwerpingen van deze laatste te beantwoorden door de waarde van de gronden,
op welke die steunen, te onderzoeken, zonder ons evenwel te vleien iedereen te
zullen overtuigen; want er zijn mensen, die geloven dat het licht alleen voor
hen bestaat. Wij richten dus het woord tot personen van goede trouw zonder
vooraf vastgestelde of vooringenomen denkbeelden, maar die met de ernstige wens
om te leren bezield zijn, en wij zullen hen aantonen dat de meeste van de
tegenwerpingen, welke men tegen de leer maakt, het gevolg zijn van onvolledige
waarneming van de feiten en van een te lichtvaardig en overhaast uitgesproken
oordeel.
Laat ons vooraf in weinige woorden de opklimmende reeks van de
verschijnselen, die deze leer hebben doen geboren worden, in herinnering
brengen.
Het eerste waargenomen feit, was het in beweging raken van
onderscheiden voorwerpen; men heeft daaraan de alledaagse benaming van
draaiende tafels of tafeldans gegeven. Dit verschijnsel, dat het eerst in
Amerika schijnt waargenomen te zijn, of, beter gezegd, zich in dat land het
eerste heeft herhaald, want de geschiedenis bewijst, dat het reeds in de oudste
tijden plaats vond, ging met zonderlinge omstandigheden gepaard, zoals ongewone
geluiden, slagen, die zonder bekende zichtbare oorzaken werden voorgebracht.
Van Amerika uit, heeft het zich snel over Europa en de andere werelddelen
verspreidt; in het begin ontmoette het bij velen ongeloof, maar de
menigvuldigheid van de waarnemingen heeft spoedig alle twijfel aan de echtheid
van de verschijnselen doen ophouden.
Indien die verschijnselen zich tot de beweging van stoffelijke
voorwerpen bepaald hadden, zouden zij door een zuiver natuurkundige oorzaak
kunnen verklaard worden. Het is er verre, vanaf, dat wij alle geheime krachten
van de natuur, alle eigenschappen van degene die ons bekend zijn, zouden
kennen; bovendien opent de elektriciteit dagelijks tot in het oneindige nieuwe hulpbronnen
voor de mens en schijnt als 't ware, de wetenschap met een nieuw licht te
moeten beschijnen. Het zou dus in 't geheel niet onmogelijk kunnen geweest
zijn, dat de elektriciteit, gewijzigd door zekere omstandigheden of door een
andere onbekende kracht, de oorzaak was van die bewegingen. Daar de vereniging
van vele personen de kracht van de werking vermeerderde, scheen dit, deze
theorie kracht bij te zetten, want men kon die verzameling van individuen
beschouwen als een veelvoudige voltasche kolom waarvan de kracht vermeerdert,
naar het getal van de elementen, welke gebezigd worden.
De ronddraaiende beweging had niets vreemds; zij bestaat in de
natuur, zij is die van alle hemellichamen; wij zouden dus in het klein een
afspiegeling hebben van de algemene beweging van het heelal, of, beter
gezegd, een tot dus ver onbekende oorzaak kon toevallig en onder zekere gegeven
omstandigheden voor de kleinste voorwerpen een stroming doen ontstaan zoals
die, welke alle werelden met zich voert.
Maar de beweging was niet altijd en ronddraaiende, dikwijls was
zij stotend, ongeregeld; het voorwerp werd hevig geschud, omgeworpen, en tegen
alle wetten van het evenwicht opgenomen en in de ruimte zwevende gehouden. In
al deze feiten was nog niets dat niet door de macht van een onzichtbare
fysische kracht kon verklaard worden. Zien wij niet dat door de elektriciteit,
gebouwen omgeworpen, bomen ontworteld, de zwaarste voorwerpen ver
weggeslingerd, aangetrokken of terugstoten worden?
De ongewone geluiden, de slagen, veronderstellende dat zij niet
door de gewone inkrimping en uitzetting van het hout of door iedere andere
toevallige oorzaak werden teweeggebracht, konden nog zeer goed door de ophoping
van het onzichtbare fluïdum ontstaan; veroorzaakt de elektriciteit niet de hevigste
geluiden?
Zoals men ziet, bestond er tot dus ver niets, dat niet tot het
gebied van de zuiver fysische en fysiologische feiten kon worden teruggebracht.
Zonder die gedachtegang te verlaten, was er stof genoeg voor ernstige studie,
waardig om de opmerkzaamheid van de geleerden opwekken. Waarom heeft dit geen
plaats gevonden? Het is treurig het te moeten zeggen, maar dit ligt aan
oorzaken, die met duizenden andere dergelijke feiten de lichtvaardigheid van de
menselijk geest bewijzen. Vooreerst is 't alledaags van het voorwerp, dat
voornamelijk tot basis bij de eerste onderzoekingen gediend heeft, daar niet
vreemd aan geweest. Welk een grote invloed kan een woord niet op de ernstigste
zaken uitoefenen! Zonder te bedenken dat de beweging ook aan ieder ander voorwerp
kon medegedeeld worden, heeft de gedachte, een tafel te gebruiken, de overhand
behouden, waarschijnlijk omdat het daartoe het geschiktste voorwerp was, en men
met meer gemak rondom een tafel dan om ieder ander meubel kan gaan zitten. En
de meer dan gewoon begaafde mensen zijn dikwijls zo kinderachtig, dat het niet
onmogelijk is, dat enige uitstekende geesten het beneden hun waardigheid zullen
geacht hebben zich bezig te houden met datgene, waaraan men goed gevonden had,
de naam van tafeldans te geven. Het is zelfs waarschijnlijk, dat, indien
het verschijnsel door Galvani aan het licht gebracht, door een alledaags mens
ontdekt, en evenzo onder een bespottelijke naam bekend gemaakt ware, het nog
hij de wichelroede gebannen zoude gebleven zijn. Welk geleerde toch, zoude niet
gedacht hebben, zich te vernederen door zich met de kikvorsendans bezig
te houden.
Enige evenwel, bescheiden genoeg om te bekennen dat de natuur
wellicht niet haar laatste woord voor hen gesproken had, hebben, tot
geruststelling van hun geweten, willen zien; maar de verschijnselen niet altijd
aan hun verwachtingen beantwoordende en niet altijd wanneer zij dit verlangden,
en volgens hun wijze van onderzoek plaats vindende, hebben zij, het niet
bestaan, uitgesproken; maar niettegenstaande hun uitspraak, gaan de tafels, als
er dan toch van tafels sprake moet zijn, voort met draaien, en wij konden met
Galilei zeggen: toch draaien zij! Wij gaan verder, en zeggen dat de feiten zich
zodanig vermenigvuldigd hebben, dat zij thans het burgerrecht verkregen hebben,
en het er alleen op aankomt, er een rationele uitlegging voor te vinden. Is men
gerechtigd de verschijnselen voor onwaar te verklaren omdat zij niet altijd op
dezelfde wijze en naar de wil of volgens de eisen van de waarnemer plaats vinden?
Zijn de verschijnselen, die door de elektriciteit en de scheikunde ontstaan
niet aan zekere omstandigheden en voorwaarden onderworpen, en moet
men die ontkennen, omdat zij niet dan onder die omstandigheden plaats vinden?
Is het dan zo vreemd dat het verschijnsel van de beweging van de voorwerpen
door middel van het menselijk fluïdum, ook van zekere voorwaarden afhankelijk
is, en niet plaats vindt, als de waarnemer, zich op zijn eigen gezichtspunt
plaatsende, vordert, dat dit volgens zijn grillen moet plaatsvinden, of die aan
de wetten van bekende verschijnselen wil onderwerpen, zonder te bedenken dat er
voor nieuwe verschijnselen, nieuwe wetten kunnen en moeten bestaan? En om deze
wetten te kennen, moet men de omstandigheden waaronder de feiten gebeuren,
bestuderen, en deze studie kan alleen verkregen worden door een aanhoudende,
oplettende, en dikwijls zeer lang voortgezette waarneming.
Maar, brengen enige hiertegen in, er bestaat dikwijls
klaarblijkelijk bedrog. Deze vragen wij, of zij wel zo zeker zijn dat er bedrog
bestaat, en of zij niet als zodanig, die verschijnselen hebben beschouwd,
waarvan zij zich geen rekenschap wisten te geven; zoals die boer, die een
kundig leraar in de scheikunde proeven ziende nemen, deze voor een behendig
goochelaar aanzag. Zelfs aannemende dat er soms bedrog kan hebben plaats
gevonden, is dit daarom een rede om het feit zelf te loochenen? Moet men de
fysica loochenen, omdat er goochelaars zijn, die met de naam fysicus pronken?
Bovendien moet men het karakter van de personen en het belang dat zij erbij
zouden kunnen hebben om te bedriegen, in aanmerking nemen. Het zoude dan een
grap wezen? Men kan er zich wel een ogenblik mede vermaken, maar een tot in het
oneindige voortgezette grap, zou de grappenmaker niet minder walgend
vervelen, dan hem die men bedotten wil. Overigens is er in een mystificatie,
die zich over de gehele wereld en onder de meest ernstige, eerbiedwaardige en
verlichte mensen verspreidt, iets, dat minstens evenzo merkwaardig is als het
verschijnsel zelf.
IV.
Indien de verschijnselen
waarover wij spreken zich tot de beweging van voorwerpen bepaald hadden, zouden
zij, zoals wij reeds aangemerkt hebben, tot het gebied van de natuurkundige
wetenschappen blijven behoren, maar dit is niet het geval geweest, het was hun
bestemming om ons op de weg van feiten van een vreemde aard te leiden. Men
meende te ontdekken, wij weten niet waardoor, dat de impulsie aan de voorwerpen
medegedeeld, niet alleen de werking van een blinde mechanische kracht was, maar
dat bij die beweging de medewerking van een intelligente oorzaak plaats vond.
Deze weg, eens gebaand, bood een geheel nieuw veld voor het onderzoek aan; de
sluier over vele geheimenissen was opgeheven. Bestaat er inderdaad een
intelligente kracht? Dat is de vraag. Indien die kracht bestaat, welke is zij
dan, welke oorsprong heeft zij dan? Staat zij boven de mensheid? Dit zijn
wederom vragen, die uit de eerste voortvloeien.
De eerste intelligente openbaringen vonden plaats door middel
van tafels, die zich oprichtten, met een van de poten een bepaald getal slagen
gaven en op die wijze ja en nee volgens een gemaakte afspraak, op
een gestelde vraag antwoordden. Tot zover bestond hierin niets dat de
ongelovigen tot overtuiging kon brengen, want men kon dit aan het toeval
toeschrijven. Later ontving men meer uitgebreide antwoorden door de letters van
het alfabet: het voorwerp waarvan men zich bediende klopte zo vele malen, als
met het ranggetal van iedere letter in het alfabet overeen kwam; zodoende
bekwam men woorden en zinnen, welke antwoorden op gestelde vragen waren. De
juistheid van de antwoorden, hun verband met die vragen, wekten de verbazing
op. Het geheimzinnige wezen, dat op die wijze antwoord gaf, over zijn wezen
ondervraagd zijnde, verklaarde, dat het een geest of genius was,
noemde zijn naam, en deelde verscheidene inlichtingen hem aangaande, mede. Dit
is een zeer belangrijke bijzonderheid, waarop wel gelet dient te worden.
Niemand heeft dus de Geesten verzonnen, als een middel om daardoor het
verschijnsel te verklaren; het is het verschijnsel zelf, dat het woord
openbaard. In de exacte wetenschappen stelt men dikwijls hypothesen om een
grondslag voor de redenering te hebben, maar hier is dit niet gebeurd.
Dit middel van gemeenschap was langwijlig en moeilijk. De geest,
en hierop dient wederom als op een belangrijke omstandigheid gelet te worden,
gaf een ander middel op. Een van deze onzichtbare gaf de raad, een potlood aan
een korfje of ander voorwerp vast te hechten. Dit korfje op een vel papier
geplaatst, werd door dezelfde geheime kracht die de tafels doet bewegen, in
beweging gebracht; maar in plaats van een eenvoudige regelmatige beweging te
maken, schreef het potlood uit zichzelf letters die woorden, zinnen en gehele
verhandelingen van ettelijke bladzijden vormden, waarin vraagstukken van de
hoogste wijsbegeerte, zedenkunde, bovennatuurkunde, psychologie enz. behandeld
werden, en wel even snel, als wanneer men met de hand schrijft.
Deze raad werd gelijktijdig in Amerika, Frankrijk en in
verschillende landen gegeven. Zie hier de bewoordingen, waarin hij te Parijs,
op de 10e. Juni 1853, gegeven werd aan een de ijverigste beoefenaars
van de leer, die zich reeds sedert vele jaren, vanaf 1849, met de oproeping van
Geesten bezig hield: “Ga in de kamer hiernaast het korfje halen; maak er een
potlood aan vast; zet het op het papier; en plaats uwe vingers op de
rand." Enige ogenblikken daarna, begon het korfje te bewegen en schreef
het potlood zeer duidelijk de volgenden zin: “Wat ik u daar zeg, verbied ik u
bepaald, aan iemand meedelen, de eerste keer dat ik weer zal schrijven, zal ik
beter schrijven.”
Daar het voorwerp, waaraan men een potlood hecht, niets dan een
werktuig is, zo is de aard of de vorm ervan geheel onverschillig; men heeft de
gemakkelijkste inrichting trachten te vinden; vele mensen maken gebruik van een
plankje.
Het korfje, of het plankje, kan alleen in beweging gebracht
worden door de invloed van zekere individuen, die hiertoe niet een bijzondere
kracht begiftigd zijn, en die men Mediums noemt,
dat wil zeggen, middel of middelaars tussen de Geesten en de mens. De
hoedanigheden, die deze kracht geven, zijn afhankelijk zowel van fysische als
van zedelijke oorzaken, die nog slechts onvolmaakt bekend zijn, want men vindt
mediums van elke ouderdom, van elk geslacht en van eIke trap van
verstandsontwikkeling. Deze gave ontwikkelt zich overigens door oefening.
V.
Later zag men in, dat het korfje of het mandje waarlijk slechts
een aanhangsel van de hand vormde, en het medium, het potlood zelf in de hand
nemende, begon, gedreven door een onwillekeurige en bijna koortsachtige
impulsie te schrijven. Op die wijze werden de mededelingen sneller,
gemakkelijker en vollediger; en thans is deze de meest gebruikelijke manier, te
meer omdat het getal personen, welke deze gaaf bezitten, zeer aanzienlijk is en
met de dag toeneemt. De ondervinding deed eindelijk nog vele verscheidenheden
in het mediumschap kennen, en men ontdekte dat de mededelingen ook konden plaats
hebben door de stem, het gehoor, het gezicht, door aanraking enz. ja zelfs door
direct schrift van de geesten zelf, dat wil zeggen zonder de hulp van de hand
van het medium, of van potlood.
Toen het feit verkregen was, bleef er nog een voornaam punt na
te gaan, en wel de rol, die het medium bij de beantwoording vervult, en het
aandeel dat hij er werktuigelijk en zedelijk aan kan nemen. Twee belangrijke en
voorname omstandigheden, die aan een oplettend waarnemer niet mogen ontgaan,
kunnen die vraag oplossen. De eerste is de wijze, waarop het korfje zich, onder
zijn invloed, alleen door de vingers op de rand te plaatsen, beweegt; het
onderzoek zal de onmogelijkheid aantonen om op die manier op enige wijze de
richting te kunnen aangeven. Deze onmogelijkheid wordt nog duidelijker
aangetond, als twee of drie personen tegelijk hun vingers aan hetzelfde korfje
plaatsen; er zou alsdan een inderdaad wonderbare overeenstemming in hun
bewegingen moeten bestaan; daarenboven zou er ook nog overeenstemming van
gedachten tussen hen moeten zijn, teneinde zich te kunnen verstaan omtrent het
op de gestelde vraag te geven antwoord. Er komt nog een ander niet minder
zonderling feit bij, dat het bezwaar nog groter maakt, en dat is het volkomen
verschil in schrift, naar gelang van de zich openbarende geest, en de
omstandigheid, dat telkens als dezelfde geest terug komt, ook het schrift aan
die geest eigen, voortgebracht word. Het medium zou er zich op hebben moeten
toeleggen zijn eigen schrift op twintigerlij wijze te veranderen, en vooral om
te kunnen onthouden welk schrift aan deze of aan genen geest behoort.
De tweede omstandigheid vloeit uit de aard van de antwoorden
zelf voort, waarvan het meestal, vooral wanneer het afgetrokken of
wetenschappelijke vragen gelden, algemeen bekend is, dat zij de kennis en zelfs
de verstandelijke ontwikkeling te boven gaan van het medium; dat overigens
meestal geen bewustzijn heeft van hetgeen door zijne tussenkomst geschreven
word en zeer dikwijls de gestelde vraag zelf niet hoort of begrijpt, daar zij
in een hem vreemde taal of zelf, in gedachte gedaan word en het antwoord in
hetzelfde taal kan gegeven worden. Eindelijk gebeurt het dikwijls, dat het
korfje over het een of ander onderwerp geheel onverwacht vanzelf schrijft,
zonder dat daarover vooraf een vraag gedaan is.
Deze antwoorden dragen in sommige gevallen zulk een stempel van
wijsheid, diepzinnigheid en juistheid, zij verkondigen zulke verhevene, edele
denkbeelden, dat zij niet dan van een verheven intelligentie, van de zuiverste
zedelijkheid doordrongen, kunnen afkomstig zijn. Andere weer zijn zo
lichtzinnig, zo nietig, zo triviaal zelfs, dat het verstand weigert te geloven,
dat dit uit dezelfde bron voortkomt. Dit onderscheid in de taal kan door niets
anders verklaard worden, dan door het verschil in de intelligenties, die zich
openbaren. Bestaan deze intelligenties in, of bestaan zij buiten de mensheid?
Dat is het vraagstuk, dat opgehelderd moet worden, en waarvan men de volledige
verklaring, zoals het door de geesten zelf gegeven is, in dit werk vinden zal.
Ziedaar dus duidelijke uitwerkselen, die buiten de gewone kring
van onze waarnemingen voortgebracht worden, die niet in het geheim, maar
openlijk plaats vinden, die elkeen kan zien en constateren, die niet het
voorrecht van een enkele zijn, maar dagelijks door duizenden naar willekeur
herhaald worden. Deze uitwerkselen moeten noodwendig een oorzaak hebben, en
daar zij de handeling van een intelligentie en van een wil openbaren, behoren
zij daardoor niet tot het zuiver fysische gebied.
Onderscheidene theorieën zijn hierover gegeven, wij zullen die
straks onderzoeken, en zullen zien of door deze, alle feiten die zich kunnen
voordoen, verklaard worden. Laat ons intussen, het bestaan van andere wezens,
afgescheiden van de mensen, aannemen, omdat dit de verklaring is, welke de zich
openbarende intelligenties ons gegeven hebben, en laat ons nagaan, wat dezen
ons hieromtrent zeggen.
VI.
De wezens, welke zich op die wijze openbaren duiden zichzelf,
zoals gezegd is aan, onder de naam van geesten of geniussen, en hebben, althans
enige onder hen, tot de aardbewoners behoord. Zij vormen de geestenwereld,
zoals wij gedurende ons leven de lichamelijke wereld uitmaken.
Wij vatten hier in weinige woorden de voornaamste punten van de
Leer, die zij ons gebracht hebben, tezamen, teneinde gemakkelijker vele
tegenwerpingen te kunnen beantwoorden.
“God is eeuwig, onveranderlijk, onstoffelijk, enig, almachtig,
in de hoogste graad rechtvaardig en goed.
Hij heeft het heelal, hetwelk alle bezielde en onbezielde,
stoffelijke en onstoffelijke wezens bevat, geschapen.
De stoffelijke wezens vormen de zichtbare of lichamelijke, en de
onstoffelijke de onzichtbare of Spiritische, dat wil zeggen de Geestenwereld.
De Geestenwereld is de normale, oorspronkelijke, eeuwige, vóór
alles bestaande en alles overlevende wereld.
De lichamelijke wereld is slechts secondair; zij zou
kunnen ophouden te bestaan of nooit hebben kunnen bestaan, zonder in iets het
wezen van de Geestenwereld te veranderen.
De Geesten nemen tijdelijk een stoffelijk vergankelijk omhulsel
aan, door welks vernietiging door de dood, zij wederom vrij worden.
Onder de vele soorten van lichamelijke wezens, heeft God de mens
uitverkoren, om daarin de Geesten, die een zekere hoogte van ontwikkeling
bereikt hebben, te incarneren: hierdoor verkrijgt hij een boven alle anderen
verheven zedelijke en intellectuele meerderheid.
De ziel is een geïncarneerde geest, waarvan het lichaam slechts
het omhulsel is.
Er bestaan in de mens drie dingen:
Het lichaam of het stoffelijke wezen, dat aan de dieren gelijk,
en door hetzelfde levensbeginsel bezield is;
De ziel of het onstoffelijke wezen, een in het lichaam
geïncarneerde geest;
De band, die de ziel met het lichaam verbindt, de middelaar
tussen stof en geest.
De mens heeft dus twee naturen: door zijn lichaam behoort hij
tot die van de dieren, waarvan hij de natuurdriften bezit; door zijn ziel, tot
die van de Geesten.
De band of perisprit, die het lichaam met de geest
verbindt, is een soort halfstoffelijk omhulsel. De dood is de vernietiging van
het grofste omhulsel, de Geest behoudt het tweede, hetwelk voor hem een
etherisch lichaam vormt, dat in de normale toestand voor ons onzichtbaar is,
maar dat hij in sommige gevallen zichtbaar en zelfs tastbaar kan maken, zoals
dit in het fenomeen van de verschijningen plaatsvindt.
De Geest is geen abstract, onbepaald wezen, dat men zich alleen
door de verbeelding kan voorstellen; het is een werkelijk bestaand, begrensd
wezen, dat onder zekere omstandigheden door de zintuigen van het gezicht,
gehoor of gevoel kan waargenomen worden.
De Geesten zijn in verscheidene klassen verdeeld, en zijn noch
in macht, noch in verstand of zedelijkheid aan elkaar gelijk. Die van de
hoogste rang zijn de verheven Geesten, die zich door hun volmaaktheid, kunde,
nadering tot God, zuiverheid van gevoelens, liefde tot het goede, van de
anderen onderscheiden; het zijn de engelen of reine Geesten. De andere klassen
verwijderen zich meer en meer van deze volmaakte staat; die van de laagste orden
zijn nog aan de meeste van onze hartstochten, als: nijd, haat, ijverzucht,
hoogmoed, onderworpen; zij vinden genoegen in het kwaad. Er zijn er die noch
zeer goed noch zeer slecht zijn die meer war- en kwelgeesten zijn dan boze
geesten; kwaadwilligheid en wispelturigheid schijnen hun deel te zijn; het zijn
dwaalgeesten.
De Geesten blijven niet altijd tot dezelfde orde behoren. Door
het doorlopen van de verschillende trappen van de Geestelijke hiërarchie
beteren zij zich allen. Deze beterschap vindt plaats door de wedergeboorte, die
aan sommigen als boete, aan anderen als zending wordt opgelegd. Het stoffelijke
leven is een beproeving, die zij bij herhaling moeten ondergaan, totdat zij de
volmaaktheid zullen bereikt hebben; het is een soort van zuivering of schifting
waaruit zij min of meer gelouterd tevoorschijn komen.
Wanneer de ziel het lichaam verlaat, keert zij terug tot de
Geestenwereld, waaruit zij gekomen was, teneinde na kortere of langere tijd,
waarin zij als dwalende geest ronddoolt, een nieuw stoffelijk leven te
beginnen. (Er bestaat tussen deze leer van de wedergeboorte, en die van de zielsverhuizing
zoals sommige sekten die aannemen, een karakteristiek verschil, dat verder in dit werk zal
verklaard worden).
Daar de Geest onderscheidene incarnaties moet ondergaan, vloeit
daaruit voort, dat wij allen meer dan een bestaan gehad hebben, en dat wij er
nog velen min of meer volmaakten, hetzij op deze aarde of op andere werelden,
zullen ondergaan.
De incarnatie van de Geesten heeft altijd bij het menselijk
geslacht plaats; het is een dwaling te geloven, dat de ziel of Geest zich in
het lichaam van een dier kan incarneren.
Het elkaar opvolgend
lichamelijk leven van de Geest, is altijd vooruit en nooit achteruitgaande; maar de snelheid
waarmee deze vooruitgang bereikt wordt, hangt af van de inspanning die wij
aanwenden om tot volmaking te raken.
De hoedanigheden van de ziel zijn die van de Geest die zich in
ons geïncarneerd heeft; zo is de deugdzame mens de incarnatie van een goede, en
de slecht mens, die van een onreine Geest.
De ziel bezat haar individualiteit vóór haar incarnatie; zij
blijft die na haar scheiding van het lichaam behouden.
Bij haar terugtreden in de Geestenwereld vindt de ziel al
diegene, die zij op aarde gekend heeft, terug, en herinnert zij zich weder al
de vorige keren, die zij geleefd heeft, terug, met al het goed en al het kwaad,
dat zij bedreven heeft.
De geïncarneerde Geest is aan de invloed van de stof
onderworpen; de mens, die deze invloed door de verheffing en reiniging van
zijne ziel overwint, nadert tot de goede Geesten, tot welke hij eenmaal behoren
zal. Hij, die zich door zijne slechte hartstochten laat overheersen, en al zijn
geluk in de bevrediging van groefzinnelijke lusten stelt, nadert door aan zijn
dierlijke natuur het overwicht te laten, tot de onreine Geesten.
De geïncarneerde Geesten bewonen de onderscheiden werelden van
het heelal.
De niet-geïncarneerde of ronddolende Geesten, bewonen geen
bepaald en begrensd oord; zij zijn overal, in de ruimte en naast ons, zij zien
ons, en zijn onophoudelijk met ons in aanraking; zij vormen een grote
onzichtbare bevolking, die zich om ons beweegt.
De Geesten oefenen op de zedelijke en ook op de stoffelijke
wereld een onafgebroken invloed uit; zij werken op de stof en op de gedachte,
en zijn een van de machten van de natuur, de werkende oorzaak van een menigte
tot heden onverklaarde of verkeerd verklaarde verschijnselen, die alléén door
het spiritisme op een redelijke wijze kunnen opgelost worden.
De omgang van de Geesten met de mensen is voortdurend.
De goede Geesten zetten ons tot het goede aan, ondersteunen ons
bij de beproevingen van het leven, en helpen ons die met moed en gelatenheid
dragen; de slechte Geesten drijven ons tot kwaaddoen aan; het is voor hen een
genot wanneer zij ons zien bezwijken, en ons daardoor aan hen gelijk zien
worden.
De omgang van de Geesten met de mensen geschiedt op een geheime
of op een openlijk waarneembare wijze.
De geheime mededelingen geschieden door middel van de goede of
slechte invloed, die zij, zonder dat wij dit weten, op ons uitoefenen; wij
moeten zelf beoordelen of de ingevingen, die wij ontvangen, goed of kwaad zijn.
De openlijk waarneembare mededelingen geschieden door middel van 't schrift,
van 't woord of door andere stoffelijke manifestaties, meestal door tussenkomst
van de mediums, die als hun werktuigen dienen.
De Geesten manifesteren
zich uit zichzelf of na een gedane oproeping (evocatie). Men kan alle Geesten
oproepen; zowel hen, die weinig bekende als hen, die de uitstekendste mensen
hebben bezield, op welk tijdstip zij ook geleefd mogen hebben; onze
bloedverwanten, vrienden, vijanden; en van hen door schriftelijke of mondelinge
mededelingen, raad, inlichtingen over hun toestand aan gene zijde van het graf,
over hun denkwijze ten onze opzichte ontvangen, zowel als zulke openbaringen,
die zij ons mogen doen.
De Geesten worden door hunne sympathie voor de zedelijke aard
van diegenen, die hen oproepen, aangetrokken. De verheven Geesten komen gaarne
in ernstige bijeenkomsten waarin liefde tot het goede, en het ernstige
verlangen zich te bekwamen en te beteren voorzitten. Hunne tegenwoordigheid
verwijdert de mindere geesten, die daarentegen vrije toegang hebben en in volle
vrijheid kunnen handelen onder lichtzinnige of alléén door nieuwsgierigheid
gedreven mensen, en overal waar zij slechte neigingen aantreffen. Wel verre van
goede raad of nuttige mededelingen ervan te ontvangen, moet men er niet anders
dan beuzelingen, leugens, gemene aardigheden of mystificaties van verwachten,
want zij maken dikwijls van eerbiedwaardige namen gebruik, om ons beter op het
dwaalspoor te kunnen brengen.
Het verschil in de goede en kwade Geesten is zeer gemakkelijk te
onderscheiden; de taal van de verheven Geesten is altijd waardig, edel, draagt
het kenmerk van de hoogst zedelijkheid en is vrij van elke lage hartstocht;
hunne raadgevingen ademen de reinste wijsheid, en hebben altijd onze
verbetering en het welzijn van het mensdom ten doel. De taal van de mindere
Geesten daarentegen, is inconsequent, dikwijls plat en zelfs gemeen, hoewel zij
somwijlen goede en ware dingen zeggen, zijn hunne mededelingen vaker vals en
ongerijmd, hetzij uit kwaadwilligheid, hetzij uit onwetendheid; zij vermaken
zich over de lichtgelovigheid en drijven de spot met hen die hen ondervragen,
door hunne ijdelheid te strelen, of door hen bij hunne wensen met ijdele hoop
te vleijen. In 't kort men ontvangt de ernstige mededelingen in de striktste
zin alléén in ernstige bijeenkomsten, in zulke wier leden door een innige
gemeenschap van gedachten ten goede, verenigd zijn.
De zedenleer van de verheven geesten is evenals die van Christus
in deze Evangelische grondregel samengevat: aan anderen te doen wat wij zouden
wensen dat anderen ons deden; dat wil zeggen: het goede en niet het kwade te
doen. In dit grondbeginsel vindt de mens het algemene richtsnoer voor alle, ook
voor zijn minste handelingen.
De Geesten leren ons: dat baatzucht, hoogmoed, zinnelijkheid,
hartstochten zijn, die ons, door ons aan de stof te kluisteren, tot de natuur
van de dieren doen naderen; dat de mens, die zich reeds hier op aarde, door
geringschatting van de wereldse nietigheden en door liefde tot de naasten, van
de stof losmaakt, tot die van de Geesten nadert; dat wij allen, ieder naar ons
vermogen en naar de middelen, die God tot onze beproeving geschonken heeft, ons
nuttig moeten trachten te maken; dat de sterke en machtige van de zwakke ondersteuning
en bescherming verschuldigd is, want dat hij, die van zijn kracht en macht
misbruik maakt om zijn natuurgenoten te onderdrukken, Gods wet schendt.
Eindelijk leren zij nog, dat daar in de Geestenwereld niets
verborgen kan blijven, de huichelaar ontmaskerd en al zijn wandaden aan de dag
zullen gebracht worden; dat de onvermijdelijke en gedurige tegenwoordigheid van
hen, jegens wie wij misdreven hebben een van de straffen is, die ons te wachten
staat, dat aan de toestand van minderheid of verhevenheid van de Geesten,
straffen en genietingen verbonden zijn die ons op aarde onbekend zijn.
Maar zij leren ons ook, dat er geen zonde is waarvoor geen
vergeving te verwerven is, of die niet door boetedoening zou kunnen worden
uitgewist. De mens vindt daartoe de gelegenheid in de verschillende levens, die
hen in staat stellen, naarmate van zijn wens en de pogingen die hij daartoe
aanwendt, voorwaarts te streven op de weg van de vooruitgang en naar de volmaking
die zijn einddoel is.
Dit is in het kort de leer van het spiritisme, zoals zij uit de
mededelingen van de verhevene Geesten, getrokken is. Laat ons nu de
tegenwerpingen, die men erop maakt, beschouwen.
VII.
Voor velen is de oppositie van de wetenschappelijke corporaties
zo niet een bewijs, dan toch een grote waarschijnlijkheid tegen de waarheid van
iets. Wij behoren niet tot hen, die een afkeurend geschreeuw tegen de geleerden
aanheffen, want wij willen niet dat men van ons zegge dat wij de ezelsschop
geven; wij schatten hen integendeel hoog, en zouden ons zeer vereerd achten,
indien wij onder hen plaats mochten nemen; doch hun gevoel kan niet in alles
als een onherroepelijke uitspraak gelden.
Zodra de wetenschap buiten het gebied van de stoffelijke
waarneming van de feiten treedt, wanneer het erop aankomt die feiten te
beoordelen en te verklaren, dan heeft zij op het veld van de veronderstellingen
en gissingen ruim baan; elkeen komt voor de dag met zijn eigen stelseltje, dat
hij voorop zet en hardnekkig verdedigt. Zien wij niet dagelijks de meest
uiteenlopende meningen beurtelings hoog opgehemeld en verworpen? Nu eens als
ongerijmde dwalingen bestreden, dan weer als onbetwistbare waarheden
verkondigd?
Feiten, ziedaar de ware toets voor ons oordeel, het bewijs
zonder tegenspraak; bij gemis van feiten, is twijfel het gevoel van de wijze.
In zaken van algemene bekendheid, verdient het oordeel van de geleerden met
recht geloof, omdat zij meer en beter weten dan de grote hoop; maar als
het nieuwe beginselen, nog onbekende zaken geldt, berust hun wijze van zien
nooit anders dan op onderstellingen (hypothesen), omdat zij niet meer dan ieder
ander vrij van vooroordelen zijn; ik zoude zelfs zeggen dat de geleerde
wellicht meer dan anderen met vooroordelen behept is, omdat een natuurlijke
neiging hem ertoe leidt alles te beoordelen vanuit het gezichtspunt van de
wetenschap, dat hij doorgrond heeft; de wiskunstenaar ziet geen bewijzen dan in
een wiskunstige formule, de scheikundige toetst alles aan de werking van de
elementen enz. Ieder mens, die van iets in 't bijzonder zijn studie gemaakt
heeft, koppelt er al zijn gedachten aan vast, raakt hij daar buiten, dan
spreekt hij dikwijls onzin, omdat hij alles aan dezelfde toets wil onderwerpen;
het is een gevolg van de menselijke zwakheid. Gaarne en met het volste
vertrouwen, zal ik dus een scheikundige over een scheikundige analyse, een
natuurkundige over de kracht van de elektriciteit, een werktuigkundige over een
beweegkracht, raadplegen; maar zij zullen mij moeten veroorloven, zonder dat
dit in het minste de achting vermindert die ik voor hunne bijzondere kennis koester,
dat ik aan hunne ontkennende uitspraak omtrent de spiritistische feiten geen
waarde hecht, evenmin als mij aan het oordeel van een architect gelegen zou
wezen over een vraag, die de muziek betreft.
De gewone wetenschappen steunen op de eigenschappen van de stof,
met welke men proeven kan nemen en die men naar welgevallen kan bewerken; de
spiritistische verschijnselen steunen op de werking van intelligenties, die een
eigen wil hebben, en die ons telkens bewijzen dat zij
niet aan onze grillen onderworpen zijn. De waarnemingen kunnen dus niet op
dezelfde wijze gedaan worden; zij vereisen bijzondere omstandigheden en
toestanden, en hebben een ander uitgangspunt; ze aan onze gewone wijze
van onderzoek te willen onderwerpen, zou zijn vergelijkingen stellen, die niet
bestaan.
De eigenlijke wetenschap, is dus als wetenschap onbevoegd om
uitspraak over het spiritisme te doen: het behoort niet tot haar gebied, en
haar oordeel, hetzij vóór of tegen, kan van geen gewicht zijn.
Het spiritisme is het
gevolg van een persoonlijke overtuiging, die de geleerden als individuen,
afgescheiden van hun hoedanigheid als geleerden kunnen hebben; maar de vraag
aan de beslissing van de wetenschap te willen onderwerpen, zou even goed zijn
als het al of niet bestaan van de ziel door een vergadering van natuur en
sterrenkundigen te willen doen beslissen. Het spiritisme is inderdaad geheel op het bestaan van de ziel en haar toestand na de dood
gegrond; en het is in de hoogste graad onlogisch te geloven, dat iemand een
groot psycholoog moet wezen omdat hij een groot wis- of ontleedkundige is.
Wanneer de ontleedkundige het menselijke lichaam ontleedt, zoekt hij naar de
ziel, en omdat hij die niet, zoals een zenuw onder het ontleedmes vindt, of
omdat hij haar niet als een gas ziet ontsnappen, trekt hij, omdat hij zich
geheel op het uitsluitend stoffelijk standpunt plaatst, daaruit de
gevolgtrekking dat zij niet bestaat; volgt nu daar noodwendig uit dat hij
gelijk heeft tegenover de algemene mening? Nee. - Gij ziet daaruit dat het
spiritisme niet tot het gebied van de wetenschap behoort.
Wanneer de spiritistische denkbeelden algemeen
verspreid, wanneer zij door de grote massa aangenomen zullen zijn, en te
oordelen naar de snelheid, waarmee zij zich verbreiden, kan die tijd niet ver
verwijderd meer zijn, zal het er mede gaan als met al de nieuwe denkbeelden,
welke tegenstand ontmoet hebben; de geleerden zullen door tastbare bewijzen
overtuigd worden, zij zullen daartoe persoonlijk door de kracht der dingen
gedrongen worden; tot zolang zoude het ongepast zijn, hen van hun bijzondere
werkkring aftrekken, om hen te dwingen zich bezig te houden
met een vreemde zaak, die noch tot hun bevoegdheid; noch tot hun vak behoort.
Intussen vergeten degene, die zonder voorafgegane grondige studie van de zaak
in ontkennende zin beslissen, en die dezulken, welke met hen in mening
verschillen, beschimpen, dat het met de grootste ontdekkingen, die de mensheid
tot eer verstrekken, evenzo gegaan is; en zij lopen gevaar de lijst van de
beruchte vervolgers van nieuwe denkbeelden te vergroten, en vermeld te worden
naast de leden van de geleerde vereniging, die in 1752 de verhandeling van
Franklin over de bliksemafleider met een bespottende lach begroetten en haar
onwaardig keurden, onder de mededelingen, die haar toegezonden werden, te
worden opgenomen; en van die andere, die voor Frankrijk de voordelen van de
invoering van de stoomvaart deed verloren gaan, door te verklaren dat het
systeem van Fulton een onuitvoerbare droom was; en hier waren het toch onderwerpen,
die tot hun gebied behoorden. Indien dus die verenigingen, die de keur van de
geleerde wereld bevatten niets dan beschimping en spot hadden, voor
denkbeelden, die zij niet begrepen en die toch enige jaren later, een gehele
omwenteling in de wetenschap de zeden en de nijverheid moesten teweeg brengen,
hoe zou men dan mogen verwachten dat een, aan hunne gewone werkkring vreemde
vraag gunstiger lot te wachten had?
Deze dwalingen van enigen, betreurenswaardig voor hunne
nagedachtenis, kunnen hen onze achting, die zij in andere opzichten verworven
hebben, niet ontnemen; maar, geeft allen een officieel diploma aanspraak op het
bezit van gezond verstand, en zijn allen de leden van de academie wijs, en
allen daarbuiten dwazen of onnozele? Men sla de aanhangers van het Spiritisme
gade, en men zal spoedig bemerken, of men er slechts enkel onwetende onder
aantreft en of het getal verdienstelijke mannen, die de leer omhelsd hebben,
het recht geeft die leer met het geloof van oude vrouwen gelijk te stellen. Hun
karakter en hun kunde zijn de moeite wel waard dat men zegge: indien zulke
mannen het bevestigen, dan moet er toch wel iets van waar zijn.
Wij herhalen nogmaals, dat indien de verschijnselen, die ons
bezig houden zich bepaald hadden tot de werktuigelijke beweging van de
lichamen, het onderzoek van de fysische oorzaak tot het gebied van de
wetenschap zou behoren; maar zodra het een verschijnsel buiten de menselijke
wetten betreft, gaat dit de bevoegdheid van de stoffelijke wetenschappen te
boven, want het kan noch door cijfers, noch door werktuigelijke kracht
verklaard worden. Wanneer zich een nieuw feit voordoet dat uit geen van de
bekende voortvloeit, moet de geleerde, om dat te bestuderen, zijn wetenschap
opzij leggen, en zich inprenten dat het een nieuwe studie is, die niet met oude
denkbeelden ondernomen kan worden.
De mens die zijn rede voor onfeilbaar houdt, dwaalt lichtelijk;
zij zelfs, die de meest valse denkbeelden hebben, gronden die op hun rede, en
het is op die grond dat zij alles, wat hun onmogelijk voorkomt, verwerpen. Zij,
die in vroegere tijden de meest bewonderenswaardige ontdekkingen die de
mensheid tot eer verstrekken, verwierpen, deden allen een beroep op die rechter
om ze af te keuren; wat men rede noemt, is dikwijls niets anders dan vermomde
hoogmoed, en hij die zich onfeilbaar waant, stelt zich gelijk met God.
Wij richten ons dus alleen tot hen, die verstandig genoeg zijn
om te twijfelen aan hetgeen zij nog niet gezien hebben, en die de toekomst naar
het verleden beoordelende, niet in de waan verkeren dat de mens zijn hoogste
ontwikkeling bereikt heeft, noch dat de natuur hem de laatste bladzijde van
haar boek heeft doen lezen.
VIII.
Laat ons hier bijvoegen dat de studie van een leer, zoals het
spiritisme, die ons opééns te midden van een zo nieuwe en grote orde van zaken
werpt, niet met vrucht kan ondernomen worden, dan door ernstige, volhardende,
en van vooroordelen vrije mensen, bezield met een vaste en oprechte wil om tot
een uitkomst te raken. Onder de zodanige kunnen wij hen niet rangschikken,
die a priori, lichtvaardig en zonder alles gezien te hebben,
oordelen; die bij hun studies volgorde noch regelmaat, noch de nodige ernst en
aandacht in acht nemen; noch minder die mensen, die om aan de naam die zij
hebben van geestig te zijn, geen afbreuk te doen, zich afsloven om een grappige
zijde te vinden aan de meeste ware zaken, of die althans als zodanig beschouwd
worden door mensen wier kunde, karakter en overtuiging recht geven op de
achting van iedereen, die aanspraak maakt op de naam van fatsoenlijk man. Laat
dus hen, die oordelen dat de feiten hun of hunner aandacht niet waardig zijn
zich erbuiten houden; niemand denkt eraan, hun geloof geweld aan te doen, maar
laten ook zij dan dat van anderen eerbiedigen. Wat een ernstige studie
kenmerkt, is de volharding, waarmede die voortgezet wordt. Moet men zich dan
verwonderen dat men dikwijls geen verstandig antwoord bekomt op vragen, die
weliswaar op zichzelf ernstig zijn, maar in 't wilde en te midden van een
menigte zouteloze vragen als 't ware onbedachtzaam op de man afgedaan worden?
Daarbij komt nog dat een vraag dikwijls ingewikkeld is, en om
beantwoord te worden voorafgaande vragen ter verduidelijking nodig heeft. Hij,
die zich een wetenschap eigen wil maken, moet die stelselmatig bestuderen, moet
met het begin aanvangen, en geleidelijk, het verband tussen de denkbeelden
onderling en de ontwikkeling van die denkbeelden volgen. Zal degene, die op
goed geluk af tot een geleerde een vraag richt, over de een of andere
wetenschap, waarvan hij zelf niets afweet, veel verder komen? Zal de geleerde
zelf, bezield met de beste wil, hem een voldoend antwoord kunnen geven? Dit op
zichzelf staande antwoord zal noodwendig onvolledig en daardoor dikwijls
onverstaanbaar, ja zelfs ongerijmd en tegenstrijdig kunnen zijn. Evenzo is dit
het geval bij onze gemeenschap met de Geesten. Indien men zich in hun school
bekwamen wil, moet men hun onderwijs geregeld doorlopen, maar, evenals bij ons,
moet men zijn leermeesters kiezen, en met vlijt arbeiden.
Wij hebben gezegd dat verheven geesten alleen komen in ernstige
bijeenkomsten, en vooral daar, waar een volmaakte gemeenschap van denkbeelden
en gevoelens ten goede heerst. Lichtvaardigheid en zinledige vragen verwijderen
hen, evenals deze bij ons ook verstandige mensen verwijderen; het veld blijft
dan vrij voor het tal leugen- en spotgeesten, die er altijd op uit zijn ons te
bespoten en zich ten koste van ons te vermaken.
Wat wordt er dan in zo’n vergadering van ene ernstige vraag? Geantwoord
zal er wel op worden, maar door wie? Het is alsof gij midden onder een troep
vrolijke gasten opeens voor de dag kwam met de vragen: Wat is de ziel? Wat is
de dood? En andere even vermakelijke dingen. Indien gij ernstige antwoorden
verlangt, wees dan zelf ernstig in de volstrekte betekenis van het woord, en
plaatst u in de daarvoor vereiste toestand; dan alleen zult gij grote dingen
verkrijgen; wees daarbij vlijtig en volhardend in uw studies zonder dat,
verwijderen, zich de verheven geesten van u, evenals een leermeester zijn
nalatige leerlingen verlaat.
IX.
De beweging van de voorwerpen is een voldongen feit; de vraag is
nu maar te weten: of er in die beweging al of geen intelligente manifestatie
schuilt, en zo ja, wat dan de bron is van dat verschijnsel.
Wij zullen niet spreken over intelligente bewegingen van zekere
voorwerpen, noch over mondelinge mededelingen, noch zelfs over die, welke door
de mediums zelf geschreven zijn; dit soort van manifestatie, duidelijk en klaar
voor hen, die de zaak gezien en grondig onderzocht hebben is op het eerste
gezicht niet onafhankelijk genoeg van de wil om een pas beginnend onderzoeker
te kunnen overtuigen. Wij zullen ons dus bepalen tot het schrift, dat door
middel van het een of ander voorwerp, een korfje, plankje enz. verkregen wordt;
zoals wij zeiden, laat de wijze waarop de vingers van het medium op het
voorwerp geplaatst worden, niet toe, zelfs niet aan de handigste mens, op welke
wijze ook, enig deel te nemen aan het vormen van de letters. Maar laat ons zelfs aannemen dat hij, door een onbegrijpelijke handigheid, het
meest geoefend oog kan bedriegen, hoe zal men dan nog de antwoorden verklaren,
wanneer die geheel liggen buiten de gedachtekring en boven de kundigheden van
het medium; en let wel op, er is hier geen sprake van korte antwoorden, maar
dikwijls van vele bladzijden, die met de grootste snelheid, hetzij over een
willekeurig of over een opgegeven onderwerp, geschreven worden; onder de hand
van het in de letterkunde geheel vreemde medium komt dikwijls hoogst verhevene
poëzie van onberispelijke zuiverheid tevoorschijn, waarover de beste menselijke
dichters zich niet zouden schamen; wat nog merkwaardiger is, is dat de feiten
zich overal voordoen, en de mediums tot in het oneindige in aantal toenemen. Zijn
deze feiten nu werkelijk of niet? Hierop hebben wij slechts een
antwoord: ziet en onderzoekt, de gelegenheid daartoe zal u niet ontbreken; maar
vooral, onderzoekt dikwijls, lang, en in de gemoedstoestand die daarvoor
vereist wordt.
Wat antwoordt nu hierop de tegenpartij? Gij zijt slachtoffers
van kwakzalverij of van zinsbegoocheling. Wij beginnen met op te merken dat men
het woord kwakzalverij niet mag toepassen, waar geen voordeel te behalen is,
want de kwakzalvers drijven hun ambacht niet gratis. Het zoude dus op zijn
hoogst een fopperij zijn. Maar door welke zonderlinge samenloop zijn die
bedotters van het een eind van de wereld tot het andere met elkaar
overeengekomen om op dezelfde wijze te handelen, dezelfde verschijnselen te
doen ontstaan en over dezelfde onderwerpen in verschillende talen, antwoorden
te geven, die in de inhoud met elkaar overeenstemmen? Hoe is het mogelijk dat
ernstige, bezadigde, achtingswaardige en bekwame mannen hun medewerking tot
zo’n handeling zouden lenen, en met welk oogmerk? Hoe zou men bij kinderen dat
geduld en die behendigheid vinden, die daartoe vereist worden? Want indien de
mediums geen lijdelijke werktuigen zijn, moeten zij een behendigheid en kunde
bezitten, die onverenigbaar zijn met zekere ouderdom en met zekere
maatschappelijke toestanden.
Hierop antwoordt men, dat
bij aldien er dan geen bedrog bestaat, men van beide kanten de dupe van een
zinsbedrog kan zijn. Bij goede logica heeft de hoedanigheid van de getuigen een
groot gewicht; nu vragen wij of de volgers van de Spiritistische leer, die men
thans bij miljoenen telt, alleen onder de onwetenden aangeworven zijn? De
verschijnselen, waarop het Spiritisme steunt zijn zo buitengewoon, dat wij
begrijpen kunnen dat men twijfelt; maar wat wij niet kunnen begrijpen is de
aanspraak die sommige ongelovige maken, op het uitsluitend bezit van gezond
verstand, en die daarbij, zonder de betamelijkheid in acht te nemen, of de
zedelijke waarde van hun tegenstanders te eerbiedigen, allen, die niet van hun
gevoel zijn, voor dwazen uitmaken. In de ogen van elk verstandig mens, zal de
mening van verlichte mensen, die een zaak lang nagegaan hebben, altijd zo niet
een bewijs daarvoor, dan toch een sterk vermoeden van waarheid doen ontstaan,
omdat zij de aandacht heeft kunnen vestigen van ernstige mannen, die noch
belang hebben bij het voortplanten van een dwaling, noch de tijd hebben zich
met beuzelingen bezig te houden.
X.
Onder de tegenwerpingen zijn er, die meer aannemelijk schijnen, omdat
zij een gevolg zijn van waarneming en door ernstige mensen geopperd worden.
Een van de tegenwerpingen is gegrond op de taal van sommige
Geesten, die weinig overeenstemt met het verhevene denkbeeld, dat men zich
maakt van bovennatuurlijke wezens. Indien men datgene, wat wij in de korte
inhoud van de leer hiervoor gezegd hebben, naslaat, zal men eruit ontwaren, dat
de Geesten zelf ons leren, dat zij, noch in kennis, noch in zedelijke
hoedanigheden aan elkaar gelijk zijn, en men niet alles, wat zij zeggen,
letterlijk moet opnemen. Verstandige mensen zullen het goede van het
kwade onderscheiden. Mensen die de gevolgtrekking maken dat wij alleen te doen
hebben met kwaadwillige wezens, wier enig werk is ons te
bedriegen, kennen de mededelingen niet, die in kringen waar alleen verheven
geesten zich openbaren, ontvangen worden, anders zouden zij zo niet denken. Het
is zeker verdrietig dat het toeval hen zo slecht heeft gediend door hen alleen de kwade zijde van de
Geestenwereld te doen kennen, want wij willen niet veronderstellen dat een
gelijktijdige neiging bij voorkeur de kwade of leugengeesten, of hen, wier
gemene taal stuitend is, en niet de goede, tot hen voert. Het ergste wat men
eruit zou kunnen afleiden is, dat de degelijkheid van hun grondbeginselen niet
groot genoeg is, om het kwade af te kunnen weren, en dat de kwade geesten, die
er een zeker genoegen in vinden, hun nieuwsgierigheid hieromtrent te
bevredigen, daarvan gebruik maken om zich onder hen te mengen, terwijl de goede
zich verwijderen.
De kwestie van de geesten
naar die maatstaf te willen beoordelen zou even weinig logisch zijn, als
wanneer men het karakter van een volk beoordeelt naar hetgeen men doet en zegt
in een vergadering van enige warhoofden of deugnieten, waaraan geen verstandige
noch deugdzame mensen deelnemen. De mensen bevinden zich in de toestand van een
vreemdeling, die een grote stad, door de lelijkste voorstad binnenkomende, al
de inwoners naar de zeden en taal van die gemene buurt zoude willen beoordelen.
In de Geestenwereld bestaat er ook goed en slecht gezelschap; laten die mensen
zich de moeite geven nagaan wat er onder de keur van de Geesten voorvalt, en
zij zullen de overtuiging verkrijgen dat de heilige stad nog iets meer bevat
dan de heffe des volks. Maar, zeggen zij, komen de verheven Geesten tot ons?
Hierop antwoorden wij hen: blijft niet in de voorstad; ziet, merkt op en
oordeel dan; de feiten zijn voor iedereen; tenzij op hen de woorden
toepasselijk zijn van Jezus: zij hebben ogen maar zij zien niet, en oren maar
zij horen niet.
Een andere verklaring bestaat daarin, om in alle mededelingen
door het Spiritisme ontvangen, en in al haar stoffelijke verschijnselen slechts
het werk van een helse macht te zien; een nieuwe Proteus, die alle mogelijke
gedaanten aanneemt, om ons des te gemakkelijker te
kunnen bedriegen. Deze verklaring achten wij niet vatbaar voor een ernstig
onderzoek, daarom zullen wij er ons niet bij ophouden; zij is reeds weerlegd
door hetgeen vooraf gaat, waarbij wij alleen dit voegen, dat indien dit waar was,
men zou moeten bekennen dat de duivel dikwijls zeer deugdzaam, verstandig en
vooral zeer zedelijk is, of zou moeten aannemen dat er ook goede duivels
bestaan.
Hoe zou men toch kunnen geloven, dat God, alleen aan de Geest
van het kwaad zou toestaan zich aan ons te openbaren, teneinde ons in het
verderf te storten, zonder ons als tegenmacht de raadgevingen van de goede
geesten te verlenen? Indien Hij dat niet doen kan, is het onmacht; indien Hij
het wel kan, maar niet doet, is dit onverenigbaar met Zijn goedheid; zowel de
een als de andere veronderstelling is een godslastering. Let wel dat men door
te erkennen dat de kwade geesten gemeenschap met ons hebben, het beginsel van
de openbaringen erkent; en indien die plaats vinden, kan dit niet anders dan
met Gods toestemming zijn; hoe kan men zonder God te lasteren geloven dat Hij
alleen het kwade, met uitsluiting van het goede, toelaat? Zo’n leer is in
strijd met de eenvoudigste denkbeelden van gezond verstand en godsdienst.
XI.
Het is vreemd, wordt nog gezegd, dat men alleen met geesten van
bekende personen spreekt, en men vraagt hoe het komt dat deze alleen zich
openbaren. Dit is een dwaling, die, als zo vele anderen, het gevolg van een
slechts oppervlakkige waarneming is. Onder de geesten, die uit eigen beweging
tot ons komen, zijn er veel meer die ons onbekend zijn dan beroemde, die zich
onder de ene of andere dikwijls zinnebeeldige of karakteristieke naam
aanmelden. Wat nu de Geesten betreft, die men omroept, spreekt het wel van
zelf, dat als het geen bloedverwant of vriend is, men liever zodanige oproept,
die men kent dan anderen, die men niet kent; de naam van
beroemde personen maakt meer indruk, en daardoor worden zij meer opgemerkt.
Dan vindt men het ook zonderling, dat de Geesten van uitstekende
mannen zo gemeenzaam op onze oproeping tot ons komen, en zich dikwijls
bezighouden met nietige dingen, in vergelijking met die, welke zij in hun leven
volbracht hebben. Zij, die weten dat de macht en het aanzien, welke deze
personen hier op aarde genoten, hen geen voorrang in de Geestenwereld geeft,
verwonderen zich hierover niet, de geesten bevestigen hierin de woorden van het
Evangelie: De groten zullen vernederd en de kleinen verhoogd worden, hetgeen
betrekking heeft op de rang, die ieder van ons, onder hen zal innemen, op die
wijze kan hij die de eerste op aarde is geweest, daar een van de laatste zijn;
hij, voor wie wij allen bij zijn leven het hoofd bogen, kan dus onder ons als
de geringste handwerksman terugkomen, want bij het verlaten van het leven heeft
hij al zijn grootheid achtergelaten en de machtigste vorst kan daar wellicht
beneden van de minste van zijn soldaten staan.
De ondervinding leert ons een feit kennen, dat de Geesten zelf
bevestigen, namelijk dat de mindere Geesten dikwijls bekende en eerbiedwaardige
namen aannemen. Wie zal ons dan kunnen verzekeren, dat zij, die bijvoorbeeld
voorgeven, Socrates, Julius Cesar, Karel de Groote, Fenélon, Napoleon,
Washington enz. geweest te zijn, wezenlijk die personen bezield hebben? Deze
twijfel bestaat bij sommige zeer ijverige volgers van de spiritistische leer;
zij nemen de tussenkomst en de manifestaties van de geesten aan, maar doen
daarbij de vraag, welke zekerheid men omtrent hun identiteit kan hebben. Die
zekerheid is inderdaad vrij moeilijk te verkrijgen, doch al is die niet op zo’n
geloofwaardige wijze, als door een acte van de burgerlijke stand, te bewijzen,
dan kan men die toch veronderstellen, als enige kentekenen ons daartoe
aanleiding geven.
Wanneer de Geest van iemand, die ons persoonlijk bekend is, b.
v. van een bloedverwant of vriend zich openbaart, gebeurt het gewoonlijk,
vooral als hij eerst sedert kort overleden is, dat zijn manier van spreken
geheel overeenkomt met het karakter, dat wij van hem
kenden; dit is alreeds een kenmerk voor zijn identiteit; maar twijfel is bijna
niet meer mogelijk, als de Geest over geheime dingen spreekt, aan
familieomstandigheden herinnert, die alleen hem, die de vragen doet, bekend zijn. Een zoon
zal zich wel niet in de taal van zijn vader of moeder, noch ouders zich in die
van hun kind vergissen. Bij zulke vertrouwelijke oproepingen gebeuren er
dikwijls indrukwekkende dingen, geschikt om zelfs de ongelovigste overtuigen.
De hardnekkigste twijfelaar wordt dikwijls, tengevolge van
de onverwachte mededelingen die hen gedaan worden, door schrik bevangen.
Een andere zeer karakteristieke omstandigheid komt de identiteit
staven. Wij zeiden reeds dat het schrift van het medium gewoonlijk verandert
met de opgeroepen geesten, en dat hetzelfde schrift telkens bij dezelfde geest
terugkomt; nu heeft men dikwijls opgemerkt, vooral bij mensen, die kort geleden
gestorven zijn, dat dit schrift sprekend lijkt op dat wat zij in hun
leven schreven; men heeft hoogst nauwkeurige handtekeningen gezien. Het is er
evenwel verre vanaf, dat wij dit feit als regel, willen aangeven, wij maken er
alleen melding van als van iets, dat de aandacht wel waardig is.
Alleen de Geesten, die een zekere graad van reinheid bereikt
hebben, zijn van alle lichamelijke invloed vrij; maar zij, die nog niet geheel
gedematerialiseerd zijn, (dit is de uitdrukking, die zij gebruiken), behouden
de meeste gewoonten, neigingen en zelfs hebbelijkheden, die zij op aarde
hadden, en hierin vindt men weer een middel tot herkenning; maar men vindt ze
overal in taal van kleine handelingen, die alleen door een aandachtige en
voortdurende waarneming kunnen ontdekt worden. Men vindt schrijvers, die hun
eigen werken of stelsels bespreken, er sommige gedeelten van goed- of afkeuren;
andere geesten, die onbekende of weinig bekende omstandigheden van hun leven of
overlijden in herinnering brengen, alle dingen, die
tenminste zedelijke bewijzen van identiteit zijn, de enigste die men bij
abstracte zaken inroepen kan.
Indien dus de identiteit van de opgeroepen Geest op zekere
punten kan bewezen worden, bestaat er geen reden waarom dit ook niet op andere
punten zoude kunnen gedaan worden, en ofschoon men voor de mensen, die reeds
langer overleden zijn, niet dezelfde middelen van keuring bezit, heeft men toch
altijd die van de taal en het karakter, want ongetwijfeld zal de Geest van een
deugdzaam mens, niet als die van een goddeloos of liederlijk mens spreken. Wat
nu de Geesten betreft, die zich met een eerbiedwaardige naam tooien, deze
verraden zich spoedig door hun taal en hun leerstellingen; degene, die zich
bijvoorbeeld voor Fenélon zou willen doen doorgaan, en al ware het zelfs bij
toeval het gezond verstand en de zedelijkheid kwetste, zou zelfs daardoor het
bedrog aan de dag brengen. Indien daarentegen de door hem geuite denkbeelden
altijd rein, vrij van tegenstrijdigheden en altijd met het verheven karakter
van Fenélon overeenkomen, bestaat er geen rede, aan zijn identiteit te
twijfelen; want men zoude anders moeten veronderstellen dat een geest, die
alleen het goede predikt, willens en wetens en dat nog wel zonder enig nut, een
leugen zou bezigen. De ondervinding leert ons dat Geesten van dezelfde rang,
van hetzelfde karakter, en door dezelfde gevoelens bezield, zich in groepen of
families verenigen; nu is het getal van de Geesten niet te berekenen, en wij
kennen ze op verre na niet allen; de meesten hebben voor ons zelfs geen namen.
Een Geest van de categorie van Fenélon kan dus in zijn plaats komen, of door
hem als lasthebbende gezonden worden; deze zal dan onder zijn naam komen, omdat
hij aan Fenélon gelijk is en hem vervangen kan, en omdat wij, om onze gedachten
te kunnen vestigen, een naam nodig hebben; maar goed ingezien, wat doet het
ertoe of een geest inderdaad die van Fenélon is of niet; wanneer hij niets dan
goede dingen zegt en als Fenélon spreekt, is het een goede geest; de naam
waaronder hij zich aan ons bekend maakt, is geheel onverschillig en dient
dikwijls alleen om onze gedachte te bepalen. Bij intieme oproepingen is het
iets anders; maar in die gevallen kan de identiteit zoals wij gezegd hebben als
het ware door duidelijke bewijzen aangetoond worden.
Dit neemt niet weg, dat het waar is, dat het in de plaats treden
van Geesten voor anderen, tot vele dwalingen aanleiding kan geven, en dat er
vergissingen en dikwerf fopperijen uit kunnen voortvloeien; dit is een van de
moeilijkheden, die het praktische spiritisme oplevert; maar wij
hebben ook nooit gezegd, dat die wetenschap gemakkelijk is, noch dat men die,
evenmin als iedere andere, spelende kan leren. Wij kunnen het niet te veel
herhalen dat die wetenschap een aanhoudende vlijtige en dikwijls zeer
langdurige studie vereist; want daar men de verschijnselen niet kan doen
ontstaan, moet men afwachten, dat zij zich vanzelf voordoen; en dikwijls worden
die door omstandigheden waarop men het minste bedacht is, voortgebracht. Voor
de oplettende en geduldige onderzoeker, doen er zich in menigte feiten op,
omdat hij duizenden eigenaardige schakeringen, die voor hem lichtstralen zijn,
ontdekt. Zo is het ook in de gewone wetenschappen; terwijl de oppervlakkige
mens in een bloem slechts een schone vorm ziet, vindt de geleerde er schatten
voor de gedachte in.
De bovenstaande beschouwingen geven ons aanleiding om over een andere
moeilijkheid, namelijk over het uiteenlopende van de taal van de Geesten te
spreken.
Aangezien de Geesten in kennis en zedelijkheid zeer veel van
elkaar verschillen, is het duidelijk dat dezelfde vraag in tegenovergestelde
zin kan beantwoord worden, naarmate de hoogte op welke de Geest zich bevindt,
juist op dezelfde wijze als dit het geval zoude zijn bijaldien de vraag onder
de mensen, beurtelings aan een geleerde, aan een onwetende of aan een spotvogel
gedaan werd. Het komt er voornamelijk op aan, wij hebben dit reeds gezegd, te
weten tot wie men zich wendt.
Maar, voert men aan, hoe komt het dat Geesten, die als verheven
bekend zijn, het onderling niet altijd ééns zijn? Hierop antwoorden wij, ten
eerste, dat buiten de oorzaak, die wij zoeven vermeldden, er nog andere
bestaan, die, de hoedanigheid van de Geesten daar buiten gelaten, een grote
invloed op de aard van de antwoorden kunnen hebben, dit is een hoofdpunt,
waarvan de oplossing door studie verkregen wordt; daarom zeggen wij dat die
studie een aanhoudende, een diepe geest van opmerking
vereist, en vooral, zoals trouwens bij alle menselijke wetenschappen, met
volharding doorgezet moet worden. Men heeft jaren nodig om een middelmatig
geneesheer, en drie vierde van zijn leven om een geleerde te worden, en zou men
dan in weinige uren de kennis van het oneindige willen verkrijgen! Men vergist
zich niet; de studie van het spiritisme is onmetelijk; zij staat in verband met
alle vragen van de bovennatuurkunde en van de maatschappelijke orde, het is een
gehele wereld, die zich aan onze ogen vertoont; moet men zich dan verwonderen
dat er tijd, ja zeer veel tijd nodig is, om die wetenschap meester te worden?
De tegenstrijdigheid is daarbij niet altijd zo wezenlijk als die
schijnt te wezen. Zien wij niet dagelijks mensen, die dezelfde wetenschap
beoefenen, in de bepaling die zij van iets geven, verschillen, hetzij zij
andere benamingen gebruiken, hetzij zij het uit een ander oogpunt beschouwen,
ofschoon de grondgedachte toch dezelfde is? Laat men, als men zich daartoe in
staat voelt, het aantal bepalingen tellen die men van de taalkunde gegeven
heeft! Hierbij komt nog dat de vorm van het antwoord dikwijls afhangt van de
vorm waarin de vraag gesteld is; het zoude dus kinderachtig zijn een
tegenstrijdigheid te zoeken, waar slechts een verschil in de wijze van
uitdrukking bestaat. De verheven Geesten hechten niets aan de vorm, voor hen is
het wezen van de zaak alles. Nemen wij bijvoorbeeld de bepaling van de ziel.
Daar dit woord geen bepaalde betekenis heeft, kunnen de Geesten evenals
wijzelf, bij de bepaling die zij ervan geven, onderling verschillen; de een zal
kunnen zeggen dat het 't levensbeginsel is, een ander de levensgevende vonk,
een derde dat zij inwendig, een vierde dat zij uitwendig is, enz. en allen zullen
op hun standpunt gelijk hebben. Men zoude zelfs kunnen geloven dat enige onder
hen, materialistische denkbeelden aankleven, en dit is toch niet zo. Hetzelfde
geldt voor God. Hij zal voor sommigen zijn: de oorsprong van alles wat bestaat,
voor anderen de Schepper van het heelal, de hoogste intelligentie, de
Oneindige, de Grote Geest, enz. enz. en tenslotte zal het toch voor allen God
zijn. Hetzelfde is het geval met de verdeling van de Geesten in klassen. Deze
vormen van de hoogste tot de laagste rang een onafgebroken reeks, de verdeling
is dus geheel willekeurig, de een zal er naar verkiezing drie, een ander vijf,
tien, twintig klassen van maken, zonder daarom te dwalen; men vindt hetzelfde
bij alle menselijke wetenschappen, ieder geleerde heeft zijn eigen stelsel; de
stelsels veranderen, maar de wetenschap zelf niet. Of men de plantenkunde
volgens het stelsel van Linnaeus, Jussieu of Tournefort leert, men zal er haar
niettemin door kennen. Laat ons dus niet langer aan zaken van louter
overeenkomst meer gewicht toekennen dan zij verdienen, en meer hechten aan
datgene wat wezenlijk ernstig is, en dan zal men bij verder nadenken dikwijls
tussen datgene wat onverenigbaar scheen, een overeenkomst ontdekken, die bij de
eerste beschouwing over het hoofd gezien was.
XIV.
Wij zouden slechts terloops spreken over de aanmerking van enige
twijfelaars omtrent spelfouten, die door enige Geesten gemaakt worden, indien
deze niet tot en belangrijke opmerking aanleiding gaven. Hun spelling, men moet
het erkennen, is niet altijd onberispelijk; maar men moet al groot gebrek aan
andere goede redenen hebben om er het onderwerp van ernstige kritiek van te
maken, door te zeggen, dat, aangezien de Geesten alles kennen, zij ook
taalkennis moeten hebben. Wij zouden hen menigvuldige fouten van dien aard bij de grootste geleerden van de wereld kunnen
opnoemen, die toch hun roem niet hebben verminderd, maar in dit feit ligt een
veel ernstiger vraag opgesloten. Voor de Geesten en vooral voor de verheven
Geesten, is de gedachte alles, de vorm niets. Bevrijd van de stof, is hun taal
onder elkaar, snel als de gedachte, daar het de gedachte zelf is, die zonder
enige bemiddeling overgebracht wordt; zij moeten zich dus onbehagelijk voelen,
wanneer zij, om hun gedachte aan ons meedelen, verplicht zijn, gebruik te maken
van de langwijlige en belemmerende vormen van de menselijke taal, die daarbij
ontoereikend en onvolmaakt is om al hun denkbeelden te kunnen weergeven, en dat
zeggen zij zelf; en het is
opmerkenswaardig de middelen te zien, die zij in het werk stellen om die
zwarigheid te verminderen. Hetzelfde zoude bij ons het geval zijn, indien wij
ons moesten uitdrukken in een taal, die langer in woorden en samenvoeging, doch
armer aan uitdrukkingen is, dan die wij gewoon zijn te spreken. Dit is de
moeilijkheid, die de man van genie ondervindt door de traagheid van zijn pen,
die bij zijn gedachte altijd te achteren blijft.
Hieruit kan men nagaan dat de Geesten, vooral als het een
ernstige en belangrijke mededeling betreft, weinig gewicht aan de nietigheid
van de spelling hechten; is het al niet reeds bewonderenswaardig, dat zij zich
in alle talen uitdrukken en die ook allen verstaan? Hieruit moet men evenwel
niet afleiden dat de conventionele juistheid van de taal hen onbekend is;
wanneer het nodig is, nemen zij die in acht; zo behoeven, om iets te noemen, de
door hen ingegeven verzen de kritiek van de schroomvalligsten taalzifter niet
te schroom en, niettegenstaande het medium een ongeletterde zijn kan.
Dan vindt men wederom mensen, die overal en in alles wat zij
niet kennen, gevaar zien, en deze laten niet na een ongunstige gevolgtrekking
te maken uit de omstandigheid dat enige mensen ten geloven dier studie
krankzinnig geworden zijn. Hoe kunnen verstandige mensen
hierin een ernstig bezwaar zien? Vindt dit dan niet plaats bij elke
verstandelijke overwerking van mensen met zwakke hersenen? Kent men het getal
zinneloze en waanzinnigen, die dit geworden zijn ten gevolge van wiskundige,
geneeskundige, muzikale, wijsgerige en andere studies? Moet men daarom de
studies in de ban doen? Wat bewijst het? Door lichamelijke arbeid verminkt men
armen en benen, die de werktuigen voor de stoffelijke arbeid zijn; door de
arbeid van de geest, kwetst men de hersenen, die het werktuig voor de gedachten
zijn. Maar omdat het werktuig verbrijzeld is, is de Geest het daarom nog niet;
deze is ongeschonden, en zodra hij van de stof vrij is, is hij in het volkomen
bezit van al zijne vermogens. Het is in zijn soort, als mens, een slachtoffer
van de arbeid.
Iedere grote inspanning van de Geest kan krankzinnigheid
veroorzaken, kunsten, wetenschappen, ja zelfs de godsdienst leveren hiertoe hun
aandeel. De krankzinnigheid heeft tot eerste oorzaak een organische aanleg
(predispositie) van de hersenen, die deze meer of minder voor het ontvangen van
sommige indrukken vatbaar maakt. Wanneer een aanleg tot krankzinnigheid
bestaat, zal deze het karakter aannemen van de gedachten waarmee men zich het
meeste of uitsluitend bezig houdt, dit wordt alsdan een overheersend denkbeeld
(idee fixe). Dit overheersend denkbeeld kan de Geesten tot onderwerp hebben,
bij hen, die deze tot voorwerp van hun studie gemaakt hebben, zoals het bij
anderen God, de engelen, de duivel, geld, macht, een kunst, een wetenschap, de
moederstaat, een staatkundig of maatschappelijk vraagstuk zijn kan.
Waarschijnlijk zoude de godsdienstig-waanzinnige een spiritistisch waanzinnige
geworden zijn, indien het spiritisme zijn gedachte uitsluitend bezig had
gehouden; zoals de spiritistische krankzinnige, onder ander omstandigheden, het
in een andere vorm zoude geweest zijn.
Ik beweer dus dat het spiritisme, te dien opzichte niets voor
heeft, maar ik ga verder en zeg: dat het goed begrepen Spiritisme een
behoedmiddel tegen krankzinnigheid is.
Onder de vele oorzaken, die overspanning van de hersenen doen
ontstaan, moet men teleurstelling, tegenspoeden, ongelukkige liefde tellen, die
tevens de menigvuldigste oorzaken van zelfmoord zijn. Nu beschouwt de ware
spiritist de dingen van deze wereld uit zo’n verheven standpunt, zij komen hem
zo klein, zo nietig voor, in vergelijking met de toekomst die hem wacht; het
leven is voor hem zo kort, zo vluchtig, dat wederwaardigheden in zijn ogen
niets dan onaangename voorvallen op een reis zijn. Hetgeen bij een ander een
hevige ontroering doet ontstaan, maakt op hem slechts een middelmatige indruk;
hij weet trouwens dat de verdrietelijkheden van het leven beproevingen zijn,
die, zonder morren doorgestaan, hem tot vooruitgang zullen leiden, omdat hij
beloond zal worden naar de moed, waarmee hij die gedragen zal hebben. Zijne
overtuiging geeft hem een gelatenheid, die hem tegen wanhoop, en
dientengevolge, tegen een gedurige oorzaak van waanzin en zelfmoord beveiligt.
Bovendien kent hij, door het schouwspel, dat hem zijn omgang met de Geesten
geeft, het lot van hen, die vrijwillig hun leven verkorten, en dit tafereel is
wel geschikt hem tot nadenken te brengen; het getal van hen, die daardoor op
het noodlottige pad terug zijn gehouden, is dan ook aanzienlijk. Dit is een van
de vruchten van het Spiritisme. Laten de ongelovigen hier over lachen zoveel
zij willen; ik wens hen de troost toe, die het aan hen geschonken heeft, die
zich de moeite gegeven hebben er de geheimzinnige diepte van te peilen.
Onder de oorzaken van krankzinnigheid moeten wij vooral de vrees
niet vergeten, en die voor de duivel heeft menig hoofd in de war gebracht. Is
het getal slachtoffers bekend, welke gemaakt zijn door de indruk van dit
tafereel op zwakke hersenen, een tafereel dat men door de afschuwelijkste
bijzonderheden zo verschrikkelijk mogelijk tracht te maken? De duivel, zegt
men, is slechts een schrikbeeld voor kleine kinderen; het is een breidel om hen
zoet te maken; ja eveneens als de boeman en de weerwolven dat zijn, en als zij
er niet meer bang voor zijn, dan zijn zij nog ondeugender dan vroeger; en voor die schone uitkomst rekent men de gevallen van vallende
ziekte niet, die door de geschokte toestand van een zwak hersengestel
veroorzaakt zijn. De Godsdienst zoude al heel zwak moeten zijn, indien hij bij
gebrek aan vrees, gevaar liep zijn invloed te verliezen, doch dit is gelukkig
niet zo; om op de gemoederen te werken staan hem andere middelen ten dienste;
het Spiritisme biedt hem er nog krachtiger en sterker aan, indien hij er
voordeel mede weet te doen; het toont de werkelijkheid van de dingen aan, en
neutraliseert daardoor de noodlottige gevolgen van een overdreven vrees.
Er blijven ons twee tegenwerpingen ter beschouwing over, de
enigste die wezenlijk die naam verdienen, omdat zij op beredeneerde gronden
steunen. Beide nemen de werkelijkheid van alle stoffelijke en zedelijke
verschijnselen aan, maar ontkennen dat die door tussenkomst van geesten
plaatsvinden.
Volgens de eerste van deze theorieën, zijn de verschijnselen,
die men aan geesten toeschrijft, niets anders dan magnetische uitwerkselen. Het
medium bevindt zich in een toestand, die men wakend somnambulisme zoude kunnen
noemen, een verschijnsel, dat ieder, die het magnetisme beoefent, heeft kunnen
waarnemen. In die toestand verkrijgen de intellectuele vermogens een
onnatuurlijke ontwikkeling, de kring van de aanschouwelijke waarneming
overschrijdt de grens van ons gewone bevattingsvermogen. Vervolgens zoude het
medium door zijn helderheid van gezicht al wat hij zegt en al de denkbeelden
die hij uit, zelfs over zaken die hem in zijn natuurlijke toestand geheel
onbekend zijn, uit zichzelf putten.
Wij zullen de laatste zijn, die de macht zullen ontkennen van
het somnambulisme, waarvan wij wonderen gezien hebben en dat wij gedurende meer
dan vijfendertig jaren in al zijn verschijnselen bestudeerd hebben; wij
erkennen dat vele verschijnselen inderdaad hierdoor kunnen verklaard worden;
doch een aanhoudend nauwlettend onderzoek, doet een menigte
feiten ontdekken, bij welke de tussenkomst van het medium, anders dan als
lijdelijk werktuig bepaald onmogelijk is. Aan hen, die deze mening toegedaan
zijn, zeggen wij evenals aan de anderen: “Komt en onderzoekt, want gij hebt
zeker niet alles gezien” Verder zullen wij twee overwegingen, die uit hun eigen
leer geput zijn daar tegenover stellen. Hoe is de theorie van het Spiritisme ontstaan? Is het een stelsel door
de een of de ander bedacht om de feiten te kunnen verklaren? Volstrekt niet.
Wie heeft dan die leer aan het licht gebracht? Juist diezelfde medium, aan wie
gij zo buitengewoon veel helderheid toeschrijft. Indien dus die helderheid zo
groot is als gij veronderstelt, waarom zouden zij dan aan geesten toeschrijven
wat zij uit zichzelf geput hebben, waarom zouden zij zulke nauwkeurige,
logische en verheven mededelingen over de aard van die bovenmenselijke wezens
gegeven hebben? Het een of het ander is waar, zij zijn helderziend of zij zijn
het niet; indien zij het zijn en men vertrouwen stelt in hun waarheidsliefde,
dan kan men, zonder met zichzelf in tegenspraak te komen, niet aannemen dat zij
niet in de waarheid zijn. Ten anderen, indien al de verschijnselen hun
oorsprong in het medium vonden, zouden die bij dezelfde persoon dezelfde
moeten zijn; en zou men deze geen uiteenlopende taal horen uiten, noch
beurtelings de meest tegenstrijdige dingen horen verkondigen. Dit gemis aan
overeenstemming in de mededelingen die door het medium ontvangen zijn, bewijst
de verscheidenheid van de bron, waaruit zij voortvloeien; en kan men die bronnen
niet allen in het medium vinden, dan is men wel genoodzaakt die daarbuiten te
zoeken.
Volgens een andere mening, is wel het medium de bron van de
verschijnselen, maar instede van die uit zichzelf te putten zoals de
voorstanders van de somnambulistische theorie beweren, zoude hij die uit de
omstanders putten. Het medium wordt dan een soort van spiegel, die al de
gedachten, begrippen en kundigheden van de hem omringende personen terugkaatst;
hij zoude bij die veronderstelling niets zeggen dat niet ten minste aan enige bekend is. Zeker is het, dat men de invloed van
de omstanders op de aard van de mededelingen, niet kan ontkennen, en dit is
zelfs een van de grondstellingen van de leer, maar die invloed is van een
geheel anderen aard dan die, welke men veronderstelt te bestaan, en het is er
ver van dat het medium de echo van hunne gedachten zoude zijn, want duizenden
feiten bewijzen op afdoende wijze het tegendeel. Het is dus een grote dwaling,
die wederom bewijst hoe gevaarlijk het is te haastig gevolgtrekkingen te maken.
Daar deze mensen het bestaan van een verschijnsel, waarvan de gewone
wetenschap geen rekenschap weet te geven, niet kunnen ontkennen, en de
tegenwoordigheid van Geesten, niet willen erkennen, verklaren zij het
verschijnsel op hunne wijze. Hun theorie zou zeer aannemelijk zijn, indien
daardoor alle feiten konden verklaard worden, maar dat is het geval
niet; als men hen duidelijk bewijst dat enige mededelingen van het medium
geheel vreemd zijn aan de gedachten, de kunde, de meningen, van alle
omstanders, dat die mededelingen dikwijls uit eigen beweging (spontaan) gedaan
worden en met alle vooraf opgevatte denkbeelden in strijd zijn, geven zij het
voor zo weinig toch niet op. De uitstraling, zeggen zij, strekt zich veel
verder uit, dan tot de onmiddellijke kring die ons omgeeft, zodat indien het
medium zijn inspiraties niet naast zich put, hij die verder af, hetzij in de
stad, op het land, over de gehele aarde, en zelfs in de andere wereldbollen
gaat zoeken.
Ik geloof niet dat men in deze theorie, een meer eenvoudige of
meer waarschijnlijke verklaring zal vinden dan die welke het Spiritisme geeft,
want deze theorie onderstelt een nog wel zo wonderbare oorzaak. De mening dat
wezens, die de ruimte bevolken, en in gestadige aanraking met ons zijn, ons hun
gedachten kunnen meedelen, stuit niet meer tegen de rede, dan de
veronderstelling, dat die algemene uitstraling, die van alle punten van het
heelal uitgaat, zich in de hersenen van een persoon zou komen verzamelen.
Nog eens, en dit is een gewichtig punt, waarop wij niet genoeg
de aandacht kunnen vestigen. De theorie van het somnambulisme, en die, welke
men de theorie van de reflectie zou kunnen noemen, zijn door enige mensen
uitgedacht; het zijn persoonlijke meningen, die voorop gezet zijn om een feit
te verklaren; de Spiritistische leer daarentegen is geen vinding van mensen,
maar zij is door de intelligenties die zich openbaren zelf ingegeven, toen
niemand eraan dacht, en toen zelfs de algemene dunk die verwierp; en nu vragen
wij, waaruit hebben de mediums, een leer kunnen putten, die nergens op aarde in
het brein van iemand bestond; daarbij voegen wij de vraag: door welk zonderling
samentreffen zijn duizenden over de gehele wereld verspreide mediums, die
elkaar nooit gezien hebben, overeengekomen om allen hetzelfde te zeggen. Indien
het eerste medium, die in Frankrijk zich opdeed, de invloed ondergaan had van
de meningen, die in Amerika reeds ingang gevonden hadden, door welke gril is
hij er dan toe gekomen die denkbeelden op 2000 uren afstand aan gene zijde van
de oceaan, bij een vreemd volk met andere zeden en taal, te gaan zoeken, in
plaats van die uit zijne omgeving te putten?
Maar er is nog een andere omstandigheid, aan welke men geen
aandacht geschonken heeft. De eerste manifestaties, zowel in Frankrijk als in
Amerika, vonden niet door schrift of woord plaats, maar door slagen of kloppen,
die met de volgorde van de letters van het alfabet overeenkwamen, waardoor
woorden en zinnen gevormd werden. Door dit middel hebben de intelligenties, die
zich openbaarden, verklaard dat zij geesten waren. Indien men dus de
tussenkomst van de gedachten van de mediums bij de mondelinge of schriftelijke
mededelingen kon veronderstellen, kon men dit niet doen bij kloppen, waarvan de
betekenis van tevoren niet bekend kon zijn.
Wij zouden een tal van feiten kunnen aanhalen, die bij de zich
openbarende intelligenties een duidelijke persoonlijkheid met een geheel
onafhankelijke wil bewijzen. Wij verwijzen dus de andersdenkenden tot een meer
oplettende waarneming, en indien zij zonder vooringenomenheid willen
onderzoeken, en niets besluiten alvorens alles gezien te hebben, zullen zij de onmogelijkheid inzien, om door hun theorie van
alles rekenschap te kunnen geven. Wij bepalen ons nu tot het doen van de
volgende vragen: Waarom weigert de zich openbarende intelligentie om op
sommige vragen over zeer bekende onderwerpen, zoals bijvoorbeeld over de naam
of de ouderdom van de vrager, wat deze in de hand heeft, wat hij gisteren
gedaan heeft of morgen doen zal, te antwoorden? Indien toch het medium de
spiegel is, die de gedachte van de omstanders terugkaatst dan is niets
gemakkelijker dan die vragen te beantwoorden.
De tegenstanders keren het betoog om, en vragen op hunne beurt,
hoe het komt dat de Geesten, die alles moeten weten, zulke eenvoudige dingen
niet kunnen zeggen, volgens het axioma; Die het meerdere kan, kan ook het
mindere; en maken hieruit de gevolgtrekking dat het geen Geesten zijn.
Indien een domoor of laffe grappenmaker in een geleerde vergadering verscheen
en de vraag deed; hoe komt het dat het op de middag helder dag is, zou men dan
verwachten dat zij de moeite zou nemen ernstig op die vraag te antwoorden, en
zoude het redelijk zijn uit het stilzwijgen of de bespotting, waarmee zij de
vrager zoude bejegenen, de gevolgtrekking te maken, dat de leden van die
vergadering slechts ezels zijn? Nu is het juist omdat de Geesten verheven zijn,
dat zij niet op zinledige en zotte vragen antwoorden en niet op het vraagbankje
geplaatst willen worden, daarom zwijgen zij of geven de raad, zich met
ernstiger dingen bezig te houden.
Eindelijk vragen wij nog, waarom de Geesten dikwijls op een
gegeven ogenblik komen en verdwijnen, en waarom als dit ogenblik voorbij is,
zij noch door gebeden noch door smekingen te bewegen zijn terug te komen?
Indien het medium alleen door de innerlijke voortdrijving van de omstanders
handelt, is het duidelijk dat onder deze omstandigheid de samenwerking van de
verenigden wil van alle aanwezigen, zijn helderheid moest verhogen. Indien hij
dus niet aan de wens van de vergadering, door zijn eigen wil ondersteund,
toegeeft, komt dit, omdat hij gehoorzaamt aan een invloed die aan hem en
degene, die hem omringen, geheel vreemd is, en dat
deze invloed daardoor zijn onafhankelijkheid en persoonlijkheid bewijst.
XVII.
De twijfelzucht die omtrent de Spiritistische leer heerst, vindt
meest altijd haar oorsprong in een onvolledige kennis van de feiten, wanneer
zij niet het gevolg is van een stelselmatige baatzuchtige tegenkanting; dit
belet enige mensen nochtans niet de kwestie te beslissen, alsof zij die
volmaakt goed kenden. Men kan veel verstand bezitten, zelfs zeer geleerd zijn,
en toch gebrek aan oordeel hebben; en het eerste kenmerk van gebrek aan oordeel
is te geloven dat ons eigen oordeel onfeilbaar is. Daarbij beschouwen vele
mensen de Spiritistische openbaringen, alleen als iets om de nieuwsgierigheid
te bevredigen; wij hopen dat de zulke door het lezen van dit boek, in deze
vreemde verschijnselen iets anders dan alleen een tijdkorting zullen ontdekken.
De Spiritistische wetenschap bestaat uit twee delen, het ene,
proefondervindelijk, over de openbaringen in het algemeen; het andere,
wijsgerig, over de intelligente openbaringen. Hij, die alleen het eerste
waargenomen heeft, bevindt zich in de toestand van iemand, die de natuurkunde
alleen uit vermakelijke proeven kent, zonder in de grond van de wetenschap te
zijn doorgedrongen. De ware spiritistische leer vindt men in het onderwijs dat
de Geesten ons geven, en de kennis, die deze wetenschap vereist is te ernstig,
om op een andere wijze dan door ernstige en aanhoudende studie in stille
afzondering en overdenking te kunnen verkregen worden, want dan alleen kan men
een oneindig aantal feiten en schakeringen opmerken, die de oppervlakkige
onderzoeker ontsnappen, en die het alleen mogelijk maken een goed oordeel te
vellen.
Indien dit boek geen andere uitkomst teweegbracht, dan de
ernstige zijde van de zaak aantonen, en studie daarover, uitlokken, zoude dit
al veel zijn, en zouden wij ons al gelukwensen uitverkoren te zijn geweest een
werk te volbrengen, waarvoor wij ons trouwens
persoonlijk niet de minste verdienste toekennen, daar de grondregelen die het
behelst, niet van onze vinding zijn, en de verdienste dus geheel toekomt aan de
Geesten, die het voorgeschreven hebben. Wij hopen dat het nog iets anders zal
doen, en wel de mensen, die begerig zijn kennis te verkrijgen, te leiden, door
hen in deze oefeningen op een groot en verheven doel te wijzen, namelijk: de
persoonlijke en maatschappelijke vooruitgang, en hen de weg te wijzen, die zij
volgen moeten om die te kunnen bereiken.
Laat ons met een laatste opmerking besluiten. De Sterrenkundigen
hebben bij het peilen van de ruimte, in de plaatsing van de hemellichamen open
vakken gevonden, die niet te verklaren en niet in overeenstemming waren met de
wetten die het geheel beheersen; zij hebben het vermoeden geuit dat die open
vakken ingenomen moesten zijn door wereldbollen, die totnogtoe aan hun blik
ontsnapt waren, daarbij hebben zij enige uitwerkselen waargenomen, waarvan de
oorzaken hen onbekend waren, en dit deed hen zeggen: er moet daar een wereld
zijn, want die ledige ruimte kan niet bestaan, en die waargenomen uitwerkselen
moeten een oorzaak hebben. Daarom de oorzaak naar het uitwerksel beoordelende,
hebben zij er de elementen van kunnen berekenen, en later zijn hun vermoedens
door feiten bevestigd. Laat ons nu die redenering op een andere gedachteloop
toepassen. Wanneer men de reeks van de schepselen nagaat, vindt men dat zij,
beginnende met de ruwe stof tot aan de meest ontwikkelde mens, een
aaneengeschakeld geheel vormt. Maar welk een oneindige afstand is er niet
tussen de mens en God, die de Alfa en de Omega is van al wat bestaat! Is het nu
met de rede overeen te brengen, te geloven dat de schakels van die keten bij de
mens eindigen - dat die keten zonder tussenschakel de afstand, die hem van het
Oneindige afscheidt, overspant? De rede zegt ons dat er tussen de mens en God
andere trappen moeten bestaan, zoals zij aan de sterrenkunde geleerd heeft, dat
ertussen de bekende wereldbollen ook nog onbekende moesten
zijn. Door welke wijsbegeerte is die gaping aangevuld? Het Spiritisme toont ons
die, vervuld met wezen van al de rangen van de onzichtbare wereld, en die
wezens zijn niet anders dan de geesten van de mensen, die de verschillende
trappen van ontwikkeling welke tot volmaaktheid leiden, bereikt hebben: alles
is dus aan elkaar verbonden, alles van Alfa tot Omega, aan elkaar geschakeld.
Gij, die het bestaan van de Geesten ontkent, vult gij dan die ruimte aan, die
zij innemen; en gij, die erom lacht, durft de werken Gods en zijne Almacht bespotten!
Allan Kardec.